CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMLANGEDWARSWEG6-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Lange Dwarsweg 6, Rijpwetering’.14.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 26 van 42

bedrijventerreinen en andere werkterreinen: zwaardere milieuhinderlijke activiteiten meer naar het binnengebied, lichtere activiteiten aan de randen richting de woonomgeving. Het belang van milieuzonering neemt toe nu functiemenging steeds vaker voorkomt. Het uitgangspunt daarbij is: scheiden waar het moet, mengen waar het kan. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige functies dient twee doelen:

▪

het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van hinder en gevaar bij milieugevoelige functies;

▪

het bieden van voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten, zodat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met het beoogd voornemen worden de bestaande bedrijfsactiviteiten verplaatst in zuidelijke richting en vind er een schaalvergroting plaats (footprint van 500 m² naar 722 m²). Het betreft een aannemersbedrijf dat zich onder andere bezighoud met beschoeiing, damwanden, vlonders en steigers. Omdat er met de beoogde ontwikkeling sprake is van een verplaatsing van bedrijfsactiviteiten dient te worden gekeken of de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op milieugevoelige activiteiten (wonen) in de omgeving van het plangebied. In overleg met de omgevingsdienst en de gemeente is voor de navolgende motivering nog de ‘oude’ systematiek bedrijven en milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Lange Dwarsweg 7 en 8 Ten noordoosten van het plangebied aan de Lange dwarsweg 7 en Lange Dwarsweg 8 bevinden zich woningen. De afstand tot deze woningen vanaf de bedrijfsactiviteiten bedraagt in de huidige situatie respectievelijk 34 en 9 meter. In de beoogde situatie wordt deze afstand tot aan de bedrijfsactiviteiten respectievelijk 39 en 27 meter. Navolgend zijn alle aspecten beschouwd en in hoeverre ze een belemmering kunnen vormen op het woon- en leefklimaat van de woningen. In de directe omgeving bevindt zich een mix aan de woningen en bedrijvigheid.

Derhalve wordt voor deze beschouwing uitgegaan van een ‘gemengd’ gebied, wat betekent dat de richtstanden met één stap kunnen worden verlaagd. Voor een aannemersbedrijf met een oppervlakte groter dan 1.000 m² geldt volgens de VNG richtafstandenlijst een categorie 2 voor geluid (SBI-2008: 41, 42, 43, nummer 2). Omdat wordt uitgegaan van gemengd gebied kan de afstandsstap met één stap worden verlaagd. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 10 meter. Een aannemersbedrijf kent geen richtstafstanden voor het aspect geur. Zoals hierboven aangegeven bedraagt de afstand van de bedrijfsactiviteiten tot aan de gevoelige functies 39 en 27 meter. Dit betekent dat er aan de richtafstand van 10 meter wordt voldaan. Er is daarnaast sprake van een duidelijke verbetering van het woon- en leefklimaat. De vergroting van de afstand, de gewijzigde oriëntatie van de loods en de toepassing van groenvoorziening zorgen voor een vermindering van geluidbeleving. Daarnaast vinden de meeste werkzaamheden inpandig plaats, waardoor structurele geluidsemissies worden afgeschermd door de gebouwschil. De bedrijfsvoering wordt gemoderniseerd. Daarmee wordt het geluidsniveau aanzienlijk beperkt en wordt een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Gesteld kan worden dat het aspect geluid van het bedrijf niet van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

pagina 27 van 42

In de huidige situatie maakt het bedrijf gebruik van een gedeelde oprit met de woning aan de Lange Dwarsweg 8. Bedrijfsverkeer passeert daarbij direct langs deze woning. In de nieuwe situatie wordt de ontsluiting verplaatst naar een zuidelijker gelegen punt, waardoor het bedrijfsverkeer zich verder van de woningen afwikkelt. Hierdoor neemt de verkeersveiligheid toe en vermindert de geluidshinder van passerend verkeer. Het aantal verkeersbewegingen blijft beperkt en passend bij de bedrijfsfunctie. De ontwikkeling heeft geen onevenredige verkeersaantrekkende werking en heeft daarmee geen negatief effect op de leefomgeving. Voor de bedrijfsactiviteiten is daarnaast geen sprake van emissies die leiden tot relevante luchtverontreiniging. Het betreft een aannemersbedrijf waarbij de werkzaamheden voornamelijk binnen plaatsvinden. Daarnaast is er geen sprake van het toevoegen van risicovolle activiteiten binnen het plangebied als gevolg van de beoogde ontwikkeling en bestaan de bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk uit opslag, lichte werkplaatsactiviteiten en transport. Er worden geen zware machines of installaties gebruikt die trillinghinder kunnen veroorzaken voor de omgeving. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van de noordelijke gelegen woningen.

De verschuiving van de bedrijfsbebouwing naar een logischer positie, verder verwijderd van woningen, leidt tot een ruimtelijk evenwichtige verdeling van functies. De ontwikkeling versterkt de ruimtelijke ordening doordat bedrijvigheid zich bundelt binnen het bestaande bedrijfsperceel en niet verder richting woonfuncties uitbreidt. Gesteld kan worden dat het aspect activiteiten en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek Door de aard en omvang is de beoogde ontwikkeling aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Doordat dit gezien wordt als een NIBM-project is toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties

pagina 28 van 42

over 2023 (receptor 27375169_105279) fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 15.4 μg/m³, 7,8 μg/m³ en 17,7 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek In de gemeente Kaag en Braassem geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan karakteristieke objecten', vastgesteld op 18 maart 2024. De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - karakteristiek' aangewezen gronden zijn mede bestemds voor het behoud van karakteristieke panden en objecten. Het plangebied voorziet niet in archeologische waarden. De planlocatie beschikt niet over monumentale gebouwen of objecten. Ook is het plangebied niet gelegen in een gebied van cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied valt onder Beschermingscategorie 3 - Buitengebied in de provinciale omgevingsvisie. Zoals aangekaart in 4.2.2 behoort het landschap niet onevenredig worden aangetast. De relatie tussen stad en buitengebied, het groene karakter, functies en kenmerkende verschijningsvormen van het landschap en de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap wordt geacht bewaard te worden. Het beoogde initiatief voorziet in het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw. Het realiseren van de bedrijfsbebouwing is een dermate kleine ontwikkeling dat de openheid en structuur van het landschap niet aangepast wordt. Verder heeft het initiatief geen invloed op de relatie tussen stad en land wegens de kleinschaligheid van de ontwikkeling. Het

pagina 29 van 42

initiatief heeft een beperkte invloed op het groene karakter van het landschap. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt met de beoogde ontwikkeling gesloopt. Ten slotte voorziet het initiatief niet in een ontwikkeling waarmee de ontstaansgeschiedenis van het gebied niet meer herkenbaar wordt.

5.7 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten

op

grond

van

een

omgevingsplan

of

een

omgevingsvergunning

voor

een

omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande activiteiten op het perceel verplaatst en uitgebreid. Omdat het initiatief voorziet in een gebouw waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn, is sprake van een bodemgevoelige locatie. In het verleden is voor de beoogde ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, d.d. 18 maart 2021, zie bijlage 1). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

▪

De zandig bovengrond op de locatie (MM1) is licht verontreinigd met PAK.

▪

De venige bovengrond op de locatie (MM2) is licht verontreinigd met molybdeen, kwik en lood.

▪

De zintuiglijk onverdachte kleiige ondergrond op de locatie (MM3) is licht verontreinigd met molybdeen.

▪

In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 01) zijn licht verhoogde concentraties zink en barium gemeten.

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De licht verhoogde concentraties zink en barium in het grondwater worden beschouwd als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de

pagina 30 van 42

toekomstige bestemming. De licht verhoogde concentratie barium wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. De bovenstaande onderzoeksresultaten zijn op 22 april 2025 geactualiseerd (Inventerra, d.d. 22 april 2025, zie bijlage 2). Uit het actualiserend vooronderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding is te verwachten dat de bodemkwaliteit sinds het in 2021 uitgevoerde bodemonderzoek negatief is beïnvloed. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.8 Externe veiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen.

Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken.

(Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.

pagina 31 van 42

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek In de te realiseren hal zal opslag van materiaal plaatsvinden en zal een werkplaats aanwezig zijn. Een pand met dergelijke gebruiksfuncties wordt in het kader van externe veiligheid beschouwd als een ‘beperkt kwetsbaar gebouw’. Derhalve is gekeken naar de relevante risicovolle activiteiten en eventuele transport van gevaarlijke stoffen over spoor, weg of water of door buisleidingen. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere buisleidingen waardoor de transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Binnen het plangebied bevindt zich een CO2-buisleiding. Op deze gronden mogen geen gebouwen of overkapping zijnde worden gebouwd. De beoogde bedrijfsbebouwing wordt buiten de contour van deze buisleiding gerealiseerd. Ten westen van de planlocatie bevinden zich meerdere aardgasbuisleidingen. De planlocatie bevindt zich in het brandaandachtsgebied van deze buisleidingen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de buisleidingen is er vanuit het aspect vervoer gevaarlijke stoffen door buisleiding echter geen bezwaar. Risicovolle activiteiten Het plangebied ligt in de aandachtsgebieden van twee propaantanks.

De planlocatie bevindt zich deels binnen het explosie- en aandachtsgebied van de twee propaantanks. De beoogde bebouwing wordt buiten de aandachtsebieden van de propaantanks gerealiseerd. Derhalve vormen deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 32 van 42

Transport gevaarlijke stoffen Ten zuidoosten van de planlocatie bevindt zich de A4. Over deze weg vindt de transport van gevaarlijke stoffen plaats. De planlocatie is gelegen binnen de gifwolk- en explosieaandachtsgebied van de weg. De beoogde bebouwing komt binnen het gifwolkaandachtsgebied te staan. Conclusie Het initiatief betreft de vervanging en verplaatsing van een bestaande loods. Deze loods ligt momenteel ook in de voorgenoemde aandachtsgebieden. In principe verandert de situatie niet. Derhalve vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.

pagina 33 van 42

Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bedrijf met nieuwe bebouwing, waarbij de bestaande loods gesloopt wordt en iets zuidelijker een nieuwe loods wordt opgericht. In dit kader is een quickscan uitgevoerd (Blom Ecologie, 14 oktober 2025, zie bijlage) om de effecten op beschermde natuurgebieden en soorten in kaart te brengen. Hieronder worden de resultaten samengevat. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen, stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Kennemerland-Zuid' bevindt zich op een afstand van ongeveer 13 km ten westen van de planlocatie. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of strategische reservering natuur. De afstand tot en aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNNgebieden. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is er geen stikstofberekening nodig om de effecten op Natura 2000-gebieden te bepalen. Door het behouden van de natuurlijke oevers zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die verloren gaan. De planlocatie maakt wel deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer).

Met de voorgenomen ontwikkeling worden er in het weidevogelgebied bomen aangeplant. Om de effecten op het weidevogelgebied in kaart te brengen is een ‘ja, mits-toets’ noodzakelijk. Dit onderzoek zal in het vervolgtraject uitgevoerd worden. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het slopen van de huidige loods en het plaatse van een nieuwe loods op ten zuiden van de huidige loods. Het initiatief kan mogelijk invloed hebben op de aanwezigheid van

pagina 34 van 42

beschermde flora- en faunasoorten. Hoewel er ten tijde van de quickscan geen beschermde soorten aangetroffen zijn, moet uit een aanvullende dakinspectie van de schuur blijken of er mogelijk een nestlocatie van de huismus is. Om zekerheid te verkrijgen, wordt in een vervolgonderzoek een dakinspectie uitgevoerd. Als bij deze inspectie geen nestlocaties worden gevonden, kan de sloop doorgaan zonder ontheffing. Wordt er wel een huismusnest aangetroffen

moeten

er

mitigerende

maatregelen

worden

getroffen

en

zal

waarschijnlijk

een

ontheffing/vergunning nodig zijn. Houtopstanden De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de kap van bomen. Conclusie Op basis van het natuuronderzoek kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen onoverkomelijke effecten heeft op beschermde soorten of gebieden. Alle potentiële natuurwaarden zijn in beeld gebracht en waar nodig worden mitigerende maatregelen of vervolgstappen (zoals de huismusdakinspectie) genomen om te voldoen aan de wetgeving. Daarmee worden verstoringen of schades aan flora en fauna voorkomen en blijven de natuurbelangen gewaarborgd. Het aspect natuur vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en kan, mits de genoemde voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen, planologisch en ecologisch verantwoord worden uitgevoerd.

5.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.

pagina 35 van 42

Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Amsterdam,

IJmuiden

en

Gouda.

Met

de

inwerkingtreding

van

de

Omgevingswet

heeft

de

waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen moet minimaal 20 mm van elke grote bui in 24 uur in de bodem opgevangen worden. De eis geldt voor al het nieuwe verharde oppervlak. De neerslag moet opgevangen worden in het naastgelegen onverharde oppervlak, of onder het eigen verharde oppervlak. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak.

Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Watercompensatie Bij een toename van verhard oppervlak is watercompensatie noodzakelijk. In de huidige situatie is een deel van de planlocatie reeds verhard. Met de beoogde ontwikkeling neemt het verharde oppervlak naar verwachting toe. In de Waterschapsverordening van het Hoogheemraadschap van Rijnland is bepaald dat bij een toename van meer dan 500 m² verharding een compensatieplicht geldt. Wanneer de toename tussen 500 m² en 5.000 m² ligt, is de ontwikkeling onder voorwaarden vergunningvrij, maar moet wel compensatie plaatsvinden. Indien de toename minder dan 500 m² bedraagt, geldt de zorgplicht.

pagina 36 van 42

De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 722 m². Daarnaast wordt er rondom het bedrijfsgebouw verharding aangelegd van ongeveer 2.000 m². Daarmee bedraagt de verharding in de beoogde situatie ongeveer 2.722 m². De bestaande bebouwing aan de noordzijde, met een oppervlakte van ongeveer 500 m², wordt gesloopt. Tevens zal ook een groot deel van de bestaande verharding ofwel verwijderd worden, ofwel gebruikt overgenomen worden in de beoogde situatie. Dit bedraagt ongeveer 1.000 m². Daarmee is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een toename van ongeveer 1.200 m² (ca. 2.700 m² - 1.500 m²) en zal in het vervolg watercompensatie plaats moeten vinden. Wat de exacte toename wordt met de beoogde ontwikkeling zal in het vervolgtraject duidelijk worden. Uitgaande van de bovenstaande indicatieve oppervlakten en een watercompensatie van 15% geldt er een compensatieplicht van 180 m². Er is binnen en rondom het plangebied voldoende ruimte om te voorzien in watercompensatie. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een natuurvriendelijke oever aangelegd. In het vervolg moet blijken hoeveel watercompensatie noodzakelijk is. Ter plaatse van deze oever kan worden vergroot of aangevuld met extra oppervlaktewater.

Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft in zijn advies aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan en een positief wateradvies afgegeven. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Wel heeft het waterschap verzocht om bij de verdere planuitwerking de exacte toename van verharding vast te stellen en, indien van toepassing, compensatie te realiseren. Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar (vertraagd) afgevoerd naar de omliggende watergangen. Het afvalwater zal worden aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem. Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in een primaire of regionale waterkering. Watergangen Rondom het plangebied bevinden zich watergangen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in aanpassingen van de watergangen.

5.11 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een mer is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van mer-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit mer. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

pagina 37 van 42

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een mer-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht. Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten genoemd die mer- of mer-beoordelingsplichtig kunnen zijn. Mogelijk is het plan aan te merken als een project onder categorie J11 (stedelijke ontwikkelingsprojecten) of J12 (landinrichtingsprojecten). Het plan voorziet in de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw aan de Lange Dwarsweg 6. Navolgend zijn beide categorieën beschouwd. Beoordeling categorie J11 – stedelijk ontwikkelingsproject Op grond van jurisprudentie wordt beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject aan de hand van de aard en omvang van de ontwikkeling, de ruimtelijke inpassing en de mogelijke milieugevolgen. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en de realisatie van een nieuw duurzaam bedrijfsgebouw. Zoals uit hoofdstuk 5 van deze onderbouwing blijkt zijn de milieugevolgen (geluid, verkeer, luchtkwaliteit, stikstof) beperkt en binnen de bestaande milieuruimte.

Gelet hierop wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit Beoordeling categorie J12 – landinrichtingsproject Projecten onder categorie J12 hebben doorgaans betrekking op grootschalige herinrichting van het buitengebied, waarbij meerdere functies (zoals landbouw, natuur, recreatie en waterbeheer) worden gewijzigd of opnieuw ingericht. Het voorliggende plan betreft uitsluitend de vervanging en modernisering van bestaande bebouwing op één erf. Er is geen sprake van een grootschalige herverkaveling of functiewijziging. Daarnaast worden er geen

pagina 38 van 42

grootschalige ingrepen gedaan aan het landschap. De schaal en invloed van het plan zijn daarmee te gering om te kunnen worden aangemerkt als een landinrichtingsproject in de zin van categorie J12. Conclusie Op basis van bovenstaande overwegingen wordt geconcludeerd dat het plan niet valt onder categorie J11 (stedelijke ontwikkeling) en evenmin onder categorie J12 (landinrichting), er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen en er daarom geen mer-beoordelingsplicht geldt. De mer-beoordeling is daarmee afgedaan binnen de toelichting van dit Tam-omgevingsplan. Op grond van artikel 16.36, vijfde lid, van de Omgevingswet dienen de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, van Natuur en Stikstof, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te worden geraadpleegd indien een plan-merbeoordeling wordt uitgevoerd. Aangezien in dit geval is vastgesteld dat geen plan-mer-beoordeling aan de orde is, is raadpleging van de wettelijke adviseurs niet noodzakelijk. In deze paragraaf is desondanks expliciet opgenomen waarom dit niet gebeurt, om transparantie te waarborgen. Het onderhavige omgevingsplan leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het plan is niet merplichtig en niet mer-beoordelingsplichtig. De overwegingen zijn in overeenstemming met artikel 16.36 Omgevingswet en bijlage V van het Omgevingsbesluit.

pagina 39 van 42

6 Juridische aspecten 6.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de IMRO-standaarden na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding en in de regels zijn de functies toegekend aan locaties. Aan deze locaties zijn regels voor de activiteit bouwen en regels betreffende het gebruik verbonden. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAM-omgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

6.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

6.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangsbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende werkingsgebieden op alfabetische volgorde. Dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

▪

toepassingsbereik;

▪

functieomschrijving;

▪

(specifieke) beoordelingsregels bouwactiviteiten;

▪

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

6.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op het bestemmingsplan 'Buitengebied West'. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend omgevingsplan bevat de volgende functies/werkingsgebieden.

pagina 40 van 42

Bedrijf Met het voorliggende TAM-omgevingsplan worden de percelen samengevoegd onder de bestemming 'Bedrijf'. Het

bouwvlak

wordt

verplaatst

naar

het

zuidelijke

perceel

ten

behoeve

van

de

beoogde

ontwikkeling. Bedrijfsbebouwing is enkel toegestaan binnen het bouwvlak, tot een maximale bouwhoogte van 10 meter, een goothoogte van 7 meter en een maximaal bebouwd oppervlakte van 722 m². Groen Aansluitend bij de gronden rondom worden de overige gronden bestemd als 'Groen'. Deze gronden zijn mede bestemd voor groen en voor de bij deze functie behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. Leiding - Gas - 2 De gronden ter plaatse van de gasleiding worden aanwezen als 'Leiding - Gas - 2'. De voor 'Leiding - Gas - 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende functies - mede bestemd voor een CO2leiding. Leiding - Hoogspanning II De gronden ter plaatse van de hoogspanningsleiding worden aangewezen als Leiding - Hoogspanning II zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies mede bestemd voor een ondergrondse 380 kV hoogspanningsverbinding.

pagina 41 van 42

7 Financiële haalbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De bevoegde overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal, een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De gemeente zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Ook de overige kosten worden via de anterieure overeenkomst verhaald. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

pagina 42 van 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=cd605a93-0b04-408e-b8de-79db8952bc63