NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1 toelichting, regels en verbeelding
Tekst van het document
5.3.2 Onderzoek Met het planvoornemen worden restanten van een stal, kleine opslag en een silo gesloopt aan de Oudendijkseweg 24 en worden twee wooneenheden toegevoegd. Gebouwen met een woonfunctie worden aangemerkt als geluidsgevoelige functie, zoals omschreven in art. 3.21 lid 1 onder a Bkl. De gemeente Kaag en Braassem heeft ten tijde van het opstellen van deze motivering geen geluidsaandachtsgebieden onder de GPP-systematiek vastgesteld. Derhalve kan op basis van artikel 3.4 Bkl getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De voorkeurswaarde bedraagt 48 dB en vanwege de ligging in buitenstedelijk gebied, bedraagt de grenswaarde 53 dB. Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge. De Oudendijkseweg betreft een afsplitsing van de N446. Er geldt een maximum snelheid van 60 km/u. Vanwege de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (woningen) en de ligging van het plangebied binnen het geluidsaandachtgebied van de Oudendijkseweg (60 km/u) is een onderbouwing. Het plangebied ligt op een afstand van circa 265 meter van de Kerkweg/N446 en dus buiten de geluidzone van deze provinciale weg. De omgevingsdienst heeft een indicatieve geluidberekening uitgevoerd ter plaatse van het plan voor het geluid van de gemeentewegen. Daaruit volgt een geluidbelasting van 47 dB. De standaardwaarde van 53 dB wordt hiermee niet overschreden.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|27
Verkeer op de Oudendijkseweg is beperkt en bestaat voornamelijk uit bestemmingsverkeer – en geen doorgaand verkeer. Verkeer wat alleen doelgericht aan één van de adressen aan deze weg moet zijn zal hier langskomen. Dat verkeer is zeer beperkt en deze redenatie is ook conform de praktijk: het is een erg rustige weg, waar af en toe een auto langs komt. Verkeer voor het dorp Woubrugge komt hier niet doorheen. Dit verkeer zal doorrijden op de provinciale weg N 446 in oostelijke richting. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect wegverkeerslawaai. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de beoogde woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.6. (milieubelastende activiteiten). Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op circa 2,7 kilometer ten westen van het plangebied ligt. Luchtvaartlawaai De locatie bevindt zich buiten het afwegingsgebied in verband met geluid van luchthaven Schiphol als bedoeld in het Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast is de geluidsbelasting luchtvaartlawaai op de locatie lager dan 48 dB (gegevens 2019).
Luchtvaartlawaai is geen belemmering op deze locatie.
5.3.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|28
5.4 Geur 5.4.1 Wettelijke kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten (bijv. het opslaan van mest).
Een onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien de gemeentelijke geurverordening nog niet is geïmpliceerd in het omgevingsplan en/of de gemeente geen geurverordening kent, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. In de Bruidsschat zijn geuremissiefactoren (waarden) en afstandsnormen opgenomen. In artikel 22.98 zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, zoals opgenomen in de onderstaande tabel.
Op basis van artikel 22.100 en 22.101 mag de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner zijn dan de afstand als bedoeld in onderstaande tabel.
Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012 De gemeente Kaag en Braassem wil keuzes maken die aan zowel de ontwikkelingen in de kernen als aan de agrariërs recht doen. Daarom heeft de gemeente geurbeleid (Geurgebiedsvisie Kaag en Braassem en Verordening Wet geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012 (vastgesteld op
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|29
16 februari 2012)) opgesteld. Door de invoering van dit lokale geurbeleid worden ontwikkelingen in de kernen mogelijk en worden de bestaande rechten van de veehouderijen (niet intensief) gerespecteerd. De bedrijven hebben zo de mogelijkheid om hun bedrijf rendabel uit te blijven oefenen. Dit is namelijk van essentieel belang voor behoud van het Groene Hart landschap in de gemeente Kaag en Braassem. Voor veehouderijen dicht bij een kern betekent dit dat door middel van deze geurverordening de geurafstanden worden gehalveerd tot 50 meter. De gemeente Kaag en Braassem accepteert daarmee dat o.a. woningen op de rand van de kern, aan het agrarische gebied, misschien wat meer geurhinder kunnen ervaren. De gemeente vindt dit aanvaardbaar voor, en onlosmakelijk verbonden met, het wonen in een plattelandsgemeente. Naast grondgebonden veehouderijen zijn er in de gemeente Kaag en Braassem in beperkte mate intensieve veehouderijen aanwezig. Met betrekking tot deze bedrijven is geen nieuw vestiging mogelijk en worden geen uitbreidingsmogelijkheden geboden, anders dan op basis van de 50/50 regeling. De geurbelasting van deze bedrijven kan hierdoor niet toenemen. In dit geurbeleid is daarom geen beleidsafweging met betrekking tot de geurnormen gemaakt. De geurnormen zijn niet aangepast.
Het, volgens de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij, bij de normen behorende leefklimaat vindt de gemeente Kaag en Braassem acceptabel voor wonen in een plattelandsgemeente.
5.4.2 Onderzoek Met het planvoornemen worden restanten van een stal, kleine opslag en een silo gesloopt aan de Oudendijkseweg 24 en worden twee wooneenheden toegevoegd. Het plangebied ligt in het buitengebied van Woubrugge. Voor geurgevoelige objecten in het buitengebied geldt een afstand van maximaal 50 meter tot milieubelastende activiteiten. Een rioolwaterzuiveringsinstallatie komt in de omgeving niet voor. De milieubelastende activiteiten ten aanzien van geur in de omgeving van het plangebied zijn in onderstaande tabel nader uiteengezet. Milieubelastende activiteit
Adres
Milieucategorie
2 3.2
Minimale gewenste afstand 10 meter 50 meter
Afstand tot gevel woningen 20 meter 70 meter
Glastuinbouwbedrijf Melkrundveehouderij en paardenpension Veehouderij Varkenshouderij
Tuindersweg 17 Oudendijkseweg 20 Oudendijkseweg 28 Oudendijkseweg 4/6
3.2 4.1
50 meter 100 meter
200 meter 650 meter
Het plangebied ligt in de nabijheid van een paardenpension Oudendijkseweg 20 met stallen, afzonderlijke weilanden en een paardenbak. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder moet bij het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, worden voldaan aan de afstand zoals genoemd in artikel 22.101 van het Omgevingsplan van gemeente Kaag en Braassem. Buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter tot gevoelige objecten. De stallen bevinden zich op 56 meter van de perceelsgrens en ca. 70 meter van de toekomstige gevel van de woning, zodat wordt voldaan aan de richtafstanden.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|30
Opslag van kuilvoer bij het naastgelegen bedrijf bevindt zich op ca. 80 meter van de toekomstige gevel. Er wordt voldaan aan de afstandseisen zoals genoemd in artikel 22.116 van het Omgevingsplan om geurhinder bij de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen te voorkomen. Opslag van vaste mest bij het naastgelegen bedrijf bevindt zich op 136 meter van de toekomstige gevel. Er wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 meter zoals genoemd in artikel 22.114 van het Omgevingsplan. Deze is gelegen op een afstand van 52 meter. De planlocatie ligt daarmee buiten de richtafstand van 50 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen.
5.4.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5 Luchtkwaliteit 5.5.1 Wettelijke kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, koolmonoxide, lood, benzeen en ozon. In Nederland zijn met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn conform artikel 2.4 en 2.5 Bkl en weergegeven in onderstaande tabel. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³
In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet In Betekende Mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriele regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘Niet In Betekende Mate bijdragen’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in berekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|31
•
kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd wordt staat in de regeling NIBM dat deze nog steeds in ‘niet betekende mate’ kan bijdragen. De bijdrage aan NO₂ en PM₁₀ moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor NO₂ en PM₁₀.
5.5.2 Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied dient getoetst te worden aan de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. De waardes zijn bepaald aan de hand van de Atlas leefomgeving (gegevens 2023). De concentratie PM2,5 is ter plaatse gelegen tussen de 6 en 8 μg/m³. De concentratie PM10 is gelegen tussen de 14 en 16 μg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van deze kaarten is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. NIBM Met het planvoornemen worden restanten van een stal, kleine opslag en een silo gesloopt aan de Oudendijkseweg 24 en worden twee wooneenheden toegevoegd. Dit aantal ligt ver onder de grens van 1.500 woningen. Het planvoornemen draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
5.5.4 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6 Milieubelastende activiteiten Een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het plangebied (of andersom) is noodzakelijk. In een passage wordt aangegeven of ter plaatse voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van omliggende milieubelastende activiteiten. De VNG biedt met het (concept) ‘servicedocument’ een hulpmiddel waarmee kan worden ingeschat of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. De VNG-uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 kan worden gezien als de opvolger van de VNG-uitgaven Bedrijven en milieuzonering 2009.
5.6.1 Wettelijk kader De VNG heeft een lijst met indicatieve richtafstanden opgesteld voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|32
Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.
De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.6.2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt de activiteit wonen mogelijk gemaakt aan de Oudendijkseweg 24 in Woubrugge. Hiertoe wordt het huidige glastuinbouwbedrijf beëindigd en worden de bedrijfsmatige activiteiten gestaakt. Alle bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Beoogd wordt om de planologische situatie voor de twee bestaande wooneenheden in de langgevelboerderij in overeenstemming te brengen met de feitelijke en vergunde situatie. Daarnaast wordt beoogd om ten zuiden van de langgevelboerderij in totaal drie bouwkavels mogelijk te maken. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de bedrijvigheid in de nabije omgeving in beeld gebracht.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|33
In de omgeving van het plangebied is een mix van wonen en agrarische bedrijfsvoering aanwezig. Door de functiemenging geldt voor het plangebied het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In onderstaande tabel zijn de bestaande bedrijven en inrichtingen nabij het plangebied weergegeven, met bijbehorende richtafstand. Locatie
Aard bedrijvigheid
Milieu categorie
Richtafstand gemengd gebied
Afstand tot gevel woningen
Oudendijkseweg 4/6
Varkenshouderij
4.1.
100 m
650 m
Oudendijkseweg 5
Kassen
2
10 m
395 m
Oudendijkseweg 11
Kassen
2
10 m
160 m
Oudendijkseweg 20
3.2
50 m
70 m
Oudendijkseweg 28
Melkrundveehouderij en paardenhouderij Veehouderij
3.2
50 m
200 m
Vingerhoedtstraat
Tennisvereniging
3.1
30 m
340 m
Tuindersweg 17
Kassen
2
10 m
60 m
Tuindersweg 20
Kassen
2
10 m
90 m
Bij de ontwikkelingen in het plangebied wordt voldaan aan de vereiste richtafstanden tot de omliggende bedrijven en inrichtingen. En andersom worden de omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De toetsing voor het aspect geur van de paardenhouderij vindt plaats in paragraaf 5.4.
5.6.3 Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7 Mobiliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren.
5.7.1 Wettelijke kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Oudendijkseweg 24 in Woubrugge. Hier geldt een maximum snelheid van 60 km/u. De Lange Schoolstraat fungeert als wijkontsluitingsweg.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|34
In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie voor de bestaande en toekomstige situatie weergegeven. De verkeersgeneratie voor onderhavig planvoornemen is bepaald op basis van de meest recente CROW publicatie (381 ‘Toekomstbestendig parkeren’). Verkeersgeneratie bestaande situatie Functie Verkeersgeneratie volgens CROW “toekomstbestendig parkeren 2018” Agrarisch bedrijf
Minimaal 9,1 per 100 m² bvo Maximaal 10,9 per 100 m² bvo
Totaal
Maximale verkeersgeneratie ‘weinig, stedelijk, buitengebied’ 10,9 x 10,5 = 114,45 mvt/etmaal 114,5 mvt/etmaal
Het plangebied bestaat momenteel uit (het restant van) een stal, welke de aanduiding intensieve veehouderij heeft. Echter is de huidige functie van het bedrijf niet meer in gebruik, wat leidt tot een maximum aantal motorvoertuigen bewegingen van 0 per etmaal. Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie Verkeersgeneratie volgens CROW “toekomstbestendig parkeren 2018” Koop, huis, twee-ondereen-kap Totaal
Min: 7,4 mvt/etmaal Max: 8,2 mvt/etmaal
Maximale verkeersgeneratie ‘weinig, stedelijk, buitengebied’ 8,2 mvt x 2 woningen = 16,4 mvt/etmaal 16,4 mvt/etmaal
Met het planvoornemen neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie af met 98,05 mvt/etmaal. De voorgenomen ontwikkeling is gunstig voor de verkeersdruk aan de Oudendijkseweg.
Parkeren De gemeente heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte wordt daarom aangesloten bij de uitgangspunten uit de ‘Nota parkeernormen 2018, Kaag en Braassem’. Deze parkeernormen zijn geënt op landelijke parkeerkencijfers op basis van de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Op basis van de gemeentelijke parkeernota gelden de volgende gemiddelde parkeernormen (inclusief bezoekersparkeren) voor ‘buitengebied’: Functie Koopwoning tweeonder-één-kap
Norm overig bebouwde kom 2,2 pp per woning
Eenheid 2 woningen Totaal
Benodigde parkeerplaatsen 2,2 pp x 2 woningen = 4,4 pp 4,4 parkeerplaatsen
De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een parkeerbehoefte van afgerond 5 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Geconcludeerd wordt dat in voldoende mate rekening is gehouden met het aspect 'parkeren' en er ter plaatse kan worden voorzien in de verwachte parkeerbehoefte.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|35
5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect mobiliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8 Natuur 5.8.1 Wettelijke kader De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang.
Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|36
grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn.
5.8.2 Onderzoek Voor het planvoornemen is door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het volledig onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering (6593 versie 1.0, d.d. 11 juli 2024). Gebiedsbescherming Natura 2000 Het gebied ligt op ongeveer 10 km van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000 gebied de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In de quickscan wordt geconcludeerd dat een stikstofonderzoek niet nodig is. Gezien de omvang van het project en de afstand tot Natura 2000 gebieden, zijn significant nadelige effecten op Natura 2000 gebieden niet te verwachten. Natuurnetwerk Nederland De betreffende locatie is gelegen aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge, op een afstand van ca. 600 meter van het meest dichtbij gelegen Natuurnetwerk Nederland. Gezien de omvang van het project en de afstand tot het Natuurnetwerk Nederland, zijn significant nadelige effecten op Natuurnetwerk Nederland niet te verwachten. Weidevogelgebied De betreffende locatie is gelegen aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge, op een afstand van ca. 125 meter van het meest dichtbij gelegen Weidevogelgebied. Gezien de omvang van het project en de afstand tot het Weidevogelgebied is er een Quickscan uitgevoerd.
Soortenbescherming Voor het onderzoek naar beschermde flora en fauna, inclusief rode lijst soorten, is een bureauonderzoek uitgevoerd en is de locatie bezocht op 25 juni 2024. Er zijn geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig in het plangebied. In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen en er is geen essentieel foerageergebied of vliegroute. Overige beschermde soorten (grondgebonden zoogdieren, overige amfibieën en reptielen, insecten, flora) waar geen vrijstelling voor geldt worden niet verwacht in het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt. Derhalve is in 2025 nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de heikikker en rugstreeppad. Het gehele onderzoek is bijgevoegd in de bijlagen van voorliggende motivering.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|37
Uit het nader onderzoek is gebleken dat geen van beide soorten is aangetroffen in de watergangen. Aan de hand van de inventarisatierondes kan aanwezigheid van heikikker en rugstreeppad in de watergangen dus uitgesloten worden. Het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk. Zorgplicht In alle gevallen geldt de zorgplicht van de Omgevingswet. Hiervoor worden de volgende maatregelen getroffen: • Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. • Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. • Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Alle activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals sloopwerkzaamheden, aanleggen natuurvriendelijke oevers, grondverzet, vinden buiten het broedseizoen plaats (periode broedseizoen: tussen half februari en eind augustus). Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, wordt gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. • De werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat nacht actieve dieren, zoals vleermuizen niet verstoord worden.
Zorgplicht kolonisatie door rugstreeppad Tijdens de werkzaamheden kan geschikt habitat ontstaan voor de rugstreeppad (vergraafbare grond en ondiepe plassen) en moeten maatregelen genomen worden om te voorkomen dat de rugstreeppad zich in het gebied gaat vestigen. Deze maatregelen bestaan onder andere uit het aanbrengen van rijplaten, het voorkomen van het ontstaan van poeltjes en het afdekken van zandlopen. Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, alsmede winterverblijfplaats) wordt afgedekt met wegendoek of plastic. Ter voorkoming van kolonisatie door de rugstreeppad worden er schermen van glad landbouwplastic van 50 centimeter hoog geplaatst. Deze schermen worden minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De schermen worden regelmatig gecontroleerd op kieren en overhangende vegetatie.
5.8.4 Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|38
Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
5.9.1 Wettelijke kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.
Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|39
eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl)
5.9.2 Onderzoek Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van de provincie Zuid-Holland.
Figuur 10 Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)
Risicovolle inrichtingen Ter plaatse van het plangebied is een gasdrukregel en meetstation (GDRMS) aanwezig. Het GDRMS heeft een plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 contour. Het GDRMS vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Op circa 440 meter ten noordoosten en 1.100 meter ten zuidoosten van het plangebied zijn opslagtanks voor propaan gelegen. Voor beide opslagtanks is een brandaandachtsgebied aangewezen. Het plangebied ligt op ruime afstand van deze contour. Gezien de afstand van het plan tot de inrichtingen zijn er geen belemmeringen. Daarbij is er geen sprake van een risicovolle activiteit.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|40
Het plangebied is niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied van een risicovolle milieubelastende activiteit. Transport gevaarlijke stoffen Op circa 1.500 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een buisleiding van de Gasunie. Het plangebied ligt op voldoende afstand van deze buisleiding.
5.9.4 Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10 Water De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(-s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden.
5.10.1 Wettelijke kader Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving.
De Europese kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeenten op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Water Programma 2022-2027
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|41
In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kader voor onder andere water.
De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen; • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Regionaal Water- en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan van de provincie Noord-Brabant. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem.
• Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|42
cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkomen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.
Hierbij moet worden gedacht aan handelingen in of nabij: • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); • De bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: • Het onttrekken en lozen van grondwater; • Het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater.
Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|43
hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Wtp (Watertakenplan) Kaag en Braassem 2024-2027 In het Watertakenplan Kaag en Braassem beschikt de gemeente hoe invulling wordt gegeven aan de wettelijke watertaken en een bijdrage wordt geleverd aan de ambities van de gemeente. Kaag en Braassem wil een veilig en schone leefomgeving bieden aan haar inwoners, rekening houdend met duurzaamheid en anticiperend op klimaatverandering (adaptatie). Daarnaast streeft de gemeente ernaar voor én samen met haar inwoners te werken.
De gemeente Kaag en Braassem wil samen met haar inwoners en andere belanghebbende werken aan een veilig, gezond, robuust en klimaatbestendig gemeentelijk (afval)watersysteem. Vanuit deze visie is een aantal ambities opgesteld. De gemeente Kaag en Braassem: 1. zorgt door afvoeren van (huishoudelijk) afvalwater voor een veilige en gezonde leefomgeving. Door inzicht in de kwaliteit van de assets (basis op orde) te hebben, toekomstgericht te werken, en rekening te houden met een veranderend klimaat, wordt voorkomen dat de volksgezondheid en veiligheid nu en in de toekomst in gevaar komt. 2. beperkt maatschappelijke ontwrichting en schade bij extreme weersomstandigheden. Wij willen dat onze inwoners niet alleen nu, maar ook in de toekomst leven in een fijne, veilige en gezonde straat en omgeving; De openbare ruimte wordt daarom klimaatbestendig ingericht. Waar mogelijk worden aspecten als verdroging van groen/bomen/natuur, het vasthouden van water, infiltratie, oppervlaktewater zichtbaar houden (ruimtelijke kwaliteit), het verkoelende effect van stromend water (hittestress) meegenomen in de plannen voor de leefomgeving. Bij het klimaatbestendig inrichten wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: ‘vasthouden – bergen – (en dan pas) afvoeren’ 3. zorgt voor een robuust en duurzaam rioleringsstelsel.
Waar mogelijk worden aanpassingen in de leefomgeving gecombineerd met werkzaamheden die nodig zijn vanuit andere disciplines. Het einde van de economische afschrijvingstermijn is niet per definitie een reden om riolering te vervangen; wanneer mogelijk en veilig wordt de levensduur verlengd. Doelmatigheid is een belangrijk criterium bij investeringsbeslissingen. 4. betrekt haar bewoners bij (de uitvoering van) het beleid van de gemeentelijke watertaken. Ook wordt actief ingezet op communicatie en participatie om bewustwording rondom het thema (afval)water te creëren en te vergroten onder de inwoners.
5.10.2 Onderzoek Waterhuishoudkundige situatie
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|44
Het plangebied ligt aan de Oudendijkseweg 24 in Woubrugge. In de huidige situatie wordt neerslag die in het plangebied valt, via de grond afgevoerd naar de aangrenzende sloten. De huidige bebouwing is aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het plangebied valt binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland. Het plangebied grenst aan de noord- en zuidzijde aan ‘overige oppervlaktewateren’. Aan de oostzijde, gescheiden door de Oudendijkseweg, bevindt zich een primaire watergang. Voor elk van de watergangen geldt een beschermingszone. Met de ontwikkeling worden geen ingrepen aan de watergangen of de beschermingszones gedaan. De omgeving van het plangebied is aangesloten op drukriolering. De bodem bestaat uit lichte klein en kleiig veen. Gezien de gemiddeld hoogste grondwaterstand (20-70 cm –mv) kan geconcludeerd worden dat er voldoende drooglegging is en de bodem in principe geschikt is voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
Figuur 11 situering watergangen in de Legger Hoogheemraadschap Rijnland (plangebied rood omlijnd)
Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat er regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. De voorgenomen ontwikkelingen op het perceel aan de Oudendijkseweg in Woubrugge gaan gepaard met een afname van verharding. Met de sloop van de stal en de geringe nieuwe bouwactiviteiten wordt het totale verharde oppervlak van 2.250 m² in de huidige situatie teruggedrongen naar 1.030 m² in de toekomstige situatie. Er is dan ook geen watercompensatie nodig voor dit initiatief. Het hemelwater wordt al jaren lang direct geïnfiltreerd in de bodem en/of afgevoerd naar de omliggende sloten. Ook in de toekomstige situatie wordt het hemelwater afkomstig van de nieuwe woningen direct geïnfiltreerd in de bodem en/of afgevoerd naar de omliggende sloten. De waterparagraaf is in het kader van het vooroverleg voor advies en ter beoordeling voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Rijnland.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|45
5.10.3 Conclusie Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|46
5.11 Milieueffectrapportage 5.11.1 Wettelijk kader De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen straks dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
5.11.2 Beoordeling Het planvoornemen betreft het mogelijk maken van twee extra wooneenheden aan de Oudendijkseweg 24 in Woubrugge. In het kader van de m.e.r.-beoordelingsplicht is er sprake van ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterrein’, zoals opgenomen in bijlage V onder J11.2 in de bijlagen behorende bij het Besluit milieueffectenrapportage. De m.e.r. beoordelingsplicht geldt voor besluiten over het omgevingsplan, zodoende ook voor een TAM-omgevingsplan. Ten aanzien van het planvoornemen geldt daarom een m.e.r beoordelingsplicht. Hiertoe dient een motivering opgesteld te worden c.q. een beschrijving gegeven te worden, op basis waarvan beoordeeld kan worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. In de motivering/beschrijving wordt in ieder geval verwezen naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid (deze kenmerken en maatregelen zijn vergelijkbaar met de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling).
Gelet de diverse rechterlijke uitspraken met betrekking tot zeer geringe omvang van het plan (bouw 2 nieuwe woningen) en de ligging van het plangebied in het landelijk gebied van de gemeente Kaag en Braassem, kan worden gesteld dat het plan te kleinschalig is om te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Bijlage V van het Omgevingsbesluit is voor dit project niet van toepassing.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|47
5.11.3 Conclusie Met dit wijzigingsbesluit wordt het initiatief aan de Oudendijkseweg 24 mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een activiteit uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Verdere toetsing is dan ook niet aan de orde. Het aspect ‘Milieueffectrapportage’ vormt geen belemmering voor dit project.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|48
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Economische haalbaarheid Het planvoornemen betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. In deze overeenkomst zijn daarnaast afspraken omtrent zaken zoals nadeelcompensatie vastgelegd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Advies en instemming In het kader van advies en instemming is het TAM-omgevingsplan toegezonden aan de volgende overleginstanties: de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap Rijnland, de GGD Hollands Midden en de Omgevingsdienst West-Holland. Advies provincie Zuid-Holland Er heeft intensief vooroverleg plaatsgevonden met de provincie omtrent de landschappelijke inpassing. Resultaat van die afstemming is het plan dat nu voorligt. Advies hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft 16 december 2024 gereageerd en geeft een positief wateradvies. Kwetsbaar kwelgebied De locatie bevindt zich in kwetsbaar kwelgebied, Hiervoor gelden dan voorwaarden voor bijv. heipalen (deze moeten bijvoorbeeld grondverdringend zijn). Ook mag de bodem hier niet opbarsten tijdens o.a. graafwerkzaamheden. Als er dieper wordt gegraven dan 1,5 meter minus maaiveld of als er water wordt gegraven (in ieder geval ten westen van de woningen) dan geldt de vergunningsplicht. Hierbij is er ook een opbarstberekening nodig. Graven van oppervlaktewater Het dempen of graven van water moet worden gemeld bij hoogheemraadschap van Rijnland. Waterkwaliteit Het kan handig zijn om diepere delen aan te leggen (waterkwaliteit, doorzicht en overwinterplaats vissen) met mogelijk ondiepere delen (ecologie).
Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met opbarstgevaar omdat de locatie is gelegen in kwetsbaar kwelgebied. Het is niet verstandig om bomen dicht bij de waterkant te plaatsen. Dit veroorzaakt bladval wat de waterkwaliteit verminderd en dit kan ook een belemmering zijn voor onderhoud. Voorkomen wateroverlast/toename verhard oppervlak Het is belangrijk dat regenwater zoveel mogelijk op het eigen perceel wordt opgevangen/verwerkt.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|49
Volgens het nu ingediende plan neemt het verhard oppervlak af met ongeveer 1.200 m2. Er hoeft dus geen watercompensatie te worden gegraven. Klimaatadaptatie Door klimaat adaptief te bouwen kunnen problemen, zoals wateroverlast bij extreme buiten, worden voorkomen. Denk hierbij aan de juiste indeling van een klimaat-robuuste wijk: bebouwing op terpen, stoepen daaronder, wegen verlaagd en waterminnende groen/bomen in het laagste deel van de wijk. Zo ontstaat er maximale berging en minimale overlast en kosten. Gebruik het principe vasthouden – bergen/hergebruiken – afvoeren. Enkele adapterende maatregelen tegen de negatieve effecten van klimaatverandering zijn bijvoorbeeld: regenwaterinfiltratie, een regenwatervijver, minder (terras)verharding, meer beplanting, waterdoorlatende verharding, regentonnen (voorziet ook in hergebruik van water), groene/blauwe daken, ondergrondse infiltratiekratten (zorg ervoor dat hierboven bijvoorbeeld geen auto’s worden gewassen). Probeer zoveel mogelijk regenwater te hergebruiken en in de bodem te infiltreren maar zonder dat hierbij grondwateroverlast ontstaat. Denk bij infiltratie aan laagtes in het maaiveld maar ook zoveel mogelijk gebruik maken van (half)openverharding. Wij adviseren een mogelijke (half-verdiepte) kelder/souterrain volledig waterdicht te maken.
Wij kunnen geen toestemming geven voor permanente onttrekkingen voor het drooghouden van niet-waterdichte constructies. Houdt bij het maken van de waterdichte constructie ook rekening met mogelijke toekomstige grondwaterstandverhogingen. Advies Omgevingsdienst West-Holland De gemeente Kaag en Braassem heeft de Omgevingsdienst West-Holland op 5 september 2024 gevraagd om advies over het plan aan de Oudendijkseweg 24 in Woubrugge. Het advies heeft betrekking op de beoordeling van een aantal milieuaspecten. Op basis van de opmerkingen uit dit advies zijn de milieuaspecten aangepast. Advies GGD Hollands Midden Op 25 september 2024 heeft de GGD advies gebruik gemaakt van de mogelijkheid om advies te geven op nieuwe woningbouw aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge. Op de planlocatie zijn er vanuit het oogpunt van gezondheid enkele aandachtspunten. De nabijheid van een paardenhouderij en paardenpension kan mogelijk voor geluid- en geurhinder zorgen. Wanneer gevoelige gebouwen worden gerealiseerd nabij milieubelastende locaties, is het extra belangrijk ervoor te zorgen de woningen en de leefomgeving zo gezond mogelijk te maken. Ook is het van belang toekomstige bewoners handelingsperspectieven te geven om zo gezond mogelijk te kunnen wonen nabij milieubelastende locaties. In de bijlage bij deze motivering is het advies van de GGD Hollands Midden opgenomen.
Advies Veiligheidsregio Hollands Midden De veiligheidsregio heeft geen inhoudelijke opmerkingen op het plan. Wel dient er bij de verdere uitwerking van het plan rekening gehouden te worden met het beleidsdocument “Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid VRHM”. Met name de bereikbaarheid van de woningen tijdens een incident is hierbij een belangrijk aandachtspunt.
NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1
TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge
|50
6.2.2 Procedure Ten behoeve van het initiatief wordt het Omgevingsplan gewijzigd. Op deze wijziging is de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet Bestuursrecht) van toepassing. Het ontwerpbesluit tot het wijzigen van het omgevingsplan wordt ter inzage gelegd voor de duur van 6 weken. De bekendmaking hiervan gebeurt in de Staatscourant en de gebruikelijke lokale media. Eenieder kan gedurende deze periode een zienswijze kenbaar maken. Eventuele reacties zullen worden samengevat en beantwoord. Tegen het uiteindelijke vaststellingsbesluit kunnen belanghebbenden beroep instellen. Het plan heeft van 18 december 2025 t/m 28 januari 2026 als ontwerp ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft niet tot een wijzing van het plan geleid.
6.2.3 Participatie Participatie bij planvormingsprocessen is een belangrijke ambitie binnen de Omgevingswet. Participatie is maatwerk: per gemeente, per instrument, per gebied of per onderwerp kan het verschillen op welke manier participatie wordt toegepast. Ongeacht de ontwikkeling, dient bij elk initiatief onderbouwd te worden of en hoe er participatie heeft plaatsgevonden. Afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief verschilt ook de omvang van participatie. In het kader van participatie heeft de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gehouden. De verslaglegging hiervan is opgenomen als bijlage(5) bij deze motivering.