Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerpcBPOATankstationN207
Tekst van het document
Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Tankstation N207 Vriezenweg Leimuiden’ Van donderdag 26 januari 2023 tot en met woensdag 8 maart 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Tankstation N207 Vriezenweg Leimuiden’ voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage in het gemeentehuis, Westeinde 1 te Roelofarendsveen en op de website www.ruimtelijkeplannen.nl was het plan in te zien. In de navolgende nota van beantwoording wordt de ingediende zienswijzen samengevat en van een beantwoording voorzien. In het kader van het vooroverleg 3.1.1. Bro hebben Hoogheemraadschap van Rijnland, provincie Zuid-Holland het ontwerpbestemmingsplan ontvangen. Zowel de provincie ZuidHolland als Hoogheemraadschap van Rijnland hebben geen aanleiding gezien in het kader van het vooroverleg een inhoudelijke reactie in te sturen. Er zijn in totaal 17 zienswijzen ingediend door belanghebbenden. De ingekomen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan hebben niet geleid aanpassingen van het plan (toelichting, voorschriften en verbeelding).
Indiener 1 1.1 Reclamant stelt dat het verplichte participatietraject onvoldoende en onjuist door initiatiefnemer is doorlopen en daarmee paragraaf 7.2 van het ontwerpbestemmingsplan inhoudelijk een onjuiste weergave schetst van wat er daadwerkelijk aan reacties zijn geuit door omwonenden. Initiatiefnemer is naar zeggen van reclamant op een onaangekondigd moment bij een beperkt aantal omwonenden langs gegaan om ze te informeren en heeft daarmee niet alleen omwonenden de gelegenheid ontnomen zich voor te bereiden op het gesprek, maar is er ook geen sprake van een goed beeld van het draagvlak vanuit de omgeving. Het ontwerpplan is incompleet, onvoldoende onderbouwd, verkeersonveilig, onnodig en gebaseerd op halve waarheden.
Initiatiefnemer is verplicht de omgeving tijdig te informeren over het initiatief en uitwerking te geven aan participatie, communicatie en draagvlak met betrekking tot het initiatief. Deze inspanningsverplichting moet - voor zover mogelijk – aantoonbaar gemaakt worden door de initiatiefnemer, zoals in een gespreksverslag. In dit concrete geval is er een gespreksverslag opgenomen in hoofdstuk 7.2 van het ontwerpbestemmingsplan waar reclamant van stelt dat de weergave onvolledig en onjuist is. Eventuele fictieve en/of onvolledige verslaglegging daargelaten, feit is dat er in de achterliggende jaren door initiatiefnemer herhaaldelijk contact is gezocht met omwonenden en belangenorganisaties omdat hij in iedere
Pagina 1 van 40
fase van het planproces waar mogelijk wilde voldoen aan de actieve informatieverplichting. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. 1.2
Reclamant stelt dat met de komst van een onbemand tankstation op voorgestelde locatie, er (wederom) een goed stuk agrarische grond verloren gaat. In de Wassenaarsche Polder en daarmee strijdig met gemeentelijk beleid dat juist versnippering van landbouwgronden zoveel mogelijk tegen wil gaan.
Door de schaal en positionering van de ontwikkeling wordt het groene karakter ter plaatse met een bepaalde openheid gerespecteerd en in stand gehouden. Het plangebied van het onbemande tankstation heeft sinds jaar en dag geen feitelijke agrarische functie en ligt – als ‘restkavel’ - tussen de rotonde aan de oostzijde en het perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden aan de westzijde van het plangebied. Op het perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden dat ten westen van het plangebied ligt, worden op grond van het door de gemeenteraad in december 2022 vastgestelde bestemmingsplan op aanvraag ‘Vriezenweg 8 Leimuiden” twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd. Het tankstation – bestaande uit een open constructie zonder bijgebouwen - wordt in lijn met de twee nog te realiseren vrijstaande woningen met bijgebouwen op perceel Vriezenweg 8 Leimuiden. Dit heeft tot gevolg dat qua massa, positionering en aanzicht wegvalt in verhouding tot de naastgelegen twee vrijstaande woningen met bijgebouwen op het perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden. Wat dat betreft zal het tankstation - gelet op de open constructie zonder kenmerkende bijgebouwen en in lijn met de woningbouwontwikkeling op perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden - nauwelijks verdichting van het landschap veroorzaken, worden bestaande zichtlijnen behouden en vindt er geen afbreuk aan het (groene) karakter van het gebied plaats.
In de Omgevingsvisie zijn algemene doelstellingen geformuleerd die ertoe bijdragen een duurzame gemeente te worden, o.a. door samen de uitstoot van fossiele brandstoffen terug te dringen én zo min mogelijk niet- duurzame materialen te gebruiken. Waar nodig zal de gemeente
Pagina 2 van 40
aansluiten en ondersteuning bieden bij initiatieven in dit verband. Er worden in de Omgevingsvisie dan ook geen specifieke omschreven ambities omschreven als het gaat om (het toestaan van) tankstations. In voorliggend geval is er sprake van een tankstation dat als bedrijfsdoelstelling heeft energietransitie te stimuleren en faciliteren. Van strijdigheid met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem is dan ook geen sprake. Daarbij wordt in het raadsakkoord benadrukt dat in de uitvoering van het gemeentelijk beleid duurzaamheid in acht genomen moet worden, o.a. door ‘volop in te zetten op meer oplaadpunten in plaats van nieuwe tankstations.’ Overigens, het uitgevoerde haalbaarheidsonderzoek dat in het kader van voorliggend voornemen is uitgevoerd, heeft de behoefte, nut en noodzaak van het onbemande tankstation op deze planlocatie aantoonbaar is gemaakt. Het tankstation leidt dan ook voor dat deel van de N207 tot een infrastructurele versterking en meerwaarde. Tankstations mogen nog tenminste tot en met 2035 fossiele brandstoffen mogen verkopen. In voorliggend geval is er sprake van een tankstation dat zich op de korte- en (midden)lange termijn niet enkel richt op de verkoop van fossiele brandstoffen, maar daarnaast bewust investeert in voorzieningen (lees: laadpalen) die in toenemende mate bepalend en noodzakelijk zullen worden voor de gewenste (en noodzakelijke) energietransitie.
Let wel, energietransitie wordt gekenmerkt door een ontwikkeling van een geleidelijke toename van elektrisch rijden ten opzichte van de geleidelijke afname van gebruik van auto’s die enkel rijden op synthetische / fossiele brandstoffen. Van precedentwerking is ook geen sprake, omdat elk perceel anders is, ten opzichte van de omgeving, de ligging en het perceel op zichzelf. Naar verwachting zal er nergens in de gemeente een geheel vergelijkbare situatie zijn wat tot een algemene precedentwerking zou kunnen leiden. Wanneer er voor een ander
Pagina 3 van 40
perceel een dergelijke aanvraag zou komen zou die op zijn eigen merites moeten worden beoordeeld en zorgvuldig moeten worden afgewogen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. 1.3
Een onbemand tankstation beschouwt reclamant als industriële bebouwing en is dan ook niet ruimtelijk inpasbaar in dit open polderlandschap.
Bij de planvorming en uitvoering daarvan staat landschappelijke inpassing voorop; de gehele ontwikkeling is dan ook van een dermate schaal (en positionering) dat met name het groene karakter op het perceel in stand gehouden wordt. Mede door de open constructie van het tankstation treedt er nauwelijks verdichting op van het aanwezige landschap en worden bestaande zichtlijnen behouden . Overigens wordt de omgeving van het plangebied in beperkte mate gekenmerkt door een ‘open landschap’ waar reclamant aan refereert. Zo mogen er op het naast het plangebied gelegen perceel Vriezenweg 8 twee vrijstaande woningen met bijgebouwen gerealiseerd worden en worden overige omliggende percelen gekenmerkt door aanwezige bebouwing zoals een woonboerderij, en percelen met bebouwing waar uiteenlopende (bedrijf)activiteiten gevestigd zijn, te weten een zeilmakerij, een verdeelstation en een bedrijf in sportartikelen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
1.4
Reclamant stelt dat - met het oog op ontsluiting van zowel Leimuiden als Rijnsaterwoude - de aanwezigheid van een het onbemand tankstation de verkeersintensiteit negatief zal beïnvloeden zal leiden tot files, hinder voor landbouwverkeer en andere bijkomende verkeersbewegingen op de N207 en Vriezenweg.
Het deel van de N207 waar het onbemande tankstation aan komt te liggen wordt in de dagelijkse praktijk in een hoge intensiteit gebruikt en is er sprake van een drukke ochtend -en avondspits met woonwerkverkeer. Dit laat onverlet dat er voor dat deel van de N207 nog steeds sprake is van een, op basis van berekeningen in verkeersmodellen, acceptabele verhouding tussen de huidige verkeersintensiteit in verhouding tot de wegcapaciteit van de N207. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt gesproken van ca. 250 extra
Pagina 4 van 40
verkeersbewegingen per etmaal door de komst van het onbemande tankstation. Echter met de genoemde intensiteit van ca. 250 extra verkeersbewegingen per etmaal, is de ontsluiting en de opstelstrook aan de tankstationzijde ruim bemeten. Daarnaast is de inrit van het onbemande tankstation breed genoeg en kan de ontsluitingsweg ook hogere aantallen verwerken. Ook heeft de nabij gelegen rotonde een dusdanige capaciteit, dat de kans op onevenredige (extra) filevorming door een onbemand tankstation op voorgenomen planlocatie onwaarschijnlijk wordt geacht. Dat de aanwezigheid van het onbemande tankstation dan ook per definitie zal leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen omdat automobilisten in onevenredige mate – in afwijking van hun gebruikelijke route – van het tankstation gebruik willen maken, is ook niet aannemelijk noch aantoonbaar gemaakt. De provincie Zuid – Holland ondersteunt de gemeente in deze door geen verkeerstechnische belemmeringen te zien in voorgenomen ontwikkeling (in relatie tot de infrastructuur van de N207). Overigens heeft de wijze waarop de aanen afrijroute op het plangebied wordt ingericht tot gevolg dat er enkel met lage snelheid over het terrein gereden kan worden.
Daarbij is er door de ruime afstand tussen de rotonde en het tankstation sprake van een overzichtelijke verkeerssituatie die daarmee verkeersonveilige situaties en overige bijkomende negatieve verkeersbewegingen voorkomt. Ook ten aanzien van landbouwverkeer en fietsers. In dat verlengde kan in het kader van de verkeersveiligheid opgemerkt worden dat door de aanwezigheid van de rotonde tussen het plangebied en de N207 deze beide verkeersstromen niet in directe verbinding met elkaar staan en elkaar dan ook niet in verkeersonveilige zin kunnen versterken. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Pagina 5 van 40
1.5
Reclamant stelt dat het onbemande tankstation een verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg zal hebben. Alle voertuigen die het terrein op- en afrijden moeten meegenomen worden in de uit te voeren Aerius berekening.
In het kader van voorliggend ontwerpbestemmingsplan heeft initiatiefnemer een Aerius berekening laten opstellen en daarmee aantoonbaar gemaakt dat de aanwezigheid van het onbemande tankstation geen verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg heeft. De Aerius berekening is – net als alle overige verplichte milieutechnische onderzoeken – door de Omgevingsdienst West Holland beoordeeld en akkoord bevonden, zo blijkt uit het door de Omgevingsdienst West Holland opgestelde beoordelingsadvies. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
1.6
Maatschappelijke Ruimtelijke Structuurvisie van de gemeente stelt dat de impact van bebouwing op de bestaande omgeving tot het minimum beperkt moet worden om zoveel mogelijk groene omzoming te kunnen waarborgen. Met de bouw van het tankstation verdwijnt op deze locatie het open landschappelijk karakter en schept mogelijk een precedent tot nog meer (industriële) bebouwing in agrarisch gebied.
Voor wat betreft de opmerking over de impact van de bebouwing op de bestaande omgeving en open landschap en precedentwerking door toestaan nog meer industriële) bebouwing wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2
Reclamant stelt dat door het tankstation de huidige groene ondergrond plaats moet maken voor algehele bestrating. Deze verharding in combinatie met volledige verlichting van het terrein en de forse toename van het aantal verkeersbewegingen heeft nadele consequenties voor de natuur ter plaatse. De toekomst van verschillende soorten aanwezige flora en fauna wordt daardoor bedreigd.
Uit het advies van de Omgevingsdienst West-Holland en de verplichte onderzoeken (o.a. het Flora –en Faunaonderzoek) blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot afbraak en aantasting van de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij zal van ‘lichthinder geen sprake zijn. Er wordt namelijk in de luifel van het onbemande tankstation verlichting aanbracht die als gebundelde lichtbron naar de grond gericht is en dimt als er geen klanten onder de luifel aanwezig zijn. De reclamezuil is ook verlicht, echter enkel zichtbaar vanaf de rijrichtingen op de N207. Vanuit de woningen is deze zuil dan ook niet zichtbaar.
Overigens leidt de aanleg tot groene omzomingen zoals reclamant voorstelt veelal tot verdichting en doorbreken van zichtlijnen. E.e.a. doet afbreuk aan een zo geleidelijk mogelijke inpassing van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Pagina 6 van 40
1.7
Reclamant ziet de nut en noodzaak niet van zowel nog een tankstation in deze omgeving als de realisatie van de laadpalen. Laadpalen worden thuis (in de woonkern) gebruikt of op het werk. Laadpalen leveren daarbij geen serieuze bijdrage aan de energietransitie en er is feitelijk sprake van een ; ouderwets’ benzinestation dat gewoon goedkope benzine en diesel verkoopt.
Voor wat betreft het nut en noodzaak van het tankstation en de aanwezigheid van laadpalen wordt kortheidshalve verwezen naar het gestelde over energietransitie in de beantwoording van 1.2 Overigens, om de aanleg en uitbreiding van laadpaalvoorzieningen in het kader van de energietransitie mogelijk te maken zijn financiële investeringen onvermijdelijk. Het feit dat er ook de komende jaren nog ‘ouderwets’ ter plaatse benzine wordt verkocht, hangt dan ook samen met de benodigde financieringsbronnen ten aanzien van laadpaalvoorzieningen. Wij zijn niet van mening dat laadpalen enkel nut hebben in woonkernen en dat automobilisten voornamelijk thuis of op het werk van laadpaalvoorzieningen gebruik maken. Er is daarentegen een toenemende vraag naar laadpaalvoorzieningen, waarvan de realisatie niet per definitie in de woonkernen tot e mogelijkheden behoort; de aanleg van laadstations / laadpleinen in woon- en dorpskernen blijken in de praktijk slechts tot op zekere hoogte haalbaar en ruimtelijk inpasbaar is. Door niet te investeren in realisatie van laadpunten buiten stedelijk gebied en deze te beperken tot de woon- en dorpskernen, zal er in de toekomst maximaal 10% procent van de totale behoefte naar laadpaalvoorzieningen beschikbaar zijn.
Overigens wordt door reclamant in dit verband voorbij gegaan aan de mogelijke negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid van woon- en dorpskernen door laadpaalvoorzieningen daar voornamelijk te centreren. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Indiener 2. 2.1 Reclamant stelt dat er in voorliggend geval onvolledige en onjuiste toetsing heeft plaatsgevonden op aantal aspecten; zo wordt niet voldaan aan de verplichtende voorwaarden omtrent waterstoftankstations, wordt niet
Initiatiefnemer heeft aantoonbaar gemaakt dat de ontwikkeling niet leidt tot afbraak en aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebied en dat de inpassing van het onbemande tankstation geen nadrukkelijke afbreuk doet aan het open groene karakter en Pagina 7 van 40
voldaan aan de door de gemeente gestelde voorwaarden voor stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, milieuaspecten zijn niet goed beoordeeld en de participatie met omwonenden in onjuist verlopen.
natuurlijke inrichting van het perceel. Dat blijkt o.a. uit het advies van de Omgevingsdienst West-Holland en de verplichte onderzoeken (o.a. het Flora –en Faunaonderzoek) dat stelt dat deze ontwikkeling juist niet leidt tot afbraak en aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebied.
Volgens reclamant is er met voorliggend ontwerpbestemmingsplan sprake van een planologisch / juridische reparatie, aangezien bij de vaststelling van het bestemmingsplan op aanvraag Vriezenweg 8 Leimuiden in 2022, abusievelijk voorliggende planlocatie (die volgens reclamant deel uitmaakte van bestemmingsplan op aanvraag Vriezenweg 8 Leimuiden ) niet is meegenomen. Dat verklaart de huidige agrarische bestemming van voorliggende planlocatie.
Op grond van het bepaalde in voorliggend ontwerpbestemmingsplan kan initiatiefnemer niet onverkort op een door hem gewenst moment in de toekomst overgaan tot het aanbieden van waterstof. Een dergelijk voornemen zal altijd onderzocht en beoordeeld moeten worden door de Omgevingsdienst West Holland. Vervolgens zal uit het door de Omgevingsdienst opgestelde advies moeten blijken of een dergelijk voornemen daadwerkelijk mogelijk is op grond van de milieuwet- en regelgeving en daarmee aan alle verplichtende voorwaarden voldoet die geborgd zijn in de milieuwetgeving. Met andere woorden, initiatiefnemer dient aan de door reclamant aangehaalde beleidsregels omtrent waterstof te voldoen op het moment dat er een daadwerkelijk voornemen / verzoek wordt voorgelegd aan de gemeente met de wens dit in het assortiment op te nemen. Voorliggend ontwerpbestemmingsplan is overigens geen ‘planologisch / juridische reparatie’ van het in december 2022 vastgestelde bestemmingsplan op aanvraag ‘Vriezenweg 8 Leimuiden’ en voorliggende planlocatie heeft dan ook op geen enkel moment onderdeel uitgemaakt van het bestemmingsplan ‘Vriezenweg 8 Leimuiden’. Dat voorliggende planlocatie momenteel nog de agrarische bestemming heeft is dan ook op geen enkele wijze abusievelijk te noemen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
2.2
In het ontwerpbestemmingsplan wordt de suggestie gewekt dat het voorliggend ontwerpbestemmingsplan met deze bestemmingsplanwijziging er een planologisch / juridische reparatie
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 2,1voor wat betreft het gestelde over het karakter van een reparatieopdracht van voorliggend plan.
Pagina 8 van 40
2.3
plaatsvindt wat betreft de bestemming van de planlocatie. Volgens reclamant is de planlocatie in het kader van de bestemmingsplan op aanvraagprocedure Vriezenweg 8 Leimuiden per abuis agrarisch gebleven en het plangebied onderdeel uitmaakte van de genoemde bestemmingsplanprocedure.
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Reclamant maakt bezwaar tegen de diverse ‘bouwwerken geen gebouwen zijnde’ die in het ontwerpbestemmingsplan genoemd worden, te weten een luifel van 130m2 met een uitbreidingsmogelijkheid om een luifel van 260 m2 te realiseren; een luifel van circa 9 bij 30 meter met een hoogte van 5,4 meter. Hierdoor valt het bouwwerk qua aard en omvang volledig uit de toon met de in de omgeving aanwezige voormalige boerderijen. Ter vergelijking, de historische boerderij schuin tegenover (Vriezenweg 1) is inclusief stal 29 meter lang. Er is dan ook geen sprake van een goede landschappelijke inpassing omdat er geenszins wordt aangesloten bij de kenmerken van het gebied, noch worden de karakteristieke doorzichten behouden. Immers, er worden geen bomen, struiken of beplanting anderszins toegevoegd.
Een luifel is in functionele zin onmisbaar voor een tankstation. Zo hoort een luifel bij de uitstraling van een tankstation en verleent de luifel een bepaald conform die klanten tijdens het tanken redelijkerwijs mogen verwachten. De aanwezigheid van de luifel draagt ook bij aan het behoud en technische staat van de aanwezige apparaten. Zo kan bij afwezigheid van een luifel regenval leiden tot schade en storingen van de aanwezige apparatuur. Qua massa, hoogte en toonzetting onderscheidt het tankstation zich dan ook niet ten opzichte van de percelen in de naastgelegen omgeving; percelen die gekenmerkt worden door de nadrukkelijke aanwezigheid van bebouwing en bedrijvigheid. Overigens mogen de twee vrijstaande woningen (met bijgebouwen) die op het naastgelegen perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden een maximale bouwhoogte bedragen van maximaal 6 meter. Het tankstation zal qua aanzicht en impact op het landschap dan ook volledig wegvallen in de zichtlijn van de geplande bebouwing op het perceel Vriezenweg 8 te Leimuiden. De constructie van het tankstation bestaat overigens louter uit een luifel, pompen, een reclamezuil en wordt qua bijgebouwen beperkt tot de aanwezigheid van een techniekkast en een kast van de nutsvoorzieningen. De nutskast is 65 cm breed en 160 cm hoog. De techniekkast (t.b.v.
de ondersteunende digitale hardware) is 125 cm breed, 160 cm hoog en 42 cm diep; afmetingen en maatvoeringen die in omvang en
Pagina 9 van 40
verschijningsvorm als zeer bescheiden aangemerkt kunnen worden. Deze twee kasten maken dan ook geen inbreuk op de aanwezige doorzichten en zichtlijnen. Hinder door de reclamezuil is ook onwaarschijnlijk, aangezien deze op de kopse kant gepositioneerd wordt ten opzichte van de dichtstbijzijnde bestaande woning en daarmee vrijwel niet zichtbaar is voor bewoners. Overigens heeft initiatiefnemer in het kader van behoud van ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig omgaan met bestaande doorzichten, bewust gekozen het tankstation niet te omringen met struiken, groene hagen of beplanting anderszins. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. 2.4
Voor stikstof, haalbaarheid en natuurbescherming zijn bijlagen toegevoegd bij het ontwerpbestemmingsplan, echter ontbreekt in het ontwerpbestemmingsplan de ruimtelijke onderbouwing die ingaat op de stedenbouwkundige inpasbaarheid van het tankstation in relatie tot landschappelijke karakteristieken van de omgeving ter plaatse.
Iedere ontwikkeling moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening en daarmee verantwoord en inpasbaar zijn, zowel op zichzelf staand als in relatie tot de omgeving, Er wordt in dit concrete geval in tegenstelling tot wat reclamant beweert, geen inbreuk gemaakt op de karakteristieken van de droogmakerij. Juist door de schaal en positionering van het onbemande tankstation wordt een bepaalde openheid qua doorzichten en zichtlijnen behouden en daarmee geen afbreuk gedaan aan de aanwezige gebiedskarakteristieken. Overigens blijkt uit het advies van de Omgevingsdienst West-Holland - die alle verplichtende onderzoeken heeft beoordeeld m.b.t.. milieutechnische aspecten - dat de ontwikkeling niet leidt tot afbraak en aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebied en dat de inpassing van het onbemande tankstation geen nadrukkelijke afbreuk doet aan het huidige open groene karakter en natuurlijke inrichting van het perceel Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Pagina 10 van 40
2.5
2.6
2.6
In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt in de paragrafen rijksbeleid (paragraaf 3.1), en de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 3.1.3) ten onrechte niet ingegaan op de op dit plan van toepassing zijnde nationale Omgevingsvisie en wordt bij de laddermotivering het begrip ‘behoefte’ verward met ‘haalbaarheid’; zo wordt ten onrechte gesteld dat ‘er aan de westzijde van de N207 over een lengte van 30 kilometer geen goedkoop tankstation te vinden is', waarbij de aanwezigheid van laadpalen als ‘aanvullende service’ wordt omschreven. Uit onderzoek van reclamant blijkt echter dat er zich 10 tankstations bevinden binnen een straal van 7 kilometer; 5 daarvan positioneren zich in hetzelfde lage prijssegment als in voorliggend geval en zijn 365 dagen per jaar 24 uur per dag geopend. Daarnaast zijn er i Alphen in de Rijn – waar veel forenzen gebruik maken van de N207 – nog een 9 tankstations.
In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is voldoende gemotiveerd hoe en waarom de ontwikkeling zich verhoud in relatie tot provinciaal- en rijksbeleid. Dit blijkt o.a. uit het feit dat bij beoordeling van voorliggend bestemmingsplan op aanvraag de provincie Zuid-Holland heeft ingestemd met de wijze waarop de benodigde motivering is vormgegeven.
De realisatie van laadpalen in het plangebied wordt volgens reclamant gebruikt om het tankstation ten onrechte een ‘groene uitstraling’ te geven.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over laadpalenvoorzieningen en energietransitie.
Voor wat betreft het aspect waterstof wordt in het ontwerpbestemmingsplan gevraagd hiertoe een afwijkingsbevoegdheid op te nemen. Echter, waterstof mag – net als bij LPG – enkel wordt getankt op een bemand tankstation en geldt er een richtafstand van 200 meter als verplichtende voorwaarde. Ook dient volgens reclamant ingeval van de aanwezigheid van waterstof voldaan te worden aan de visie “WVIP vergunningverlening Waterstoftankstations”, een door het
Op grond van het bepaalde in voorliggend ontwerpbestemmingsplan kan initiatiefnemer niet onverkort op een voor initiatiefnemer gewenst moment overgaan worden tot verkoop van waterstof. Een dergelijk voornemen zal altijd onderzocht en beoordeeld moeten worden door de Omgevingsdienst West Holland. Vervolgens zal uit het door de Omgevingsdienst opgestelde advies moeten blijken of een dergelijk voornemen daadwerkelijk mogelijk is op grond van de milieuwet- en regelgeving en daarmee aan alle verplichtende voorwaarden voldoet die
Voor het overige dat gesteld wordt over strijdigheid met provinciaal beleid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 2.8 Over het aantoonbaar gemaakte nut en noodzaak door het uitgevoerde wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Pagina 11 van 40
H2 Platform opgestelde rapport bedoeld als handleiding voor gemeenten om waterstofstations mogelijk te maken. Reclamant stelt dat ook dat het ontwerpbestemmingsplan op dit onderdeel niet voldoet de van toepassing zijnde kaders en beleidsregels.
geborgd zijn in de milieuwetgeving. Met andere woorden, initiatiefnemer dient aan de door reclamant aangehaalde beleidsregels omtrent waterstof te voldoen op het moment dat er een daadwerkelijk voornemen / verzoek wordt voorgelegd aan de gemeente met de wens dit in het assortiment op te nemen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
2.7
Eerdere plannen om langs de N207 een tankstation bij de op- en afrit van “Rijnsaterwoude te realiseren zijn door de brede weerstand tegen dergelijke plannen, teruggetrokken. Hiermee wordt volgens reclamant aangetoond dat er geen behoefte bij omwonenden voor voorliggend plan is.
In het kader van de planvorming en uitwerking van een bepaald voornemen is het van belang aan de voorkant van het proces aandacht te besteden aan het aspect (maatschappelijk) draagvlak ten aanzien van het voornemen. Het aspect draagvlak wordt vervolgens meegenomen in de belangenafweging voorafgaand aan een te nemen besluit over eventuele medewerking. Mocht in dat kader uit draagvlakonderzoek blijken dat er bepaalde belanghebbenden tegen een bepaald voornemen zijn, dit gegeven niet onverkort bepalend is voor de voortzetting van een planologisch juridische procedure en de daaruit voortkomende besluitvorming door het bevoegd gezag. Het voornemen waar reclamant overigens aan refereert, betrof het voornemen een bemand tankstation inclusief shop en autowasstraat ten zuiden van de kern van Rijnsaterwoude te realiseren, bedoeld als alternatieve locatie voor het bestaande tankstation aan de Burgemeester Bakhuizlaan in Leimuiden.Initiatiefnemer kreeg ten aanzien van dat voornemen destijds instemming van het college van burgemeester en wethouders, omdat de inpasbaarheid en behoefte aan een dergelijke tankstation met genoemde bijkomende voorzieningen voldoende aantoonbaar gemaakt was. Daarbij werd ook door de Omgevingsdienst West Holland een positief advies afgegeven en werd vanuit de provincie Zuid-Holland aangegeven dat men het voornemen niet strijdig acht met provinciaal beleid.
Toen echter in de nadere uitwerking van dit voornemen initiatienemer vernam dat de
Pagina 12 van 40
Dorpsraad tegen dit voornemen was en aan initiatiefnemer door de Dorpsraad een uitgevoerde enquete was overlegd heet initiatiefnemer zelf besloten de plannen voor die locatie te staken en op zoek gegaan naar een andere locatie. Ondanks het feit datt uit de door de Dorpsraad uitgevoerde enquete niet was gebleken dat er meer tegenstanders waren dan voorstanders voor het plan.. Vervolgens heeft initiatiefnemer zich in 2017 gericht op het realiseren van een onbemand tankstaiton op de locatie ten zuiden van de huidige locatie aan de rotonde. Ook voor die locatie stonden na onderzoek en beoordeling van het voornemen bij bestuur en instanties alle lichten op groen. Waarbij het voor de initiatiefnemer van essentieel belang was dat de Dorpsraad nu wel zou instemmen en daarmee een duidelijk signaal wat betreft draagvlak zou teruggeven. Dorpsraad heeft ingestemd echter toen voorliggende locatie beschikbaar kwam en deze locatie qua ruimte en ligging nog geschikter bleek om het voornemen te realiseren, initiatiefnemer besloten deze planlocatie te kopen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan 2.8
In het ontwerpplan wordt ten onrechte gesteld dat in de kernen in de omgeving geen gronden beschikbaar zijn voor tankstation. Reclamant verwijst in dit verband het nabijgelegen bedrijventerrein Drechthoek en het toekomstige Drechthoek II. Planologisch gezien is een tankstation op de Drechthoek inpasbaar zonder bestemmingsplanwijziging. De gemeente heeft dan ook nagelaten hier onderzoek na te laten doen. Ook ontbreekt de onderbouwing dat het tankstation ruimtelijk en milieutechnisch beter past in de polder (droogmakerij) dan in stedelijk gebied.
In zijn algemeenheid mag een ieder die op zijn/haar perceel een bepaald voornemen heeft, dit op haalbaarheid en wenselijkheid te laten toetsen en het college een besluit te laten nemen over de uitkomsten van de beoordeling. In voorliggend geval is er geen verplichting noch grondslag op basis van provinciaal en/of gemeentelijk beleid initiatiefnemer te verplichten te onderzoeken of zijn zin voornemen wellicht op een bedrijventerrein inpasbaar is. Dit in tegenstelling tot voorliggend voornemen waar het plangebied juist aan de N207 gelegen is en daar aantoonbaar de behoefte voor een tankstation bestaat.
Pagina 13 van 40
Ook wordt ten oprechte gesteld dat de provinciale weg niet benut dient te worden als verstedelijkingsas, tegelijkertijd stelt het ontwerpplan dat – mede door de aanwezigheid van een het gebouwencluster aan de oostkant van de N2307 er verstedelijking plaatsvindt.
Tevens is voorliggend voornemen in strijd met het gestelde op de Kwaliteitskaart Gebiedsprofielen van de provincie Zuid-Holland waar de weg als ‘ Boerenervenlint’, wordt aangeduid; de Kwaliteitskaart Gebiedsprofielen heeft o.a. als doel het behoud van het agrarische karakter ter plaatse en uitbreidingsmogelijkheden van boeren erven te waarborgen. Tevens stelt reclamant dat het plan ook niet voldoet aan het provinciale vereiste dat ‘nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij vormgegeven dienen te worden als ‘eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen’. Ook voldoet het plan niet aan de provinciale verplichtende voorwaarden ten
In het kader van toetsing en beoordeling van de ruimtelijke onderbouwing moet blijken in hoeverre voldoende gemotiveerd is waarom de desbetreffende locatie ruimtelijk en milieutechnisch wenselijk is en de locatie voor een dergelijke voorziening niet in strijd is met provinciaal en/of gemeentelijk beleid De voorgestelde planlocatie wordt in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing [p zichzelf staand ( en in relatie tot de omgeving) in ruimtelijke en milieutechnische zin getoetst. In voorliggend geval is hier aan voldaan; alle milieuaspecten zijn door de Omgevingsdienst West-Holland beoordeeld en verwoord in een advies. Dit advies is vervolgens verwerkt in voorliggend ontwerpbestemmingsplan op aanvraag. Uit het advies van de Omgevingsdienst is gebleken dat alle verplichte milieuonderzoeken (o.a. ten aanzien van ecologie, geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid) volledig zijn uitgevoerd en dat geconcludeerd moet worden dat voor wat betreft milieuaspecten de ontwikkeling niet leidt tot afbraak en aantasting van natuurwaarden en dat de inpassing van het tankstation op voorgenomen locatie dan ook geen nadrukkelijke afbreuk doet aan het huidige open groene karakter en natuurlijke inrichting van het perceel.
De provincie heeft kenbaar gemaakt geenszins bezwaar te hebben tegen het onbemande tankstation op voorgenomen locatie en heeft dan ook geen strijdigheid met provinciaal beleid geconstateerd. Van inbreuk op de karakteristieken van de droogmakerij is ook geen sprake. Juist door de schaal en positionering van het onbemande tankstation wordt een bepaalde openheid qua doorzichten en zichtlijnen behouden en daarmee geen afbreuk gedaan aan de aanwezige gebiedskarakteristieken. Aan weerszijden van de planlocatie is geen sprake van ‘een stuk weidse polder met een ‘open landschappelijk karakter’. Integendeel, aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door twee woonkavels en aan de oostzijde door de rotonde. Daarbij worden de omliggende percelen
Pagina 14 van 40
aanzien van de aanwezigheid en behoud van ‘ruimte zichtlijnen’. Met de komst van het onbemande tankstations in relatie tot woningbouw op Vriezenweg 8 Leimuiden aan de westzijde en bestaande bebouwing aan de oostzijde treedt onverkort verdichting op en blijven zichtlijnen niet in stand.
gekenmerkt door een nadrukkelijke hoeveelheid bebouwing en bedrijvigheid. Het tankstation wordt gepositioneerd in lijn met de twee vrijstaande woningen met bijgebouwen die op het perceel Vriezenweg 88 te Leimuiden gerealiseerd worden. waardoor het tankstation qua massa ‘wegvalt’ in relatie tot de naasgelegen bebouwing op Vriezenweg 8 te Leimuiden. E.e.a. heeft tevens tot gevolg dat zichtlijnen voldoende behouden blijven en dat de aanwezigheid van het tankstation – mede gelet op de open constructie zonder noemenswaardige bijgebouwen – geen onevenredige verdichting en inbreuk op zichtlijnen veroorzaakt. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
2.9
2.10
De plan is in strijd met de Omgevingsvisie van de gemeente. De reden dat het plan zou bijdragen aan de economische ontwikkeling van de gemeente en een versterking van de infrastructuur met zich meebrengt laat onverlet dat de Omgevingsvisie geen ruimte biedt voor de realisatie van een tankstation.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over strijdigheid met de Omgevingsvisie en het raadsakkoord
Reclamant stelt dat onvoldoende en onvolledig invulling is gegeven in het plan wat betreft het aspect ‘(verkeers)veiligheid. De op- en afrit van het tankstation komt uit op de Vriezenweg, een 60 km weg met aan weerszijden een fietssuggestiestrook. Een strook die gebruikt wordt door fietsers en wandelaars. E.e.a. zal in de praktijk leiden tot (verkeer)gevaarlijke situaties. Ook zullen de tankwagens die jet perceel op- en af rijden tot verkeeronveilige leiden.
Voor wat betreft het gestelde over het aspect verkeers(on)veiligheid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4. Ten aanzien van het aspect extra verkeersbewegingen en het gestelde over de fietssuggestiestrook wordt ook verwezen naar de beantwoording van 1.4.
Ook wordt ten onrechte in het plan gesproken over ca 250 extra verkeersbewegingen door realisatie van het tankstation. Deze stelling wordt onderbouwd door het gestelde
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan
Overigens is het terrein zodanig ingericht dat de tankwagens een normale draaicirkel kunnen maken en daarmee veilig het terrein op- en af kunnen rijden. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Pagina 15 van 40
in de Haalbaarheidsstudie ‘PostmenBalm’ waar reclamant aan refereert; deze haalbaarheidsstudie concludeert namelijk dat er qua verkeersbewegingen uitgegaan moet worden van 337 auto’s extra per dag op de op- en afrit. En hierdoor de fietsstrook per dag 674 keer overgestoken wordt, uitgaande van 337 extra auto’s per dag. Er is dan ook geen sprake van een goede weginrichting wat in dat geval dient in het kader van de inrichting van verkeersstromen kruisend verkeer voorkomen te worden. (door bijvoorbeeld een fietspad achter een tankstation om te leggen).
2.11
Wat betreft maatschappelijke uitvoerbaarheid, participatie onvoldoende onderzocht en is de uiteenzetting van de conclusie onjuist en onvolledig. Zo stel reclamant aan de principeverzoeken van 2017 en 2020; in 2020 de gemeente positief gereageerd heeft op het principeverzoek van initiatiefnemer zonder dat dit aan de gemeenteraad is voorgelegd. Dit terwijl de gemeenteraad in 2017 al had ingesteld met een ander principeverzoek maar dan ten zuiden van de Vriezenweg op een kleiner perceel dichter bij de N207. Voor zover reclamant heeft kunnen achterhalen – aangezien genoemde principeverzoek niet openbaar zijn gemaakt - wat de reden was van het niet doorzetten van dat plan het feit dat er afspraken waren met de verkoper van de perceel dat de grond de agrarische bestemming zou behouden. Daarbij heeft de provincie Zuid-Holland aangegeven het perceel niet beschikbaar te willen stellen voor de realisatie van een tankstation en wil
De gemeente verplicht initiatiefnemers de omgeving tijdig te informeren over het initiatief en daarmee tijdig uitvoering te geven aan participatie, communicatie en draagvlak met betrekking tot het initiatief. Deze inspanningsverplichting moet - voor zover mogelijk – aantoonbaar gemaakt worden door de initiatiefnemer en wel in het hoofdstuk van de ruimtelijke onderbouwing / plantoelichting omtrent ‘participatie’. In dit geval Hoofdstuk 7.2 Eventuele fictieve en/of onvolledige verslaglegging daargelaten, feit is dat er in de achterliggende jaren door initiatiefnemer herhaaldelijk contact is gezocht met omwonenden en belangenorganisaties, omdat hij in iedere fase van het planproces waar mogelijk wilde voldoen aan de actieve informatieverplichting; toen initiatiefnemer in 2017 voornemens was op een andere locatie (ook aan de rotonde maar ten zuiden van de huidige locatie) een vergelijkbaar onbemand tankstation te realiseren, heeft initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente en heeft het college besloten medewerking te verlenen voor de realisatie van het onbemande tankstation. De positieve besluitvorming heeft initiatiefnemer vervolgens met zowel
Pagina 16 van 40
de provincie niet actief deelnemen aan het plan. Dat het ontwerpplan aangeeft dat de Dorpsraad van Rijnsaterwoude ten aanzien van de huidige locatie geen bezwaar heeft is niet relevant omdat het buiten hun gebied ligt. Volgens reclamant wordt hiermee de reactie van de Dorpsraad gebruikt die betrekking heeft op de eerdere locatie; een braakliggend agrarisch perceel (en dus geen grasland) dat veel kleiner is dan de voorliggende locatie. Dat niet voldaan is aan de verplichte participatie blijkt uit de vage, onvolledige en onjuiste uiteenzetting zoals omschreven in het hoofdstuk ‘Maatschappelijke uitvoerbaarheid’. Zo is uit de tekst niet te achterhalen wat er met wie besproken is. Dat er geen structureel overleg met initiatiefnemer heeft plaatsgevonden blijkt uit het feit dat reclamant als omwonende niet benaderd is en reclamant niemand kan vinden die geen problemen heeft met het voorliggend plan. Indiener 3. 3. Reclamant is het niet eens met voornemen omdat het daarmee erg druk wordt op de Vriezenweg om het dorp Rijnsaterwoude in te komen.
omwonenden als o.a. de Dorpsraad Rijnsaterwoude / Leimuiden en de Ondernemersvereniging Kaag en Braassem Oost gedeeld en hen voorzien van een nadere toelichting op de plannen. Vervolgens kreeg initiatiefnemer in 2021 de mogelijkheid om het plangebied aan te kopen waar voorliggend ontwerpbestemmingsplan betrekking op heeft. Wederom heeft initiatiefnemer een principeverzoek ingediend en de positieve besluitvorming van het college gedeeld met omwonenden. Voorliggend ontwerpbestemmingsplan is dan ook de uitwerking van laatgenoemde positieve principeverzoekbesluitvorming, waarbij is voldaan aan de verplichting wat betreft communicatie en participatie. Daarbij lijkt het dan ook onwaarschijnlijk dat omwonenden daadwerkelijk verrast zijn door voorliggend plan van initiatiefnemer; niet in de laatste plaats omdat in de achterliggende jaren (sinds 2017) initiatiefnemer in iedere fase van planvorming en daaropvolgende besluiten contact heeft gezocht met de omwonenden. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.4 wat betreft het gestelde over extra verkeersbewegingen. Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Indiener 4. 4. Reclamant stelt dat de aanwezigheid van het onbemande tankstation enkel in het belang is van de initiatiefnemer die niet woonachtig is in onze gemeente. Zijn belang staat echter niet in verhouding tot de belangen van de zowel omwonenden als het behoud van het open landschap. Refererend aan de vele bestaande tankstations in de omgeving is het nut en de noodzaak van dit tankstation niet aantoonbaar gemaakt. Voorliggen voornemen heeft dan ook geen
Wat betreft het gestelde over het aantoonbaar gemaakte nut en noodzaak wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Voor wat betreft het gestelde over het aspect verkeers(on)veiligheid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4. Wat betreft het gestelde over het aspect extra verkeersbewegingen wordt ook
Pagina 17 van 40
economische meerwaarde en heeft geen extra werkgelegenheid tot gevolg. Het tankstation op voorgenomen locatie maakt een grote inbreuk op het open landschap, omdat momenteel de westzijde van de N207 tussen Leimuiden en Alphen aan den Rijn nog onbebouwd is (met uitzondering van het dorp Rijnsaterwoude. Reclamant refereert in deze aan het feit dat het tankstation voorzien wordt van een overkapping, een metershoge reclamezuil en dag en nacht verlicht is. Tevens werkt de aanwezigheid van het tankstation extra sluipverkeer door het dorp Rijnsaterwoude in de hand. Voor automobilisten het namelijk een optie om in plaats van terug de N207 op te rijden via Rijnsaterwoude, hun weg te vervolgen dan wel vanuit Alphen aan den Rijn via Rijnsaterwoude te rijden om nog even te tanken. Dit sluipverkeer gaat in dat geval (veelal met hoge snelheid) over een dertig kilometerweg met beperkte wegbreedte en obstakels.
kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4. Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het open landschap wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2
Wat betreft het gestelde over lichthinder wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.6. . Dat de komst van het tankstation een toename van sluipverkeer in de hand zou werken is niet aannemelijk noch aantoonbaar. Immers, ook zonder de aanwezigheid kan de route desgewenst als ‘sluiproute’ fungeren voor automobilisten. Daarbij wordt een sluiproute niet aantrekkelijker als er sprake is van een 30 km weg, verkeersobstakels en de op- en afrit van de rotonde. Ook gaat reclamant voorbij aan het feit dat momenteel - zonder de aanwezigheid van het tankstation- dit deel van de N207 met een bepaalde mate en intensiteit gebruikt wordt door automobilisten die verkeersbewegingen maken tussen werken woonplaats en daarmee momenteel het wegennet op dat deel van de N207 reeds in een bepaalde mate ‘belasten.’ Voor wat betreft het gestelde over verkeersbewegingen en verkeersintensiteit wordt voor het overige kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Indiener 5 5.1 Reclamant heeft in het verleden reeds via de ‘Vereniging tot behoud van het Open Landschap’ een zienswijze ingediend om aan te geven dat de komst van een tankstation midden in de polder een ongewenste ontwikkeling is en een verdere
Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4
Pagina 18 van 40
bedrijfsmatige ontwikkeling in dit agrarische gebied in de hand werkt (precedentwerking). Het tankstation is een industrieel complex dat ’s nachts een ‘baken van licht’ is en daarmee plekken waar dieren hun nachtelijke rust kunnen vinden, verstoort. Door op een onverlichte weg door de polder ’s nachts tegen dat ‘baken van licht’ te rijden worden automobilisten ook in een verkeersonveilige situatie gebracht. Reclamant stelt dat er ook sprake is van strijdigheid met provinciaal beleid. Hierbij wordt gerefereerd aan de provinciale Landschapsvisie N207 Noord die in het kader van de recente verbreding van de N207 is opgesteld en waarin de provincie de N207 omschrijft als een ‘Mooi Zuid-Holland Route’. Het plan conflicteert ook met overig provinciaal beleid zoals de Visie Ruimte en Mobiliteit, die bebouwing buiten de BSD contouren slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toestaat. Het lijkt reclamant uiterst onwaarschijnlijk dat de provincie zal instemmen met dit plan buiten BSD, terwijl de provincie niet instemt met realisatie van extra sociale huurwoningen buiten BSD gebied. Reclamant concludeert dan ook dat er geen enkele noodzaak noch aanleiding is om medewerking te verlenen aan dit tankstation, dat het maatschappelijke draagvlak daartoe ontbreekt, het plan verkeersonveilige situaties creëert, schadelijk is voor de aanwezige dieren en een inbreuk maakt op het landschap.
Bestuurlijk draagvlak van dit plan is dan ook voornamelijk gebaseerd op de grondpositie van de initiatiefnemer (eigenaarschap gronden). Indiener 6 6.1 Reclamant stelt dat door meer tankstations toe te staan er geen bijdrage wordt geleverd aan klimaatdoelstellingen, verduurzaming en energietransitie en het plan dan ook in strijd is met het raadsakkoord. In het raadsakkoord staat namelijk dat
Wat betreft het gestelde over precedentwerking wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Wat betreft het gestelde over lichthinder wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.6 Wat betreft het gestelde over strijdigheid met provinciaal beleid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 2.8 Voor wat betreft het gestelde over het aspect verkeers(on)veiligheid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4. Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4 Wat betreft het gestelde over het aantoonbaar gemaakte nut en noodzaak wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over strijdigheid met de Omgevingsvisie en het raadsakkoord;
Pagina 19 van 40
6.2
6.3
‘de gemeente in de uitvoering en aanpassing van beleid het aspect duurzaamheid in acht moet nemen door volop in te zetten op meer oplaadpunten voor elektrische voertuigen in plaats van een nieuw tankstations’.
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Reclamant stelt dat tankstations een aflopende zaak zijn. Immers, vanaf 2035 mogen nieuwe auto’s binnen de EU geen CO2 meer uitstoten en worden richting 2035 de uitstootdoelen voor auto’s nog verder teruggeschroefd. Dat betekent dat het nieuwe tankstation voor het tanken van fossiele brandstof al na korte tijd steeds minder klanten zal hebben, terwijl volgens het voorliggend plan laadpunten op deze locatie langs de N207 niet economisch rendabel zou zijn.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over laadpalenvoorzieningen en energietransitie.
Aanwezigheid van het tankstation aan de rotonde, kruising N207 met de Vriezenweg, maakt dat de rotonde nóg onoverzichtelijker en verkeersonveiliger wordt voor zowel automobilisten als fietsers.
Voor wat betreft het gestelde over het aspect verkeers(on)veiligheid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4.
De beoogde toe- en afrit aan de Vriezenweg leidt bovendien tot nóg meer sluipverkeer door Rijnsaterwoude tijdens de avondspits Immers, automobilisten die het tankstation verlaten zullen er dan eerder voor kiezen om door Rijnsaterwoude te rijden in plaats van in de rij te staan om de rotonde op te komen, om vervolgens in de file te staan op de N207 richting Alphen aan en Rijn. Het tankstation leidt ook tot meer sluipverkeer door Leimuiden in de ochtendspits; omdat het tankstation een prijsvechter is zullen veel automobilisten uit de richting van Alphen aan den Rijn daar willen tanken. Dit betekent dat zij de derde afslag op de rotonde nemen en na het tanken er eerder voor zullen kiezen om de Vriezenweg te nemen richting Leimuiden en pas daar de N207 op te rijden in plaats van aan te sluiten in de
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Voor wat betreft het gestelde over het aspect sluipverkeer wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 4. Voor wat betreft het gestelde over verkeersbewegingen en verkeersintensiteit wordt voor het overige kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Pagina 20 van 40
ochtendfile op de N207 richting de Leimuiderbrug. 6.4
Reclamant stelt dat economische activiteiten zijn voorbehouden aan de bedrijventerreinen,. Reclamant refereert in dat verband aan het raadsakkoord, waarin de gemeente het belang van het Groene Hart erkent en daarmee behoud van het open landschap met bijbehorende waarden van belang acht. O.a. om verrommeling te voorkomen. Door het tankstation toe te staan, zullen er navolgend al snel nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden met als reden dat ‘deze nieuwe ontwikkelingen aansluiten op de bestaande ontwikkeling’. Te denken valt aan een fastfoodrestaurant, hotel, casino etc. Reclamant geeft hierbij als voorbeeld Den Ruygenhoek aan de A4, maar ook het gebied Roelofarendsveen / Rijpwetering langs de A4.
6.5
Reclamant stelt dat omwonenden door initiatiefnemer alleen mondeling en zonder voorafgaande aankondiging geïnformeerd over het plan. In tegenstelling tot wat in het plan staat, heeft een deel van de omwonenden toen wel degelijk (mondeling) aangegeven bezwaren te hebben tegen het plan.
Voor wat betreft de stelling dat het voornemen in strijd is met gemeentelijk beleid, wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4 Wat betreft het gestelde over precedentwerking wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Initiatiefnemer is verplicht de omgeving tijdig te informeren over het initiatief en uitwerking te geven aan participatie, communicatie en draagvlak met betrekking tot het initiatief. Deze inspanningsverplichting moet - voor zover mogelijk – aantoonbaar gemaakt worden door de initiatiefnemer, zoas in een gespreksverslag. In dit concrete geval is er een gespreksverslag opgenomen in hoofdstuk 7.2 van het ontwerpbestemmingsplan waar reclamant van stelt dat de weergave onvolledig en onjuist is. Eventuele fictieve en/of onvolledige verslaglegging daargelaten, feit is dat er in de achterliggende jaren door initiatiefnemer herhaaldelijk contact is gezocht met omwonenden en belangenorganisaties en heeft daarmee voldaan aan deze verplichting.
Pagina 21 van 40
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. Indiener 7 7.1 Reclamant stelt dat door meer tankstations toe te staan er geen bijdrage wordt geleverd aan klimaatdoelstellingen, verduurzaming en energietransitie en het plan dan ook in strijd is met het raadsakkoord. In het raadsakkoord staat namelijk dat ‘de gemeente in de uitvoering en aanpassing van beleid het aspect duurzaamheid in acht moet nemen door volop in te zetten op meer oplaadpunten voor elektrische voertuigen in plaats van een nieuw tankstations’. 7.2
7.3
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over strijdigheid met de Omgevingsvisie en het raadsakkoord; Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Reclamant stelt dat tankstations een aflopende zaak zijn. Immers, vanaf 2035 mogen nieuwe auto’s binnen de EU geen CO2 meer uitstoten en worden richting 2035 de uitstootdoelen voor auto’s nog verder teruggeschroefd. Dat betekent dat het nieuwe tankstation voor het tanken van fossiele brandstof al na korte tijd steeds minder klanten zal hebben, terwijl volgens het voorliggend plan laadpunten op deze locatie langs de N207 niet economisch rendabel zou zijn.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording van 1.2 wat betreft het gestelde over laadpalenvoorzieningen en energietransitie.
Aanwezigheid van het tankstation aan de rotonde, kruising N207 met de Vriezenweg, maakt dat de rotonde nóg onoverzichtelijker en verkeersonveiliger wordt voor zowel automobilisten als fietsers.
Voor wat betreft het gestelde over het aspect verkeers(on)veiligheid wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4.
De beoogde toe- en afrit aan de Vriezenweg leidt bovendien tot nóg meer sluipverkeer door Rijnsaterwoude tijdens de avondspits Immers, automobilisten die het tankstation verlaten zullen er dan eerder voor kiezen om door Rijnsaterwoude te rijden in plaats van in de rij te staan om de rotonde op te komen, om vervolgens in de file te staan op de N207 richting Alphen aan en Rijn. Het tankstation leidt ook tot
Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Voor wat betreft het gestelde over het aspect sluipverkeer wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 4. Voor wat betreft het gestelde over verkeersbewegingen en verkeersintensiteit wordt voor het overige kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.4 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Pagina 22 van 40
7.4
7.5
meer sluipverkeer door Leimuiden in de ochtendspits; omdat het tankstation een prijsvechter is zullen veel automobilisten uit de richting van Alphen aan den Rijn daar willen tanken. Dit betekent dat zij de derde afslag op de rotonde nemen en na het tanken er eerder voor zullen kiezen om de Vriezenweg te nemen richting Leimuiden en pas daar de N207 op te rijden in plaats van aan te sluiten in de ochtendfile op de N207 richting de Leimuiderbrug. Reclamant stelt dat economische activiteiten zijn voorbehouden aan de bedrijventerreinen,. Reclamant refereert in dat verband aan het raadsakkoord, waarin de gemeente het belang van het Groene Hart erkent en daarmee behoud van het open landschap met bijbehorende waarden van belang acht. O.a. om verrommeling te voorkomen. Door het tankstation toe te staan, zullen er navolgend al snel nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden met als reden dat ‘deze nieuwe ontwikkelingen aansluiten op de bestaande ontwikkeling’. Te denken valt aan een fastfoodrestaurant, hotel, casino etc. Reclamant geeft hierbij als voorbeeld Den Ruygenhoek aan de A4, maar ook het gebied Roelofarendsveen / Rijpwetering langs de A4. Reclamant stelt dat omwonenden door initiatiefnemer alleen mondeling en zonder voorafgaande aankondiging geïnformeerd over het plan.
In tegenstelling tot wat in het plan staat, heeft een deel van de omwonenden toen wel degelijk (mondeling) aangegeven bezwaren te hebben tegen het plan.
Indiener 8 8.1 Reclamant stelt dat het bestemmingsplan inrichting en regie dient te geven voor het gebruik en behoud van het landschap; aankoop van agrarische grond met als doel het realiseren van een tankstation (en daarmee een industriële bestemming toekennen) is niet op zijn plaats.
Voor wat betreft de stelling dat het voornemen in strijd is met gemeentelijk beleid, wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4 Wat betreft het gestelde over precedentwerking wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.2 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Wat betreft het gestelde over participatie en communicatie wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 6.5 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.
Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. Pagina 23 van 40
8.2
8.3
Reclamant geeft aan dat bij planlocatie er geen sprake is van een lint, echter open polderlandschap waar je vanaf alle kanten de polder in kan kijken. De geplande (blauwe) luifel met verlichting en (evt. verlichte) reclamezuil zal van alle kanten van de polder te zien zijn. Dit heeft aantasting van het open landschap tot gevolg. Reclamant vraagt of het mogelijk is een tankstation te plaatsen zonder luifel Uit de plannen en verbeelding komt onvoldoende naar voren op welke wijze invulling wordt gegeven aan de inpasbaarheid van het tankstation in het landschap met inbegrip van de ‘groene rand’ waar in het plan over gesproken wordt. Reclamant verzoekt dan ook meer ruimte te reserveren voor een groene buffer en in het plan in duidelijke bewoording op te nemen hoe genoemde ‘inpassing’ plaatsvindt.
Wat betreft het gestelde over de inbreuk op het landschap en natuurwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.3 en de beantwoording van 2.4 Wat betreft het gestelde over lichthinder wordt kortheidshalve verwezen naar de beantwoording van 1.6 Dit punt van de zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan. Iedere ontwikkeling moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening en daarmee verantwoord en inpasbaar zijn, zowel op zichzelf staand als in relatie tot de omgeving. Juist door de schaal en positionering van het onbemande tankstation wordt een bepaalde openheid qua doorzichten en zichtlijnen behouden en daarmee geen afbreuk gedaan aan de aanwezige gebiedskarakteristieken. Qua massa is het onbemande tankstation ondergeschikt aan de massa van de twee naastgelegen woonkavels (Vriezenweg 8) met bijgebouwen en grondwal en wordt het onbemande tankstation qua positionering in de zichtlijn van de naastgelegen 2 bouwkavels te staan. Dit komt ten goede zichtlijnen en wordt verdichting in de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie geminimaliseerd. Overigens leidt de aanleg tot groene omzomingen zoals reclamant voorstelt veelal tot verdichting en doorbreken van zichtlijnen. E.e.a. doet afbreuk aan een zo geleidelijk mogelijke inpassing van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.