CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

Ripselaan 6, Rijpwetering bestemmingsplan

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Coördinatiebesluit: Ontwerpbestemmingsplan Ripselaan 6 Rijpwetering en aanvraag omgevingsvergunning (477431 en 534912)24.399 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RIPSELAAN 6, RIJPWETERING bestemmingsplan

Ripselaan 6, Rijpwetering bestemmingsplan

Plannaam:

Ripselaan 6, Rijpwetering

ID code:

NL.IMRO.1884.BPRIPSELAAN6-ONT1

Gemeente:

Kaag en Braassem

Plan gemaakt door:

DLV Advies

Datum:

23-11-2023

2

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Situatietekening en landschappelijke inpassing Bijlage 2 Beplantingsplan Bijlage 3 Advies Veiligheidsregio Bijlage 4 Advies waterschap

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Artikel 5 Algemene bouwregels Artikel 6 Algemene gebruiksregels Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Artikel 9 Algemene wijzigingsregels Artikel 10 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel

5 6 6 6 7 8 9 9 10 12 12 14 21 27 27 34 38 40 41 44 44 44 46 46 46 48 49 50 52 55 59

61 62 62 70 71 71 73 73 74 76 77 78 80 81 82 82 83 3

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Landschappelijke inpassing

85 86

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied West" van gemeente Kaag en Braassem ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak aan de Ripselaan 6 te Rijpwetering. De initiatiefnemer runt ter plaatse een manage, een paardenhouderij en een opfokbedrijf voor jongvee. Het voornemen is om het bouwvlak te vergroten naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. De aanpassing van het bestemmingsplan voorziet tevens in het verwijderen van de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Er zijn ter plaatse geen varkens meer aanwezig en op deze wijze wordt uitgesloten dat er in de toekomst een intensieve veehouderij opgericht kan worden op de locatie. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Het parkeerterrein biedt onvoldoende parkeerplaatsen. Het is daarom wenselijk om het parkeerterrein uit te breiden met 600 m². Daarnaast is aan de oostzijde van het bedrijf een paardenbak gesitueerd, welke zich voor een klein deel (circa 780 m²) buiten het bouwvlak bevindt. Tevens wordt deze rijbak overdekt. De paardenbak heeft een oppervlakte van ongeveer 3000 m².

Om beide ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om het bouwvlak te vergroten. Met de vergroting van het bouwvlak wordt tevens de mogelijkheid gecreëerd om planologisch een reactiewoning toe te voegen. De huidige parkeerplaatsen zijn niet voldoende voor het aantal paarden. Hierdoor dienen er meer parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor bovengenoemde redenen is een bouwvlak van 1,7 hectare noodzakelijk met de beperking van het bebouwingspercentage. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De projectlocatie is gelegen aan de Ripselaan 6 te Rijpwetering en ligt aan de oostkant van Rijpwetering in het landelijk gebied van gemeente Kaag en Braassem. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Alkemade, sectie D, nummers 2431, 2433, 2434 & 3801. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

6

Figuur 1. Uitsnede topografische kaart locatie (bron: www.opentopo.nl).

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied West" van de gemeente Kaag en Braassem, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 juni 2013, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Gemengd' toegekend. Tevens is ter plaatse de functieaanduiding intensieve veehouderij van toepassing. De locatie heeft ook de gebiedsaaduiding milieuzone - ruwvoeder. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - ruwvoeder' is, de teelt van maïs/ruwvoeder niet toegestaan.

F iguur 2. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het 7

geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Kaag en Braassem. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Tevens is nabij de locatie een recreatiebedrijf gelegen. De locatie is op ongeveer 320 meter van de kern Rijpwetering gelegen.

Figuur 3. Luchtfoto gebiedsprofiel (bron: ruimtelijkeplannen.nl). 2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie is momenteel een een manage, een paardenhouderij en een opfokbedrijf voor jongvee gevestigd. Ter paatse zijn een paardenstal/werkplaats, een paardenstal/rijhal, een vrijloopstal, een werktuigenberging/rijhal, een rundveestal, een werktuigenberging en een buiten rijbak aanwezig. Het huidige bouwvlak is ongeveer momenteel 1,54 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

9

Figuur 4. Luchtfoto huidige situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Nieuwe situatie en landschappelijke inpassing De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het bouwvlak te vergroten naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. De uitbreiding van het bouwvlak is nodig voor de parkeervoorzieningen en slechts in beperkte mate voor gebouwen (overkapping paardenbak). Omdat de uitbreiding van het bouwvlak vooral voorziet in ruimte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verharding is het niet nodig om binnen het hele bouwvlak mogelijkheden op te nemen voor het bouwen van gebouwen en dat om te borgen dat niet het hele bouwvlak wordt volgebouwd met bedrijfsgebouwen een maximaal percentage geldt voor gebouwen. Het maximum bebouwd oppervlak wordt middels een functieaanduiding 'maximum bebouwingspercentage: 80%' vastgelegd in de planregels en op de verbeelding. Hiermee wordt het parkeren binnen het bouwvlak mogelijk gemaakt. Daarbij wordt door het toevoegen van het maximaal bebouwingspercentage het maximale aantal m2 aan gebouwen beperkt. Een maximum van 80% aan bebouwing betekent in de praktijk een bouwvlak van ongeveer 1,6 hectare voor gebouwen. Om dit mogelijk te maken wil de initiatiefnemer de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' inleveren.

Er zijn ter plaatse immers geen varkens meer aanwezig en op deze wijze wordt uitgesloten dat er in de toekomst een intensieve veehouderij opgericht kan worden. Conform de huidige milieu- en Natuurbeschermingswetvergunning worden ter plaatse 100 stuks vrouwelijk jongvee A3.100, 186 volwassen paarden K1.100 en 30 volwassen pony's K3.100 gehouden. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen. 10

F iguur 5. Situatietekening gewenste situatie (bron: DLV Advies). Op de locatie is reeds sprake van een ingepast geheel aan bebouwing. De huidige uitbreiding van het bestemmingsvlak heeft een beperkte ingreep in de ruimtelijke structuur. Het parkeerterrein valt reeds gedeeltelijk weg door de aanwezige beplanting en de afscheiding middels een sloot. De landschappelijk inpassing is bijgevoegd in Bijlage 2 Beplantingsplan. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

11

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 12

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.

Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.

De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.

Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." 13

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 07-08-2021 in werking getreden en de laatste versie is vastgesteld op 01-02-2023. De Omgevingsvie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie.

Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke gebruik daarvan. Glastuinbouw en boom- en sierteelt worden alleen in de daarvoor toegewezen gebieden toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake vvan een nieuwe intensieve veehouderij. Met voorliggend plan wordt bovendien de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' verwijderd. Er zijn ter paatse immers 14

geen varkens meer aanwezig. Ook is er geen sprake van glastuinbouw en/of boom- en sierteelt. De ontwikkeling voorziet in het vergroten van het bouwvlak naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak, het realiseren van voeropslag en het realiseren van een recreatiewoning. Daarbij wordt een kwaliteitsslag gemaakt doordat oude bebouwing wordt gesloopt en de intensieve veehouderijtak verdwijnt. De nieuwe bebouwing wordt gebouwd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Dit is enerzijds een verbeterde beeldkwaliteit door nieuwe duurzame bebouwing en anderzijds door een goede landschappelijke inpassing met in het gebied passende landschappelijke elementen. Dit komt ten goede van de ruimtelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit ter plaatse. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: De locatie is vanuit de ondergrond in een veencomplex gelegen. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vergroten van het bouwvlak naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. Dit betreft een relatief kleinschalige ontwikkeling. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect waterhuishouding. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: De locatie is vanuit de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een droogmakerij (veen). Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen.

In sommige gebieden is de (historische) relatie tussen droogmakerij en molengang (toentertijd om diepere plassen droog te malen) nog herkenbaar. Dit zijn bijzondere elementen in het Zuid-Hollandse landschap. Droogmakerijen (veen) 15

Een aantal droogmakerijen is niet geheel uitgeveend. Ten opzichte van de droogmakerij met klei als ondergrond is de droogmakerij met veen in de ondergrond waterrijker, vaak kleinschaliger (vooral de kavelmaat) van opzet en is de bodem minder draagkrachtig. Dit is terug te zien in het gebruik en het beeld van de droogmakerijen. Richtlijnen: Bewaren verkavelingspatroon. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vergroten van het bouwvlak naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. Er is reeds sprake van een bestaand parkeerterrein, welke in de huidige situatie gedeeltelijk buiten het bouwvlak is gelegen. Daarnaast is er ook reeds sprake van een bestaande buitenrijbak, welke met voorgenomen ontwikkeling alleen overdekt wordt. De nieuw te realiseren recreatiewoning wordt opgericht binnen de kaders van het bouwperceel. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee dus geen nadelige gevolgen voor de verkavelingspatronen en lengtesloten. Nieuwe bebouwing wordt geplaatst binnen de bestaande structuren, de vergroting is relatief klein.

Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Groenblauwe stedelijke structuur Er ligt een opgave om de groenblauwe kwaliteiten zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. De provincie zet daarom in op het behouden en versterken van een groenblauwe stedelijke structuur. Dat is een samenhangend stelsel van verschillende groenblauwe ruimtes en routes die stad en land met elkaar verbinden: de grote parken en groenblauwe dooradering in de stad, recreatieve stad-land verbindingen en poorten, recreatiegebieden om de stad, de groene buffers en belangrijke recreatieve routes in het landelijk gebied. Het recreatieve netwerk voor fietsen, varen, wandelen en paarrijden, waarvan ook de veren in de provincie deel uitmaken, vormt een belangrijke drager van de groenblauwe structuur. Deze structuur staat in verbinding met de gebieden van bijzondere kwaliteit (natuur en kroonjuwelen), de erfgoedlijnen en de overige landschappen in de provincie.

Het is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen om deze structuur in stand te houden, waar nodig verder te ontwikkelen en barrières op te heffen, om zo de kwaliteit en samenhang te verbeteren. Deze groene buffers vallen in categorie 2 van het beleid voor ruimtelijke kwaliteit, 'gebieden met een specifieke kwaliteit'. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Stabiele en aantrekkelijke stadsranden en goede inpassing van infrastructuur dragen hieraan bij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vergroten van het bouwvlak naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. Er is reeds sprake van een bestaand parkeerterrein, welke in de huidige situatie gedeeltelijk buiten het bouwvlak is gelegen. Daarnaast is er ook reeds sprake van een bestaande buitenrijbak, welke met voorgenomen ontwikkeling alleen overdekt wordt. De nieuw te realiseren recreatiewoning wordt opgericht binnen de kaders van het bouwperceel. Er vindt geen verdichting plaats 16

van de open plekken tussen weilanden en de open veenweidepolders. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als beschermingscategorie 2. Het betreft een groene buffer en veenweidegebied. Ontwikkelingen zijn hier mogelijk mits dit plaatsvindt op perceelniveau. Het initiatief voldoet hieraan.

De provincie wil daarnaast de depositie van stikstof van de landbouw, maar ook van de industrie en verkeer, langdurig en stevig terugdringen, ruimtelijke en economische ontwikkeling mogelijk maken en natuurherstel realiseren. Het is daarbij van belang dat de stikstofdepositie van ruimtelijke ontwikkeling niet mag toenemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een onevenredige toename van verkeersbewegingen. De stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet toenemen. Zie verder het bepaalde in artikel 4.2.1.1 Gebiedsbescherming. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie, welke tegelijkertijd met de Omgevingsverordening is opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. De meest recente versies van zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening zijn op 07-08-2021 in werking getreden en de laatste versie is vastgesteld op 01-02-2023. Voor wat betreft het planologisch vastleggen van een parkeerterrein, het overdekken van een buitenbak, het realiseren van extra voeropslag en het realiseren van een recreatiewoning zijn in de verordening geen specifieke bepalingen opgenomen.

Alleen wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling gelden aanvullende bepalingen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is daarmee geen sprake van aanvullende voorwaarden voor de gewenste verplaatsing van de woning naar een meer geschikte plaats binnen het huidige bebouwingslint. Naast specifieke regels voor een ruimtelijke ontwikkeling gelden vanuit de verordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet in een wijziging op structuurniveau (aanpassen); 3. de ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren).

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vergroten van het bouwvlak naar 1,7 hectare ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein, het overdekken van de buitenrijbak en het realiseren van een recreatiewoning. De locatie is gelegen in een veencomplex / droogmakerij. Zoals aangetoond in 17

paragraaf 3.2.1 past de ontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit (inpassen). De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in wijzigingen aan de structuur van het landschap en zal een (zeer) beperkte impact hebben op de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, die niet voorziet in wijzigingen op structuurniveau en die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen). Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Ten aanzien van deze gebieden gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikk eling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b.

een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden." De locatie is gelegen in een gebied aangeduid met beschermingscategorie 2:

18

b ron: Kaart 14: Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën Deze ontwikkeling past in artikel 6.9 lid 1 onder a: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); Deze ontwikkeling is namelijk een ontwikkeling op kavelniveau welke passend in bij de bestaande gebiedsidentitieit en geen aanpassing doet op structuurniveau. Verder veroorzaakt deze ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld 6.9 in het eerste lid geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen. In de toelichting bij art 6.9 van de verordening staat dat de bescherming van de belangrijke weidevogelgebieden geen beperkingen met zich meebrengt voor ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik. Ontwikkelingen zoals intensivering van het graslandgebruik, de aanleg van kavelpaden, slootdempingen, ruwvoederteelt en de uitbreiding van boerderijen, blijven dus mogelijk.

Dat betekent dat de uitbreiding van de manege binnen het huidige agrarische grondgebruik is toegestaan. Derhalve is het provinciale compensatiebeleid niet van toepassing zoals vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). 19

De locatie is tevens gelegen binnen een gebied aangemerkt als 'beschermingscategorie 3 buitengebied'

bron: Kaart 14: Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategoriën

Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1 Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijk ens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herk enbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

De ontwikkeling vindt plaats op kavelniveau. De structuur van het landschap wordt niet aangetast door deze ontwikkeling. De uitbreiding van het parkeerterrein, het vergroten van de voeropslag en het realiseren van een recreatiewoning hebben nauwelijks tot geen invloed op de openheid van het landschap en de vergezichten daarvan. Het overdekken van de buitenrijbak vindt plaats aan de oostzijde van het perceel en sluit direct aan de bestaande bebouwing. Hierdoor is de impact minimaal op de openheid en de vergezichten minimaal. De paardenbak bevindt zich daarbij slechts voor een klein gedeelte buiten het bouwvlak, dus het grootste deel mag nu ook al gerealiseerd worden. Omdat er sprake is van een bestaande manege vindt er geen aantasting plaats van het groene karakter, de type functies en de kenmerkende verschijningsvormen in het landschap. De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap wordt niet aangetast omdat de ontwikkeling zich op kavelniveau afspeelt en de extra bebouwing direct aan de bestaande bebouwing plaatsvindt. 20

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 Op 24 januari 2022 heeft de gemeente Kaag en Braassem de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 vastgesteld. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuweing en ontwikkeling waard dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. De Omgevingsvisie bestaat uit 9 peilers: 1. Samenwerken in en aan Kaag en Braassem 2. Energie & Grondstoffen in Kaag en Braassem 3. Natuur, water en lucht in Kaag en Braassem 4. Wonen in Kaag en Braassem 5. Gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem 6. Sociaal Kaag en Braassem 7. Mobiliteit in Kaag en Braassem 8. Veilig Kaag en Braassem 9. Gebiedstypen Hieronder worden alleen de peilers besproken die voor de specifieke ontwikkeling van belang zijn. Energie & Grondstoffen In Kaag en Braassem werken we samen hard aan een duurzame gemeente. Vrijwel iedereen uit het inwonerspanel van Kaag en Braassem (84%) vindt dat we aan de slag moeten met het thema duurzaamheid.

Een grote meerderheid van hetzelfde panel (73%) geeft bovendien aan dat niet alleen de gemeente, niet alleen de inwoners en niet alleen de (agrarische) bedrijven aan de slag zouden moeten: We moeten allemaal onze schouders onder de verschillende duurzaamheidsopgaven zetten. Met duurzaam bedoelen we in dit hoofdstuk het besparen van energie, het zelf opwekken van groene stroom, het verminderen van afval en het recyclen en duurzaam gebruik van grondstoffen en materialen. We proberen hiermee samen de uitstoot van fossiele brandstoffen terug te dringen én zo min mogelijk niet-duurzame materialen te gebruiken. Om zo in de toekomst net zoveel schone energie duurzaam op te wekken als dat we zelf gebruiken. Om zo op den duur een kringloopeconomie te realiseren waardoor een begrip als afval uiteindelijk tot het verleden behoort Wat wil de gemeente bereiken? - Vóór 2025 een besparing van 44 terajoule realiseren in onze woningen wat gelijkstaat aan een gemiddelde besparing van ongeveer 15% van het totale energieverbruik (gas en elektriciteit) in een gemiddelde woning. - Vóór 2025 een besparing van 59 terajoule realiseren bij onze agrariërs en 19 terajoule minder energie verbruik en in onze kantoren, sportkantines, scholen en op het gemeentehuis. - Vóór 2025 liggen er minimaal gemiddeld 6 zonnepanelen op iedere woning in Kaag en Braassem.

- Vóór 2025 wekken onze agrariërs minimaal 61 terajoule duurzame energie op (= 76.250 zonnepanelen) en is de commerciële en publieke dienstverlening verantwoordelijk voor een opwek van 19,6 terajoule (= 24.500 zonnepanelen).

21

Op het dak van de nieuwe stal zijn zonnepanelen gepland. Hiermee wil de initiatiefnemer een impuls geven aan de ambtities van Kaag en Braassem. Natuur, water en lucht Groen en blauw is overal aanwezig in Kaag en Braassem: de weilanden met de vele sloten, de wuivende rietkragen langs de Kagerplassen en het Braassemermeer. Het veenweide gebied is van oudsher een uniek deel van het Groene Hart waar uitzonderlijke planten en dieren voorkomen. Maar dit staat onder druk: onze veenweidegebieden waren de kraamkamer van verschillende soorten weidevogels maar soorten als de kievit en de grutto worden ook hier steeds zeldzamer, andere soorten komen al niet meer voor. Typische planten in ons gebied zoals dotterbloem, echte koekoeksbloem, kattenstaart en rietorchis zien we steeds minder langs de slootkanten en ook de weilanden bevatten weinig kruiden als klaver en boterbloem. Ook het akkerbouwgebied kan bijdragen aan onze biodiversiteit: het biedt in potentie ruimte aan de veldleeuwerik en de patrijs, maar dit betekent wel dat we ons ook voor deze soorten moeten willen inzetten op behoud want ze worden nauwelijks meer waargenomen. Onze oevers met het vele riet herbergen diverse plantensoorten, bieden nestgelegenheid voor verschillende rietzangers en zijn een beschutte leefomgeving voor ontelbare insecten. Gezonde poldersloten zijn belangrijk voor vissen en amfibieën.

Ook helpen de karakteristieke sloten bij het verwerken van al het regenwater: ze zorgen ervoor dat we minderoverlast hebben tijdens een heftige onweersbui. Een natuurlijke leefomgeving waarin het groen en blauw ecologisch gezonden in evenwicht is, is niet alleen goed voor planten en dieren. Het is ook goed voor ons als mens: het geeft ontspanning en vermindert stress, stimuleert bewegen en het versterkt onze veiligheid doordat we in de toekomst beter om kunnen gaan met extremer weer. We zijn trots op het landschap in onze gemeente, maar we moeten er ook met het oog op de toekomst zuiniger op zijn. Trots en zuinig zijn we ook op onze agrariërs die grotendeels verantwoordelijk zijn voor het huidige polderlandschap waar zoveel inwoners van genieten, waardoor dagjesmensen ons graag komen bezoeken. En juist omdat we trots en zuinig willen blijven op onze agrariërs en ons landschap, liggen hier verschillende uitdagingen op ons te wachten: het tegengaan van de verdere afname van dieren plantensoorten, soorten terugbrengen in ons landschap, een dalende bodem die aandacht vraagt, een omgeving die zo ingericht moet worden dat het om kan gaan met extreem weer.

Deze vier opgaven zijn: - de resterende biodiversiteit in Kaag en Braassem behouden en werken aan herstel; - bodemdaling, al dan niet door veenoxidatie, en haar nadelige gevolgen zoveel mogelijk tegengaan dan wel benutten; - de veiligheid van het grondwater en de kwaliteit van de bodem waarborgen; - ervoor zorgen dat Kaag en Braassem in de toekomst goed om kan gaan met extreme regenval, droogte en hittestress (klimaatadaptatie). De initiatiefnemer houdt met het maaien rekening met de broedvogels. Hiervoor krijgt hij subsidie om het maaien uit te stellen zodat vogels de kans krijgen om te broeden. Hiermee voldoet de initiatiefnemer aan de ambtitie van de Omgevingsvisie. Gebiedtypen De locatie is gelegen in een gebiedstype die is aangeduid als Droogmakerij (veen).

22

23

De ontwikkeling voldoet aan deze kaders. De recreatievefunctie van de manege wordt door deze ontwikkeling ondersteund. Hiermee kan worden gesteld dat de ontwikkeling voldoet aan de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 van de gemeente Kaag en Braassem. 3.3.2 Welstandsnota De gemeente Kaag en Braassem heeft op 6 september 2010 de gemeentelijke welstandsnota vastgesteld. Door middel van dit nieuwe beleid krijgt de initiatiefnemer meer vrijheid dan voorheen. Dit houdt in dat er voor het grondgebied van gemeente Kaag en Braassem in principe geen welstandstoets geldt, met uitzondering van Rijksmonumenten, Gemeentelijke Monumenten en beschermde dorpsgezichten. Door de uitzondering van deze objecten en gebieden beschermd gemeente Kaag en Braassem haar cultureel erfgoed.

24

Figuur 7. Uitsnede kaart welstand (bron: gemeente Kaag en Braassem). Op de kaart kan men zien dat er voor de locatie geen welstandstoets geldt. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem. 3.3.3 Parkeernota Op 15 maart 2018 heeft de gemeente Kaag en Braassem de "Nota parkeernormen 2018" gepubliceerd. Het doel van de 'Nota parkeernormen 2018' is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie- de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen.

Met de voorliggende parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte. Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. De projectlocatie is gelegen in het buitengebied. De activiteiten van de projectlocatie worden niet genoemd in bijlage 2 van de nota. In dat geval bepaalt artikel 3 lid d van de beleidsregels dat voor zover een 25

bepaalde functie niet genoemd is in bijlage 2 er gemotiveerd wordt gekozen voor de best passende parkeernorm, waarbij de landelijke richtlijnen van het CROW worden toegepast. Deze bestemmingswijzging maakt een vergroting van het parkeerterrein mogelijk. Hierdoor zal er een positief effect zijn op de parkeermogelijkheden van de inrichting. De parkeernota van de gemeente Kaag en Braassem hanteert voor een manege als norm 0,5 parkeerplaatsen per paardenbox. De locatie heeft 61 paardenboxen waardoor er 31 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het parkeerterrein heeft als afmeting 67 m x 22 m = 1474 m² oppervlakte aan parkeerplaats. Dit betekent dat er voor iedere auto 25 m² ruimte is om te parkeren. Voor het agrarisch bedrijf / zorgboerderij volgt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per werknemer/bezoek en voor de recreatiewoning ook 1. Dit betekent dat er voor de recreatiewoning 1 extra en voor het agrarisch bedrijf / zorgboerderij 5 extra parkeerplekken worden gerealiseerd. Hierdoor wordt ruimschoots aan de norm voldaan. De bestemmingswijzging is hierdoor in overeenstemming met de parkeernota.

Figuur 8. Kaart gebiedsindeling Nota Parkeernormen 2018 (bron: gemeente Kaag en Braassem).

26

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het houden van rundvee en paarden. Ten aanzien van het fokken en houden van rundvee en manege zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Ten aanzien van het fokken en houden van overige graasdieren zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, De Oude Steegh 2, bevindt zich op een afstand van ongeveer 340 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.

Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

27

4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. De gemeente Kaag en Braassen heeft op 6 februari 2012 de "Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem" vastgesteld. Op grond van artikel 5 dienen de afstanden aangehouden te worden zoals benoemd in de Wet geurhinder en veehouderij. Verkorting van de afstanden zoals benoemd in de "Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem" is slechts in een aantal gevallen van toepassing. a. de uitbreiding van een bestaande veehouderij wordt belemmerd door een bestaand geurgevoelig object; indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet kleiner wordt; b.

de bestemming van een bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd in burgerwoning als dit het enige doelmatige gebruik van de woning betreft.In deze gevallen bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf ten minste 25 meter tot een geurgevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom. Beide gevallen zijn hier niet aan de orde dus de standaard afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij zijn van toepassing. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bestaande manage, paardenhouderij en jongvee opfokbedrijf. Voor jongvee en paarden/pony's zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden.

Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object, De Oude Steegh 2, is gelegen op een afstand van ongeveer 340 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak.Daarmee kan geconcludeerd worden dat de daadwerkelijk afstand tussen het emissiepunt van de stal en de gevel van een woning nog groter is. Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Tevens is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van uitbreiding van het aantal jongvee en/of paarden/pony's.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden 28

(NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling. Het aantal dieren zal eveneens niet toenemen door deze ontwikkeling. Zoals beschreven in de paragraaf Verkeersbewegingen neemt het verkeer ook niet evenredig toe. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=a5733e4f-f40e-4e7a-afa1-07c00b662124