CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.VKLAVERWEIJDEWEG21-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 18 maart 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Van Klaverweijdeweg 21-21a, Hoogmade'.16.202 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Van Klaverweijdeweg 21-21A Voor vaststelling op 18 maart 2024

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend planologisch kader 1.4 Leeswijzer

3 3 3 4 4

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Beoogde ontwikkeling

5 5 7

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid

10 10 10 11 15 17

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieu effect rapportage 4.3 Wegverkeerslawaai 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Water 4.6 Bodem 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Externe veiligheid 4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.10 Ecologie en stikstofdepositie 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Duurzaamheid

21 21 21 22 24 25 27 29 32 34 36 37 38 38

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Inleidende regels 5.3 Bestemmingsregels 5.4 Algemene regels 5.5 Overgangs- en slotregels

39 39 39 39 40 41

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

42 42 42

2

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van vier extra woningen op een kavel aan de Van Klaverweijdeweg 21/21A in Hoogmade te Kaag en Braassem. Op dit kavel staat een oude monumentale boerderij die behouden blijft en opgedeeld wordt in twee woningen. Het bijbehorende zomerhuis blijft ook staan en wordt een zelfstandige woning. Andere niet waardevolle gebouwen worden gesloopt en in de plaats daarvoor komt er een nieuwe woning bij. Daarnaast wordt de huidige woning op het ernaast gelegen kavel aan de Van Klaverweijdeweg 19A conserverend bestemd. Hier wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. Het huidige bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om twee woningen te realiseren. De realisatie van vier extra woningen zoals in het plan wordt beoogd past dus niet binnen het geldende bestemmingsplan, zodat voor de realisatie een nieuw bestemmingsplan als toetsingskader voor vergunningverlening vastgesteld moet worden. Het nu voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied bevindt zich aan de Van Klaverweijdeweg 19A-21A en is gelegen tussen Hoogmade en Leiden. Op circa 320 meter ten noordwesten van de locatie bevindt zich de rijksweg A4 en op circa 300 meter het tracé van de Hogesnelheidslijn-Zuid. In de volgende afbeelding zijn de ligging en begrenzing van het plangebied indicatief weergegeven.

Afbeelding: ligging en begrenzing plangebied (indicatief)

3

Van Klaverweijdeweg 21-21A

1.3

Geldend planologisch kader

Tot vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld op 28 mei 2018. Het onderhavige plangebied is hier bestemd als 'Wonen'. Hier zijn maximaal twee woningen toegestaan. Het bouwvlak omvat het hele bestemmingsvlak en mag voor maximaal 50% bebouwd worden. Voor woningen (inclusief aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen) geldt hier een maximum goot- en bouwhoogte van 6 respectievelijk 10 meter en een maximum inhoud van 750 m3 per woning.

Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'

1.4

Leeswijzer

In de toelichting wordt een en ander op de volgende wijze omschreven: In hoofdstuk 2 wordt een analyse van het plangebied weergegeven. Hierbij wordt eerst de huidige situatie beschreven en vervolgens de beoogde ontwikkelingen. Hoofdstuk 3 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden ten aanzien van het plangebied zijn gepubliceerd. Dit geeft een impressie van het beleidskader van onderhavig bestemmingsplan. In hoofdstuk 4 komen milieutechnische en civieltechnische randvoorwaarden in het plangebied aan de orde. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de manier waarop de planregels in combinatie met de verbeelding moeten worden gelezen. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven of het plan economisch en maatschappelijk uitvoerbaar wordt geacht.

4

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

Van Klaverweijde 21-21A De voormalige boerderij 'Hooghstede' is in 1887 als langhuistype gebouwd met een daarbij horend zomerhuis. Beide gebouwen zijn door een tussenlid met elkaar verbonden en gebouwd in een aan het Eclecticisme verwante stijl met elementen van de Neo-Renaissance en Chaletstijl. Ze zijn aangewezen als rijksmonument (monumentnummer: 509924 Hooghstede). De overige bijgebouwen zijn van mindere kwaliteit en zijn geen onderdeel van het monument.

Afbeelding: huidige situatie met diverse gebouwen

De voormalige boerderij ligt in de Hoogmadesche Polder, langs een met voornamelijk 19de-eeuwse boerderijen bebouwde uitvalsweg ten westen van de dorpskern van Hoogmade. Op een vrijwel rechthoekige kavel (onderdeel van Middeleeuwse strokenverkaveling) ligt de boerderij met het ten oosten ervan gelegen zomerhuis met hun voorgevel naar de weg gericht. Het zomerhuis is daarbij teruggerooid ten opzichte van het woongedeelte van de boerderij. Rondom de boerderij en het zomerhuis is het erf bestraat. Voor de voorgevel van het woongedeelte staan twee leilinden. Verder bestaat de erfinrichting aan voor- en achterzijde uit een gazon en staan verspreid op het erf diverse loofbomen, wilgen en heesters. Het gaat hierbij niet om waardevolle bomen. Daarnaast zijn er ook nog een aantal waardevolle bomen aanwezig. Het gaat hierbij om vier platanen, twee leilinden, één berk en één beuk. Deze bomen zijn in volgende afbeelding weergegeven.

5

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Afbeelding: overzicht met beschermwaardige bomen 4x plataan (rood), 2x leilinde (oranje), 1x berk (geel) en 1x beuk (paars)

Alleen de bestaande rechter berk, in geel genummerd, wordt gekapt in verband met de aanleg van een dam. Het erf wordt aan de zuidzijde begrensd door een sloot, evenwijdig aan de openbare weg. De hoofdtoegang tot het erf bestaat uit een (van een duiker voorziene) dam met een smeedijzeren toegangshek, die buiten de bescherming valt. Aan de oost- en westzijde bevinden zich eveneens smalle slootjes. Aan de noordzijde gaat het erf over in weiland.

Afbeelding: voorgevel monumentale boerderij

De bebouwing bestaat uit één bouwlaag en een zolderverdieping. De goot- en nokhoogte van het

6

Van Klaverweijdeweg 21-21A hoofdgebouw bedragen respectievelijk 3,5 en 9,2 meter en van het zomerhuis respectievelijk 3 en 7,1 meter. Het hoofdgebouw heeft een oppervlak van 323 m2 en het zomerhuis 233 m2. De overige bebouwing heeft een oppervlak van in totaal circa 405 m2.

Afbeelding: voorgevel zomerhuis

Van Klaverweijde 19A Op dit adres bevindt zich een grondgebonden woning in één laag en een kap.

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling heeft alleen betrekking op het perceel Van Klaverweijdeweg 21-21A. Er wordt niet voorzien in ontwikkelingen op het ernaast gelegen perceel (nummer 19A). De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van vier extra woningen, waarbij de monumentale boerderij (rijksmonument) behouden blijft en opgedeeld wordt in twee wooneenheden. Ook het bijbehorende zomerhuis blijft staan en wordt gesplitst in twee woningen. Van de overige bebouwing wordt het grootste deel gesloopt (circa 319 van 405 m2). Bij de te slopen bebouwing gaat het om bijgebouwen zonder bijzondere waarden: een orangerie/tuinhuis, een hobbykas, voormalige silo en schuurtjes.

7

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Afbeelding: te slopen bebouwing

In de noordoosthoek blijft een deel van het aanwezige gebouw staan (zie volgende afbeelding).

Afbeelding: deels te behouden bijgebouw

Dit betreft een stenen gebouw met een schuine kap. Het voorste deel van hout en bestaande uit één laag zal worden gesloopt. De vloerhoogte bedraagt circa 2,10 meter. Het gebouw is opgetrokken uit metselwerk (enkel steens), voorzien van ramen, deuren en een zolder. Dit wordt eveneens een zelfstandige woning.

8

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Afbeeldingen: impressie achterzijde met nieuwbouwwoning (links)

Aan de westkant van het perceel komt een nieuwe overkapping/wagenschuur met maximaal vier parkeerplaatsen. In totaal neemt het oppervlak aan bebouwing met 239 m2 af.

Afbeelding: nieuwe situatie met vier extra woningen

Naast de vier extra woningen worden er 14 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast wordt er een nieuwe inrit gerealiseerd voor de parkeerplaatsen behorend bij het zomerhuis.

9

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het voor het plangebied relevante ruimtelijke beleidskader. De ontwikkeling is in overeenstemming met het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Omgevingswet zal op 1 januari 2024 in werking treden en bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook een Rijksvisie op de leefomgeving, de NOVI. et de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. Het gaat hierbij om: de bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; meer duurzame energie gebruiken; aanpassen aan klimaatverandering; de ontwikkeling van een circulaire economie; omschakeling naar kringlooplandbouw. Bij de opgaven wordt altijd rekening gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. In de NOVI zijn 21 nationale belangen opgenomen. Het gaat hierbij om voornamelijk het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland, het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, een betrouwbare, betaalbare en veilige CO2-arme energievoorziening, waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid en het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Samen met de NOVI is ook de Uitvoeringsagenda opgeleverd. De Uitvoeringsagenda beschrijft hoe er concreet uitwerking gegeven gaat worden aan de NOVI als één overheid, samen met de samenleving. Naast de instrumenten van de Omgevingswet worden een aantal nieuwe instrumenten en (nationale) programma's ingezet.

Instrumenten zoals de Omgevingsagenda's, NOVI-gebieden en regionale verstedelijkingsstrategieën zorgen voor een doorvertaling van de NOVI naar een regionale aanpak. Voorbeelden van programma's zijn het Programma Energiehoofdstructuur, Programma Gezonde Leefomgeving en Nationaal Programma Landelijk Gebied. Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen directe raakvlakken met de nationale belangen en past binnen het beleid van het rijk.

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de aangewezen nationale belangen, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. De in dit bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen hebben geen raakvlakken met het Barro.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Teneinde een zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren dient op grond van artikel 3.1.6 Bro bij het mogelijk maken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling gemotiveerd te worden dat de voorgenomen stedelijke

10

Van Klaverweijdeweg 21-21A ontwikkeling voorziet in een behoefte. Om deze vraag te beantwoorden is de gewenste ontwikkeling aan de “ladder voor duurzame verstedelijking” getoetst. Deze is sinds 1 juli 2017 vereenvoudigd. Het doel van de ladder is een zorgvuldige ruimtelijke ordening, in termen van optimale benutting van de ruimte in het stedelijk gebied. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Er dient aangetoond te worden dat er een behoefte bestaat aan de nieuwe invulling van de projectlocatie en dat hiervoor beschikbare gronden in bestaand stedelijk gebied kunnen worden benut. In het per 1 oktober 2012 aangevulde Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is een artikel lid aan artikel 3.1.6 Bro toegevoegd. Dit artikel lid is in 2017 gewijzigd. In artikel 3.1.6, tweede lid, van Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden. Dit is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' dat een instrument is voor efficiënt ruimtegebruik.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Bepaald moet worden of er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Het plan voorziet in vier extra woningen binnen een reeds aanwezige woonbestemming en wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een toets aan de ladder is daarom niet aan de orde. De in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen zijn niet in strijd met het rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

Op 1 april 2019 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in werking getreden. Beide zijn de afgelopen jaren gewijzigd. De laatste wijzigingen zijn op 15 maart 2022 in werking getreden.

3.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (15 maart 2022)

Het ruimtelijk beleid van de provincie Zuid Holland is vastgelegd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm) het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww) het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) In de fysieke leefomgeving worden 6 richtinggevende ambities onderscheiden: naar een klimaatbestendige delta naar een nieuwe economie: the next level naar een levendige meerkernige metropool energievernieuwing best bereikbare provincie gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In de Omgevingsvisie Zuid-Holland zijn beleidskeuzes opgenomen ten aanzien van onder meer behoud

11

Van Klaverweijdeweg 21-21A en versterking van ruimtelijke kwaliteit, binnenstedelijk groen, mobiliteit, energietransitie in de gebouwde omgeving, flexwonen en een gezonde leefomgeving. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. De provincie maakt hierbij onderscheid in drie soorten ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau. Zij zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen en bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. De provincie Zuid-Holland heeft in 2012 het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' opgesteld. In overleg met de regio en de gemeenten zijn de kernkwaliteiten uit de kwaliteitskaart uitgewerkt in het gebiedsprofiel.

Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied. Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' is voornamelijk opgesteld om bij ontwikkelingen sturing te geven op kwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan betreft de realisatie van één nieuwbouwwoning na de sloop van diverse voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de toename met twee woningen door splitsing van een bestaande woning in een monumentaal pand (rijksmonument) en het als zelfstandige woning bestemmen van het zomerhuis, zodat er in totaal vier woningen ontstaan. Bij het voornemen is de kwaliteit van groot belang en wordt voorzien in een hoogwaardig plan. Vanwege de monumentenstatus van de bestaande panden, is het plan ook voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voor advies. Het voorliggende bestemmingsplan is daarmee in lijn met het gebiedsprofiel. De provincie heeft twaalf provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening.

De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Landschap en cultuurhistorie: een belangrijke opgave is het beschermen, versterken en leefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. In het plangebied bevindt zich een rijksmonument. Bij de beoogde realisatie van woningen zal daarom in nauw overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit getreden worden; Ruimte en verstedelijking: een belangrijke opgave in het kader van ruimte en verstedelijking is het zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Omdat het voorliggende bestemmingsplan niet aangemerkt hoeft te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie ook paragraaf 3.2.3), is toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde.

Wonen: naast zorgvuldig ruimtegebruik vindt de provincie het belangrijk dat er voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving beschikbaar zijn. Deze opgave is erop gericht dat de woonbehoeften van verschillende doelgroepen kunnen worden gerealiseerd, zowel wat betreft de beschikbaarheid van passende woningen als de aantrekkelijkheid van de woon- en leefomgeving. Voorliggend bestemmingsplan maakt een beperkt aantal nieuwe woningen mogelijk. De toevoeging van vier extra woningen past binnen de Omgevingsvisie.

12

Van Klaverweijdeweg 21-21A

3.3.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland (15 maart 2022)

De Omgevingsverordening Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Omgevingsvisie en het Programma Ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma Ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Ter plaatse van dit bestemmingsplan zijn vooral de onderdelen Regionale waterkering, Ruimtelijke Kwaliteit en beschermingscategorieën en cultureel erfgoed van belang.

Regionale waterkeringen (artikel 6.2.2) In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van regionale waterkeringen. In de Omgevingsverordening zijn diverse regionale waterkeringen aangeduid. In de volgende afbeelding is de regionale waterkering direct ten zuiden van het plangebied weergegeven. Deze waterkering is in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’, waarmee de waterkerende functie primair is gesteld ten opzichte van de andere aangegeven bestemmingen.

Afbeelding: uitsnede Kaart 3 Omgevingsverordening ‘Regionale waterkeringen’

Ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9) Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling indien de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, niet voorziet in een wijziging op structuurniveau, past bij de

13

Van Klaverweijdeweg 21-21A aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Van deze regel zijn uitzonderingen mogelijk. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; wegnemen van verharding; toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij 1. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; 2. indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zoals dat hier het geval is, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a.

Het bestemmingsplan voorziet in vier extra woningen binnen een reeds bestaand woonperceel in een bestaand bebouwingslint. Voorafgaand aan de nieuwbouw wordt een deel van de huidige opstallen gesloopt. Dit voornemen past binnen de gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau. Door het voornemen wordt het in het plangebied aanwezige monument zorgvuldig gerenoveerd en wordt de rommelig ogende bebouwing zonder waarde gesloopt en vervangen door hoogwaardige bebouwing. Hierdoor verbetert ook de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. De ontwikkelingen zijn ook in overeenstemming met artikel 6.9a (zie hieronder).

Beschermingscategorie 3 Buitengebied (Artikel 6.9a) Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het bestemmingsplan voorziet in vier extra woningen op een bestaand woonperceel. Hierdoor wordt de openheid en het groene karakter van het landschap niet aangetast. Het perceel bevindt zich in een bestaand bebouwingslint en voegt zich hier goed in. Voorafgaand aan de nieuwbouw worden diverse opstallen gesloopt. Hierdoor is er geen nadelig effect op het landschap.

Cultureel erfgoed, bescherming molenbiotoop (artikel 6.25) Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal

14

Van Klaverweijdeweg 21-21A staande wiek; 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. In afwijking van het voorafgaande is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: c. een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of d. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Het plangebied bevindt zich op meer dan 110 meter afstand van het Dekkermolentje. Gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (circa 6 meter) en de afstand van meer dan 100 meter, resulteert dat in een mogelijke bouwhoogte van circa 7 meter. Hieraan wordt niet voldaan.

De overschrijding is echter aanvaardbaar, omdat zich reeds diverse bebouwing met vergelijkbare bouwhoogten tussen bedoelde molen en het onderhavige plangebied bevinden. Hierdoor heeft de nieuwbouw geen effect op de molen. De in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen zijn niet in strijd met het provinciale beleid.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020

De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door de regio gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Voorliggend plan is voornamelijk gerelateerd aan de punten 1 en 4 van de kernbeslissingen. Met de ontwikkeling van vier extra woningen op een bestaand woonperceel levert het bestemmingsplan een bijdrage aan de woonbehoefte binnen de regio. Tevens wordt de groen-blauwe structuur niet uit het oog verloren. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020.

3.4.2

Regionale Woonagenda 2023

De Regionale Woonagenda 2023 is op 28 juni 2023 door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland vastgesteld. De woningmarkt kenmerkt zich de afgelopen jaren door grote tekorten, hoge koopprijzen en lange wachttijden voor sociale huurwoningen. Steeds meer mensen hebben moeite bij het vinden van een

15

Van Klaverweijdeweg 21-21A passende woning. Hierbij spelen ook veranderende woonbehoeften een belangrijke rol. Met de Regionale Woonagenda 2023 probeert Holland Rijnland die tendensen om te buigen. De Regionale Woonagenda beschrijft de afspraken over woningbouw in de regio. Die afspraken gaan over het aantal te bouwen woningen, waar deze moeten komen, wat voor soort woningen het zijn en voor wie. De gemeenten in Holland Rijnland maken zich sterk om tot en met 2030 maar liefst 30.500 nieuwe woningen te bouwen, waarvan 30% een sociale huurwoning is en 35% een middeldure huurwoning of een betaalbare koopwoning. De nieuwbouw moet aansluiten bij de woonbehoeften. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de doorstroom, het versnellen van de woningbouw, het realiseren van betaalbare woningen en het geven van ruimte aan aandachtsgroepen, dat zijn mensen met specifieke zorg- en ondersteuningsbehoeften. Alle gemeenten leveren hieraan een bijdrage. De afspraken in de Woonagenda vormen de kaders waarbinnen gemeenten hun eigen ruimtelijke projecten kunnen realiseren. Het vertrekpunt is de Regionale omgevingsagenda, waarin afspraken zijn gemaakt die een relatie hebben met het wonen. Dit wordt gezien als staande afspraken waarop voortgebouwd wordt.

Het gaat om volgende afspraken met betrekking op woningbouw uit de Regionale omgevingsagenda: Primair doorzetten van de ontwikkeling langs de verstedelijkingsas Oost-West van Katwijk tot Zoeterwoude tot 2030. De stedelijke as wordt vanaf het einde van dit decennium doorgetrokken tot Alphen aan den Rijn voor duurzame verstedelijking in Holland Rijnland. Dit betekent dat secundair wordt ingezet op extra woningbouw in of nabij de kernen. Hierbij is het wel van belang dat de kernen vitaal blijven. Beperkte extra woningbouw blijft mogelijk primair voor de lokale behoefte; Buiten de verstedelijkingsas zorgen voor veelkleurige en vitale kernen zodat deze leefbaar blijven en meegaan in de ontwikkeling. Beperkt woningen toevoegen in en direct langs de randen van de kernen blijft dus mogelijk, met name gericht op de lokale behoefte; Realiseren van een prettig woon- en leefklimaat met diverse woon- en leefmilieus; Woningen aanbieden voor diverse doelgroepen en woonwensen, in zowel grote als kleinere kernen, met elk een eigen identiteit en woningaanbod; Diverse woonmilieus in een compacte setting realiseren met gezonde vergroening van de bebouwde omgeving als uitgangspunt; Gekozen wordt voor geconcentreerde verstedelijking om het landschap en de dorpsranden te sparen.

De woningbehoefte is alleen binnenstedelijk in subregio’s noord en oost niet altijd meer op te lossen; Daar waar het binnenstedelijk of binnen de kern niet meer past, worden daarom de kansen benut die er liggen om de kwaliteit van de stads- en dorpsranden te versterken via landschappelijke verstedelijking. Door middel van “landschapsplannen” kunnen harde overgangen tussen kern en landschap verbeterd worden. Centraal in de Woonagenda staan de volgende punten: Woningbouwproductie doorzetten en verder opvoeren door zachte plannen hard te maken en nieuwe plannen toe te voegen; Meer ruimte voor betaalbare en kleinere woningen Meer ruimte voor aandachtsgroepen Voldoende woningen voor mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag Onderhavig plangebied bevindt zich in de subregio Oost. Hier wordt een woningbehoefte geschetst van 9.500-11.000 woningen (zie volgend tabel).

Tabel: Woningbehoefteraming naar subregio

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in vier extra woningen. Uit de Woonagenda blijkt dat er nog veel ruimte en behoefte is voor extra woningen. Er wordt nu niet voorzien in sociale woningen, maar het is ook van belang om kwalitatief hoogwaardige duurdere woningen aan de woningvoorraad toe te voegen, 16

Van Klaverweijdeweg 21-21A zodat mensen vanuit goedkopere woningen door kunnen stromen er hierdoor ook weer goedkopere woningen vrijkomen voor nieuwe bewoners. Er wordt hierdoor ook voorzien in een prettig woon- en leefklimaat met diverse woon- en leefmilieus. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsvisie Kaag en Braassem

De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. In 2021 is de Omgevingsvisie op een aantal gebieden nog concreter gemaakt. Zo zijn de belangrijke uitgangspunten van de verschillende gebiedstypen nog verder uitgewerkt. In januari 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0 vastgesteld. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Het plangebied bevindt zich binnen het gebiedstype 'Buitengebied - Veenweide' en binnen de subgebiedstypen 'Wijde Aa Zone' en 'Agrarische linten'.

'Buitengebied - Wijde Aa Zone' Vanaf Leiderdorp tot aan Nieuwkoop loopt een lang recreatielint waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat. Dit lint loopt langs de zuidoever van de Does, de Kromme Does, de Wijde Aa, het Braassemermeer en de Leidsche Vaart. Het is een doorgaande recreatieroute voor fietsers en wandelaars, met bijbehorende voorzieningen. Zo zijn er horecagelegenheden in de dorpen. De Wijde Aa zone maakt onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland en heeft daardoor een belangrijke functie als ecologische verbindings-zone. Binnen de Wijde Aa zone is dan ook (extra) ruimte voor natuur(ontwikkeling).

In eerste instantie wil de gemeente hier de biodiversiteit die het gebied kenmerkt behouden en herstellen. Op de lange termijn wil men deze biodiversiteit vergroten. Daarnaast wil men het bestaande

17

Van Klaverweijdeweg 21-21A recreatielint behouden, waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat. Uitgangspunt hierbij is dat incidenteel agrarisch bedrijf een volwaardige recreatieve tweede bedrijfstak kan voeren als dit het waardevolle en open landschap niet schaadt. In principe is er geen ruimte voor ontwikkelingen in bestaande ecologische verbindingszones die een negatieve impact hebben op de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit.

'Buitengebied - Agrarische Linten' In het buitengebied zijn er enkele linten die door de jaren heen zijn ontstaan en zich onderscheiden van het open landschap door een hogere bebouwingsdichtheid. Naast de agrarische activiteiten kennen ze ook woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen. Linten die onder dit sub-gebiedstype vallen zijn: Ofwegen, Van Klaverweijdeweg (plangebied), Zuidweg, Willem van der Veldenweg, Herenweg en Boekhorsterweg. Deze selectie van linten is voornamelijk gemaakt op basis van de kaart ‘Transformeren, herstructureren en verdichten’ van het Programma Ruimte van de provincie Zuid-Holland. De Ambitie is hier om de agrarische linten te behouden. Uitgangspunt is hierbij, dat binnen deze linten naast de agrarische activiteit ook ruimte is voor recreatieve activiteiten en incidenteel het toevoegen van een woning. Dit mits er sprake is van een ruimtelijke kwaliteitswinst (bijv. ruimte voor ruimte of het saneren van een bedrijfsbestemming) en/of er gebouwd wordt voor de doelgroepen waar behoefte naar is volgens de Regionale Woonagenda. Versterking/verbetering van de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit wordt ook gezien als ruimtelijke kwaliteitswinst. Nieuwe (niet-agrarische) bedrijfsactiviteiten zijn binnen deze linten, net als in het gehele buitengebied, niet wenselijk en moeten zoveel mogelijk op de bedrijventerreinen gerealiseerd worden.

Dit bestemmingsplan voorziet in vier extra woningen op een kavel dat reeds een woonbestemming heeft. De locatie maakt onderdeel uit van een bestaand lint, waar naast de agrarische activiteiten ook al woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen aanwezig zijn. De toevoeging van de extra woningen op een bestaand woonperceel is dan ook niet in strijd met de visie.

Woningbouw Kaag en Braassem is een gemeente met aantrekkelijke kernen in het Groene Hart, die zich onderscheidt van andere gemeenten door haar unieke ligging en woonmilieus. Maar de druk op de woningmarkt is groot. Op dit moment zit de woningmarkt vast. Ouderen blijven langer in een grote woning wonen, omdat een kleinere woning niet beschikbaar is of omdat de huurlasten van de nieuwe woning te hoog zijn. Starters kunnen (vervolgens) niet of nauwelijks een woning kopen en worstelen zodoende ook met de betaalbaarheid van woningen. Deze doelgroep blijft daarom ook langer in een sociale (huur)woning zitten dan gewenst. In theorie is binnen Kaag en Braassem het aandeel sociale woningen in evenwicht met het aandeel huishoudens dat hier qua inkomen op aangewezen is. Echter, feitelijk wonen er in ongeveer 40% van de sociale huurwoningen huishoudens die inmiddels een inkomen hebben boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning. Om het woningtekort op te lossen, moeten er keuzes gemaakt worden zoals: 'inbreiden of uitbreiden?' en 'wel of geen hoogbouw?'. De gemeente ziet de volgende opgaven die bovendien niet los van elkaar kunnen worden gezien: woningbouwplannen richten op de behoefte; doorstroming bevorderen; huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen realiseren; het definiëren van wat passend is in de omgeving.

De gemeente heeft de doelstelling gesteld om 30% van de totale bouwproductie per jaar uit te voeren als sociale woningbouw: 25% sociale huur en 5% sociale koop. Echter, vanwege de vele eisen/voorwaarden omtrent (de toewijzing van) sociale woningbouw is het realiseren van sociale woningbouw binnen kleine woningbouwontwikkelingen (11 woningen of minder) ruimtelijk niet wenselijk of door regelgeving onmogelijk. Daarom wordt bij dergelijke plannen het percentage sociale woningbouw 'afgekocht' door de verschuldigde bijdrage te storten in het sociale vereveningsfonds. Met dit geld kan het fonds sociale woningbouwprojecten faciliteren door bijvoorbeeld grond te kopen of corporaties te

18

Van Klaverweijdeweg 21-21A helpen tot een sluitende exploitatie te komen. De gemeente hanteert bij woningbouwprojecten een aantal specifieke uitgangspunten. De specifieke uitgangspunten vormen een kader voor nieuwe ontwikkelingen en zijn een kapstok voor het opstellen van het omgevingsplan. Op dit moment is het grondgebied binnen de gemeentegrenzen nog onderverdeeld in een vijftiental bestemmingsplannen (kleine postzegelplannen niet meegerekend). In bestemmingsplannen is voor de gehele gemeente vastgelegd wat de gebruiks- en bouwregels zijn. Die regels kunnen voor elk bestemmingsplan net iets anders zijn. Met de invoering van de Omgevingswet worden uiteindelijk al die losse bestemmingsplannen omgezet naar één omgevingsplan en zal in de toekomst gewerkt worden met een onderverdeling van de gemeente in gebiedstypen (zie hiervoor). Bij de uitgangspunten gaat het om het rekening houden met de omgeving (milieu en omgevingsaspecten, zie hoofdstuk 4 van deze toelichting), nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van een gebied, er dient ruimte te zijn voor recreatie en bedrijvigheid (bijv. bed & breakfast of bedrijf of beroep aan huis). Daarnaast verdient ook het aspect duurzaamheid in relatie tot de fysieke omgeving voldoende aandacht. Het bestemmingsplan voorziet in vier extra vrije sector koopwoningen.

Dit past bij het streven van de gemeente om naast een uitbreiding van het woningaanbod ook te zorgen voor doorstroming op de woningmarkt. Gebleken is dat reeds 40% van de huurders van een sociale huurwoning al boven de inkomensgrens zit. In dit bestemmingsplan wordt ook rekening gehouden met de uitgangspunten voor woningbouw. De extra woningen passen binnen de omgeving en hebben geen negatief effect op het milieu en de omgeving. De woningen worden duurzaam gebouwd, waarbij de woningen grotendeels binnen bestaande bebouwing worden gerealiseerd en in het geval van de nieuwbouwwoning in de plaats van de aanwezige bijgebouwen zonder waarde. Om te voldoen aan de eis van 30% sociale woningbouw per ontwikkeling, zal er een bijdrage gestort worden in het sociale vereveningsfonds.

3.5.2

Welstandsnota

De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de karakteristieke gebieden, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Voor het voorliggende bestemmingsplan betekent dit dat er vanwege het aanwezige rijksmonument een welstandstoets aan de orde is. Het plan is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en die heeft door middel van een advies d.d. 13 november 2023 laten weten akkoord te zijn met de nieuwe invulling van het plangebied.

3.5.3

Duurzaamheidsagenda Kaag en Braassem 2016-2020

In de duurzaamheidsagenda Kaag en Braassem 2016-2020 worden de ambities en prioriteiten op het gebied van duurzaamheid voor de gemeente vastgelegd. De eerste ambitie betreft samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid. De tweede ambitie heeft betrekking op de inhoud en gaat over energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie. Zo is de ambitie dat de gemeente in 2040 energie neutraal is, vervoerswijzen die het minst belastend zijn voor het milieu gestimuleerd worden, 75% van het huishoudelijke afval gescheiden wordt, nieuwbouw energieneutraal is (nul-op-de-meter woningen) en bij bestaande bouw wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk rendement, er samen wordt gewerkt aan het behoud en ontwikkeling van natuur en in het verlengde daarvan het vergroten van betrokkenheid van bewoners, bedrijven en organisaties bij de waarde van groen. Onderhavig bestemmingsplan past binnen de kaders van de duurzaamheidsagenda. Gasloos bouwen is uitgangspunt van de nieuwbouw. De nieuwbouw zal volgens bouwbesluit voldoen aan de huidige normen wat betreft duurzaamheid en energiezuinigheid. Diverse bouwkundige en installatietechnische maatregelen zullen in het ontwerp worden meegenomen om te voldoen aan de actuele normen. Zo worden op de nieuwbouw zonnepanelen geplaatst. In de bestaande bebouwing worden warmtepompen geplaatst.

De mogelijkheid om op het zomerhuis zonnepanelen te plaatsen

19

Van Klaverweijdeweg 21-21A wordt nog onderzocht.

3.5.4

Nota Parkeernormen 2018

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’, die op 15 maart 2018 in werking is getreden. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het doel hiervan is te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte.

Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. De Nota Parkeernormen 2018 heeft geen betrekking op bestaande situaties en is dan ook niet bedoeld om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Nieuwe ontwikkelingen wel. Dat betekent dat de in dit bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen getoetst worden aan de nota. Dit is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd. In artikel 11.2 is een voorwaardelijke verplichting parkeren opgenomen. Zie verder ook paragraaf 4.4. Er wordt voldaan aan de nota.

20

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2

Milieu effect rapportage

4.2.1

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is; een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen); een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.

neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen dan voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betrof het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van: 1. 2. 3. 4.

de aard van de voorgenomen activiteit; de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.

21

Van Klaverweijdeweg 21-21A

Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden, naar aanleiding van een wijziging van de Europese Richtlijn m.e.r. Deze wijziging heeft tot gevolg dat voor elke vergunningsaanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is de volgende procedurestappen doorlopen moeten worden: door de initiatiefnemer moet een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag moet binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit moet genomen zijn voor de ter inzage legging van het ontwerpbesluit; het besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden, maar wel via andere (digitale) kanalen bekend worden gemaakt; het (vormvrije)-m.e.r.-beoordelingsbesluit moet onderdeel zijn van de vergunningaanvraag. 4.2.2

M.e.r. en m.e.r.-beoordeling

Dit bestemmingsplan voorziet met een toename van vier reguliere woningen niet in een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. Het plan blijft ook ver onder de drempel van 2.000 woningen. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt voldoende aangetoond dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Vormvrije m.e.r.-beoordeling of het uitvoeren van een MER is niet aan de orde.

4.2.3

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling geeft geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER.

4.3

Wegverkeerslawaai

4.3.1

Toetsingskader

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld. De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk: wegverkeerslawaai; railverkeerslawaai; industrielawaai; vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd wordt. Op de aspecten wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt hier nader ingegaan.

22

Van Klaverweijdeweg 21-21A

4.3.2

Onderzoek

In oktober 2023 is door onderzoeksbureau M+P een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Uit het onderzoek is het volgende gebleken: Wegverk eer Uit de berekeningen blijkt dat bij alle woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van wegverkeerslawaai. Er is afhankelijk van de woning sprake van een overschrijding vanwege de rijksweg A4 en de Van Klaverweijdeweg. De geluidsbelasting vanwege de rijksweg A4 is maximaal Lden = 53 dB, vanwege de Van Klaverweijdeweg is dit eveneens maximaal Lden = 53 dB. Er zijn hogere waarden nodig. Bron- en overdrachtsmaatregelen aan de rijksweg A4 worden niet doelmatig geacht. Een bronmaatregel aan de Van Klaverweijdeweg is mogelijk, maar hier kunnen bij de gemeente bezwaren bestaan wat betreft beheer en onderhoud. Overdrachtsmaatregelen passen niet binnen het wegprofiel van de Van Klaverweijdeweg. De situatie voldoet aan het gemeentelijke geluidsbeleid. Spoor Het plangebied is buiten de geluidszone van het spoor gelegen, zoals hieronder wordt geillustreerd. De zonebreedte hangt af van het geluidsproductieplafond op de registerpunten. De situatie is hier complex met verschillende zonebreedtes van 100, 200, 300 en 600 m die elkaar overlappen. In de onderstaande figuur zijn de aan te houden zonebreedtes (gestippeld in rood) resulterende zone (in rood) en het bouwplan (in blauw) aangegeven.

Afbeelding: geluidszone van het spoor

4.3.3

Conclusie

Er dient voor de nieuwe woningen een hogere waarde van 53 dB door het bevoegd gezag vanwege het verkeer op de A4 en de Van Klaverweijdeweg vastgesteld te worden. Het ontwerpbesluit hogere waarden heeft samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen.

23

Van Klaverweijdeweg 21-21A

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1

Autoverkeer

Het plangebied wordt via de huidige ontsluitingsweg (Van Klaverweijdeweg) ontsloten. Aan de verkeersstructuur van de omgeving veranderd hierdoor niets. Wel voorziet het plan in een extra inrit (zie volgende afbeelding). Deze is goed inpasbaar in de omgeving.

Afbeelding: nieuwe inrit en verdeling parkeerplaatsen in het plangebied

Hiervoor zal een inritvergunning aangevraagd moeten worden. De inrit is bedoeld voor een van de vier woningen. De toename van het aantal verkeersbewegingen en het effect op de bestaande weg is nihil. Dat geldt ook voor de vier beoogde woningen samen. De verkeersproductie is verwaarloosbaar en heeft geen relevant effect op de verkeersafwikkeling op de bestaande wegen in de omgeving.

4.4.2

Parkeren

Parkeren zal op maaiveld op eigen terrein worden opgelost. Voor het perceel met nieuwe woningen wordt voor de vier beoogde woningen voorzien in 14 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit is een gemiddelde parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning (inclusief bezoekersparkeren). Voor het perceel met de bestaande woning op nr. 19a is ook voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein (bestaande situatie).

4.4.3

Conclusie

Er worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen.

24

Van Klaverweijdeweg 21-21A

4.5

Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) , verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.

4.5.1

Toetsingskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Kaderrichtlijn water Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit èn ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-stille principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.

Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In de Waterwet zijn alle vergunningen betreffende 'water' opgenomen. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Onderdeel van het Rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies. Het Watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003).

Toetsingscriteria in de watertoets zijn: veiligheid, regionale- en locale wateroverlast, rioleringssysteem, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewaterkwaliteit, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur (Handreiking watertoets, 2003).

Waterbeheerplan Rijnland 2016-2021 De waterbeheerder ter plaatse van het projectgebied is het hoogheemraadschap van Rijnland (HHR). Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. In het vijfde waterbeheerplan (WBP5) geeft het hoogheemraadschap van Rijnland richting aan het waterbeheer voor de periode 2016 -2021. Door niet tegen het water te strijden maar met het water mee te bewegen kan het beheergebied met innovatieve en duurzame oplossingen zo worden ingericht dat ook toekomstige generaties prettig 25

Van Klaverweijdeweg 21-21A kunnen wonen, werken en recreëren, tegen zo laag mogelijke kosten. Dit alles vraagt om zorgvuldige afwegingen tussen de belangen voor de mens, de natuur en de economie, waarbij het vinden van de juiste balans tussen deze drie de grote uitdaging is. In het waterbeheerplan zijn de doelstellingen voor de aankomende periode per watertaak uitgewerkt. Kort samengevat gaat het om: Waterveiligheid: Bescherming tegen overstromingen vanuit zee en de rivieren. Voldoende water: Er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en economie er optimaal gebruik van kunnen maken. Waterketen: Het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Om deze doelen te bereiken hanteert het hoogheemraadschap een manier van denken en werken die uitgaat van kansen, samenwerken en het zoeken naar nieuwe wegen. Het hoogheemraadschap werkt daarbij samen met inwoners en bedrijven in het gebied, hun wensen en belangen staan centraal. Daarnaast streeft het HHR naar een duurzame en innovatieve werkwijze, tegen zo laag mogelijk kosten.

Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: ontrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak. Op 13 mei 2020 is de Keur2020 vastgesteld en op 1 juni 2020 in werking getreden. De Keur gaat uit van een "ja, tenzij" benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=d91d57b3-782a-4abe-873c-162da4c04ae1