CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMVEERSTRAAT45-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 29 september 2025, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Veerstraat 45, Oude Wetering’.16.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 31 van 52

Geconcludeerd kan worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect geluid.

7.4 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

•

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

•

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

•

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een milieugevoelige activiteit (woning) en een milieubelastende activiteit (loods). Navolgend wordt de invloed van de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omliggende bedrijfsactiviteiten en andere milieugevoelige functie. Milieugevoelige activiteit Met de beoogde ontwikkeling wordt een woning gerealiseerd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere milieubelastende activiteiten.

pagina 32 van 52

- Tuincentrum Het plangebied maakt in de huidige situatie onderdeel uit van een tuincentrum. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Detailhandel'. Ondanks dat hier feitelijk geen activiteiten meer plaatsvinden dient rekening te worden gehouden met eventuele toekomstige bedrijvigheid, aangezien de bestemming 'Detailhandel' van kracht blijft op de ten noorden gelegen gronden. Detailhandel is over het algemeen een functie die goed naast woningen van derden plaats kan vinden. Het realiseren van een woning

beperkt

de

eventuele toekomstige

bedrijvigheid

dan

ook

niet.

Bovendien

zijn

er

reeds

meerdere burgerwoningen direct naast de gronden gelegen, waardoor het beoogde woonperceel geen nieuwe belemmering vormt. - Nutsvoorziening Volgens het tijdelijke deel van het omgevingsplan bevindt zich ten noorden van de planlocatie, op het adres Veerstraat 40t, een nutsvoorziening. Gezien de afstand van de nutsvoorziening tot de beoogde woning (meer dan 50 m) heeft dit geen effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. - Autobedrijf Idelenburg & Van Tol Ten zuiden van het plangebied is het Autobedrijf Idelenburg & Van Tol gevestigd. Dit bedrijfsperceel ligt op korte afstand van de woningen aan de Plantage 2, 4 en 6 en wordt daardoor reeds gehinderd in zijn mogelijkheden. De beoogde woning vormt dan ook geen nieuwe belemmering. Het bedrijfsgebouw is gericht op het zuiden, van de beoogde woning af. Aangenomen kan worden dat de bedrijfsactiviteiten geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. - Sil's Fashion Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een winkel in damesmode. Conform het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschikken deze gronden over milieucategorie 3.1. Ook hier geldt dat de woningen aan de Plantage 2, 4 en 6 op kortere afstand zijn gelegen van het bedrijf dan bij de beoogde woning het geval is. De beoogde woning vormt daarmee geen nieuwe belemmering voor de bedrijfsactiviteiten.

Tevens kan worden aangenomen dat de bedrijfsactiviteiten geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat in het plangebied. - Jachtwerf van der Meer Op een afstand van ongeveer 70 meter ten zuiden van de planlocatie, aan de Plantage 32, bevindt zich Jachtwerf van der Meer. Hier vindt bootonderhoud, reparatie en sloep- en motorbootverhuur plaats. Onderhoud en repatie vindt binnen plaats. Gezien de afstand tussen de planlocatie en de jachtwerf en de bestaande bebouwing tussen de planlocatie en de jachtwerf wordt aangenomen dat de bedrijfsactiviteiten geen afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat in het plangebied. Milieubelastende activiteit Met de beoogde ontwikkeling wordt ten behoeve van het hoveniersbedrijf achterop het perceel, ter plaatse van de huidige kassen, een loods gebouwd met een maximale oppervlakte van 250 m². Het perceel van het hoveniersbedrijf krijgt een oppervlakte van 500 m². Ter plaatse van de loods worden uitsluitend activiteiten ten behoeve van het hoveniersbedrijf toegestaan. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van

pagina 33 van 52

activiteiten. Voor een hoveniersbedrijf met een bedrijfsoppervlakte kleiner dan 500 m² geldt (in gemengd gebied) een richtafstand van 10 meter. Een hoveniersbedrijf is goed inpasbaar naast woningen. De gronden in in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn reeds voorzien van de bestemming 'Detailhandel'. De beoogde loods komt niet dichter tegen de woningen gelegen aan de Plantage 2, 4 of 6 aan te liggen dan wat bij de bestaande kassen het geval is. Dit betekent dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een nieuwe belemmering voor de zuidelijk gelegen woningen. Daarnaast zal de beoogde loods alleen te bereiken zijn aan de noordzijde en zal het gebouw van de woningen afgekeerd zijn. Daardoor schermt de loods het ten zuiden gelegen perceel af voor geluid van laad- en losactiviteiten. Het hoveniersbedrijf komt op een afstand van ongeveer 18 meter van de beoogde woning te liggen. Daarmee wordt hier aan de richtafstand voldaan. Het hoveniersbedrijf zal gebruik maken van de ontsluiting die ten noorden van de planlocatie is gelegen. Het laden en lossen vindt plaats aan de noordzijde van de loods. Geluid naar de beoogde nieuwe woning wordt dan ook (deels) geblokkeerd. Omdat het een relatief klein hoveniersbedrijf betreft zal het aantal voertuigbewegingen van en naar de loods beperkt zijn.

Van overlast van het hoveniersbedrijf als gevolg van langsrijdend verkeer is dan ook geen sprake. De woningen in rest van de de omgeving liggen op een dusdanige afstand (> 30 m) dat hinder uit te sluiten is. Gesteld kan worden dat ter plaatse van de bestaande woningen en de beoogde woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien het voorgaande veroorzaken de beoogde activiteiten geen hinder voor de omliggende woningen. Daarnaast ondervindt de beoogde woning geen hinder van activiteiten in de loods of in de omgeving.

7.5 Geur Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek De planlocatie is niet gelegen in de nabijheid van geurveroorzakende activiteiten. Het aspect geur speelt geen rol voor de beoogde ontwikkeling en vormt geen belemmering.

pagina 34 van 52

7.6 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aangezien de beoogde ontwikkeling enkel toeziet op de realisatie van een woning en een loods voor opslag is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De totale concentraties (receptor 27369098_15844722) over 2022 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied bedragen respectievelijk 18,4 μg/m³, 9,7 μg/m³ en 18,8 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland allemaal worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030.

In het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn ook de verwachte waarden voor 2030 opgenomen. De totale concentraties (receptor 27369098_15844722) over 2030 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied bedragen respectievelijk 15,2 μg/m³, 7,7 μg/m³ en 14,1 μg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke normen, maar wordt alleen de advieswaarde van de WHO voor PM 10 gehaald. Echter zijn de overschrijdingen van de advieswaarden voor PM2,5 en NO2 niet zodanig dat dit afbreuk doet aan een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 35 van 52

7.7 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Kaag en Braassem

pagina 36 van 52

Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een historische kern en historische ontginningsas. De aanwijzing brengt een nadere onderzoeksverplichting met zich mee voor bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Omdat deze grenzen met de beoogde ontwikkeling worden overschreden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 24010079, d.d. 19 juni 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat met de werkzaamheden het aanwezige archeologische niveau, namelijk de ophogingslaag op 15-45 cm -Mv, mogelijk verstoord wordt. Geadviseerd wordt dan ook de archeologische verwachting aanvullend te toetsen in de karterende en waarderende fase. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) ter plaatse van de geplande bebouwing, nadat de bovengrondse sloop heeft plaatsgevonden. Omdat de bebouwing nog niet gesloopt is wordt dit onderzoek op een later moment uitgevoerd. Cultuurhistorie Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gebied met cultuurhistorische waarden. Ten noorden van de planlocatie, tot aan de woning aan de Veerstraat 42, is sprake van beschermd dorpsgezicht. Ondanks dat het plangebied niet binnen beschermd dorpsgezicht ligt zal met de beoogde ontwikkeling rekening worden gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied.

De beoogde woning zal wat betreft de uitstraling aansluiten op de naastgelegen woningen. Met de realisatie van de woning is tevens sprake van opvulling van een 'gat' in het lint. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling mogelijk afbreuk doet aan archeologische waarden. Dit wordt op een later moment in beeld gebracht middels een archeologisch proefsleuvenonderzoek.

7.8 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

•

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

•

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

pagina 37 van 52

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van een bodemgevoelig gebouw (woning) op een bodemgevoelige locatie. Gezien het historische gebruik van de gronden is verontreiniging op de locatie niet uit te sluiten. In dat kader is een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 39280, d.d. 18 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Ter plaatse van de zuidelijke slootdemping is een sterke verontreiniging met lood en/of zink aangetoond. De verontreinig bevindt zich op de perceelsgrens bij de boringen 09/101/105 en is aangetroffen binnen het traject van 0,9-1,6 m -Mv in het slib, de onderliggende klei en het slibhoudende veen. Boven en onder de verontreinigde bodemlagen bevindt zich zintuigelijk schoon veen. Op navolgende afbeelding is de boorpuntenkaart weergegeven.

Boorpuntenkaart (bron: Grondslag)

Verder ten noorden van de demping is zaagsel (boring 106) of eveneens zintuigelijk schoon veen aangetroffen (boringen 102/103/104/106) in de ondergrond. Deze zintuigelijk schone venige ondergrond is beoordeeld als maximaal kwaliteitsklasse Industrie. Hiermee is de verontreiniging binnen de onderzoekslocatie voldoende in kaart gebracht. Met een oppervlakte van maximaal 30 m² en een laagdikte van gemiddeld 0,5 m, wordt de omvang van de sterke verontreiniging geraamd op 15 m³. Er is geen sprake van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit (> 25 m³ sterk verontreinigde grond) bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. De verontreiniging is te relateren aan de aanwezigheid van verontreinigd slib door het langdurig antropogeen gebruik van de locatie (sinds 18e eeuw of eerder). De verontreinigingen zijn ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. De zorgplicht is daarom niet van toepassing. Omdat ter plaatse van de verontreiniging geen werkzaamheden zijn beoogd wordt de verontreiniging niet gesaneerd.

pagina 38 van 52

De gestelde hypothese dat voor het overige deel van de planlocatie geen afwijking ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart wordt verwacht (maximaal kwaliteitsklasse Industrie) is bevestigd. De bovengrond is beoordeeld als kwaliteitsklasse Industrie. De ondergrond is beoordeeld als kwaliteitsklasse Landbouw/natuur tot Industrie. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. In het grondwater zijn geen noemenswaardige verhogingen gemeten. Een nader grondwateronderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De verontreinigde grond is aanvullend onderzocht op PFAS. Er is in enige mate PFAS aanwezig in de sterk verontreinigde grond. De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Er is geen sprake van een overschrijding van de toelaatbare bodemkwaliteit (> 25 m³ sterk verontreinigde grond) bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw.

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning en het beoogde gebruik van wonen.

7.9 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen.

De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie

pagina 39 van 52

giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico.

Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen.

In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:

pagina 40 van 52

•

30 meter voor een brandaandachtsgebied

•

200 meter voor een explosieaandachtsgebied

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.

Planspecifiek Woningen worden in het Bkl aangemerkt als kwetsbaar gebouw, waardoor risicovolle objecten in de omgeving dienen te worden beschouwd. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn, is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)

Buisleidingen Er bevinden zich geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risicovolle inrichting Ten westen van de planlocatie, op een afstand van ongeveer 560 meter, bevindt zicht het sportcomplex De Tweesprong. Het zwembad in het sportcomplex wordt beschouwd als een risicovolle inrichting wegens chlooropslag. De afstand van de planlocatie tot aan het zwembad is dermate groot dat deze verder geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 41 van 52

Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van de A4. Vanwege het transport van giftige vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. Daarom dient aandacht besteed te worden aan de rampenbestrijdingsmogelijkheden en op de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. De A4 heeft diverse op- en afritten. Daarom is het mogelijk eventuele rampen op de A4 van verschillende kanten te benaderen om vervolgens tot bestrijding over te gaan. Ook de mogelijkheden om de ramp vanuit de lucht te bestrijden is aanwezig, gezien de geringe afstand tot Schiphol met alle aanwezige bestrijdingsvoertuigen. Daarnaast kunnen de mensen in het plangebied altijd via verschillende routes het plangebied verlaten. Op deze wijze kunnen zij zich goed in veiligheid brengen. Een risicoberekening is niet verplicht gezien de ruime afstand tot de A4 (ongeveer 1500 meter). Dit plan heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico of andere Externe Veiligheidsaspecten zoals rampenbestrijding en mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woning te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt.

Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving is het verplicht mechanische ventilatie centraal afschakelbaar te maken, waarmee dit verzekerd is. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.

Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.

pagina 42 van 52

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

•

aanwezige dier- en plantensoorten;

•

typen natuurlijke habitats;

•

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

•

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

•

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

pagina 43 van 52

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een vrijstaande woning en een loods ten behoeve van het hoveniersbedrijf op het perceel. In de huidige situatie wordt het plangebied gebruikt voor een kleinschalig tuincentrum en beschikt het over kassen en teelgronden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' ligt op een afstand van ongeveer 11,1 km ten zuidoosten van de planlocatie. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overige provinciaal beschermde gebieden (belangrijk weidevogelgebied, kenmerkende landschapselementen). De afstand tot en aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is niet van invloed op de doelstellingen van genoemde NNN-gebieden. De afstand van de planlocatie tot aan het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is dermate groot (11,1 km) dat het laten uitvoeren van een stikstofberekening niet nodig wordt geacht. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling kunnen effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Soortenbescherming In de huidige situatie beschikt het voormalige tuincentrum over buitenruimte en kassen. Kassen hebben geen potentie voor het herbergen van beschermde diersoorten.

Bovendien wordt de kassen en buitenruimte, sinds het stoppen van het bedrijf, nog steeds hobbymatig gebruikt. Ook vindt er nog steeds onderhoud aan zowel de kassen als buitenruimte plaats. De kassen zijn veelal geopend, waardoor er in de kassen geen stabiel microklimaat ontstaat. Gelet op het voorgaande zijn er binnen het plangebied geen verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden van beschermde diersoorten te verwachten. Nadelige effecten op beschermde soorten als gevolg van de beoogde werkzaamheden kunnen dan ook uitgesloten worden. Houtopstanden Het plangebied beschikt niet over houtopstanden. Conclusie en zorgplicht Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de natuurregelgeving van de Omgevingswet. Wel dien trekening gehouden te worden met de volgende zorgplichtmaatregelen:

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen;

•

Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode.

pagina 44 van 52

7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Hoogheemraadschap van Rijnland Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening is opgebouwd in 3 delen. Het eerste deel heeft algemene regels en gaat ondanks de invoering van de Omgevingswet in gebruik. Deel 2 gaat alleen in gebruik met de omgevingswet en deel 3 gaat in gebruik zonder de Omgevingswet.

Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.

pagina 45 van 52

Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Watercompensatie Als een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m² aan de orde is, is watercompensatie noodzakelijk. Aan de voorzijde van het plangebied is een deel met een oppervlakte van ongeveer 370 m² ingericht als teeltgrond. Aan de westzijde van het perceel staan kassen. Het overige deel van het perceel is verhard met klinkers. Met een worst-case benadering, waarbij de gehele buitenruimte als onverhard wordt gerekend en waarbij het plangebied in de toekomstige situatie als volledig verhard wordt gezien, is sprake van een toename van maximaal 370 m² aan verharding. Daarmee is zelfs bij een worst-case benadering geen sprake van een toename van meer dan 500 m² aan verharding. Watercompensatie is dan ook niet aan de orde. Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar afgevoerd op de omliggende watergangen. Het afvalwater zal worden aangesloten op het bestaande rioolsysteem. Regionale waterkeringen Het oostelijke deel van het plangebied is gelegen in een regionale waterkering. De beoogde woning wordt gerealiseerd binnen de beschermingszone van de waterkering. Derhalve dient voorafgaand aan de realisatie van de woning afstemming plaats te vinden met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan, mits voorafgaand afstemming met het hoogheemraadschap heeft plaatsgevonden.

7.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

pagina 46 van 52

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

•

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

•

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een woning met een loods gerealiseerd (na sloop van bebouwing van een voormalig tuincentrum) in het bestaand binnenstedelijk gebied van Oude Wetering. Gegeven de jurisprudentie over het begrip stedelijke ontwikkeling in relatie tot MER(beoordelingen) is hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is immers sprake

pagina 47 van 52

van een (te) kleinschalig plan, dat bovendien kan worden aangemerkt als een opvulling in bestaand stedelijk gebied. Derhalve is de regelgeving over (plan)MER(beoordeling) niet van toepassing op dit plan.

pagina 48 van 52

8 Juridische planbeschrijving 8.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAMomgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

8.2 Verbeelding Op

de

verbeelding

worden

de

bestemmingen

weergegeven,

met

daarbij

andere

bepalingen

als

gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

8.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

•

Toepassingsbereik

•

Functieomschrijving

•

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

•

Specifieke gebruiksregels

pagina 49 van 52

8.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Kaag en Braassem. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende (tijdelijke) omgevingsplan. Voorliggend TAMomgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten: Tuin Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de woning en voor parkeer- en groenvoorzieningen. Binnen deze functie mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van erkers. Verkeer Het voetpad langs de Veerstraat wordt verder doorgetrokken in het oostelijke deel van het plangebied. Aan deze strook is de functie 'Verkeer' toegekend. Hierin mogen enkel gebouwen ten behoeve van openbaar nut worden gebouwd. Wonen De gronden vanaf de voorgevel van de woning zijn voorzien van de functie 'Wonen'. Ter plaatse van de beoogde woning is een bouwvlak opgenomen. De beoogde woning beschikt over een maximale bouwhoogte van 9 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Er is maximaal één vrijstaande woning toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hoveniersbedrijf' is een hoveniersbedrijf toegestaan.

Er mag een bedrijfsgebouw met ten hoogste een oppervlakte van 250 m² en een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter gebouwd worden. Waarde - Archeologie 1 De archeologische functie is overgenomen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Hierin zijn de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 30 cm -Mv en waarbij het plangebied groter is dan 150 m². Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig. Waterstaat - Waterkering Ten behoeve van de waterkering wordt het oostelijke gedeelte van het plangebied voorzien van de functie 'Waterstaat - Waterkering'.

pagina 50 van 52

9 Financiële haalbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het Publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften zijn mogelijk voor zover ze betrekking hebben op het gebied waar de vergunningaanvraag op ziet én voor zover de voorschriften betrekking hebben op de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is art. 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

pagina 51 van 52

10 Conclusie Vanuit het geldende beleid en de aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. De ontwikkeling is in lijn met het regionale en gemeentelijke woonbeleid. Het plan scoort goed op stedenbouwkundige

en

milieutechnische

inpasbaarheid,

waardoor

de

en beperkte bedrijfsfunctie aan de locatie als evenwichtig kan worden beoordeeld.

pagina 52 van 52

toedeling

van

een

woon-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=b7b879a9-d6d4-44e8-af4c-e8679f6f2cb1