CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1 toelichting, regels en verbeelding

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Oudendijkseweg 24, Woubrugge’.24.208 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-IMRO OUDENDIJKSEWEG 24, WOUBRUGGE GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM

ORDITO.NL

TAM-IMRO OUDENDIJKSEWEG 24, WOUBRUGGE GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM Planstatus

Vaststelling

Datum

16 - 03 - 2026

Auteur(s)

Ordito b.v.

Ordito b.v.

E

info@ordito.nl

Postbus 94

T

0161 801 022

5126 ZH

I

www.ordito.nl

Gilze

KVK

54811554

MOTIVERING

Hoofdstuk 1 Inleiding

2

1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging van het projectgebied 1.3 Het omgevingsplan 1.4 Leeswijzer

2 2 3 4

Hoofdstuk 2 Huidige en nieuwe situatie

5

2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie 2.3 Landschappelijke inpassing

5 6 7

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

9

3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid

9 9 11 15 16

Hoofdstuk 4 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden

19

Hoofdstuk 5 Fysieke leefomgeving

22

5.1 Beschermen van de gezondheid 5.2 Bodemkwaliteit 5.3 Geluid 5.4 Geur 5.5 Luchtkwaliteit 5.6 Milieubelastende activiteiten 5.7 Mobiliteit 5.8 Natuur 5.9 Omgevingsveiligheid 5.10 Water 5.11 Milieueffectrapportage

22 23 25 28 30 31 33 35 37 40 46

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

48

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 48

Hoofdstuk 7 Juridische Toelichting

51

Bijlagen: Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Nader bodemonderzoek Bijlage 4: GGD Advies Bijlage 5: Omgevingsdialoog Bijlage 6: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 7: Quickscan flora en fauna Bijlage 8: Nader onderzoek fauna

|2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Het planvoornemen is om aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge een agrarisch bouwvlak te herontwikkelen. Ten behoeve van de realisatie wordt het agrarisch bouwvlak verwijderd en het agrarisch bedrijf beëindigd. De restanten van de stal, opslagcontainer en silo worden gesloopt. Daarvoor in de plaats worden twee woningen gerealiseerd in aansluiting op het bestaande lint en voorzien van een landschappelijke inpassing. Voor de ontwikkeling wordt de vereiste afdracht in het sociale verenigingsfonds gedaan om te voldoen aan de eis van 30% sociale woningbouw. Om dit project mogelijk te maken wordt het omgevingsplan gewijzigd met een TAM-omgevingsplan.

1.2 Ligging van het projectgebied Het plangebied is gelegen aan de Oudendijkseweg 24, in het buitengebied ten westen van de kern Woubrugge, in de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Woubrugge, sectie B, nummers 4754 (gedeeltelijk), 4753 (gedeeltelijk) en 4069 en heeft een oppervlakte van circa 9.150 m². Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door open agrarische gronden met daartussen watergangen. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Oudendijkseweg met aan de overzijde kassencomplexen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich aan de Oudendijkseweg 20 en 22 een paardenhouderij.

Figuur 1 Ligging en omgeving plangebied (plangebied rood omlijnd)

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|3

Figuur 2 Ligging en begrenzing plangebied (plangebied rood omlijnd)

1.3 Het omgevingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem, in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke Omgevingsplan bestaat uit de Bruidsschat, alle ruimtelijke gemeentelijke regels en bestemmingsplannen. Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’, vastgesteld op 28 mei 2018. Daarnaast gelden de paraplubestemmingsplannen ‘Parapluplan algemene afwijkingen’ (vastgesteld op 17 juni 2024) en ‘Parapluplan karakteristieke objecten’ (vastgesteld op 18 maart 2024).

Figuur 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (plangebied rood omlijnd)

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|4

Bestemmingsplan Buitengebied Oost Enkelbestemming Op basis van het bestemmingsplan heeft het perceel de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, met de aanduiding ‘Bouwvlak’ en de functieaanduidingen ‘Intensieve veehouderij’ en ‘Wonen uitgesloten’. Deze gronden zijn bestemd voor: • het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf; • het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap; dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders; • een intensieve kwekerij als ondergeschikte productietak en binnen bestaande bebouwing binnen het bouwvlak tot een maximum grondoppervlakte van 2.000 m². Het agrarische bouwvlak ter plaatsen van de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ heeft een oppervlakte van circa 5.900 m². Paraplubestemmingsplan ‘Parapluplan algemene afwijkingen’ Voor het gehele plangebied geldt het paraplubestemmingsplan ‘Parapluplan algemene afwijkingen’.

Het parapluplan herziet op onderdelen de binnenplanse afwijkingsregels van alle vigerende bestemmingsplannen voor het gehele grondgebied van de gemeente Kaag en Braassem, in die zin dat: • de regels uit dit plan een aanvulling vormen op de vigerende bestemmingsplannen voor zover deze geen regels bevatten op de betreffende onderdelen uit dit plan; • de overige regels van de vigerende bestemmingsplannen ongewijzigd blijven en onverminderd van kracht blijven. Paraplubestemmingsplan ‘Parapluplan karakteristieke objecten’ Voor het gehele plangebied geldt het paraplubestemmingsplan ‘Parapluplan karakteristieke objecten’. Dit paraplubestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van het borgen dat alle karakteristieke panden en objecten die vermeld staan in het Erfgoedregister niet zonder meer gesloopt kunnen worden en er een juridisch-planologisch kader voor de sloop van deze panden en objecten wordt geboden. Het parapluplan heeft geen gevolgen voor onderhavig planvoornemen. Er is geen dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie – karakteristiek’.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 vormt een beschrijving van de huidige situatie en nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal-, en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 en 5 wordt inzicht gegeven in diverse waarden en planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van de activiteit, zowel economisch als maatschappelijk. In het laatste hoofdstuk is de juridische plantoelichting uiteengezet.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|5

Hoofdstuk 2 Huidige en nieuwe situatie 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de kern Woubrugge aan de Oudendijkseweg 24 in de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied ligt op circa 750 meter van de kern Woubrugge en is te bereiken via de Oudendijkseweg en Tuinderweg. De Oudendijkseweg is onderdeel van de Oudendijksepolder. Een deel van de Oudendijkseweg hoort kadastraal gezien bij het plangebied. Het plangebied beslaat delen van het kadastraal perceel 4753 en 4754. De verharding van Oudendijkseweg en de watergang aan de oostzijde van de weg maakt ook deel uit van het kadastraal perceel 4753. Het plangebied betreft een voormalig agrarisch bedrijf met de aanduiding intensieve veehouderij. Er is een bouwvlak aanwezig met een oppervlakte van circa 5.900 m². Binnen dat bouwvlak bevindt zich een (restant van een) stal met een oppervlakte van circa 1.050 m². Deze bestaat uit één bouwlaag met een kap, met een bijbehorende goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter. Daarbij staan een kleine opslagcontainer en een silo. De opslagcontainer en silo hebben een oppervlakte van respectievelijk 23 m² en 17 m². De erfverharding is functioneel en bestaat uit beton. Daarnaast is aan de oostzijde van het plangebied ook nog een gasverdeelkast aanwezig. In de omgeving van het plangebied bevindt zich in het oosten, aan de Oudendijkseweg, een kassencomplex.

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een paardenhouderij met een daarbij behorend paardenpension. Verder ligt de locatie in een weids en open gebied met weinig (erf) beplanting. De watergangen zorgen voor de afvoer van het water en zijn langs de perceelranden aanwezig. Het huidige landgebruik is bouwland met mais.

Figuur 4 Luchtfoto plangebied

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|6

Figuur 5 Bestaande situatie

2.2 Nieuwe situatie Het planvoornemen is om aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge een agrarisch bouwvlak te herontwikkelen. Ten behoeve van de realisatie wordt het agrarisch bouwvlak verwijderd en het agrarisch bedrijf beëindigd. De restanten van de stal, opslagcontainer en silo worden gesloopt. Daarvoor in de plaats worden twee woningen gerealiseerd in aansluiting op het bestaande lint landschappelijk ingepast. Het perceel wordt vormgegeven volgens het erfprincipe met een hoofdwoning en een schuurwoning. De hoofdwoning is een stenen gebouw en staat aan de straatzijde. Daar schuin achter bevindt zich de schuurwoning welke een houten uitstraling heeft. Het beeldkwaliteitsplan staat in de bijlagen van voorliggende motivering. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de huidige inrit. De woningen worden door middel van een verharde weg ontsloten. Voor de bouwregels geldt dat de woningen (inclusief aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen) een maximale inhoud van 750 m³ mogen hebben. Voor het hoofdgebouw bedraagt de goot- en bouwhoogte respectievelijk 4 en 9 meter. Voor bijgebouwen geldt een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|7

Figuur 6 Nieuwe situatie

2.3 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van de inpassing van de twee wooneenheden aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het volledige landschappelijke inpassingsplan is als bijlage bij deze motivering opgenomen. De ontsluiting van het perceel vindt plaats via de huidige inrit. Langs de verharde weg wordt een bomenlaan voorzien. Via een bypass van halfverharding/ ondergeschikte verharding wordt de schuurwoning bereikt. De hoofdwoning wordt landschappelijke ingepast door een hoogstam fruitboomgaard. Het voorerf wordt omzoomd door een scheerheg. Aan de voorzijde van de hoofdwoning bevindt zich een suggestieve moes- of siertuin, omzoomd door een lage haag. Een solitaire boom in het midden van het erf zorgt voor een landschappelijk sterk beeld. De solitaire boom op het erf diende vroeger als bliksemafleider en als herkenningspunt op een erf. Middels een struweelhaag wordt men via de bypass geleid naar de achtergelegen woning met inpandige carport/garage. De struweelhaag dient tevens voor de privacy en zorgt voor een lijnvormig element op het erf. De schuurwoning wordt aan de zuidzijde ingepast door een houtsingel, welke bewust niet doorloopt tot aan het einde van het perceel.

De houtsingel is een robuust landschapselement waardoor de schuurwoning aan het zicht onttrokken wordt maar het achterliggende landschap open en zichtbaar blijft. Aan de straatzijde worden de sloten zoveel mogelijk doorgetrokken om zo een herkenbaar beeld te vormen en uiteraard voor de afvoer van water. De zuidelijk gelegen sloot krijgt een natuurvriendelijke oever met een minimaal talud van 1:8, wat de biodiversiteit in het gebied aanzienlijk vergroot. Langs de watergangen worden knotbomen geplant die de langgerekte structuur van het landschap benadrukken. Ten westen van de woningen wordt een watergang gecreëerd om zo de perceelsgrens van de schuurwoning aan te geven. De sloot is tevens de scheiding tussen de woonbestemming aan de oostzijde van de sloot en de agrarische bestemming aan de westzijde. Tenslotte neemt de bebouwing en verharding op het perceel af van 2.250 m² in de huidige situatie (voormalige stal en verhardingen) naar 1.030 m² in de voorliggende situatie (2 woningen en NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|8

verhardingen). Met deze ingrepen wordt de bebouwing landschappelijk goed ingepast, wat resulteert in een herkenbaar landschap. Dit geeft een meerwaarde ten opzichte van de huidige situatie waar intensief gebruikte agrarische gronden, zonder landschapselementen, aanwezig zijn.

Figuur 7 Landschappelijk inpassingsplan

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|9

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk behandelt het beleid dat betrekking heeft op dit plangebied zoals dat met dit bestemmingsplan wordt geregeld. Er wordt ingegaan op het voor het plangebied relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld.

Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Toetsing Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding.

Besluit kwaliteit leefomgeving In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|10

• • • • • •

•

beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In hele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen is de gemeente vrij om regels te stellen, mits deze binnen de andere kaders past. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: 1. betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; 2. rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; 3.

in acht nemen of een verglijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden. Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema’s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. het type instructieregel; 2. de aarde van de norm (open of gesloten); en 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregels worden geboden. Toetsing In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het Bkl heeft geen consequenties voor het planvoornemen.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|11

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is." Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien. Toetsing Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van maximaal twee nieuwe wooneenheden aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge, in de gemeente Kaag en Braassem. De jurisprudentie in oogschouw nemende is de ontwikkeling derhalve niet aan te merken als een ‘nieuwe stedelijk ontwikkeling’. Verdere toetsing aan de Ladder wordt niet noodzakelijk geacht.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingegaan op de kwantitatieve behoefte. In de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 is voor de gemeente Kaag en Braassem opgenomen dat het aantal grondgebonden koopwoningen in de periode 20182025 met 850 moet groeien en in de periode 2025-2035 nog eens met 1.600. Met het planvoornemen worden twee nieuwe wooneenheden voorzien, wat een kleine bijdrage levert aan de kwantitatieve behoefte in de gemeente Kaag en Braassem. In paragraaf 3.4 wordt nader toegelicht hoe de ontwikkeling bijdraagt aan de kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio Holland Rijnland.

Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk.

3.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zuid-Holland De meest recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020 vastgesteld en vervolgens een aantal keer herzien. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur: De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: • Het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; • De hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|12

• • • • •

Het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; De samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; De groene ruimte en de groenblauwe structuur; Het bodem- en watersysteem; Energie.

2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities: • naar een klimaatbestendige delta; • naar een nieuwe economie: the next level; • naar een levendig meerkernige metropool; • energievernieuwing; • best bereikbare provincie; • gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. 3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: • een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; • een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit.

Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; • een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. De kwaliteitskaart is één van de belangrijkste onderdelen van het provinciale beleid om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te realiseren. De Kwaliteitskaart bestaat uit vier kaartlagen: • Laag van de ondergrond: de eerste laag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen; • Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: het zichtbare landschappen en (grondgebonden) nut; • Laag van de stedelijke occupatie: de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken; • Laag van de beleving: de identiteit en (recreatieve) beleving; Voor het plangebied zijn de volgende lagen en de daaraan verbonden doelstellingen relevant: Laag van de ondergrond – Veencomplex – Oude zeeklei Deze laag laat de grondslag zien van de provincie en natuurlijke processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water. Er is binnen de provincie Zuid-Holland grofweg een driedeling gemaakt tussen het complex van de kust, de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de klei complexen en wateren van de delta. Het plangebied valt binnen het gebied van de klei complexen.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|13

Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee) klei. Het richtpunt voor de droogmakerijen is dat deze ontwikkelingen een bijdrage leveren aan een duurzame waterhuishouding. De ontwikkeling binnen het plangebied zal een bijdrage leveren op de (duurzame) waterhuishouding. In hoofdstuk 5.10 wordt dit nader onderbouwd. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen – Droogmakerij (veen) Het plangebied is gelegen in een droogmakerijenlandschap (klei). De droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Richtpunten voor dit landschap zijn: • De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of -vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land. • Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders.

• Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Met de beoogde ontwikkeling zal de hoofdstructuur van de droogmakerij behouden blijven, de noord-zuid-gerichte structuur blijft herkenbaar. De ontwikkeling houdt rekening met de bestaande beeldbepalende en waardevolle structuren. Laag van stedelijke occupatie – Bouwwerken voor energieopwekking Het plangebied is gelegen in een gebied voor bouwwerken voor energieopwekking. Het richtpunt voor dit gebied is: • Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van bouwwerken voor energieopwekking. Er is vanuit dit aspect geen negatief effect op de omgeving te verwachten.

TAM-Omgevingsverordening Zuid-Holland Per 1 januari 2024 is de (TAM)Omgevingsverordening Zuid-Holland in werking. Naast één Omgevingsvisie moet de provincie ook één Omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de Omgevingsvisie staat beschreven wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat betekent dat er regels in komen die vrijwel alle beleidsvelden van de provincie

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|14

raken. Behalve regels bevat de omgevingsverordening ook omgevingswaarden. Dat zijn normen die voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving gelden. De Omgevingsvisie Zuid-Holland, programma’s en Omgevingsverordening horen bij elkaar. De verordening helpt bij het realiseren van de opgaven en doelen die in de visie en programma’s zijn opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de definitieve Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin zijn zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. De regels zijn vastgelegd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Het plangebied valt volgens de Omgevingsverordening onder de volgende gebieden: • Regionale wateren - beheer (kaart 8) • Regionale wateren - peilbesluitgebied (kaart 9) • Regionale wateren – kans op overstroming (kaart 11) • Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën – gebied met beschermingscategorie 3 (kaart 17) • Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën – (cat. 3 buitengebied) (kaart 17) Onderstaand wordt ingegaan op de gebieden die van toepassing zijn op het planvoornemen. Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën – gebied met beschermingscategorie 3 / cat. 3 buitengebied (art.

7.43h) Een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. De openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. De relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. Het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het planvoornemen is om aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge een agrarisch bouwvlak te herontwikkelen. Ten behoeve van de realisatie wordt een intensieve veehouderij beëindigd en het agrarisch bouwvlak verwijderd. De restanten van de stal, opslagcontainer en silo worden gesloopt. Hiervoor komen twee woonvolumes in de plaats. De bouwvlakken behorende bij de twee nieuwe woningen zijn aanzienlijk kleiner dan het agrarische bouwvlak. Het slopen van de bedrijfsbebouwing draagt bij aan de openheid van het landschap. Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin worden bovenstaande punten nader toegelicht.

Het landschappelijk inpassingsplan is nader uiteengezet is paragraaf 2.3 van deze motivering en als bijlage bij deze motivering toegevoegd. Overige gebieden De overige gebieden waar het plangebied onder valt, zijn niet direct van toepassing op het plangebied en/of voornemen.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|15

Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie Zuid-Holland.

3.4 Regionaal beleid Regionale Omgevingsagenda 2040 Op 11 juni 2021 hebbende gemeenten Alphen aan de Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen en Zoeterwoude gezamenlijk de eindversie van de Regionale Omgevingsagenda gepresenteerd. De omgevingsagenda van de regio Holland-Rijnland bespreekt hoe op integrale wijze alle ruimtevragende functies een plek kunnen krijgen in de regio of waar keuzes gemaakt moeten worden. Dat leidt tot de integrale hoofdopgave: zoeken naar balans. Deze omgevingsagenda helpt bij het maken van richtinggevende keuzes voor de toekomst. In ieder geval stelt de regio zichzelf de volgende doelen: 1. 2. 3. 4. 5.

versterken kenniseconomie en complementaire bedrijvigheid; realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting; investeren in infrastructuur voor mobiliteit en energievoorziening; creëren van voldoende plekken voor het opwekken van duurzame energie; bieden van een toekomstperspectief voor het landschap.

Met de Regionale Omgevingsagenda zet de regio een stip op de horizon. Zo levert Holland Rijnland een bijdrage aan nationaal en provinciaal beleid en bestaande afspraken over verstedelijking, economie en mobiliteit. Toetsing Met het beoogde initiatief wordt een nieuwe woning gerealiseerd in het lint van de Oudendijkseweg. Dit raakt aan de vijfde ambitie ‘bieden van een toekomstperspectief voor het landschap’. Er wordt een nieuwe functie toegekend aan het perceel, waardoor de landschappelijke kwaliteit ter plaatse kan verbeteren en het perceel een meer duurzame invulling krijgt. Waar het nu een verrommeld terrein is met oude opstallen kunnen er straks nieuwe woningen komen met een goede landschappelijk inpassing. Gesteld kan worden dat voorliggend initiatief in lijn is met de Regionale Omgevingsagenda 2040.

Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 In de Regionale Woon Agenda 2023 (vastgesteld op 6 juni 2023) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal en subregionaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de woningbehoefte. Om hier aan te voldoen heeft de regio een aantal afspraken gemaakt over de woningbouwproductie tot en met 2030 en daarna. Ten eerste voegt de regio 30.500 woningen toe tussen 2021 en 2030. Vervolgens is het aantal te bouwen woningen verdeeld onder de drie subregio's van Holland Rijnland.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|16

Toetsing De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio. Specifiek voor de subregio Oost waar de gemeente Kaag en Braassem deel van uitmaakt. Het aantal te bouwen woningen in de gehele regio is verdeeld onder de drie subregio’s, voor subregio Oost is uitgegaan van 9.500 tot 11.000 woningen tot 2030. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve behoefte naar woningen in de regio Holland Rijnland. Het planvoornemen om een verouderde stal in het buitengebied van de gemeente Kaag en Braassem te vervangen voor twee woningen, draagt tevens bij aan de kwalitatieve behoefte. De toevoeging van twee vrijstaande woningen in het landelijk gebied bevorderd de doorstroming op de woningmarkt in de regio. De toekomstige bewoners stromen vanuit een bestaande woning door, waarmee twee woningen in een ander segment vrij komen.

Conclusie De activiteit past binnen het regionaal beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen.

In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal: • energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; • natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; • wonen in Kaag en Braassem; • gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; • sociaal Kaag en Braassem; • veilig Kaag en Braassem. NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|17

In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie staan de volgende ambities opgenomen: • Woningbouwplannen richten op de behoefte. • Doorstroming bevorderen. • Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen realiseren. • Het definiëren van 'wat is passend in de omgeving?'. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd: • er wordt rekening gehouden met de omgeving; • nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van het gebied; • ruimte voor recreatie en bedrijvigheid; • men maakt zich hard voor een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is; • aandacht voor duurzaamheid in relatie tot de fysieke omgeving.' Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Toetsing In de beoogde situatie vindt een grote kwaliteitsverbetering plaats ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt bijgedragen aan een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is.

Er wordt rekening gehouden met de omgeving door de openheid en karakteristiek van het gebied te behouden. Tot slot past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. Ten opzichte van de huidige bedrijfsbebouwing op het perceel dat niet meer in goede staat verkeerd, zorgt de beoogde ontwikkeling voor het verbeteren van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit. Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de woningvoorraad én een milieuhinderlijk bedrijf wordt beëindigd.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|18

Figuur 8 Gebiedstypering Omgevingsvisie Kaag en Braassem (plangebied rode ster)

Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘buitengebied’, specifiek binnen het subgebiedstype ‘droogmakerij (veen)’. De ambitie van de gemeente voor het buitengebied is om deze zo open mogelijk te houden, waarbij incidenteel woningbouwactiviteiten mogelijk zijn. De ambitie voor het subgebied is het behouden en versterken van de landbouw en de biodiversiteit. De beoogde ontwikkeling past binnen de ambities voor het buitengebied. De agrarische bebouwing wordt afgebroken en het agrarische bouwvlak wordt verwijderd. De twee nieuwe woningen hebben een aanzienlijk kleinere oppervlakte waardoor de openheid van het landschap wordt bevorderd. De zichtlijnen vanaf de Oudendijkseweg naar het open polder landschap worden in de toekomstige situatie behouden. Hiermee blijven ook de voor de polder typerende verkavelingsstructuur en watergangen in stand. Hoewel voorliggend plan niet voorziet in het stimuleren van landbouw, vindt er ook geen beperking plaats voor omliggende akkerbouw en/of veeteelt. Tevens wordt door de toename van groen en landschapselementen in de beoogde ontwikkeling meer ruimte gecreëerd voor biodiversiteit dan in de huidige situatie. Gesteld kan worden dat de voorgenomen activiteit in lijn is met de omgevingsvisie Kaag en Braassem.

Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van initiatieven waarbij het gaat om rijksmonumenten, karakteristieke panden en karakteristieke gebieden. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een rijksmonument, karakteristiek pand of in een karakteristiek gebied zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Het plangebied valt niet binnen een van de karakteristieke gebieden en omvat geen rijksmonument of karakteristiek pand. De welstandstoets is voor onderhavige ontwikkeling niet noodzakelijk.

Conclusie De activiteit past binnen de doelstelling en het beleid van de gemeente.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|19

Hoofdstuk 4 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. Gezien de aspecten landschap, stedenbouw en cultureel erfgoed vaak met elkaar verweven zijn, kunnen deze het beste gezamenlijk besproken worden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Omgevingskwaliteit duidt daarbij op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebied en aan dier- en plantensoorten. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet wet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet.

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden De ontwikkeling vindt plaats aan de Oudendijkseweg 24 te Woubrugge. Het planvoornemen betreft de beëindiging van een agrarisch bedrijf en het verwijderen van een agrarisch bouwvlak. Daarnaast worden de (restanten van) stal, opslagcontainer en silo gesloopt. Hiervoor in de plaats worden twee woonvolumes teruggebouwd. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is nader uiteengezet in paragraaf 2.3 en als bijlage bij deze motivering opgenomen.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|20

Cultureel erfgoed Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Toetsing In de provincie Zuid-Holland dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, omgevingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In of nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of karakteristieke panden aanwezig. Bovendien is het plangebied gelegen in een welstandsluw gebied. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Archeologische waarden Voor archeologie geldt artikel 2.28 van de Omgevingswet. Dit artikel bepaalt dat het Rijk instructieregels zal stellen over omgevingsplannen en projectbesluiten met het oog op het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De nationale wetgeving is afkomstig uit Europees beleid (Verdrag van Valletta). De gemeenten zijn belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. In artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staat aangegeven dat gemeente bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Toetsing In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem met het plangebied voorzien van een rode ster.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|21

Figuur 9 Uitsnede archeologische beleidskaart Kaag en Braassem (plangebied rode ster)

Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met lage archeologische verwachting. Er is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor het gebied met lage archeologische verwachtingswaarden zijn tevens geen vrijstellingsgrenzen opgenomen. Wel dienen (toevals)vondsten op grond van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt voor het initiatief.

Conclusie Vanuit het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|22

Hoofdstuk 5 Fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoek zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

5.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om ter introductie kort te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming is meegenomen.

5.1.1 Wettelijk kader Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. In artikel 2.1 lid 4 van de wet is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

5.1.2 Onderzoek Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gezondheidsaspect heeft een centrale rol

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|23

binnen de Omgevingswet. In hoofdstuk 5 ‘Fysieke leefomgeving’ worden verschillende aspecten onderzocht waarmee een veilige en gezonde fysieke leefomgeving gewaarborgd wordt.

5.1.3 Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2 Bodemkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

5.2.1 Wettelijke kader De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem (AbO) en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerk voorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied, (paragraaf 2.3.6a.5).

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|24

5.2.2 Onderzoek Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Woningen kunnen worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw, omdat aannemelijk is dat personen meer dan twee aaneengesloten uren per dag op de locatie aanwezig zullen zijn. Om te toetsen aan de maximaal toegestane bodemwaarden, zoals omschreven in art. 5.89i Bkl, is een bodemonderzoek noodzakelijk. Naar aanleiding van de voorgenomen sloop van meerdere opstallen en voorgenomen nieuwbouw van twee woningen met tuin is op locatie Oudendijkseweg 24 te Woubrugge in opdracht van Van Westreenen B.V. een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740+A1:2016 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit van het perceel zodat kan worden vastgesteld of de bodem geschikt is voor het huidige en/of toekomstige gebruik. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx B.V. dat het grondwater van de locatie niet verontreinigd is met de analytisch onderzochte stoffen. Wel zijn er verontreinigingen aangetroffen onder de verharding in deelgebied 2.

Dit betreft een interventiewaarde bij boringen 16, 18, 20 en 21 (0,30 tot 0,70 m -mv) aan zware metalen. Verder is een lichte verontreiniging aan zware metalen aangetroffen bij boringen 16, 18, 19, 20 en 21. Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd voor deelgebied 1. De locatie wordt wel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Voor deelgebied 2 geldt het volgende: wegens het aantreffen van forse interventiewaardeoverschrijdingen van zware metalen in de zandlaag onder het asfalt in enkele boringen wordt hier nader onderzoek aanbevolen om vast te stellen wat de ernst en omvang is van deze aangetroffen verontreinigingen. De overschrijding in deelgebied 2 bevindt zich uitsluitend onder de asfaltverharding. De herkomst van de nu aangetroffen sterk verhoogde gehaltes is momenteel niet eenduidig vast te stellen. Er dient nader onderzoek te worden gedaan naar de aard en de grootte van de sterke verontreiniging.

5.2.3 Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledig onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering (Bijlage 3: rapportnr: 2491362, d.d. 23 april 2025). Uit de resultaten blijkt dat niet wordt voldaan aan toelaatbare kwaliteit zoals bedoeld in het omgevingsplan. In verband met de bouw van een grondgebonden gebouw is sprake van een saneringsnoodzaak . Aanbevolen wordt een Plan van Aanpak / mkb plan op te stellen voor sanering van de sterke verontreiniging met zware metalen en minerale olie. In een Plan van Aanpak / mkb plan wordt de saneringsdoelstelling en gewenste saneringsmethode uitgewerkt.

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|25

Opgemerkt wordt dat het bodemonderzoek steekproefsgewijs is uitgevoerd. Het verdient daarom aanbeveling tijdens eventuele graafwerkzaamheden in de grond alert te blijven op mogelijk verdachte bijmengingen op of in de bodem. Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken is duidelijk dat de locatie geschikt moet worden gemaakt voor de geplande ontwikkeling door middel van een bodemsanering. Op de locatie zijn de volgende verontreinigingen boven de interventiewaarde aangetoond: • Een grondverontreiniging (tot circa 0,7 m-mv) met zware metalen ter plaatse van de betonverharding met een omvang van circa 940 m³. • Een grond- en grondwaterverontreiniging met minerale olie met een omvang van respectievelijk (minimaal) circa 30,8 en 54 m³. Op 23 december 2025, kenmerk 3523275 heeft de Omgevingsdienst ingestemd met de milieubelastende activiteit ‘saneren van de bodem’. In de melding is aangegeven hoe de verontreinigingen met minerale olie en zware metalen wordt gesaneerd. Geconcludeerd wordt dat de gemiddelde milieuhygiënische bodemkwaliteit middels nader onderzoek in combinatie met verkennend bodemonderzoek (2013) in voldoende mate is vastgesteld. Het op te stellen Plan van Aanpak / mkb plan voor sanering van de sterke verontreiniging met zware metalen en minerale olie wordt opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de planregels van voorliggend TAM- omgevingsplan.

5.2.4 Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Geluid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.)

5.3.1 Wettelijk kader Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald. Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

NL.IMRO.1884.TAMOUDENDIJKSEWEG-VAS1

TAM-omgevingsplan Oudendijkseweg 24, Woubrugge

|26

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). Geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=7717adc5-a177-4780-b751-440fdc4eee86