NL.IMRO.1884.VKLAVERWEIJDEWEG21-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Hemelwater Indien een toename van verhard oppervlak plaats vindt met een omvang van meer dan 500 m2, dan dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.
Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitloogbare bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende
26
Van Klaverweijdeweg 21-21A activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
4.5.2
Plangebied
Voor de ontwikkellocatie geldt, dat het bestaande hoofdgebouw een oppervlak van 323 m2 heeft en het zomerhuis 233 m2. De overige bebouwing heeft een oppervlak van in totaal circa 405 m2. In totaal is dat 961 m2. Hiervan zal circa 319 m2 gesloopt worden. Daarnaast wordt één nieuw bijgebouw gerealiseerd met een oppervlak van circa 80 m2. Het totale bebouwde oppervlak bedraagt dan circa 722 m2. Hierdoor zal de verharding met circa 239 m2 afnemen. Er wordt niet voorzien in ondergrondse bebouwing. Aan de zuidrand valt een kleine strook binnen het invloedsgebied van een regionale waterkering. Hier is een dubbelbescherming opgenomen en er wordt ter plaatse niet voorzien in bebouwing. Binnen deze zone wordt wel voorzien in een nieuwe inrit. Indien het een dam met een duiker wordt, dient men rekening te houden met extra voorschriften zoals deze zijn opgenomen in de uitvoeringsregels 3, 4 en 5 van de Keur2020.
4.5.3
Wateroverleg
In het kader van het vooroverleg heeft het hoogheemraadschap van Rijnland aangegeven akkoord te zijn met dit bestemmingsplan, mits een aantal punten worden aangepast. Dit is gedaan. De waterhuishoudkundige belangen zijn door dit bestemmingsplan niet in het geding. Voor een deel van de werkzaamheden (nieuwe inrit) is waarschijnlijk wel een watervergunning nodig.
4.5.4
Conclusie
De in dit bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen hebben geen negatief effect op de waterhuishouding.
4.6
Bodem
4.6.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
4.6.2
Onderzoek
Bodem In mei 2021 is door onderzoeksbureau Milieutechniek ZVS Eemnes BV voor de ontwikkellocatie een
27
Van Klaverweijdeweg 21-21A verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Het terrein wordt ontsloten door een met grind verharde oprit. Onder dit grind is geen puinfundatie aangetroffen. Lokaal is bij boring 13 (zie volgende afbeelding) in het traject 0,2-0,5 m-mv kolengruis als bijmenging (matig) opgemerkt. De grond is ter plaatse matig verontreinigd met nikkel en licht met kobalt, koper, zink, molybdeen en lood. Gezien de resultaten van de overige boringen is de grond als gevolg van deze bijmenging niet meer verontreinigd dan de rest van het perceel. Nader onderzoek naar deze vermoedelijke putbron is niet noodzakelijk.
Afbeelding: meetpunten (bijlage 2 van het onderzoeksrapport)
De bovengrond op het perceel is ter hoogte van boringen 2, 4, 5 7, 104 en 106 sterk verontreinigd
28
Van Klaverweijdeweg 21-21A bevonden met zware metalen. Hiernaast zijn boringen 8, 13 en 14 matig verontreinigd met zware metalen. Ook de ondergrond van boring 101 is (nog) matig verontreinigd. Deze boringen zijn alle verricht op het noordelijk deel van het perceel. Mede vanwege een wisselende samenstelling van de verhoogde metalen wordt geconcludeerd dat sprake is van een ‘heterogeen’ verdeelde verontreiniging. Mogelijk is er in het verleden verontreinigde grond aangebracht op de locatie. Hoewel in de verkennende fase van het onderzoek globaal werd geraamd dat de bovengrond (0,5 m-mv) over een oppervlakte van circa 1.200 m² sterk verontreinigd was, is het oppervlak waarin sterke verhogingen voorkomen door het nader onderzoek geraamd op circa 500 m². De verontreiniging is in de diepte afgeperkt en komt vanaf 0,5 meter diepte niet in sterke mate voor. Feit blijft dat ook bij deze omvang nog steeds sprake is van een ‘ernstig geval’ van bodemverontreiniging volgens de Wet Bodembescherming. Opgemerkt moet worden dat als gevolg van de aanwezige bijgebouwen dit een ruwe schatting is. Met de resultaten van beide onderzoeken is een risicobeoordeling middels sanscrit uitgevoerd (zie bijlage 6 van het rapport). Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een spoedeisend geval van grondverontreiniging.
Op het moment dat er grondwerk of bouwactiviteiten plaatsvinden op het perceel kan de aanwezigheid van de verontreiniging wel leiden tot een plicht om (een deel) te saneren. Aan de hand van de aanvullende PFAS analyse blijkt de grond toepasbaar. Het grondwater is licht verontreinigd met kobalt, nikkel, barium en xylenen. Omdat het grondwater, in afwijking op de richtlijnen, direct na plaatsing is bemonsterd zijn deze resultaten niet onder certificaat verkregen. De verhogingen kunnen het gevolg zijn van de direct monstername en het troebel zijnde watermonster. Met het onderzoek is de hypothese ‘verdacht’ bevestigd. Bodemsanering is voor een deel van de locatie aan de noordrand nodig.
4.6.3
Conclusie
Vanwege de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zal vooraf aan de woningbouw bodemsanering uitgevoerd worden. Voor de nieuwbouwlocatie dient voorafgaand aan de bouw ook aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Na uitvoering van de bodemsanering is de locatie geschikt voor de beoogde woningbouw. Met de gemeente Kaag en Braassem is afgesproken dat nadat dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden een saneringsplan opgesteld zal worden en de benodigde vergunningen en meldingen aangevraagd en gedaan zullen worden. Het aspect bodem vormt geen onoplosbare belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1
Toetsingskader
Archeologie Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en geïmplementeerd in de Monumentenwet. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Bij ruimtelijke ingrepen worden de archeologische belangen in een vroeg stadium in de planvorming betrokken. Uitgangspunt bij de zorg voor archeologische waarden is het behoud in de bodem ter plekke en planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen. Verder geldt het “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of voor een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Cultuurhistorie Ter uitvoering van de eerste pijler van modernisering van de Monumentenwet (MoMo) is onder andere het
29
Van Klaverweijdeweg 21-21A Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De Rijksoverheid wil er met deze wetgeving voor zorgen dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid.
4.7.2
Onderzoek
Archeologie Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente is het plangebied voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Deze is overgenomen uit het huidige bestemmingsplan. Vanwege de verwachten archeologische waarden dient bij bodemingrepen groter dan 150 m2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dat is hier niet het geval. De nieuwe wagenschuur heeft een oppervlak van circa 80 m2 en er wordt niet voorzien in ondergrondse bebouwing. Archeologisch onderzoek is niet nodig. De aanwezige dubbelbestemming zorgt voor voldoende bescherming.
Cultuurhistorie De bestaande gebouwen van de voormalige boerderij 'Hoogstede' zijn aangemerkt als een Rijksmonument (Monumentnummer: 509924 Hooghstede) en hierdoor beschermd. De voormalige boerderij 'Hooghstede' is in 1887 als langhuistype gebouwd met daarbij door een tussenlid verbonden, bijbehorend, zomerhuis, beide in een aan het Eclecticisme verwante stijl met elementen van de Neo-Renaissance en Chaletstijl. De overige bijgebouwen, waaronder op het achtererf een rietgedekte hooiberg (vierroeder), karnhuis en schuur, zijn voor de bescherming van ondergeschikt belang. Blijkens een stichtingssteen rechts van de entree is de eerste steen gelegd door W. v.d. Lans en C. v.d. Salm. De architectuur kenmerkt zich enerzijds door de toepassing van kleurig siermetselwerk en anderzijds door de met snijwerk uitgevoerde windveren. Karakteristiek voor de bouwperiode is ook de toepassing van zogenaamde 'engelenramen', die vooral in de streek van de Oude Rijn en Hollandsche IJssel is toegepast. In het achterhuis, tussen woon- en stalgedeelte is een deel van de werkkeuken bewaard gebleven. De panden liggen in de Hoogmadesche Polder, langs een met voornamelijk 19de-eeuwse boerderijen bebouwde uitvalsweg ten westen van de dorpskern van Hoogmade.
Op een vrijwel rechthoekige kavel (onderdeel van Middeleeuwse strokenverkaveling) ligt de voormalige boerderij met het ten oosten ervan gelegen zomerhuis met hun voorgevel naar de weg gericht. Het zomerhuis is daarbij teruggerooid ten opzichte van het woongedeelte van de boerderij. Rondom de voormalige boerderij en het zomerhuis is het erf bestraat. Voor de voorgevel van het woongedeelte staan twee leilinden. Verder bestaat de erfinrichting aan voor- en achterzijde uit een gazon en staan verspreid op het erf diverse loofbomen en heesters. Het erf wordt aan de zuidzijde begrensd door een sloot, evenwijdig aan de openbare weg. De hoofdtoegang tot het erf bestaat uit een (van een duiker voorziene) dam met een smeedijzeren toegangshek, die buiten de bescherming valt. Aan de oost- en westzijde bevinden zich eveneens smalle slootjes. Aan de noordzijde gaat het erf over in weiland. Boerderij met zomerhuis van het langhuistype, elk op een rechthoekig grondplan en met elkaar verbonden door een tussenlid. Ze bestaan elk uit één bouwlaag en een zolderverdieping, dat aan de achterzijde is afgewolfd. De boerderij is gedekt met riet en heeft gesmoorde nokvorsten; het zomerhuis gesmoorde platte Friesepannen. Het rechter dakschild van het woongedeelte heeft een klein dakvenster onder een opgelicht dakschild.
De nokrichtingen van beide bouwlichamen lopen evenwijdig aan elkaar en staan haaks op de weg. Het zomerhuis ligt iets terug ten opzichte van het woongedeelte van de boerderij. De gevels zijn opgetrokken in grauwe baksteen in kruisverband met aan de onderzijde getoogde strekken en segmentbogen boven de deuren en vensters. In de beide voorgevels zijn diverse sierende elementen van gele steen, zoals de sierbanden en de aanzet- en sluitstenen van de strekken. De plint van het woongedeelte bestaat uit grijs pleisterwerk. De vensters van de beide woongedeelten bevatten
30
Van Klaverweijdeweg 21-21A merendeels zesruitsschuiframen. De lichtgetoogde stalvensters zijn, evenals de keldervensters voorzien van diefijzers en zijn afgehangen met in rood-groen zandlopermotief beschilderde luiken. De symmetrisch ingedeelde voorgevel van het gedeeltelijk onderkelderde woongedeelte (zuid) van de boerderij is een puntgevel met hoeklisenen en een middenrisaliet, rijk versierd met sierbanden, deels uitgevoerd met geblokt motief. De entreedeur in het midden is een paneeldeur met tweeruits bovenlicht met rechts daarvan een stichtingsteen. Aan weerszijden hiervan bevindt zich een zesruitsschuifraam, waarbij zich onder het rechter een tweeruits keldervenster met diefijzers bevindt. Op de verdieping bevindt zich in het midden een engelenraam onder een keperboog. De zij- en bovenlichten zijn voorzien van diagonaalgeplaatste roedenverdeling. Aan weerszijden ervan is de gevel verlevendigd met driekhoekig siermetselwerk. De houten windveren zijn uitgevoerd met een geschulpt motief en ter plaatse van de onderste makelaars versierd met een opengewerkt motief. In de topmakelaar staan het Latijnse kruis, het anker en het hart (symbolen voor geloof, hoop en liefde). De linker zijgevel (west) heeft van rechts naar links drie schuiframen, één houten deur met tweeruits bovenlicht naar de werkkeuken en vier stalvensters.
De rechter zijgevel (oost) heeft van links naar rechts: twee keldervensters, één hoog in de gevel geplaatst (schuifraam), een klein tussenlid en drie stalvensters. In het kleine tussenlid bevindt zich aan weerszijden een deur met keperboogvormig bovenlicht. In de symmetrisch ingedeelde achtergevel (noord) wordt een centrale dubbele staldeur geflankeerd door twee enkele deuren (vm. mestluiken). Op de verdieping zijn in het midden zolderluiken geplaatst,voorzien van een keperboogvormig bovenlicht met diagonaal geplaatste roeden. Het zomerhuis heeft een iets korter en smaller rechthoekig grondvlak dan de boerderij, maar de rooilijn van de achtergevels sluiten wel op elkaar aan. De symmetrisch ingedeelde voorgevel is dan ook iets kleiner dan de voorgevel van het woongedeelte, maar heeft verder een vergelijkbare gevelindeling en detaillering, met dien verstande dat zich ter plaatse van de centrale entreedeur een schuifraam bevindt. De linker langsgevel (west) heeft een segmentbogig stalvenster en een deur. Tegen de rechter zijgevel (oost), waarin zich enkele rechthoekige stalvensters bevinden, is aan de voorzijde (zuid) een spoelhok onder een lessenaarshok uitgebouwd, welke reikt tot de sloot. De beide kopgevels hebben een houten deur; de langsgevel een segmentbogige staldeur.
De symmetrisch ingedeelde achtergevel (noord) heeft een centrale staldeur geflankeerd door twee segmentbogige ijzeren stalvensters. Op de verdieping zijn in het midden een zolderluiken geplaatst, voorzien van een keperboogvormig bovenlicht met diagonaal geplaatste roeden. In de voormalige werkkeuken, gelegen tussen de stal- en het woongedeelte van de hoofdmassa zijn nog de oorspronkelijke klinkerbestrating, een koelbak, granito aanrecht en een schouw aanwezig. De driebeukige indeling van het stalgedeelte met standvinken is grotendeels oorspronkelijk. Er bevinden zich ondermeer enkele voedertroggen. Het vrij vormgegeven zomerhuis bezit de oorspronkelijke balkenzoldering met consoles en een kleine schouw. De monumentale bebouwing is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorischewaarde als voorbeeld van een merendeels gaaf boerenerf uit het eind van de 19de eeuw met een voor Midden-Holland en meer specifiek de Rijnstreek karakteristieke langhuisboerderij en daarbij behorend zomerhuis. Het boerenerf geeft een representatieve indruk van de totale inrichting van een boerderij uit het laatste kwart van de 19de eeuw. De boerderij is van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische waarde als een representatief voorbeeld van agrarische bouwkunst met een rijke vormgeving in een aan het Eclecticisme verwante stijl met elementen van de Neo-Renaissance en Chaletstijl.
De bouwkundige onderdelen zijn gaaf in hoofdvorm, materiaalgebruik en detaillering. De boerderij heeft situationele waarde vanwege de ligging in het open polderlandschap aan een ontginningsas waaraan voorts nog eveneens voornamelijk uit de 19de eeuw daterende boerderijen liggen.
Bouwhistorische verkenning Door Choufour, bureau voor architectuur en bouwhistorie, is een bouwhistorische verkenning gemaakt, waarin veel duidelijkheid wordt geschept over de historische ontwikkeling van het perceel (zie Bijlage 3).
31
Van Klaverweijdeweg 21-21A In het rapport is onder andere aangegeven dat de bestaande hooiberg niet origineel is, maar een variant die is herbouwd. De boerderij, en het zomerhuis, bezitten beide historische waarden. Daarnaast zijn elementen benoemd die toegevoegd of verbetert kunnen worden. De inhoudelijke punten worden bij de definitieve uitwerking van het plan opgenomen. 4.7.3
Conclusie
Eventueel aanwezige archeologische waarden worden door de dubbelbestemming voldoende beschermd. Het hoofdgebouw en het zomerhuis zijn van hoog cultuurhistorische waarde en daarom aangewezen als Rijksmonument. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling zal daarom ook in nauw overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit uitgewerkt worden.
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Toetsingskader
In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen. Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en een (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen en een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.
De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.
Er dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: 1. bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; 2. vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
32
Van Klaverweijdeweg 21-21A
Vervoer van gevaarlijke stoffen Sinds 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal gevaarlijke stoffen van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute.
4.8.2
Onderzoek
Voor eventuele externe veiligheidsrisico's is de Risicokaart.nl geraadpleegd (zie volgende afbeelding).
Afbeelding: uitsnede Risicokaart.nl
4.8.2.1 Transportroutes Via de A4 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze transportroute bevindt zich met meer dan 320 meter afstand buiten de zone waar onderzoek naar externe veiligheid nodig is. De locatie bevindt zich wel binnen het invloedsgebied. Volgens art. 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het bevoegd gezag heeft de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld hierover advies uit te brengen (zie paragraaf 4.8.3). 4.8.2.2 Inrichtingen Er bevinden zich geen inrichtingen met gevaarlijke stoffen binnen de invloedssfeer van het plangebied.
33
Van Klaverweijdeweg 21-21A
4.8.2.3 Gasleidingen Er bevinden zich geen relevante gasleidingen binnen de invloedssfeer van het plangebied.
4.8.3
Advies veiligheidsregio
De Veiligheidsregio bevestigd in haar advies van mei 2022 dat zich geen EV-bronnen in en rond het gebied bevinden. Wel wordt geadviseerd om de bouwwerken te laten voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. Bij een calamiteit in de omgeving waarbij rookoverlast of toxische wolk vrijkomt is het handelingsperspectief voor de aanwezigen schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie afgeschakeld kan worden. In het toekomstige Bbl is in artikel 4.126, lid vier geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. De bereikbaarheid naar het plangebied (openbare weg) is volgens de Veiligheidsregio in orde. De bluswaterwinning is niet mogelijk via een brandkraan (deze is niet in de nabijheid van het plangebied gelegen). Voor de bluswaterwinning is de brandweer afhankelijk van open water. Deze is in de vorm van de Voorwetering aanwezig en voor dit type verzorgingsgebied volgens de Veiligheidsregio acceptabel. De opstelplaats voor het brandweervoertuig is op de openbare weg i.v.m. de wijze waarop bluswater wordt gewonnen uit de Voorwetering. Toetreding van een brandweervoertuig binnen het plangebied is niet noodzakelijk.
Echter ligt de (brandweer)ingang van de nieuw te bouwen woning op meer dan 40 meter van de openbare weg. Gezien de beperkte overschrijding (50 meter), de vrijstaande ligging en het beperkter oppervlak van de woning is ook dit acceptabel. De afstand tussen de Voorwetering en de nieuwe woning is 60 meter (ter vergelijk: maximale afstand tussen blusvoertuig en brandkraan is doorgaans 100 meter). Voor nummer 21a (zomerhuis) is meegewogen dat de nieuwe inrit zorg draagt voor een korte verbindingsweg tussen de opstelplaats en de woning. De opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied wordt overschreden. De wettelijke norm bedraagt acht minuten voor gebouwen met een woonfunctie. Er is een gemiddelde overschrijding van de opkomsttijd van circa drie minuten. Met het aanbrengen van extra rookmelders in de verblijfsruimten van de woningen krijgen bewoners meer gelegenheid de woning veilig te verlaten indien zich een woningbrand voordoet. Tenslotte wordt erop gewezen dat het opsplitsen van de bestaande woning ook betekend dat branduitbreiding tussen de diverse wooneenheden benodigd is. Gezien de monumentale status van het gebouw kan dit een bouwkundige uitdaging worden, zeker wanneer er ook eisen vanuit monumentaal oogpunt zijn. Geadviseerd wordt om dan ook vroegtijdig te starten met een (voor)onderzoek hiernaar. 4.8.4
Conclusie
Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.
4.9
Bedrijven en milieuzonering
4.9.1
Toetsingskader
De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar veroorzaken. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst 34
Van Klaverweijdeweg 21-21A opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden. In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; categorie 2 grootste afstand 30 meter; categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden.
De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld binnen het wettelijke kader van de Wet milieubeheer.
4.9.2
Onderzoek
Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied, waar zowel bedrijven als woningen aanwezig zijn. Direct grenzend aan het plangebied bevindt zich een bedrijfskavel dat relevant is voor het geluid. Daarom is in oktober 2023 door onderzoeksbureau M+P voor de beoogde nieuwe woningen een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Het voor het aspect geluid relevante bedrijf betreft een timmer- en onderhoudsbedrijf, waarbij op het terrein opslagruimtes worden verhuurd. Op basis van de door het bedrijf verstrekte gegevens is een bedrijfssituatie bepaald. Op basis van de bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld en is er gerekend naar de geplande woningen. Er is getoetst aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en aan de richtwaarden van stap 2 voor gemengd gebied uit de VNG handreiking in het kader van de ruimtelijke ordening. Uit de berekeningen blijkt dat voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximaal optredende geluidsniveau er wordt voldaan aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en aan stap 2 van de handreiking. Er kan worden gesteld dat er in het kader van de ruimtelijke ordening sprake is van een goed woon- en leefklimaat en er ook voldaan wordt aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit waardoor het timmer- en onderhoudsbedrijf niet in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.
Op grotere afstand van de planlocatie bevinden zich ook nog diverse andere bedrijven, waaronder een aannemersbedrijf, een bouw- en restauratiebedrijf en een agrarisch bedrijf. Deze hebben vanwege de grote afstand geen negatieve invloed op het plangebied en worden door de nieuwe woningen ook niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. 4.9.3
Conclusie
Voor de nieuw te bouwen woningen geldt, dat er geen belemmeringen zijn door bedrijven in de omgeving. Gesteld kan worden, dat in het kader van de ruimtelijke ordening er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en er wordt ook voldaan aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit waardoor het bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.
35
Van Klaverweijdeweg 21-21A
4.10
Ecologie en stikstofdepositie
4.10.1 Toetsingskader Natuur en groen worden over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel binnen als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en een rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang. Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wet- en regelgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones (“Natura 2000” gebieden) aangewezen. Gebiedsbescherming was in het Nederlands recht geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Per 1 januari 2017 is hiervoor de Wet Natuurbescherming in de plaats gekomen.
Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke omgevingsverordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen het NNN zijn ook de door de Europese Unie vastgestelde Natura 2000 gebieden van groot belang.
4.10.2 Onderzoek In juni 2022 is door onderzoeksbureau Els & Linde een ecologische quickscan uitgevoerd (zie Bijlage 4). Deze quickscan is een oriënterend veld- en literatuuronderzoek met als doel te inventariseren of de voorgenomen ontwikkelingen, activiteiten of werkzaamheden kunnen leiden tot: Een mogelijke overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); Een negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden (Wnb-gebiedsbescherming); Een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN); Een negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal of regionaal niveau. Gebiedsbescherming Op grond van de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (meer dan 10 km) en de omvang van de werkzaamheden (verbouw bestaande woningen en bouw één woning) significant negatieve effecten op voorhand zijn uit te sluiten. Ook andere negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn uit te sluiten. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in een weidevogelgebied. Er zijn dan ook geen belemmeringen met betrekking tot de provinciaal beschermde gebieden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming Op grond van het onderzoek kan geconcludeerd worden, dat het plangebied geschikt is voor verschillende beschermde soorten. Op de planlocatie kan de aanwezigheid van gierzwaluw en vleermuizen in de hooischuur, de monumentale boerderij en de woonhuizen niet op voorhand worden uitgesloten. Er zijn voldoende
36
Van Klaverweijdeweg 21-21A openingen waargenomen waar deze soorten zich kunnen vestigen. Voor deze gebouwen geld dat een afdoend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk is. De aanwezigheid van huismus kan voor de woonhuizen, de monumentale boerderij, de schuren en het tuinhuisje niet op voorhand worden uitgesloten. Er zijn voldoende openingen waargenomen waar deze soort zich kan vestigen. Voor deze gebouwen is een onderzoek naar deze soort noodzakelijk. De aanwezigheid van uilensoorten is op voorhand uit te sluiten. Er zijn onvoldoende openingen waargenomen waar deze soort zich kan vestigen. Na aanleiding van de hiervoor beschreven conclusies is door Els & Linde een afdoend ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Gebleken is dat er binnen de planlocatie geen nestplekken van huismussen en gierzwaluwen of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Met de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels in de begroeiing rondom het pand. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden buiten de broedperiode te starten.
4.10.3 Conclusie Uit de ecologische quickscan is gebleken, dat aanvullend onderzoek nodig is. Dit is momenteel nog in uitvoering. Vooruitlopend is wel aangetoond dat het bestemmingsplan op dit punt uitvoerbaar is.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Toetsingskader Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer (Wm) handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden).
De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.
37
Van Klaverweijdeweg 21-21A
4.11.2 Onderzoek De realisatie van woningen leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en kwalificeert als NIBM. Nader onderzoek is niet nodig.
4.11.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.
4.12
Kabels en leidingen
4.12.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.12.2 Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen of hoogspanningsverbindingen aanwezig.
4.12.3 Conclusie Dit onderwerp vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen.
4.13
Duurzaamheid
Gasloze woningen is een van de uitgangspunten. Er zal voldaan worden aan de wettelijke normen en eisen (zie ook paragraaf 3.5.3).
38
Van Klaverweijdeweg 21-21A
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels en hoe de voorliggende ontwikkeling van woningen hierin wordt vertaald. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De verbeelding is samen met de regels het juridisch bindend kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing en uitleg van het plan en bepaalde bestemmingen en regels. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden. In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat en hoe er mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelregels en de algemene afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.
In het bestemmingsplan is een aantal binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen om een bepaalde mate van flexibiliteit te verkrijgen. Aan de afwijkingsmogelijkheden zijn voorwaarden verbonden waaraan getoetst dient te worden. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient aantoonbaar aan de voorwaarden te voldoen, waarna deze onderbouwing ambtelijk wordt getoetst.
5.2
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.
Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte, oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
5.3
Bestemmingsregels
De regels in verband met de bestemmingen kennen een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voor een aantal bestemmingen zijn daarbij bijzondere gebruiksregels en/of een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het is een omschrijving waarin de functies worden benoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik). In een aantal gevallen is een specificering opgenomen van de toegestane functie, die correspondeert met een functieaanduiding op de verbeelding. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning. In dit bestemmingsplan
39
Van Klaverweijdeweg 21-21A worden de volgende bestemmingen gebruikt:
Artikel 3 Wonen De bestaande en de beoogde woningen zijn bestemd als Wonen. De maximum goot- en bouwhoogte wisselt per volume en staat op de verbeelding aangegeven. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt in totaal vijf.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 1 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist. De dubbelbestemming is gebaseerd op de beleidskaart archeologie van de gemeente Kaag en Braassem. Hierop zijn gebieden met een verschillende archeologische verwachtingswaarde en het beleid ten aanzien van deze gebieden weergegeven.
Artikel 5 Waterstaat - Waterkering Voor waterkeringen is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.
5.4
Algemene regels
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.
Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Het betreft regelingen ten aanzien van dakkapellen en dakterrassen. Tevens is in dit artikel bepaald hoe omgegaan wordt met bestaande maten in het plangebied die afwijken van de in dit bestemmingsplan toelaatbaar gestelde maten.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels zijn regels opgenomen voor het gebruik van gronden en gebouwen die voor alle bestemmingen in het gehele plangebied gelden. Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijgebouwen is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze specifieke gebruiksregel wonen in bijgebouwen uitgesloten. Verder zijn onder andere regels opgenomen over buitenopslag, kleinschalige beroepen en bedrijven aan huis.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels is de bevoegdheid opgenomen voor Burgemeester en wethouders bij 40
Van Klaverweijdeweg 21-21A een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde regels, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Het gaat hierbij om beperkte afwijkingen van bijvoorbeeld de bouwhoogte.
Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is de mogelijkheid opgenomen om de bestemming voor archeologie aan te passen indien aangetoond is dat de veronderstelde waarden niet aanwezig zijn of in mindere mate aanwezig zijn.
Artikel 11 Overige regels In dit artikel is bepaald dat de in het plan genoemde wet- en regelgeving moet worden gelezen zoals die op het moment van tervisie leggen van het bestemmingsplan geldt.
5.5
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.
Artikel 13 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
41
Van Klaverweijdeweg 21-21A
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld van de initiatiefnemer. De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan heeft naast de onderzoekaspecten echter ook betrekking op economische aspecten zoals planschade en grondexploitatiekosten. De ontwikkeling bevat bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het kostenverhaal, de locatie-eisen en de fasering is vastgelegd in een overeenkomst die voor vaststelling van het bestemmingsplan is gesloten. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten en belangen op een andere wijze verzekerd. De gemeente Kaag en Braassem heeft met de initiatiefnemers een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin is een planschade-overeenkomst opgenomen, wordt het kostenverhaal geregeld en worden eisen gesteld aan de locatie en fasering. Het plan is daarmee dan ook economisch uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de verschillende overlegpartners. Het gaat hierbij om de provincie Zuid-Holland , het hoogheemraadschap van Rijnland en de veiligheidsregio Hollands Midden. Veiligheidsregio Hollands Midden Het advies van de veiligheidsregio is in paragraaf 4.8.3 van deze toelichting opgenomen. Provincie Zuid-Holland Het plan is bij de provincie aangeboden via het e-formulier. Hieruit bleek dat er geen strijdigheden zijn met provinciaal beleid en het plan niet opgestuurd hoefde te worden. Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat er nog een aantal tekstuele onjuistheden in het stuk stonden, zo werd verwezen naar een verouderde Keur en is per omissie aangegeven dat het plangebied ligt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap 'De Stichtsehoogheemraadschap van Rijnland (HHR)'. Dat moet natuurlijk hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) zijn. Verder wordt erop gewezen dat pas bij >500 m² nieuw verhard oppervlak de rekenregel van 15% compensatie geldt. Belangrijk is ook dat men rekening moet houden met de inrit welke deels in de beschermingszone van de regionale kering valt. Indien het een dam + duiker wordt, dient men rekening te houden met extra voorschriften zoals deze zijn opgenomen in uitvoeringsregels 3, 4 en 5 van de Keur2020.
Met genoemde aanpassingen heeft het hoogheemraadschap aan geen bezwaar te hebben tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Voor de werkzaamheden is hoogstwaarschijnlijk wel een watervergunning nodig. De toelichting is hierop aangepast. Er zal rekening worden gehouden met de regels uit de Keur2020. Indien de watervergunning nodig is, zal deze ook op tijd worden aangevraagd.
42
Van Klaverweijdeweg 21-21A
6.2.2
Participatie
Belanghebbenden worden bij het proces betrokken en er wordt de mogelijkheid geboden om een mening te geven over het plan. Voordat het bestemmingsplan als ontwerp ter visie wordt gelegd zal de buurt hierover per brief geïnformeerd worden (binnen een straal van 150 meter). Daarnaast is de afgelopen periode hard gewerkt aan een aangepaste opzet voor de ontwikkeling. Na diverse overlegmomenten en de nodige input/adviezen van Dorp, Stad en Land, is het plan opnieuw beoordeeld en daaruit volgt het nu voorliggende plan.
6.2.3
Ter inzagelegging
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan belanghebbenden de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.
43