NL.IMRO.1884.TAMOUDEKERKWEG1-VAS1 toelichting
Tekst van het document
5.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek Conform de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018, gepubliceerd op 15 maart 2018, bedraagt de gemiddelde parkeernorm voor één vrijstaande woning binnen 'rest bebouwde kom' in een weinig stedelijk gebied 2,3 parkeerplekken. Bij onderhavig plan wordt voorzien in ten minste twee parkeerplaatsen per woning. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende parkeersituatie.
5.3 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is
pagina 30 van 49
ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Planspecifiek Met de transformatie van de locatie worden de verouderde bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing verwijderd. Hiervoor in de plaats worden de nieuwe woningen gasloos en volgens de BENG-methode gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de nationale duurzaamheidsvereisten. De gemeente Kaag en Braassem stelt geen extra duurzaamheidseisen. Tevens is in paragraaf 4.2.2 (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) al ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied een kleine is op overstromingen en er beperkte wateroverlast kan ontstaan. Ook vormen hitte en droogte geen problemen voor de planlocatie. Verder is de omgeving van het plangebied, gelet op de veenondergrond, gevoelig voor bodemdaling. Echter neemt het bebouwd oppervlak met het planvoornemen af ten opzichte van de huidige situatie.
5.4 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingsverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.
Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.
pagina 31 van 49
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
•
aanwezige dier- en plantensoorten;
•
typen natuurlijke habitats;
•
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
•
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
•
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling, te weten het slopen van bebouwing en verwijderen van groen, is een quickscan natuur uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 1 augustus 2025, zie bijlage 2).
pagina 32 van 49
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbij gelegen Natura 2000gebied 'De Wilck' ligt op ca. 6,3 km afstand ten zuidwesten van het plangebied. Hier bevinden zich geen stikstofgevoelige habitattypen. Verder ligt het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Meijendal & Berkheide' op ca. 11,5 km afstand ten westen van het plangebied. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot deze Natura 2000-gebieden zijn significante effecten op deze gebieden op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening wordt niet nodig geacht. De planlocatie maakt geen deel uit van provinciaal aangewezen gebieden als het Natuurnetwerk Nederland, het Belangrijk weidevogelgebied of de Groene buffer. Soortenbescherming Door het verwijderen van de bebouwing zullen geen verblijfplaatsen van beschermde soorten worden geschaad. Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend. Wel is binnen een straal van 2 km het voorkomen van beschermde diersoorten bekend, waaronder bepaalde soorten grondgebonden zoogdieren (o.a. veldmuis, haas, egel), vleermuizen, amfibieën (o.a. bruine kikker, gewone pad, rugstreeppad) en vogels (o.a. koolmees, turkse tortel).
Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Wel vormen de struiken, bomen en bebouwing geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels zoals merels, duiven en kleine zangvogels. Hierbij is tijdens het veldbezoek in de hooischuur een nest aangetroffen van de Turkse tortel. Gedurende het broedseizoen (periode 15 maart t/m 15 juli) zijn de nesten en de functionele leefomgeving van de algemene broedvogelsoorten beschermd. Ook buiten deze periode zijn in gebruik zijnde nesten beschermd. Kap- en sloopwerkzaamheden dienen opgestart te worden buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. In aanvulling op het voorgaande dienen de volgende zorgplichtmaatregelen getroffen te worden.
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen, etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober - april.
pagina 33 van 49
Houtopstanden Met de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan beschermde boomsoorten. Ook hoeven er geen maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de specifieke zorgplicht. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op beschermde gebieden, soorten en houtopstanden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
5.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De achtergrondconcentraties over 2023 (receptor 27369098_15846933) van fijnstof PM 10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,48 μg/m³ fijnstof PM10, 7,81 μg/m³ fijnstof PM2,5 en 18,55 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
pagina 34 van 49
5.6 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
•
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
•
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen met een bodemgevoelige locatie ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit. In het verleden was op het terrein een veehouderij gevestigd. Er dient beoordeeld te worden of de bodem geschikt is voor het toekomstige gebruik (wonen en tuin). Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 22 mei 2024, zie bijlage 3). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er op de locatie een asbestnest is aangetroffen op de zuidelijke gronden. Op basis van de aangetroffen materialen kan worden aangenomen dat het gehalte asbest ter plaatse de interventiewaarde overschrijdt. Ook is er asbest op het maaiveld aangetroffen. Daarnaast zijn er verhogingen van de zware metalen, PAK en PCB aangetroffen in de grond. Geadviseerd wordt om het asbestnest te saneren door middel van een volledige ontgraving en dit af te voeren naar een stortplaats. Daarnaast wordt geadviseerd om het asbest op het maaiveld te verwijderen om vermenging met de bodem te voorkomen. Verder zijn de gehalten van de zware metalen niet dermate hoog dat dit aanleiding geeft tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Het puinpad aan de oostzijde is in het verkennend bodem- en asbestonderzoek (zie bijlage 3) nog niet voldoende onderzocht op asbest.
Dit deel van het puinpad heeft een oppervlakte van 140 m². Er is een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd voor dit deel van het puinpad (Grondslag, d.d. 25 september 2025, zie bijlage 4). Hieruit blijkt dat in de grove fractie geen asbest is aangetroffen en dat in de fijne fractie geen asbest is aangetoond. De onderzoeksresultaten geven derhalve geen aanleiding tot nader onderzoek en vormen geen belemmering voor de geplande herontwikkeling.
pagina 35 van 49
De initiatiefnemer heeft in de exploitatie rekening gehouden met de kosten voor het verwijderen van het asbestnest en het plaatmateriaal op het maaiveld. Geconcludeerd wordt dat de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek geen belemmeringen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Het
•
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
•
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
•
gebouw voor kinderopvang met bedden;
•
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen
van
deze
geluidsgevoelige
gebouwen
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek Het initiatief voorziet in het toevoegen van drie woningen. Een woning betreft een geluidsgevoelig gebouw volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen dient erop te worden toegezien dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaard- en/of grenswaarden. Het plangebied is gelegen binnen de geluidsaandachtsgebieden van de rijksweg A4 en de lokale wegen Oude Kerkweg, Noordeinde en Graaf Willem II Laan. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, d.d. 22 april 2024, zie bijlage 5). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de waarde van het geluid door wegverkeer op de rijksweg A4 boven de standaardwaarde van 50 dB (voor rijkswegen) ligt, waarbij de hoogste waarde 54 dB bedraagt. Echter wordt de grenswaarde van 60 dB (voor rijkswegen) niet overschreden. Daarnaast bedraagt de waarde van het geluid door lokale wegen ten hoogste 47 dB, waarmee de standaardwaarde van 53 dB (voor lokale wegen) niet wordt overschreden. Voorts is het gezamenlijk geluid door wegverkeer ten hoogste 54 dB. Het gecumuleerd geluid bedraagt ten hoogste 54 dB. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van het afwegingskader. Aanvullende voorwaarden of maatregelen zijn niet benodigd.
pagina 36 van 49
Omdat de standaardwaarde van 50 dB op geluidgevoelige gebouwen wordt overschreden dient te worden nagegaan of sprake is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De zuidgevels van alle woningen zijn geluidluw. Aan deze zijde kan ook een geluidluwe buitenruimte worden gecreëerd, waarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmeringen vormt voor het voorgenomen initiatief.
5.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.
pagina 37 van 49
Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland - Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. - Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.
Planspecifiek Watercompensatie Conform de eisen van het Hoogheemraadschap van Rijnland dient een toename aan verharding gecompenseerd te worden wanneer de toename betrekking heeft op meer dan 500 m² grondoppervlakte. In de huidige situatie is een groot deel van de planlocatie onverhard. Als gevolg van de betreffende ontwikkeling neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie af. Bovendien heeft de beoogde bebouwing een kleiner (totaal) oppervlak dan in de huidige situatie. Derhalve hoeft niet te worden voorzien in compensatie. Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied en vertraagd afgevoerd naar omliggende watergangen. Het afvalwater van de woningen zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Waterkeringen Het zuidoostelijke deel van het plangebied is in het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De begrenzing komt overeen met beschermingszone van de waterkering zoals die opgenomen is in de legger van het hoogheemraadschap. Op de navolgende afbeelding wordt een uitsnede van deze legger getoond.
pagina 38 van 49
Leggerkaart regionale waterkeringen, plangebied zwart omkaderd (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland).
Uit de legger blijkt dat de beschermingszone tot in het plangebied reikt. Ter bescherming van de waterkering wordt met voorliggend plan de functie 'Waterstaat - Waterkering' aan een gedeelte van de gronden toegekend. Omdat de beoogde woningen (één woning) gedeeltelijk binnen de beschermingszone vallen, is er een watervergunning op grond van de Waterschapsverordening van Rijnland vereist. Advies hoogheemraadschap In het advies dat het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft uitgebracht staat dat er geen bezwaar tegen het plan is, als de nieuwe bebouwing inclusief fundering en isolatie boven het profiel van vrije ruimte (PvVR) en buiten de (theoretische) kruin wordt geplaatst. De waterhuishoudkundige belangen zijn dan niet in het geding. Het hoogheemraadschap
geeft
dan
een
positief
wateradvies.
Voor
de
werkzaamheden
is
wel
een
omgevingsvergunning (voor een wateractiviteit) nodig. Het slopen van bebouwing valt onder de zorgplicht, tenzij er heipalen geheel worden verwijderd. Conclusie Onderhavig plan heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem. Er is een vergunning van het waterschap vereist voor het bouwen van twee van de woningen en overige ingrepen in de beschermingszone van de waterkering. De overige wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.9 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project.
pagina 39 van 49
In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:
•
industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;
•
woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;
•
gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.
Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in het realiseren van drie nieuwe woningen. Een woonfunctie wordt in het kader van activiteiten en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Hierdoor moet worden bepaald of er in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen. Daarnaast mogen de woningen de omliggende bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsactiviteiten. Hoewel de Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering uit 2009 inmiddels is verouderd, biedt deze nog steeds goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten en gevoelige functies. Bij het beoordelen van de milieubelastende activiteiten is gebruik gemaakt van de richtafstanden van de Lijst voor bedrijfsactiviteiten. Op de gronden direct ten zuidoosten van het plangebied, de voormalige scheepswerf, vinden geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. De bedrijfsbebouwing is gesloopt en hier worden/zijn woningen gebouwd. Ook in de huidige planologische situatie zijn een scheepswerf of andere milieubelastende activiteiten niet meer mogelijk ten zuidoosten van het plangebied. Daarnaast is op ca. 50 m afstand ten oosten van het plangebied een recreatieve bestemming van toepassing, waarbij een kampeerfunctie is toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m voor geluid (gemengd gebied).
Tevens is op ca. 90 m ten oosten van het plangebied een agrarisch bedrijf aanwezig/mogelijk. Aan de afstandsnorm van 100 m voor geur vanwege het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor wordt voldaan.
pagina 40 van 49
De beoogde woningen voldoen aan de richtafstanden. Bovendien zijn er op kortere afstand van de hiervoor genoemde bedrijvenlocaties reeds woningen gelegen die daarmee maatgevend zijn. Derhalve kan een goed woon- en leefklimaat van de nieuwe woningen worden gegarandeerd en zullen de bedrijfsactiviteiten niet worden belemmerd. Aan de oostzijde van het plangebied wordt vooralsnog het bestaande pad naar de achtergelegen weilanden gehandhaafd. Op termijn komt dit pad te vervallen. Om die reden is aan de gronden waar het pad nu ligt in het voorliggende plan een woonfunctie toegekend. Daarmee wordt het pad met het voorliggende plan onder het overgangsrecht gebracht. In de tijdelijke situatie dat het pad nog aanwezig is, wordt geen noemenswaardige hinder verwacht. Voor de woningen aan de oostzijde betreft het pad een bestaande situatie. In de tijdelijke situatie dat het pad nog aanwezig is, is het aannemelijk dat minder landbouwverkeer dan nu het geval is gebruik maakt van het pad, omdat voor de ontsluiting van het huidige agrarische erf ook deels dit pad gebruikt wordt. In de tijdelijke situatie zal het pad uitsluitend nog gebruikt worden voor het bewerken van het achtergelegen grasland. De ervaring is dat er circa vijf perioden per jaar zijn dat het grasland bewerkt wordt (bemesten, maaien, hooien, etc.), waarbij landbouwverkeer overdag over het pad rijdt.
Onevenredige hinder (bijvoorbeeld geluid, stof en trillingen) in deze tijdelijke situatie wordt dan ook niet verwacht. Conclusie Gezien het voorgaande vormen de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat van de beoogde woningen. Tevens worden de aanwezige bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied niet belemmerd door de komst van de nieuwe woningen. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.10 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen.
De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.
pagina 41 van 49
Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.
Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10 6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en
kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10 -6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR 10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.
pagina 42 van 49
Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
•
30 meter voor een brandaandachtsgebied
•
200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de risicokaart van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving).
pagina 43 van 49
Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart komt naar voren dat de dichtstbijzijnde buisleiding op ca. 810 m afstand in oostelijke richting is gelegen. Het plangebied ligt buiten de risicoafstanden (plaatsgebonden risicocontour en brandaandachtsgebied) van deze leiding, waarmee deze buisleiding geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Risicovolle activiteiten Op ca. 835 m afstand in noordwestelijke richting is de meest nabijgelegen risicovolle activiteit aanwezig, waar opslag van propaan en propeen plaatsvindt. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de veiligheidszones en risicocontour van deze inrichting en gelet op de afstand vormt deze risicovolle activiteit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen Op enige afstand ten noorden van de planlocatie bevindt zich de rijksweg A4. De planlocatie is niet gelegen in het brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied van deze weg. Conclusie Gezien op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
5.11 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
pagina 44 van 49
Planspecifiek Archeologie De gronden van het plangebied zijn in het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden geldt een middelhoge verwachting en is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm -mv. Aangezien de grenswaarden met de beoogde ontwikkeling niet worden overschreden, is archeologisch onderzoek in het kader van het voorliggende plan niet benodigd. Mochten bij de werkzaamheden toevalsvondsten worden gedaan, dan dienen die gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Cultuurhistorie Zoals besproken in paragraaf 4.2.2 en een separaat bijgevoegde memo (zie bijlage 1), is in de nabijheid van het plangebied een molen met bijbehorende biotoop aanwezig. Op basis van de molenbiotoopformule is een bouwhoogte mogelijk van ca. 4,27 m. Echter is er in de huidige situatie reeds bebouwing aanwezig en worden de beoogde woningen voorzien van een maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 8 m en 4 m. Hier wordt nader op ingegaan in de bijgevoegde memo (zie bijlage 1). Met inachtneming van deze onderbouwing vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
•
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
•
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
pagina 45 van 49
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project
2.
de plaats van het project
3.
de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1.
Er worden slechts drie woningen gerealiseerd ter vervanging van voormalige agrarische bebouwing.
2.
Het gaat om een gebied waar reeds verscheidene stedelijke functies te vinden zijn.
3.
De woningen voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
pagina 46 van 49
6 Juridische aspecten 6.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerkingtreding van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten via ruimtelijkeplannen.nl. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
6.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
•
toepassingsbereik;
•
functieomschrijving;
pagina 47 van 49
•
beoordelingsregels bouwactiviteiten;
•
maatwerkvoorschriften;
•
specifieke functieregels;
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.4 Wijze van bestemmen De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' van de gemeente Kaag en Braassem. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden. Vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m Ter bescherming van de windvang van de nabijgelegen Hoogmadese molen geldt voor het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m'. Tuin Het voorerf van de woningen heeft het werkingsgebied 'Tuin' gekregen. Hier mogen, met uitzondering van erkers en toegangsportalen, geen gebouwen worden gebouwd. Water Aan de bestaande watergang aan de westzijde van het plangebied en de nieuwe watergang aan de achterzijde van de noordelijke kavels is het werkingsgebied 'Water' toegekend. Wonen Ten behoeve van de functie wonen worden de gronden van het plangebied grotendeels voorzien van het werkingsgebied 'Wonen'. Hierbij geldt dat gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd. Daarnaast gelden er goot- en bouwhoogten van maximaal 4 m en 8 m. De inhoud van een woning inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken mag maximaal 750 m³ zijn.
Waarde - Archeologie 3 Voor de bescherming van archeologische waarden wordt het plangebied voorzien van de werkingsgebieden 'Waarde - Archeologie 3'. Hierbij geldt dat er archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij bodemingrepen, waarbij uitzonderingen gelden bij ingrepen met een diepte tot 30 cm -mv en een oppervlakte tot 2.500 m². Waterstaat - Waterkering Een klein zuidoostelijk deel van het plangebied wordt voorzien van het werkingsgebied 'Waterstaat - Waterkering'. Op basis van de actuele legger is enkel dit gedeelte van het plangebied gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering.
pagina 48 van 49
7 Financiële haalbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
pagina 49 van 49