CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Ripselaan 6, Rijpwetering bestemmingsplan

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Coördinatiebesluit: Ontwerpbestemmingsplan Ripselaan 6 Rijpwetering en aanvraag omgevingsvergunning (477431 en 534912)24.399 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. 4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).

Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

29

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving.

Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Er is reeds sprake van een bestaande manege, paardenhouderij en jongvee opfokbedrijf. Met voorgenomen ontwikkeling wordt alleen het bouwvlak vergroot zodat een bestaand parkeerterrein en een bestaande paardenbak planologisch toegestaan worden. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op de locatie is een manege gevestigd. Hiervoor gelden de volgende richtlijnafstanden conform de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering: Geur: 50 meter Geluid: 30 meter Stof: 30 meter Gevaar: 0 meter. De recreatiewoning maakt onderdeel uit van de inrichting. Er is sprake van een voldoende technische, functionele en organisatorische samenhang met de manege. De recreatiewoning staat op het terrein van de manege en dezelfde personen die de manege exploiteren, zullen de recreatiewoning gaan exploiteren. Daarbij komt dat een recreatiewoning geen gevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij is. Een recreatiewoning is ook geen gevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. De afstand van de recreatiewoning tot de gevel van de dichtstbijzijnde paardenstal bedraagt ongeveer 30 meter. De afstand van de werktuigenberging tot de recreatiewoning bedraagt ongeveer 2 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtlijnafstanden. Desondanks is er sprake van een goed woon- en leefklimaat 30

omdat de werktuigenberging slechts wordt gebruik een aantal maal per dag voor machines om in en uit te rijden. Het betreft dus geen constante bron van geluid. In de nacht wordt de werktuigenberging niet gebruikt. Geluidhinder zal daarom minimaal zijn. De afstand waar de paarden gestald zullen worden in de nieuwe paarden stal en de recreatiewoning zal 45 meter bedragen. Hiermee wordt net niet aan de richtlijnafstand voldaan betreffend geur. De geurhinder zal ook minimaal zijn omdat er tussen de paardenstal en recreatiewoning, de werktuigenberging aanwezig is. Deze houdt al een deel van geur tegen. Daarbij betreft het een recreatiewoning waar mensen slechts kortstondig verblijven en niet bedoeld is voor langdurig aangesloten gebruik door dezelfde personen. De personen die verblijven in de recreatiewoning weten dat zij zich op een manege bevinden. Hiermee is een kortere afstand van 50 meter acceptabel. In de omgeving zijn verder geen bedrijven gevestigd die invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat in de recreatiewoning. De afstand van de recreatiewoning tot de doorgaande weg bedraagt ongeveer 7 meter. Deze afstand is kort, echter de personen die verblijven in een recreatiewoning zullen daar slechts kort verblijven. Hierdoor is er geen sprake van onevenredige overlast en is dit acceptabel.

Hiermee kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de recreatiewoning.

4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. De veiligheidsregio is op 19 november 2021 om advies gevraagd en heeft op 23 december 2021 advies uitgebracht. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het plan. Zie hiervoor Bijlage 3 Advies Veiligheidsregio 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt.

Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn. De locatie is rood omcirkelt. 31

Figuur 9. Uitsnede Risicokaart (bron: risicokaart.nl). 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. 4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie.

Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. In het verleden is een bodemonderzoek uitgevoerd. (Van Dijk; kenmerk 5259.03; d.d. 9 januari 2004). Bij het project zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de ontwikkelingen omdat de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hiermee kan worden aangenomen dat de er geen belemmeringen zijn te verwachten voor de ontwikkelingen omdat de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

32

4.1.8 Directe ammoniakschade Bij een intensief varkens- of pluimveebedrijf kan sprake zijn van directe ammoniakschade. Dit is de schade die ammoniak uit de stallen van dergelijke bedrijven kan veroorzaken aan gewassen die verbouwd worden nabij de stal. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer is ammoniakschade echter niet opgenomen omdat dit wordt gezien als bedrijfsschade in plaats van als milieuschade. Het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek heeft in 1981 het rapport "Stallucht en Planten" opgesteld. Hierin worden de gevolgen van ammoniak uit dergelijke bedrijven op verschillende gevoelige planten en/of bomen uiteengezet. In dit rapport zijn richtafstanden opgenomen tussen de stallen en gevoelige planten en/of bomen. Indien gewenst kan in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met de in het rapport genoemde afstanden tussen bedrijfsmatige boomkwekerijen en de stallen. In 1996 is het rapport aangevuld met het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen, update van een risicoschatting" van het Instituut AB-DLO van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). In november 1998 is door middel van een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid aan dit rapport gegeven.

Tevens is de bijbehorende notitie "Risico van gewasschade in de directe omgeving van ammoniakbronnen” van AB-DLO van 23 juli 1997 bekend gemaakt. De vraag is in hoeverre ook dit rapport en deze notitie bij de beoordeling van directe ammoniakschade afkomstig van een vergunningplichtige inrichting betrokken dient te worden. Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze notitie bij beoordeling van plannen of projecten ten behoeve van een varkens- en/of pluimveebedrijf niet gehanteerd hoeft te worden. De richtafstanden uit het rapport “Stallucht en Planten” kunnen echter toegepast worden bij ontwikkeling van een dergelijk intensief veehouderijbedrijf. Het rapport 'Stallucht en Planten” geeft richtafstanden van 50 meter tussen stallen en gevoelige planten en bomen (zoals coniferen) en 25 meter tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen. Nabij de locatie zijn geen bedrijfsmatige boomkwekerijen gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen ondervinden van het bedrijf van de initiatiefnemer. Hiermee zal geen sprake zijn van directe ammoniakschade. 4.1.9 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.

Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 33

In de bijlage bij het besluit wordt in activiteit D9 een landinrichtingsproject genoemd. Het plan en dewijzigingen (inclusief de aanpassing van de bestemming van de grond met, op dit moment eenagrarische bestemming) kunnen in termen van activiteit als landinrichtingsproject beschouwd worden. Het plan betreft de vergroting van het bestemmingsvlak ‘Gemengd’ van 1,5 ha naar 1,7 ha. Uit de verbeelding is af te leiden dat het gehele bestemmingsvlak tevens het bouwvlak is. Voor het bouwvlak geldt een maximaal bebouwingspercentage van 80%. Naast de vergroting van het bestemmingsvlak wordt de bestemming intensieve veehouderij geschrapt en worden een aantal activiteiten gewijzigd. Uit diverse jurisprudentie in relatie tot het Besluit m.e.r. blijkt dat niet alleen de omvang van de wijziging, maar ook de vigerende bestemming van het gebied een rol speelt bij het bepalen of er sprake is van een activiteit genoemd in lijst D van de bijlage van het Besluit m.e.r. Deze jurisprudentie vaak betrekking hebben op de vraag of een aangevraagde activiteit wel of niet moet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling. Echter, naar analogie met deze jurisprudentie over de reikwijdte van een stedelijke ontwikkeling is gelet op de aard en omvang van de wijzigingen en activiteiten, er geen sprake is van een landinrichtingsproject, zoals bedoeld in D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

de conclusie is dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. Er hoeft geen (vormvrij) m.e.r.beoordelingsbesluit genomen te worden. Hierbij speelt ook een rol dat voor functiewijziging van landbouwgrond de (indicatieve) drempelwaarde van 125 hectare of meer betreft. Een wijziging van 0,5 ha is minder dan 0,5% van de drempelwaarde. Er hoeft derhalve geen (vormvrij) m.e.r-beoordelingsbesluit genomen te worden.

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht voor de gebiedsbescherming en een ontheffingsplicht voor de planten- en soortenbescherming. Een vergunning/ontheffing voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied "De Wilck" is gelegen op een afstand van ongeveer 10 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter neemt het aantal dieren niet toe in de inrichting, Ook zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Daardoor zal er geen toename zijn van stikstofdepositie in omringende Natura 2000 gebieden.

34

F iguur 10. Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden (bron: AERIUS Calculator). In artikel 3.4 Strijdig gebruik stikstof van de bestemmingsplanregels wordt de stikstofdepoisite beperkt door de aanwezige vergunning op basis van de Wet natuurbescherming. Conform de huidige Natuurbeschermingswetvergunning worden ter plaatse 100 stuks vrouwelijk jongvee A3.100, 186 volwassen paarden K1.100 en 30 volwassen pony's K3.100 gehouden. Een eventuele uitbreiding van dieraantallen op de locatie dient gekoppeld te worden aan nieuwe vergunning op basis van de Wet natuurbescherming. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

35

4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.

Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.

Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit grasland en is regelmatig in beroering. Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Er worden geen beschermde soorten verwacht waarvoor geen algemene vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten de broedperiode gestart te worden. Indien binnen de 36

broedperiode gestart wordt met verstorende activiteiten, moet aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. De initiatiefnemer zal hier rekening mee houden. 4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 900 meter.

Figuur 11. Uitsnede kaart NNN (bron: Provincie Zuid-Holland). Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden. Het plangebied is wel gelegen in een weidevogelgebied of de strategische 37

reservering natuur. Hier liggen echter geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden veroorzaken geen planologische belemmeringen voor het initiatief. 4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Hoewel in de provincie Zuid-Holland geen Wav-gebieden zijn aangewezen, zijn deze gebieden altijd gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent niet dat alle NNN-gebieden ook zijn aangemerkt als Wav-gebieden, maar wel dat alle Wav-gebieden eveneens zijn aangemerkt als NNN-gebieden en ook als dusdanig zijn opgenomen op de betreffende kaart (Gebiedsbescherming weidevogelgebied).

Zoals aangetoond in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) is de locatie niet binnen 250 meter van een NNN-gebied gelegen. Hiermee kan de locatie dus ook niet binnen 250 meter van een Wav-gebied gelegen zijn, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige aantasting van de betreffende gebieden.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals-)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Kaag en Braassem voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Lage verwachting'.

38

Figuur 12. Uitsnede archeologische verwachtingskaart (bron: Gemeente Kaag en Braassem). Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat in gebieden van 'Lage verwachting' geen beperkingen gelden en dat de bodem niet in huidige staat behouden hoeft te blijven. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad. 4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Het rood gearcheerde zijn de 'Middeleeuwse stads- en dorpskernen - kenmerken. Deze kernen liggen aan de westerzijde van de inrichting en de paardenbak zal worden gebouwd aan de oosterzijde van het perceel. Er zal op dit punt geen beïnvloeding zijn van de cultuurhistorische waarden. De windmolens en de bijbehorende molenbiotoop staan ook aangegeven op de kaart.

De locatie valt buiten de molenbiotoop dus er zal geen sprake zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

39

Figuur 13. Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zuid-Holland). Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Ripselaan. De locatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Het parkeerterrein zal na de bestemmingswijziging ongeveer 1474 m² bedragen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden. Zie voor een verdere onderbouwing paragraaf 3.3.3 Parkeernota.

40

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van vergroting van een bouwvlak ten behoeve van een manege. De parkeerplaats wordt door deze bestemmingswijziging vergroot. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Dit komt omdat de bestemmingswijziging geen bedrijfsvergroting in zal houden. De bestaande activiteiten worden geconsolideerd. De intensieve tak zal daarbij verdwijnen en daarvoor komen geen nieuwe activiteiten in de plaats. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving. Mocht er in de toekomst wel sprake zijn van nieuwe activiteiten dan zal er rekening worden gehouden met de mogelijke impact van verkeersbewegingen.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het waterschap). Het Waterschap is op 8 februari 2022 om advies gevraagd en heeft op 18 februari 2022 aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben.

Zie hiervoor Bijlage 4 Advies waterschap. Het advies van het Waterschap wordt opgevolgd en de compensatie wordt in hetzelfde peilgebied aangebracht. 4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het uitbreiden van het parkeerterrein, het overdekken van een reeds aanwezige onoverdekte paardenbak en het realiseren van een recreatiewoning. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de richtlijn dat minimaal 15 % van de toename van het verharde oppervlak dient te worden gecompenseerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak toenemen met ongeveer 3.100 m2. Vanuit het beleid van het waterschap (15 % van de toename van het verhard oppervlak) is voor de gewenste ontwikkeling hiermee een compensatie nodig van 465 m².

De toegepaste verharding is halfverharding. Zie hiervoor 11.3 Algemene regel van de Uitvoeringsregels Keur 2017. Bij een toename van minder dan 5.000 m² aan verhard oppervlakte moet er twee weken voor de start van de werkzaamheden dit worden gemeld bij het Hoogheemraadschap. Compensatie zal plaatsvinden door middel van waterberging. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 4.5.2). Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden: 41

zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; een bergingsvoorziening gerealiseerd. Als in de toekomst extra verharding wordt aangebracht dan is het wenselijk dat de nieuwe sloten haaks op de weg langs de westgrens van het (nieuwe) bouwvlak worden gegraven 4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de vorige paragraaf is voor de voorgenomen ontwikkeling 465 m² aan compenserende waterberging nodig. Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de GHG ter plaatse minder dan 40 centimeter onder het maaiveld.

Figuur 14. Uitsnede kaart grondwaterstanden (bron: Alterra Wageningen UR). Infiltratie is doorgaans goed mogelijk wanneer de GHG op minimaal 50 centimeter onder het maaiveld is gelegen. Met een gemiddelde GHG ter plaatse van minder dan 40 centimeter onder maaiveld is infiltratie niet goed mogelijk en dient te worden voorzien in passende waterberging. De compensatie van de toename verharding binnen de polder Drooggemaakt Veender- en Lijkderpolder dient op hetzelfde peil van deze polder te worden gecompenseerd. De compenserende maatregelen zullen plaatsvinden aan de rechterzijde van het perceel. Dit is binnen hetzelfde peilgebied.

42

Bron: DLV Advies Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Het Waterschap heeft aangegeven dat in ieder geval een watervergunning nodig is. Deze en mogelijk overige vergunningen zullen te zijner tijd worden aangevraagd.

43

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Kaag en Braassem. Er zal tevens een anterieure overeenkomst gesloten worden tussen de gemeente en de initiatiefnemer om ook zaken zoals eventuele planschade te regelen.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied West" van gemeente Kaag en Braassem en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl. Voorafgaand is er met de Provincie voor het voorliggende ontwerpbestemmingsplan ambtelijke afstemming geweest. De reactie van de provincie was als volgt: "De ontwikk elingen die mogelijk worden gemaakt met het betreffende plan hebben een verstorend effect op weidevogels. De uitbreiding ten opzichte van de al aanwezige bebouwing is echter van een beperk te omvang en worden mogelijk gemaak t in een gebied waar al verstorende elementen als bebouwing en bomen aanwezig zijn. Het verstoringsgebied zal door deze ontwikkeling niet toenemen, waardoor er geen significante aantasting zal zijn van belangrijk weidevogelgebied.” "We merken nog wel op dat de naastgelegen percelen worden gebruikt voor het stallen van het één en 44

ander en dat lijkt ons niet de bedoeling. Het zijn agrarische gronden met natuurwaarden (immers weidevogelgebied), waar wat ons betreft alleen activiteiten thuishoren die vallen onder een agrarische bedrijfsvoering. Daarvan is hier geen sprake." Het Waterschap is op 8 februari 2022 om advies gevraagd en heeft op 18 februari 2022 aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben. Zie hiervoor Bijlage 4 Advies waterschap. De veiligheidsregio is op 19 november 2021 om advies gevraagd en heeft op 23 december 2021 advies uitgebracht. Zij hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het plan. Zie hiervoor Bijlage 3 Advies Veiligheidsregio

45

Hoofdstuk 6 6.1

Wijze van bestemmen

Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.

het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2

Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart). 6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. 46

Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument. 6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde.

Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht.

Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels. 6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding.

Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag. 47

6.3

Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming: 'Gemengd', waarbij de functie het uitoefenen van een grondgebonden agrarisch bedrijf, een manege en een zorgboerderij; worden neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: De aanduiding 'intensieve veehouderij' is verwijderd uit de regels. Hierdoor is het uitoefenen van een intensieve veehouderij bij wijze van neventak niet meer toegestaan. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

48

Bijlagen bij de toelichting

49

Bijlage 1

Situatietekening en landschappelijke inpassing

50

Renvooi

Rij knotwilgen kniehoog

Kardinaalsmuts (boomvorm)

Kardinaalsmuts (boomvorm)

B

Knotwilg (knie hoog)

Aanzicht B Inpassing bij de recreatie woning (noord)

Recreatie woning

Beplantingsstrook nieuw; Wilg Salix chemesina Op kniehoogte knotten zodat er een lage wilgenstrook ontstaat. Hoogte 3-4 meter

Beplantingsstrook nieuw; Meidoorn, Gewone vlier, Gelderse roos en Vuilboom.

Kardinaalsmuts (boomvorm)

A Situatie Gemeente Sectie Nummer Schaal

Situatie tekening t.b.v. Beplantingsplan

Aanzicht A Inpassing ronde balen (zuid)

Benaming:

Opdrachtgever Situatietekening t.b.v. beplantingsplan Omgevingsvergunning: activiteit bouwen Dhr.H.P.J. Duivenvoorden Rijpselaan 6 Opdrachtgever: DLV Advies 2375NA Rijpwetering Dhr. H.P.J. Duivenvoorden Postbus 511 Ripselaan 6 2375 NA Rijpwetering Telefoon: 071-5012009

Beplantingsstrook nieuw; Meidoorn, Gewone vlier, Gelderse roos en Vuilboom. 3-4 meter hoog

Bestaand, wilg , esdoorn en es

Getekend : Jans Bos Formaat Bouwlocatie: A3 Ripselaan 6 Datum 28-2-2023 2375 NA Rijpwetering

E-mail: Projectleider: Telefoon: E-mail:

Formaat:

1:1000

A4

Datum:

04-09-2018

HvB

Wijzigingen:

5400 AM Uden Telefoon:

Schaal:

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl Ing. C. de Ruijter 06-53169175 C.deruijter@dlvadvies.nl

A

28-09-2021

B

RD C D

Klantnummer:

300654

Werknummer:

B180210-91

Blad:

S11

Bijlage 2

Beplantingsplan

52

Landschappelijke inpassing Duivenvoorde 28 februari 2023

Onderdelen beplantingsplan

De recreatiewoning aan de Ripselaan wordt landschappelijk ingepast. Het beplantingsplan bestaat uit een aantal onderdelen: - Het aanplanten van een wilgenrij, ter begeleiding van de bestaande sloot aan noordelijke zijde. - Het doel is om het zicht vanaf de openbare weg op de loods met beplanting weg te nemen. Een bomenrij komt daarvoor in aanmerking vanwege de beperkte ruimte tussen de slootkant en de loods. Om het predatoren moeilijk te maken is het belangrijk om voor lagere beplanting te kiezen, maar een landschappelijke haag wordt op deze plek te breed in verband met onderhoud aan loods en sloot. Daarom is hier gekozen voor een knotwilg die op kniehoogte wordt geknot en zo een geringe …….hoogte bereikt. - Het planten van een enkele solitair op het voorerf van de woning.

J.Bos Tuinontwerp en Advies - www.jansbos.nl - info@jansbos.nl

De inpassing bij de opslag van ronde balen (zuidkant) Hier is voor grote struiken gekozen in plaats van bomen om vestiging van predatoren tegen te gaan. Door de struiken gemengd bij elkaar te planten ontstaat er een landschappelijke haag. Deze haag biedt vele toepassingsmogelijkheden en neemt het zicht op het bedrijf gedeeltelijk weg. De haag biedt een grote diversiteit van uitlopend blad, bloesem en bloei, voedsel en nestmogelijkheden voor (kleine) vogels, bessen en vruchten en vele nuances in herfstkleuren.

J.Bos Tuinontwerp en Advies - www.jansbos.nl - info@jansbos.nl

Bijlage 3

Advies Veiligheidsregio

55

Gemeente Kaag en Braassem T.a.v. mevrouw E. van Breukelen Westeinde 1 2371 AS ROELOFARENDSVEEN

Postadres Postbus 1123 2302 BC Leiden Telefoon (088) 246 5000 info@vrhm.nl www.vrhm.nl www.brandweer.nl/hollandsmidden

Verzenddatum Zaakkenmerk Ons kenmerk

23 december 2021 2021-011698 D2021-12-002337

Uw kenmerk Uw brief van

Contactpersoon Telefoon E-mail Onderwerp

19 november 2021

Locatie

Bijlage(n) Eric Meijer 0882465637 info@vrhm.nl Conceptontwerpbestemmingsplan Ripselaan 6 Rijpwetering Ripselaan 6, Rijpwetering Graag bij correspondentie zaakkenmerk, ons kenmerk en onderwerp vermelden.

Geachte mevrouw Van Breukelen, Op 19 november 2021 heeft u de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) verzocht advies uit de brengen over de fysieke veiligheid omtrent het bestemmingsplan op de locatie Ripselaan 6, Rijpwetering. Het advies is opgesteld op basis van het adviesrecht zoals beschreven in artikel 10 en 25 vanuit de Wet Veiligheidsregio's en artikel 2.14 van de WABO. Beschrijving plangebied Met het bestemmingsplan wordt beoogd om het bouwvlak te vergroten van 1,54 hectare naar 2 hectare. De initiatiefnemer runt ter plaatse een manage, een paardenhouderij en een opfokbedrijf voor jongvee. Het voornemen is om het bouwvlak te vergroten naar 2 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap. Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen en er is geen sprake van ligging binnen een invloedsgebied. Voor dit advies is gebruik gemaakt van de volgende documenten: - Concept bestemmingsplan Toelichting en regels versie 6 - Concept bestemmingsplan verbeelding Advies Externe veiligheid Op basis van de ingediende documenten kunnen wij concluderen dat er ten aanzien van de Omgevingsveiligheid en externe veiligheid geen aandachtspunten zijn voor het concept bestemmingsplan.

Bluswater en bereikbaarheid Ten aanzien van de bluswatervoorziening adviseren wij gebruik te maken van de handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid 20200117-BRWNL-Handreiking-Bluswatervoorzieningen-Bereikbaarheid-2019.pdf (ifv.nl). Brandveiligheid stallen Voor de brandveiligheid van stallen verwijzen wij naar de publicatie https://open-pilot.overheid.nl/repository/ronl-5d10acc2-b6d7-432b-bd02-245f3b3c3262/1/pdf/ actieplan-brandveilige-veestallen-2018-2022.pdf. Het actieplan beoogd het verhogen van brandveiligheid in veestallen voor zowel bestaande als nieuwe veestallen. Hierbij kunt u denken aan het verkleinen van de risico’s op brand door o.a. de technische ruimte in een brandcompartiment te plaatsen en het weren en bestrijden van knaagdieren. Tevens is de bewustwording van risico’s van brand een belangrijk middel om de brandveiligheid te bevorderen. Meer ruimte tussen stallen (uitgaande van twee verschillende bouwcompartimenten) betekent dat een brand niet snel over kan slaan op een stal die naastgelegen is. Veehouders die willen uitbreiden (om diverse redenen) hebben te maken met scherpere RO-regels. Deze regels zorgen ervoor dat stallen dicht bij elkaar worden gebouwd omdat men de beperkte ruimte zo veel mogelijk wil benutten. In de meeste bestemmingsplannen wordt gewerkt met een maximale oppervlakte per bouwblok.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=a5733e4f-f40e-4e7a-afa1-07c00b662124