CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

RO-BP-618.148.30-1e Herziening Buitengebied Oost-herstelbesluit_4sept2023-totaal

Gemeenteraad 18 september 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘1e herziening Buitengebied Oost’.33.631 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Leimuiden, Willem van der Veldenweg 51 Het voorgenomen plan betreft een wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Dit betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Met een historisch vooronderzoek bodem (Grondslag, 33022, 13 mei 2020, zie bijlage 14) is inzichtelijk gemaakt in hoeverre activiteiten in het verleden mogelijk verontreiniging van grond en/of grondwater kunnen hebben veroorzaakt. Hierbij is een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Daarnaast heeft het onderzoek als doel inzicht te verkrijgen in de te verwachtte algemene milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Uit het uitgevoerde historisch vooronderzoek bodem volgt dat er op basis van de historische en huidige (bodem)gegevens geen bronlocaties van mogelijke bodemverontreinigingen te herleiden zijn. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er van het dempingsmateriaal in de voormalige Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

72

watergang geen directe kwaliteitsgegevens bekend zijn. Ook is het onbekend waaruit het fundatiemateriaal bestaat ter plaatse van de verhardingen, zoals stelconplaten, asfalt, en tegels. Voorafgaand aan werkzaamheden in het dempingsmateriaal en het fundatiemateriaal is aanvullend bodemonderzoek vereist. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect bodem. Rijnsaterwoude, Herenweg 12 Het voorgenomen plan betreft een wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Dit betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Om vast te stellen of er aanleiding is om bodemverontreiniging te verwachten op de planlocatie is een historisch bodemonderzoek (Waders Milieu, 20404801H, 13 mei 2020, zie bijlage 15) uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat op de grens van de onderzoekslocatie een lichte tot matige bodemverontreiniging is aangetoond. Daarnaast wordt een aangrenzend deel van de locatie beschouwd als asbestverdacht. Deze bodemverontreiniging is gerelateerd aan de voormalige stortplaats. Deze bevindt zich circa 4 m lager dan de onderzoekslocatie. Tevens is de grondwaterstromingsrichting oostelijk. Op basis hiervan worden de verontreinigingen van de stortplaats niet verwacht op de locatie.

De verontreinigingssituatie is door middel van de onderzoeken in het verleden in voldoende mate vastgelegd. Na 1992 zijn geen bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd. Echter de meest recente rapporten zijn meer dan 5 jaar oud. Een onderzoek heeft conform de NEN 5740 een geldigheid van maximaal 5 jaar. Tussen de meest recente onderzoeken en heden is onder andere de wetgeving met betrekking tot de bodem(sanering) en analysetechnieken gewijzigd. Op basis van bovenstaande informatie wordt geen verontreiniging op de locatie verwacht. Specifiek betreft deze het westelijk deel van de kadastrale percelen 2624 en 2620, waarin een dijklichaam ligt. De bestemmingswijziging naar 'Wonen' is daarmee voldoende onderbouwd en uitvoerbaar. Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 10 Het voorgenomen plan betreft een gevoelig bodemgebruik, namelijk een bedrijfswoning. Omdat personen logischerwijs voor meer dan 8 uur in het plangebied verblijven, dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd te worden om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek (Inventerra, 19-2013-R01AvH, 26 maart 2019, zie bijlage 16) blijkt dat: · In de matig puinhoudende kleiige bovengrond (0,05 – 0,5 m-mv) bij G01 zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood en PAK aangetoond.

· De zandige bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en kleiige ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv) met diverse bodemvreemde materialen is matig verontreinigd met lood en zink en licht verontreinigd met diverse overige zware metalen, PAK en PCB. · In de kleiige ondergrond zonder bodemvreemde materialen (0,5 – 1,0 m-mv, MM3) zijn geen verontreinigingen aangetoond. · De kleiige bovengrond bij G04 (0,0 – 0,5 m-mv) met diverse bodemvreemde materialen is licht verontreinigd met diverse zware metalen en PCB. Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

73

· · ·

·

In de onverdachte kleiige ondergrond (1,0 - 2,0 m-mv) zijn lichte verontreinigingen met nikkel en molybdeen vastgesteld. In het grondwater op de onderzoekslocatie (pb-01) zijn een matig verhoogde concentratie barium en licht verhoogde concentraties nikkel, zink en naftaleen gemeten. Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is zowel op het maaiveld als in de bodem asbest aangetoond. Het gewogen gehalte asbest in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) bij G03 bedraagt 212 mg/kgds. Bij het waterbodemonderzoek is vastgesteld dat het slib bij afvoer als 'klasse Industrie' dient te worden beschouwd, maar ook dat het slib verspreidbaar is op de kant. Er is geen asbest in het slib aangetoond.

Om na te gaan of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreinigingen conform de Wet bodembescherming en dus van een saneringsnoodzaak, is nader onderzoek noodzakelijk naar de verontreinigingen met lood en zink, die ter plaatse van G03 zijn aangetoond in de grond van 0,0 tot 1,0 m-mv. Omdat de norm van 50 mg/kgds voor asbest in de grond wordt overschreden, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. De overige verontreinigingen vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Het nader onderzoek naar de aangetroffen verontreinigingen wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. De initiatiefnemer heeft in zijn exploitatie rekening gehouden met kosten voor een eventuele sanering. Er zijn voldoende financiële middelen beschikbaar voor de sanering van de verontreiniging met asbest en eventueel lood en zink. Daarmee is de kwaliteit van de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik (wonen) en is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect bodem. Voor het dempen van de watergang dient voldaan te worden aan het Besluit bodemkwaliteit. Voor het graven van de watergang ter compensatie van de te dempen watergang moet bij toepassing van de grond voldaan worden aan het Besluit bodemkwaliteit. .

Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 11 Het voorgenomen plan betreft de realisatie van één extra woning in een bestaand kantoorpand. Naar verwachting vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats in het plangebied, zodat nader inzicht in de milieu hygiënische bodemkwaliteit achterwege kan blijven. Tevens is gezien de bestemming Wonen van het gehele perceel de bodem reeds geschikt voor de beoogde ontwikkeling en kan bodemonderzoek ten behoeve van de planologische procedure achterwege blijven. Leimuiden, Westerdijk 12 De realisatie van een privacy-scherm betreft geen wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Daarnaast volgt uit het bodemloket dat deze locatie voldoende onderzocht en gesaneerd is. De bodemkwaliteit is daarmee geschikt voor de toekomstige functie. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Leimuiden, Bilderdam 39-40 Het voorgenomen plan betreft een bestemmingswijziging. De wijziging van de bestemming betreft een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. De gronden zijn momenteel in gebruik ten behoeve van het aanwezige bedrijf. Door IDDS is in juli 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de gewenste bestemmingswijziging (Verkennend bodemonderzoek, IDDS, 11 september 2020, opgenomen in bijlage 19). Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

74

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: · Ter plaatse van de onderzoekslocatie is, naast de aanwezigheid van verhardingslagen, sprakevan een toplaag met bijmengingen, in een gradatie van zwak tot sterk. Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie bestaat de toplaag uit sterk zandige klei; aan de zuidzijde bestaat de toplaag uit matig fijn zand. · Op basis van de onderzoeksresultaten is de toplaag overwegend licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. Plaatselijk zijn matig tot sterk verhoogde gehalten zware metalen aangetoond. Ons inziens is sprake van een heterogeen diffuus verontreinigde bodem (ophooglaag). De venige ondergrond is licht verontreinigd met zware metalen en minerale olie. · Op het voorterrein is plaatselijk een matig verhoogde gehalte minerale olie aangetoond. · Op basis van de oliechromatogram van betreffend monster (D01-2) wordt het oliegehalte veroorzaakt door bitumen. Rondom boring D01-2 zijn hooguit licht verhoogde gehalten minerale olie aangetoond. · Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Verder is tijdens het asbestonderzoek in de grond (NEN 5707) is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Ook een aanvullend onderzoek met inspectiesleuven (NEN 5707) concludeert dat de aangebrachte puinlagen geen asbest bevatten.

Op grond van bovenstaande informatie kan worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling van drie woningen op het perceel aan de Bilderdam 39-40 in Leimuiden. De omgevingsdienst heeft echter geconcludeerd dat het onderzoek niet helemaal volledig en juist is. Om deze reden is een voorwaardelijke verplichting voor nader onderzoek opgenomen. Leimuiden, Kerklaan 23w Het voorgenomen plan voorziet niet in een planologische functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Het perceel behoudt dezelfde functie alleen wordt anders vormgegeven. Uit het bodemloket is op te maken dat geen recent bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Omdat de te verplaatsen grond het plangebied niet verlaat, er een relatief klein en licht bijgebouw wordt geplaatst en de functie van de gronden niet wijzigt, bestaat geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Woubrugge, Oudendijkseweg 28 In het beoogde plan is geen sprake van concrete bouwplannen, functiewijziging of het oprichten van een milieugevoelige functie. Er vinden geen bodemroerende werkzaamheden plaats. Hierdoor is er geen bodemonderzoek vereist.

Mochten er in de toekomst uitbreidingen plaatsvinden dan dient in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.5.3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

75

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5)de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.6.2

Onderzoek In onderstaande tabel is voor elke locatie aangegeven of de ontwikkeling als ‘Niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kan worden aangemerkt. De voorgenomen ontwikkelingen zijn alle zodanig beperkt dat dit voor elk project te stellen is. Daarnaast blijkt dat de achtergrondconcentraties in de omgeving van de diverse plangebieden lager zijn de gestelde grenswaarden.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

76

Locatie

Is het project aan te merken als ‘NIBM’?

Leimuiden, Herenweg 15 en 17 Leimuiden, Vriezekoop Noord 4b Leimuiden, Westerdijk 60 - 61 Leimuiden, Molenkade 2 Leimuiden, Willem van der Veldenweg 51 Rijnsaterwoude, Herenweg 12 Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 10 Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 11 Leimuiden, Westerdijk 12 Leimuiden, Bilderdam 39-40 Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 17 Leimuiden, Kerklaan 23w Woubrugge, Oudendijkseweg 28

Ja Ja Ja Ja Ja

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Geen concrete bouwplannen Tabel 4.10: Overzicht ‘NIBM’ / ‘IBM’ per locatie.

Zijn de achtergrondconcentraties lager dan de gestelde grenswaarden? Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

De ontwikkeling zijn op zichzelf alle aan te merken als ‘Niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkelingen kennen echter wel een onderlinge samenhang omdat ze op, relatief korte afstand van elkaar gelegen zijn. In onderstaande afbeelding zijn de verschillende locaties weergegeven in de NSL-monitoringstool. In deze afbeeldingen zijn verschillende gebieden aangeduid waarbinnen de ontwikkelingen in samenhang bezien dienen te worden.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

77

Afbeelding 4.1: Ligging locaties op de NSL-monitoringstool. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het de verschillende plangebieden. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste en dichtstbijzijnde wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding 4.2, 4.3 en 4.4 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020 ter plaatse van de verschillende deelgebieden.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

78

Afbeelding 4.2: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020, deelgebied 1 (NSLmonitoringstool). Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van dit deelgebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 28,7 µg/m3, 19,4 µg/m3 en 11,2 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden.

Afbeelding 4.3: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020, deelgebied 2 (NSLmonitoringstool). Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van dit deelgebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 19,3 µg/m3, 18,7 µg/m3 en 10,9 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden.

Afbeelding 4.4: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020, deelgebied 3 (NSLmonitoringstool). Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

79

Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van dit deelgebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 28,7 µg/m3, 19,4 µg/m3 en 11,2 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. 4.6.3

Conclusie De ontwikkelingen zijn op zichzelf aan te merken als ‘Niet in betekenende mate bijdragend’ aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat de locaties op relatief korte afstand van elkaar gelegen zijn, is ook de samenhang en de situatie in groter perspectief bekeken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde normen uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.

4.7

Flora en fauna

4.7.1

Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Kaag en Braassem is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen).

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

80

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Met de Wnb zijn de verantwoordelijkheden voor het beleidsveld natuur overgedragen van het Rijk aan provinciale staten en gedeputeerde staten. De provincies hebben daarom via een verordening aanvullende regels vastgelegd voor de onderdelen faunabeleid, houtopstanden, tegemoetkoming faunaschade, soortenbeleid en Natura 2000. Tevens worden diverse vrijstellingen verleend in deze verordening. 4.7.2

Onderzoek Soortenbescherming In onderstaande tabel is voor elke locatie aangegeven of sprake is van ingrepen die kunnen leiden tot het overtreden van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Indien geen sprake is van dergelijke ingrepen worden geen verbodsbepalingen op het gebied van soortenbescherming overtreden. Als dergelijke ingrepen wel gepland zijn, leidt dit mogelijk wel tot overtreding van verbodsbepalingen.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

81

Locatie

Is er sprake van ingrepen die kunnen leiden tot overtreden verbodsbepalingen?

Kennen te slopen of te rooien gebouwen/ structuren essentiële betekenis?

Worden er verbodsbepalingen overtreden?

Leimuiden, Herenweg 15 en 17 Leimuiden, Vriezekoop Noord 4b

Slopen kassen Transformatie van grasland Nee Nee Verplaatsen portacabin, verwijderen groenstructuren Transformatie van grasland, rooien van bomen en groenstructuren Transformatie van grasland, dempen van watergang, bouw van één woning Onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7) Nee Ja, sloop van bebouwing Bij daadwerkelijk bouwen of slopen wordt t.b.v. omgevingsvergunni ng onderzoek gedaan. Ja (zie bijlage 20)

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee Nee

Nee Nee Nee

Nee

Nee

Mogelijk

Nee

Niet als rekening gehouden wordt met het broedseizoen en de zorgplicht wordt nageleefd Nee

Nee Nee

Nee Nee

n.v.t.

n.v.t.

Mogelijk

Niet als rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht wordt nageleefd. n.v.t.

Leimuiden, Westerdijk 60 - 61 Leimuiden, Molenkade 2 Leimuiden, Willem van der Veldenweg 51

Rijnsaterwoude, Herenweg 12

Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 10

Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 11 Leimuiden, Westerdijk 12 Leimuiden, Bilderdam 39-40 Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 17

Leimuiden, Kerklaan 23w

Bij daadwerkelijk n.v.t. bouwen of slopen wordt t.b.v. omgevingsvergunni ng onderzoek gedaan. Tabel 4.11: Overzicht ingrepen, betekenis gebouwen/ structuren verbodsbepalingen per locatie. Woubrugge Oudendijkseweg 28

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

en

overtreding

82

Leimuiden, Herenweg 15 en 17 Met betrekking tot beschermde dier- en of plantensoorten kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een natuurtoets niet noodzakelijk is en achterwege kan worden gelaten. De te slopen bebouwing - kassen - zijn voor vleermuizen weinig interessant als leefgebied. Ook zijn kassen niet geschikt voor verblijfsplaatsen van huismussen, gierzwaluwen of andere vogels met een jaarrond beschermd nest. Immers, de kassen zijn vrijwel volledig opgetrokken uit glas en metaal en het ontbreekt de kassen aan nissen waardoor verblijfsplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen en jaarronde soorten redelijkerwijs uitgesloten zijn. Teneinde de kassen te saneren hoeft geen opgaande vegetatie verwijderd te worden. Evenmin vinden werkzaamheden in de watergangen plaats. Met de planologische wijziging van een bedrijfswoning naar burgerwoning (Herenweg 17) gaan geen fysieke ingrepen gepaard. In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de uitvoering van de ingreep niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht wordt nageleefd. Daarmee is de aanvraag van een ontheffing en/of maken en uitvoeren van een mitigatieplan niet noodzakelijk. Leimuiden, Vriezekoop Noord 4b In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland waar schapen op lopen.

Het grasperceel heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tevens zullen er geen grootschalige werkzaamheden plaatsvinden die eventuele beschermde diersoorten zullen hinderen. Eventuele activiteiten die verstorend kunnen zijn voor broedvogels dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Indien binnen de broedperiode wordt gestart met verstorende activiteiten, moet voorafgaand aan de activiteiten aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Leimuiden, Westerdijk 60 - 61 De planlocatie is vrijwel geheel verhard, waardoor het voorkomen van streng beschermde soorten binnen of direct nabij onderhavig plangebied kan worden uitgesloten. Gelet op de reeds jarenlange aanwezige bebouwing en verharding ter plaatse, een bestemmingswijziging ter plaatse van bestaande bebouwing en bedrijfsactiviteiten van toepassing is, een functiewijziging in bestaande bebouwing plaatsvindt, er geen werkzaamheden aan het dak en de buitenmuren zullen plaatsvinden, en de aanwezigheid van beschermde dierenen plantensoorten ter plaatse van de bestaande bebouwing en verharding niet aannemelijk is, levert het aspect soortenbescherming geen planologische belemmeringen op. Leimuiden, Molenkade 2 Onderzoek naar soorten is in het kader van het herbestemmen van agrarische grond niet benodigd.

Hier is geen sprake van een bouwplan en het feitelijke gebruik zal in de nieuwe situatie hetzelfde zijn. Voor het bouwen van de garage en de overkapping is het niet noodzakelijk om bomen te rooien. Eventuele ingrepen aan het woonhuis, die benodigd zijn om de overkapping en de garage te bevestigen, zullen gering zijn. Met deze ontwikkeling worden geen verbodsbepalingen overtreden. Ten aanzien van de Wet natuurbescherming geldt altijd de zorgplicht.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

83

Leimuiden, Willem van der Veldenweg 51 In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland, verharding in de vorm van asfalt, betonplaten en tegels en enkele struiken. De graspercelen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Teneinde de berging / stalling te kunnen realiseren wordt de bestaande stacaravan, in de vorm van een portacabin, van het perceel verwijderd. De portacabin is een verplaatsbare unit van gestandaardiseerde afmetingen. Het dak is plat uitgevoerd en de wanden zijn van kunststof. Er bevinden zich geen spouwmuren of andere kieren. Daarmee is de huidige bebouwing niet geschikt als leefgebied voor vleermuizen of andere beschermde soorten. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (indicatief maart t/m medio juli, maar ook buiten deze periode). Rijnsaterwoude, Herenweg 12 In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland, bomen en andere groenstructuren. De graspercelen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tevens zullen er geen grootschalige werkzaamheden plaatsvinden die eventuele beschermde diersoorten zullen hinderen. Eventuele activiteiten die verstorend kunnen zijn voor broedvogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

Indien binnen de broedperiode wordt gestart met verstorende activiteiten, moet voorafgaand aan de activiteiten aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 10 In het voorgenomen plan wordt er geen bebouwing gesloopt. De gronden waar de bedrijfswoning is voorzien grenzen aan het bestaande erf of maken daar reeds deel van uit. Hier is kor gemaaid gras aanwezig dat regelmatig machinaal wordt gemaaid. Dit grasland heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De woning is deels beoogd op de locatie van de westelijk gelegen watergang. In de huidige situatie ontbreekt het in de watergang aan opgaande natuurlijke vegetatie, waardoor onvoldoende schuilplaatsen, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn voor zoogdieren. Tevens wordt de rust verstoord door de huidige bedrijfsactiviteiten op het perceel. Het dempen van de watergang kan uitgevoerd worden bij een watertemperatuur beneden 25 graden Celsius, een luchttemperatuur boven het vriespunt en indien er geen ijs op het water aanwezig is. Dempingswerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd buiten de gevoelige periode van vissen (voorplanting en in mindere mate overwintering). Er mag niet gewerkt worden in de periode van maart tot en met juli.

Bij voorkeur vinden de werkzaamheden plaats in de periode van augustus tot en met oktober. Tijdens de werkzaamheden bij het dempen dient op gepaste snelheid één werkrichting aangehouden te worden, om vogels, vissen en amfibieën de mogelijkheid te bieden het plangebied uit eigen beweging te verlaten. Deze werkrichting is zuidelijk bij de te dempen watergang (dempen richting open water). Omdat slechts een deel van watergang wordt gedempt, kan het overige deel van watergang en de bijbehorende oever als veilige schuilplaats dienen tijdens de werkzaamheden. Daarnaast wordt aanbevolen om als eerste de compensatiesloot te graven alvorens te beginnen met het dempen van de bestaande watergang. De uitgegraven grond kan op deze manier gebruikt worden voor het dempen van de bestaande sloot. Dit vermindert het transport van grond van en Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

84

naar het plangebied en zorgt ervoor dat alleen gebiedseigen grond gebruikt wordt om de sloot te dempen. Alvorens de bestaande watergang te dempen wordt aangeraden om de grond minstens één dag op de oever te laten liggen voordat het wordt gebruikt om te dempen. Dit geeft de eventuele fauna die zich in de bodem verschuilt voldoende tijd om uit de grond te vluchten. Tevens dient er tijdens de uitvoering rekening gehouden te worden met het ontstaan van potentieel leefgebied en daarmee de kans op vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen, zoals het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek. Tijdens de werkzaamheden mogen geen broedende vogels worden verstoord en mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernietigd, wat bereikt kan worden door de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te starten, waardoor vogels niet in of in de omgeving van het plangebied gaan broeden. In algemene zin kan redelijkerwijs worden gesteld dat op grond van de mogelijke effecten de uitvoering van de ingreep niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht wordt nageleefd.

Met het werken buiten het broedseizoen en de eerder genoemde maatregelen, is de aanvraag van een ontheffing en/of maken en uitvoeren van een mitigatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande is het voorgenomen plan uitvoerbaar voor het aspect ecologie. Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 11 Er is een quickscan uitgevoerd in het kader van voorgenomen ontwikkeling, zie bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat: · Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen worden uitgesloten. Mogelijk verblijven er algemene vogels, vliegen en foerageren er vleermuizen. · Negatieve effecten op vogels, vliegende en foeragerende vleermuizen worden uitgesloten. · Het plangebied is mogelijk geschikt voor algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën (soorten van de 'nationale lijst’). Voor deze soorten geldt op grond van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland een vrijstelling bij ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. · Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. · Zorgplicht. Dit houdt in dat bij menselijk handelen voldoende zorg in acht wordt genomen voor beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Ook mag men het welzijn van dieren niet onnodig aantasten en dieren niet onnodig laten lijden.

Nader onderzoek Het ecologisch onderzoek beperkt zich tot de verbouw van het kantoor tot woning. De drie oude vervallen schuren dienen hiermee in samenhang gerenoveerd te worden. Wanneer de schuren worden gerenoveerd worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en/of vogels vernield. Voordat gestart kan worden met de renovatie van de schuren dient aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten op kunnen treden voor vleermuizen en/of vogels. Leimuiden, Bilderdam 39-40 In de huidige situatie bestaat het plangebied ter plaatse van de gronden met een bedrijfsbestemming voornamelijk uit bedrijfsbebouwing. Het plangebied is ongeschikt voor vaste Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

85

rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen. Voor zowel de huismus als gierzwaluw ontbreken geschikte holten om vaste rust- en verblijfsplaatsen te herbergen. Op basis van een ecologisch onderzoek (Ecoresult, 3 september 2020, opgenomen in bijlage 19) zijn geschikte holten aanwezig en zijn potentiële vaste rust- en verblijfsplaatsen van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer uit te sluiten. Voor uilensoorten ontbreken geschikte nestkasten in het plangebied. Ten aanzien van gebouwbewonende vleermuizen kan worden gesteld dat het plangebied ongeschikt is voor vaste rust- en verblijfsplaatsen. Tijdens de bouw van de beoogde woningen wordt aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, de gelegenheid geboden om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats. Ook worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels gestart. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Indien door omstandigheden binnen de broedperiode wordt gestart met verstorende activiteiten, moet voorafgaand aan de werkzaamheden worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in het plangebied aanwezig zijn. Tot slot geldt in alle gevallen de zorgplicht.

Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan het initiatief voor de Bilderdam 39-40 in Leimuiden. Hoogmade, Van Klaverweijdeweg 17 Er is een quickscan uitgevoerd met het oog op de mogelijke aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten (planten en dieren). De quickscan d.d. 17 april 2020 is als bijlage 21 bij deze toelichting. De quickscan heeft de volgende bevindingen opgeleverd: · Er zijn geen geschikte verblijfplaatsen (in bomen, of in gebouwen) van vleermuizen aangetroffen. De planlocatie is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen of onderdeel van een vliegroute. · De planlocatie is geschikt voor andere beschermde soorten zoogdieren (grondgebonden zoogdieren) waarvoor vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. · In het gebied zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen en ook niet van andere vogels. Algemeen voorkomende soorten kunnen wel gaan broeden in het plangebied. Daarom moet wel met het broedseizoen van vogels rekening worden gehouden. · Er is geschikt oppervlaktewater voor watergebonden organismen. · Amfibieën kunnen worden aangetroffen op de planlocatie in de winterperiode. In alle gevallen geldt de zorgplicht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten.

Leimuiden, Kerklaan 23w In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is door Elsken Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 20. Uit deze quickscan blijkt dat voor door de Wet natuurbescherming beschermde (verblijfplaatsen van) vogels, reptielen, amfibieën, vaatplanten, vissen, dagvlinders en/of libellen geen geschikte groeiplaatsen, nesten en/of leefgebied zijn aangetroffen. Wel kunnen algemene broedvogelsoorten in de begroeiing op het erf broeden in de begroeiing en aanwezige holten. Derhalve moeten de groenstructuren buiten het broedseizoen worden verwijderd, of er moet voorafgaand aan de werkzaamheden in het broedseizoen door een ecoloog worden geconstateerd dat er geen vogels broeden. Let wel, indien er vogels broeden mogen deze Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

86

niet worden verstoord. De geïnspecteerde holten hebben anders dan voor algemene broedvogelsoorten, geen functie voor bijvoorbeeld vleermuizen. De holten zijn daartoe gecontroleerd en ongeschikt bevonden. Gebiedsbescherming In onderstaande tabel is voor elke locatie aangegeven of deze onderdeel uitmaakt van Natura 2000-gebied, NNN-netwerk, provinciaal weidevogelgebied en/of strategische reservering natuur. Daarnaast is aangegeven of er sprake is van karakteristieke landschapselementen. Ook is aangeven wat de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is. Ten slotte is aangegeven of sprake is van significante externe werking als gevolg van de ontwikkeling. zijn. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Met inachtneming van voorgenoemde kan er redelijkerwijs worden aangenomen dat er geen sprake is van vestiging van beschermde soorten. Locatie

Maakt de locatie onderdeel uit van Natura 2000-gebied, NNN-netwerk, provinciaal weidevogelge bied en/ of strategische reservering natuur? Nee

Is er sprake van karakteristieke landschapseleme nten?

Wat is de afstand tot Natura 2000gebieden?

Wat zijn de stikstof emitterende activiteiten?

Is er sprake van significa nte externe werking ?

Nee

10 kilometer

Nee

Leimuiden, Vriezekoop Noord 4b Leimuiden, Westerdijk 60 - 61

Nee

Nee

10 kilometer

Sloop kassen, gebruik gronden als akker- en/of grasland Nee

Nee

Nee

11 kilometer

Nee

Leimuiden, Molenkade 2

Nee

Nee

11 kilometer

Leimuiden, Willem van der Veldenweg 51

Nee

Nee

10 kilometer

Realisatie appartemente n in bedrijfsgebou wen, bouw havenkantoor met receptie en opslag Realisatie veranda en bouw garage Realisatie nieuwe berging, sloop

Leimuiden, Herenweg 15 en 17

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

Nee

Nee

Nee

87

Rijnsaterwou de, Herenweg 12 Hoogmade, Van Klaverweijde weg 10

Nee

Nee

9,5 kilometer

Nee

Nee

5,7 kilometer

Hoogmade, Van Klaverweijde weg 11

Nee

Nee

5,7 kilometer

Leimuiden, Westerdijk 12 Leimuiden, Bilderdam 39-40

Nee

Nee

11,9 kilometer

Ja

Nee

6,9 kilometer

Hoogmade, Van Klaverweijde weg 17 Leimuiden, Kerklaan 23w

Nee

Nee

5,4 kilometer

Ja

Nee

11,9 kilometer

bestaande buitenopslag Nee

Nee

Dempen watergang, realisatie bedrijfswonin g Renovatie schuren en realisatie inpandige woning Realisatie privacyscher m

Nee

Sloop bedrijfsbebou wing, realisatie woningen Uitbreiding werkplaats

Nee

Afgraven grond, dempen water, sloop bestaande bijgebouw, bouw nieuw bijgebouw Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee 7.4 Nee Woubrugge, Nee kilometer Oudendijkse weg 28 Tabel 4.12: Overzicht ligging t.o.v. natuurgebieden en externe werking op gebied per locatie. Leimuiden Kerklaan 23w In het kader van deze ontwikkeling is een ecologische quickscan opgesteld. Deze quickscan is te raadplegen in bijlage 20. Hierin is ook expliciet aandacht besteed aan soortenbescherming. De wezenlijke waarden van het Natuur Netwerk Nederland zijn getoetst en daaruit blijkt dat geen negatieve effecten op de wezenlijke waarden worden verwacht. Ook vanuit de Natura-2000 zijn geen bezwaren op de voorgenomen ruimtelijke ingrepen.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

88

Natura 2000-gebieden Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) een belangrijke uitspraak gedaan in verband met het Programma Aanpak Stikstof (‘PAS’).6 Kort samengevat maakte het PAS het mogelijk om in plaats van een passende beoordeling te maken, te verwijzen naar het PAS. De gedachte daarbij was dat in het PAS maatregelen opgenomen waren die (uiteindelijk) een vermindering van stikstof tot gevolg zouden hebben, waardoor er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen zou ontstaan. Voor projecten met een zeer kleine stikstofdepositie (tot 0,05 mol/ha/jaar) gold dat deze zonder voorafgaande toestemming konden worden gerealiseerd. Projecten met een stikstofdepositie tussen de 0,05 en 1,0 mol/ha/jaar moesten worden gemeld, waarna de ontwikkelingsruimte gereserveerd werd in het PAS. De eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling heeft tot gevolg dat het PAS niet langer kan worden gebruikt. Als gevolg daarvan mag voortaan voor stikstofdepositie niet meer worden verwezen naar het PAS (de wetgeving die hierop betrekking heeft is door de Afdeling onverbindend verklaard), maar moet iedere ontwikkeling op de eigen merites worden beoordeeld. Feitelijk is de situatie op dit moment dus zoals deze was voordat het PAS in werking trad.

Als sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten, dan moet eerst worden beoordeeld of significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Kunnen deze effecten niet worden uitgesloten, dan zal door middel van een passende beoordeling moeten worden getoetst of de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Is dat niet het geval, dan kan de vereiste toestemming op grond van de Wet natuurbescherming worden verleend. Worden de natuurlijke kenmerken van het gebied wel aangetast, dan kan een zogeheten ADC-toets worden uitgevoerd. Met de ADC-toets wordt bedoeld dat moet worden aangetoond dat: (A) geen alternatieven bestaan voor de ontwikkeling, (D) de ontwikkeling een dwingende reden oplevert van groot openbaar belang, en (C) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de omgeving van de deelgebieden zijn de Natura 2000-gebieden ‘De Wilck’, ‘Nieuwkoopse Plassen & de Haeck’, ‘Meijendel & Berkheide’, ‘Coepelduynen’, ‘Kennemerland-Zuid’ en ‘Botshol’ gelegen. Deze gebieden liggen respectievelijk op circa 4.7, 9.4, 10.5, 12, 12.5 en 13.3 kilometer. Het dichtstbijzijnde gebied ‘De Wilck’ is niet stikstofgevoelig. De overige Natura 2000-gebieden liggen op circa 10 kilometer afstand.

Gelet op die afstand kunnen ook ten aanzien van die Natura-2000 gebieden significante effecten worden uitgesloten. Bovendien wordt de bebouwing in het plangebied gasloos aangelegd. De uitstoot van stikstof door de ontwikkelingen wordt alleen veroorzaakt door het extra verkeer als gevolg van de ontwikkelingen en de aanlegfase van de diverse ontwikkelingen. Gezien de beperkte omvang van de activiteiten, zie tabel 4.12 zijn significante effecten uitgesloten Gezien de aanzienlijke afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied en het huidige gebruik worden andere negatieve effecten zoals lichthinder, geluid en dergelijke niet verwacht. Met de voorgenomen ontwikkelingen worden geen verbodsbepalingen voor wat betreft gebiedsbescherming geschaad.

6

ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603. Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

89

4.7.3

Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna gelden, indien voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden, geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Wel dient voor alle in het wild levende plantenen diersoorten de zorgplicht in acht te worden genomen. In het kader van gebiedsbescherming worden geen verbodsbepalingen overtreden.

4.8

Water

4.8.1

Kader Europees en rijksbeleid Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

90

Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Op 29 juni 2016 is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 in werking getreden. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig.

Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan Rijnland 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. In het vijfde waterbeheerplan (WBP5) geeft het Hoogheemraadschap van Rijnland richting aan het waterbeheer voor de periode 2016 -2021. Door niet tegen het water te strijden maar met het water mee te bewegen kan het beheergebied met innovatieve en duurzame oplossingen zo worden ingericht dat ook toekomstige generaties prettig kunnen wonen, werken en recreëren, tegen zo laag mogelijke kosten. Dit alles vraagt om zorgvuldige afwegingen tussen de belangen voor de mens, de natuur en de economie, waarbij het vinden van de juiste balans tussen deze drie de grote uitdaging is. In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Kort samengevat gaat het om: · Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren. Voldoende Water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. · Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken.

Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Om deze doelen te bereiken hanteert het Hoogheemraadschap een manier van denken en werken die uitgaat van kansen, samenwerken en het zoeken naar nieuwe wegen. Het Hoogheemraadschap werkt daarbij samen met inwoners en bedrijven in het gebied, hun wensen en belangen staan centraal. Daarnaast streeft het HHR naar een duurzame en innovatieve werkwijze, tegen zo laag mogelijk kosten.

Bestemmingsplan “1e herziening Buitengebied Oost” Toelichting Vastgesteld (herstelbesluit), 4 september 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=8fae02b9-a42f-4563-9dda-f5c98e2d6de6