NL.IMRO.1884.TAMLANGEDWARSWEG6-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Lange Dwarsweg 6 Rijpwetering Gemeente Kaag en Braassem
Colofon Gegevens over het project: Planstatus:
Vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.TAMLANGEDWARSWEG6-VAS1
Datum:
16-03-2026
Kenmerk Buro SRO:
SR250114
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemarc B.V.
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.burosro.nl
pagina 2 van 42
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding en ambitie ...................................................................................................................................................... 4 1.2 Aanduiding plangebied .................................................................................................................................................... 4 1.3 Toetsing aan het omgevingsplan ..................................................................................................................................... 5 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................................................................ 6
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 7 2.1 Participatie ...................................................................................................................................................................... 7 2.2 Bestuurlijk overleg ........................................................................................................................................................... 7 2.3 Zienswijzen ...................................................................................................................................................................... 8
3 Planbeschrijving ................................................................................................................................... 9 3.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................................ 9 3.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................................................... 10
4 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 14 4.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................................................................... 14 4.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................................................... 16 4.3 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................................................... 21
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .......................................................................................... 24 5.1 Verkeer en parkeren ...................................................................................................................................................... 24 5.2 Duurzaamheid en gezondheid ....................................................................................................................................... 25 5.3 Geluid ............................................................................................................................................................................ 25 5.4 Activiteiten en milieuzonering ....................................................................................................................................... 26 5.5 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................................ 28 5.6 Archeologie en cultuurhistorie ...................................................................................................................................... 29 5.7 Bodem ...........................................................................................................................................................................
30 5.8 Externe veiligheid .......................................................................................................................................................... 31 5.9 Natuur ........................................................................................................................................................................... 33 5.10 Water ........................................................................................................................................................................... 35 5.11 Milieueffectrapportage ............................................................................................................................................... 37
6 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 40 6.1 Algemeen....................................................................................................................................................................... 40 6.2 Verbeelding ................................................................................................................................................................... 40 6.3 Planregels ...................................................................................................................................................................... 40 6.4 Toelichting op functies en locaties ................................................................................................................................ 40
7 Financiële haalbaarheid ..................................................................................................................... 42
pagina 3 van 42
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en ambitie Aan de Lange Dwarsweg 6, ten zuidoosten van de kern Rijpwetering, bevindt zich een bedrijfsperceel met twee bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn als opslagruimte voor materialen en als werkplaats. Op deze locatie is het bedrijf Gemarc B.V. gevestigd. De bestaande bebouwing voldoet niet langer aan de huidige functionele wensen van het bedrijf en aan de hedendaagse eisen op het gebied van duurzaamheid en energie-efficiëntie. De initiatiefnemer is daarom voornemens de bestaande schuur en hal te slopen en te vervangen door een nieuwe, efficiëntere
en
energiezuinige
bedrijfsloods
die
beter
aansluit
bij
de
huidige
bedrijfsvoering
en
toekomstbestendige eisen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (het omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Kaag en Braassem, waarvan het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ onderdeel uitmaakt. De planlocatie beschikt in dit bestemmingsplan over de bestemmingen ‘Recreatie - Dagrecreatie’ en ‘Bedrijf’. Om de voorgenomen ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Derhalve dient een herziening van het omgevingsplan te worden vastgesteld voor de planlocatie.
1.2 Aanduiding plangebied De planlocatie is gelegen aan de Lange Dwarsweg 6, ten zuidoosten van het lintdorp Rijpwetering. De navolgende afbeeldingen maken dit inzichtelijk. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Alkemade, sectie D en perceelnummer 3053, 3224 en 3226. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 9.250 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (bron: Beeldmateriaal.nl)
pagina 4 van 42
Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: Pdokviewer)
1.3 Toetsing aan het omgevingsplan Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied West'. De onderstaande figuur toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Buitengebied West'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied West', plangebied rood omkaderd (bron: Omgevingsloket Regels op de kaart)
Het noordelijke gedeelte van het plangebied is voorzien van de enkelbestemming 'Bedrijf'. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijven, tot en met categorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Dit deel van het plangebied
pagina 5 van 42
beschikt over de aanduiding 'specifiek vorm van bedrijf - aannemersbedrijf'. Deze gronden zijn bestemd zijn voor een loon- en aannemersbedrijf. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is voorzien van de enkelbestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' en beschikt over de aanduiding 'paardenhouderij'. De gronden met de aanduiding 'Paardenhouderij' zijn uitsluitend bestemd voor het hobbymatig houden van paarden. Door het plangebied loopt een CO2-gasleiding. Deze gronden beschikken over de dubbelbestemming 'Leiding Gas 2'. Voor deze gronden gelden beperkingen met betrekking tot het bouwen. De gronden van het plangebied beschikken daarnaast ook over de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - Ruwvoeder'. Voor deze gronden is de teelt van maïs/ruwvoeder niet toegestaan. Strijdigheden met het omgevingsplan Het beoogd voornemen om de bedrijfsactiviteiten in zuidelijke richting te verplaatsen past niet in (het tijdelijke deel van) het omgevingsplan van de gemeente Kaag en Braassem. Het gebruiken van de gronden ten behoeve van het aannemersbedrijf en het realiseren van een bedrijfshal past niet binnen de mogelijkheden van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het resultaat van de participatie, het bestuurlijk overleg en de terinzagelegging beschreven. De huidige en toekomstige situatie komt in hoofdstuk 3 aan bod. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 6. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de financiële haalbaarheid.
pagina 6 van 42
2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.1 Participatie Conform het participatiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem is voor dit initiatief invulling gegeven aan de verplichting tot participatie. Dit houdt in dat de initiatiefnemer de omwonenden in een vroeg stadium bij de planvorming heeft betrokken. De initiatiefnemer heeft alle direct omwonenden en belanghebbenden in de omgeving persoonlijk bezocht om hen te informeren over de beoogde ontwikkeling aan de Lange Dwarsweg 6. Tijdens deze gesprekken zijn de aard en omvang van het plan toegelicht en is ruimte geboden voor het stellen van vragen en het uiten van eventuele zorgen of opmerkingen. De gesprekken zijn in een open en constructieve sfeer verlopen. De betrokkenen hebben kennisgenomen van het voornemen en hebben overwegend positief gereageerd op de geplande vernieuwing van de bedrijfsbebouwing. Er zijn tijdens de gesprekken geen bezwaren geuit tegen het initiatief. Met deze aanpak is op zorgvuldige wijze invulling gegeven aan het participatievereiste uit het gemeentelijk beleid, en is geborgd dat het initiatief in overleg met de omgeving tot stand is gekomen. Er is voor de uitgevoerde participatie een participatieverslag opgesteld. Deze is als bijlage bij dit plan gevoegd.
2.2 Bestuurlijk overleg In het kader van het bestuurlijk overleg zijn de relevante instanties en beheerders geraadpleegd over het voorgenomen plan aan de Lange Dwarsweg 6. Hieronder worden de ontvangen reacties samengevat. Hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft een positief wateradvies afgegeven. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Wel dient nog te worden vastgesteld in welke mate het verharde oppervlak toeneemt. Bij een toename van 500 tot 5.000 m² geldt dat de ontwikkeling onder voorwaarden vergunningvrij is,
pagina 7 van 42
maar dat compensatie verplicht is. Wanneer de toename van verharding minder dan 500 m² bedraagt, geldt de zorgplicht. Dit wordt nader in paragraaf 5.10 toegelicht. Provincie Zuid-Holland Met de provincie Zuid-Holland heeft intensieve afstemming plaatsgevonden over de vormgeving van het bedrijfsgebouw en de landschappelijke inpassing hiervan. In meerdere overleggen zijn de provinciale uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit betrokken en is het ontwerp aangepast. Het ontwerp van het bedrijfsgebouw, is het resultaat van deze afstemming. De provincie Zuid-Holland heeft aangegeven met dit ontwerp te kunnen instemmen, waarmee is geborgd dat de ontwikkeling aansluit bij het provinciale beleid en zorgvuldig in de omgeving wordt ingepast. OCAP (CO₂-leiding) OCAP heeft geen bezwaar tegen de beoogde ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de CO₂transportleiding. De liggingszekerheid, integriteit en functionaliteit van deze leiding moeten te allen tijde gewaarborgd blijven. De bestaande planregels uit het geldende bestemmingsplan blijven hiervoor onverkort van kracht. OCAP verzoekt dat voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden overleg plaatsvindt met de leidingbeheerder om afspraken te maken over veilig werken in de nabijheid van de leiding. Aan dit verzoek zal gevolg worden gegeven.
Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) De Veiligheidsregio heeft geadviseerd over de fysieke veiligheid. Daarbij zijn enkele aandachtspunten benoemd, waaronder het ontbreken van een offensieve bluswatervoorziening in de directe nabijheid van het perceel. Geadviseerd wordt een brandkraan met een minimale opbrengst van 1.000 l/min te realiseren of gebruik te maken van nabijgelegen open water dat aan de eisen voldoet. Verder wordt geadviseerd om bij de bouw brandveilige gevel- en dakmaterialen toe te passen in verband met het risico op fakkelbrand van nabijgelegen hogedrukleidingen, en om rekening te houden met het scenario van een toxische wolk door de nabijgelegen CO₂leiding en Rijksweg A4. De mechanische ventilatie dient handmatig uitschakelbaar te zijn conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Tot slot wordt gewezen op het veilig toepassen van groene gevels en zonnepanelen. Bij de verdere uitwerking en vergunningverlening wordt de naleving van deze adviezen geborgd.
2.3 Zienswijzen Het ontwerp omgevingsplan heeft van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 (zes weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder zienswijzen naar voren brengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
pagina 8 van 42
3 Planbeschrijving 3.1 Huidige situatie Het plangebied grenst aan de Lange Dwarsweg in Rijpwetering. Rijpwetering is een fraai historische lintdorp in het Nederlandse polderlandschap. Het dorp is ontstaan tijdens de ontginning van het achterliggende landschap. De gelijknamige watergang loopt haaks op de verkaveling. Het plangebied ligt in het buitengebied, ten oosten van het dorp. De sfeer is landelijk met vergezichten over de weilanden. Bij het kruispunt met de Provincialeweg en de Lange Dwarsweg is een aantal bedrijven gevestigd. Dit bebouwingscluster bestaat naast Gemarc uit een compost en biomassa afvalverwerkingsbedrijf en er zijn diverse rijbanen en stallen aanwezig ten behoeve van een paardenhouderij. Het spoor en de A4 die vlak langs het plangebied lopen zijn opvallende elementen in het landschap. Zij doorsnijden de duidelijke verkavelingsstructuur. Het plangebied is vanaf de langsgaande wegen goed waarneembaar. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een opstijgpunt van de KV380. Onderstaande afbeelding toont een impressie van het plangebied.
Vogelvluchtperspectief plangebied (bron: Google Maps)
Op de locatie aan de Lange Dwarsweg 6 is sinds lange tijd het bedrijf Gemarc B.V. gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in het plaatsen van beschoeiingen, damwanden, vlonders, steigers en bruggen. In de huidige situatie is het terrein ingericht met twee loodsen voor de opslag van materialen en een werkplaats. Naast de loods wordt het terrein gebruikt voor en het stallen van bedrijfswagens en buitenopslag. De twee loodsen hebben samen een oppervlak van circa 500 m². De huidige bedrijfsbebouwing voldoet niet meer aan de wensen van Gemarc en aan de duurzaamheidseisen van deze tijd.
pagina 9 van 42
De navolgende afbeelding toont een impressie van het plangebied.
Aanzicht plangebied vanaf de Provincialeweg (bron: Google Street View)
3.2 Toekomstige situatie De wens is om een meer efficiënte energiezuinige hal te plaatsen met voldoende ruimte voor de opslag- en werkplaats. Deze hal moet tevens dienst doen als opslag van materiaal en voor de bedrijfswagens. Met de herinrichting van het perceel wordt het terrein opgeschoond en opnieuw ingericht. De bestaande schuur en hal zullen met de beoogde ontwikkeling gesloopt worden. De beoogde bedrijfsbebouwing wordt duurzaam gerealiseerd. De bebouwing wordt duurzaam gebouwd met onder andere zonnepanelen op het dak. Daarnaast wordt het bedrijfsgebouw gasloos. Het oppervlak van de bebouwing bedraagt ongeveer 722 m². Het bvo van het toekomstige bedrijfsgebouw, begane grond en eerst verdieping inbegrepen, bedraagt ongeveer 1.188 m².
pagina 10 van 42
De navolgende afbeelding toont een 3D impressie van de mogelijke beoogde bedrijfsbebouwing.
3D impressie mogelijke bedrijfsbebouwing (bron: Johlexbouw)
Met de nieuwe bebouwing kan de opslag van materialen nagenoeg volledig intern plaatsvinden. Eventuele buitenopslag zal plaatsvinden achter de nieuw te bouwen loods. Door de opslag aan de noordzijde te situeren wordt tegemoet gekomen aan de wens van de gemeente Kaag en Braassem om vanaf de doorgaande weg geen direct zicht te hebben op buitenopslag. Daarnaast zal ten oosten en zuiden van de beoogde bedrijfsbebouwing een groenstrook aangebracht worden welke een natuurlijke afscherming vormt tussen het bedrijfsperceel en de provinciale weg. Met deze aanpassing krijgt het terrein tevens meer groen en diversiteit. Het plangebied zal ontsloten worden met de bestaande oprit. Inrichting plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet het slopen van een oude loods en aanleggen van een nieuwe loods. Ten noorden van de nieuwe loods komt een struweel van inheemse plantsoorten. Ten oosten van het loodsgebouw komt een open veenweide landschap met graskruidenvegetatie. Ten zuiden blijven de natuurlijke oevers. Aan de westkant van de loods komen parkeerplaatsen.
pagina 11 van 42
De navolgende afbeelding toont het landschappelijk inpassingsplan (toekomstige situatie).
Landschappelijk inpassingsplan (bron: Buro SRO, d.d. 26 november 2025)
Beeldkwaliteit De beoogde bedrijfsloods wordt zodanig vormgegeven en gepositioneerd dat deze aansluit bij de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van het buitengebied langs de Lange Dwarsweg. Onderstaand wordt toegelicht op welke wijze de beeldkwaliteit wordt geborgd. Uitgangspunten beeldkwaliteit en ruimtelijke inpassing Het plangebied ligt in het buitengebied met een duidelijk landelijk karakter, gekenmerkt door open vergezichten over de oude polders en overwegend agrarische bebouwing. Nieuwbouw dient hier terughoudend en zorgvuldig te worden ingepast, zodat de landschappelijke openheid behouden blijft en de nieuwbouw aansluit op het bestaande bebouwingsbeeld in de polders. Voor de nieuwe bedrijfsloods wordt daarom aangesloten bij:
▪
de maat en schaal van agrarische bedrijfsbebouwing;
▪
de eenvoudige hoofdvorm met kap;
▪
een sobere, rustige architectuur en een terughoudend kleur- en materiaalgebruik.
Plaatsing op het perceel De bedrijfsloods wordt centraal op het perceel gesitueerd. Door deze positionering blijft de karakteristieke openheid van het omliggende landschap zoveel mogelijk intact en wordt een evenwichtige inpassing in het erf mogelijk gemaakt. Aan de Lange Dwarsweg wordt één centrale ontsluiting op het perceel gerealiseerd. In de
pagina 12 van 42
directe nabijheid van deze toegang wordt een beperkt aantal (bezoekers)parkeerplaatsen aangelegd. Hiermee blijft het verhard oppervlak beperkt en wordt voorkomen dat parkeren een beeldbepalend element wordt in het landschap. De bebouwing verspringt ten opzichte van de bestaande rooilijn, waardoor een levendig maar rustig straatbeeld ontstaat dat past bij de informele opzet van erven in het buitengebied. De hoofdentree van de bedrijfsloods wordt gepositioneerd aan de zijde van de Lange Dwarsweg, zodat de oriëntatie van het gebouw logisch is ten opzichte van de openbare ruimte. Massa en hoofdvorm De bedrijfsloods bestaat uit één duidelijk herkenbaar bouwvolume. Deze opzet sluit aan bij de traditionele verschijningsvorm van agrarische bedrijfsbebouwing, waarin de functies onder één kap zijn samengebracht. Het volume wordt eenvoudig vormgegeven en bestaat uit één bouwlaag met kap. De maximale goothoogte bedraagt 6 meter en de maximale nokhoogte 10 meter. Hiermee blijft de bebouwing ondergeschikt aan de maat en schaal van de bestaande agrarische bebouwing in de omgeving en raakt het open landschap visueel niet overbelast. De nokrichting van het gebouw wordt afgestemd op de omliggende bebouwing. Daarmee wordt aangesloten bij de bestaande korrel en oriëntatie van de agrarische schuren in de polder en wordt er gezorgd voor een herkenbaar, zorgvuldig ingepast erfbeeld.
De footprint van het gebouw bedraagt maximaal 722 m². Deze maatvoering zorgt ervoor dat de bedrijfsloods robuust genoeg is voor de beoogde functie, maar qua schaal aansluit bij de aanwezige bebouwing in het buitengebied. Gevelkarakteristiek en architectonische uitwerking De gevels van de bedrijfsloods krijgen een rustige, eenvoudige en evenwichtige indeling. Ornamentiek wordt beperkt gehouden, zodat een sober en functioneel karakter ontstaat dat past bij de agrarische vormentaal in de omgeving. De voorgevel is georiënteerd op de Lange Dwarsweg. Hierdoor ontstaat een duidelijke relatie tussen de bedrijfsloods en de openbare ruimte, wat bijdraagt aan een leesbaar erf en een heldere hoofdentree. In de architectuur wordt expliciet aangesloten op de vormentaal van agrarische bebouwing in de directe omgeving: een eenvoudige hoofdvorm, een duidelijk afleesbare kap en doelmatige gevelopeningen. Hiermee wordt voorkomen dat de bedrijfsloods zich als een afwijkend of industrieel object manifesteert in het landelijke gebied. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik Voor de bedrijfsloods wordt gekozen voor een zorgvuldige, terughoudende detaillering met materialen die aansluiten bij de aanwezige agrarische stallen in de omgeving. Dit versterkt de referentie aan traditionele houten of plaatgevels van agrarische schuren.
Gevel- en raamopeningen worden bij voorkeur staand vormgegeven, wat bijdraagt aan een rustig en verzorgd gevelbeeld. Aan de onderzijde van de gevels kan een borstwering in beton of baksteen worden toegepast. Dit zorgt voor een robuuste plint, die zowel functioneel (bescherming tegen beschadiging) als esthetisch bijdraagt aan de verankering van het gebouw in het erf. Op het dak kunnen zonnepanelen worden toegepast. Deze worden zoveel mogelijk vlak in het dakvlak geïntegreerd, zodat het rustige beeld van de kap behouden blijft. De toepassing van zonnepanelen draagt bij aan de duurzaamheid van de ontwikkeling, zonder afbreuk te doen aan de beoogde beeldkwaliteit.
pagina 13 van 42
4 Beleidskaders 4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. De NOVI is vastgesteld op grond van de inmiddels ingetrokken Wet ruimtelijke ordening, maar de NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de in werkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie dan ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio's;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen. Ook wordt er aangesloten bij een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied met een streven naar een loods die voldoet aan duurzaamheidseisen en voldoende ruimte voor toekomstige toepassing. Dit draagt bij aan een nieuw en toekomstbestendig verdienmodel.
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
pagina 14 van 42
In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Voorziet het plan voor kantoren in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een brutovloeroppervlakte van minder dan 500 m². De beoogde ontwikkeling voorziet in de vervanging van de bestaande bebouwing door een nieuw, duurzaam en toekomstbestendig bedrijfsgebouw. De nieuwe bedrijfsbebouwing krijgt een bedrijfsvloeroppervlakte van 1.188 m². Het plangebied is gelegen in het buitengebied en maakt geen onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Navolgend wordt de behoefte en de locatie buiten het stedelijk gebied nader toegelicht. Behoefte De behoefte is functioneel en bedrijfsspecifiek: de nieuwe bebouwing is primair bedoeld om de bestaande bedrijfsactiviteiten beter te huisvesten en niet om uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten mogelijk te maken. De totale omvang (ca. 1.188 m² BVO) is afgestemd op de huidige bedrijfsomvang en voorziet niet in extra stedelijke functies of grootschalige uitbreiding. Met deze nieuwbouw kan de initiatiefnemer:
▪
voldoen aan de actuele ruimtebehoefte voor opslag, werkplaats en kantoorruimte;
▪
de bedrijfsvoering efficiënter en veiliger organiseren;
▪
het bedrijfspand energiezuinig maken door toepassing van duurzame installaties;
▪
het perceel herstructureren en verfraaien, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van het terrein en de directe omgeving toeneemt.
Regionale marktvraag Het initiatief heeft een lokaal karakter. Het gaat niet om een nieuw bedrijf of de vestiging van extra bedrijvigheid, maar om de modernisering van bestaande activiteiten. Er is daarom geen sprake van een grootschalige extra ruimtebeslag of toename van de regionale vraag naar bedrijfsruimte. De vervanging op deze locatie draagt juist bij aan het beter benutten van bestaande ruimte binnen de bebouwde structuur. Alternatieven Verplaatsing naar een andere locatie is niet wenselijk. De huidige locatie is eigendom van de initiatiefnemer, beschikt over de benodigde ontsluiting en infrastructuur en is passend voor de bedrijfsactiviteiten. Een alternatieve locatie binnen bestaand stedelijk gebied zou geen ruimtelijke of economische meerwaarde bieden en zou bovendien leiden tot leegstand van de huidige locatie. De keuze om het bedrijfsperceel in zuidelijke richting te verplaatsen is een bewuste keuze geweest om o.a. de bedrijfsactiviteiten fysiek te scheiden van de woning aan de Lange Dwarsweg 8. De beoogde ontwikkeling betreft daarom een logische en duurzame voortzetting van bestaand gebruik.
pagina 15 van 42
Conclusie Er is sprake van een aantoonbare kwalitatieve behoefte aan de nieuwe bebouwing, voortvloeiend uit de noodzaak om de bestaande bedrijfsvoering toekomstbestendig voort te zetten. De ontwikkeling draagt bij aan een doelmatig gebruik van de ruimte, een verbeterde ruimtelijke kwaliteit en verduurzaming van de bedrijfsactiviteiten. Daarmee wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland van 18 februari 2025 bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
▪
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
▪
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
▪
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;
▪
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
▪
de groene ruimte en de groenblauwe structuur;
▪
het bodem- en watersysteem;
▪
energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
▪
naar een klimaatbestendige delta;
▪
naar een nieuwe economie: the next level;
▪
naar een levendig meerkernige metropool;
▪
energievernieuwing;
▪
best bereikbare provincie;
▪
gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
pagina 16 van 42
3.
Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
▪
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
▪
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
▪
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid-Holland).
Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Navolgend worden de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van bedrijfsbebouwing. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Daarnaast bevindt het plangebied zich in bijzonder reliëf en aardkundige waarden. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning.
pagina 17 van 42
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is onderdeel van de Droogmakerijen (veen). Een aantal droogmakerijen is niet geheel uitgeveend. Ten opzichte van de droogmakerij met klei als ondergrond is de droogmakerij met veen in de ondergrond waterrijker, vaak kleinschaliger (vooral de kavelmaat) van opzet en is de bodem minder draagkrachtig. Dit is terug te zien in het gebruik en het beeld van de droogmakerijen. De nieuwe bebouwing blijft binnen de bestaande structuren. De natuurlijke oevers worden met rust gelaten. Hierdoor blijft de gebiedsidentiteit van het polderlandschap behouden en wordt de droogmakerij door de beoogde ontwikkeling niet aangetast. Laag van stedelijke occupatie De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap tussen of grenzend aan de steden. Het is een landschap waar het groene karakter en het contrast met de drukke en dichtbebouwde steden centraal staat. De groene buffer is bedoeld om het aaneengroeien van steden in de dichtbevolkte deel van de provincie tegen te gaan. De provincie wil geen grootschalige (stedelijke) ontwikkelingen in de groene buffer. Daarnaast dienen ontwikkelingen bij te dragen bij aan de groenblauwe structuur, de recreatieve gebruikswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling betreft een kleinschalig initiatief.
Voor de beoogde ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin de ruimtelijke kwaliteit mee wordt geborgd middels een een voorwaardelijke verplichting aan de regels van dit TAM-omgevingsplan. Laag van Cultuurhistorie De planlocatie beschikt volgens de kaart van ruimtelijke kwaliteit van de cultuurhistorie niet over een locatie van specifieke cultuurhistorische waarden. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollandse Plassen'. In ieder gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Droogmakerij als herkenbare eenheid De ambitie van de provincie voor de Hollandse Plassen is om de droogmakerij te behouden als herkenbare eenheid door hoogteverschillen tussen laaggelegen droogmakerijen en omringend land. Het initiatief behoudt hoogteverschillen en tast daarmee niet de vastgestelde provinciale ambitie aan. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities.
pagina 18 van 42
4.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening De meest recente versie van de omgevingsverordening is 1 juli 2025 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: 1.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
2.
Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
3.
Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen, omdat het planvoornemen een ruimtelijke ontwikkeling is die past binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het slopen van een oude loods en het aanleggen van een nieuwe, toekomstbestendige loods die voldoet aan de duurzaamheidseisen. Het initiatief draagt bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien blijkt uit dat aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart wordt voldaan. Beschermingscategorie 2 – Belangrijk Weidevogelgebied Het plangebied beschikt over de beschermingscategorie 2 - Belangrijk Weidevogelgebied. Een omgevingsplan in een belangrijk weidevogelgebied kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan. Het plangebied omvat een zeer klein gedeelte van de belangrijk weidevogelgebied beschikbare functionele gebruiksruimte. Daarmee heeft de ontwikkeling niet tot gevolg dat er sprake is van verlies van foerageer- en/of rustgebied.
Gezien de ligging van het plangebied tussen de N445 en A4 direct ten zuiden van het plangebied en de bestaande bebouwing ten noorden van het plangebied worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijke weidevogelgebied niet verder aangetast. In de realisatiefase kan enige verstoring plaatsvinden, maar gezien de omvang van het gebied zijn er voldoende (tijdelijke) uitwijkmogelijkheden voor de voorkomende soorten. Beschermingscategorie 3 – Buitengebied Een planlocatie dat zich bevindt in het buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast. Hierbij dient een motivering te
pagina 19 van 42
worden opgesteld die ingaat op de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin, de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen, het groene karakter, functies en kenmerkende verschijningsvormen van het landschap en de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het beoogd initiatief voorziet in het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw. Het realiseren van de bedrijfsbebouwing is een dermate kleine ontwikkeling dat de openheid en structuur van het landschap niet aangepast wordt. Voor het beoogd initiatief is een landschappelijke inpassing opgesteld welke middels een voorwaardelijke verplichting is gekoppeld aan de regels van dit TAM-omgevingsplan. In de huidige situatie zijn de uitzichten op het land reeds beperkt. De voorgenomen ontwikkeling doet daar geen extra afbreuk aan. Het groene karakter wordt met de beoogde ontwikkeling versterkt, zoals ook is te zien in de landschappelijke inpassing. Er worden natuurlijke oevers ingepast, er worden inheemse en gebiedseigen boomsoorten aan de randen van het gebied ingepast en het oostelijke deel van het plangebied wordt open gehouden en ingericht als open veenweide landschap. Verder heeft het initiatief geen invloed op de relatie tussen stad en land. Het initiatief heeft een beperkte invloed op het groene karakter van het landschap.
De bestaande bedrijfsbebouwing wordt met de beoogde ontwikkeling gesloopt. Ten slotte voorziet het initiatief niet in een ontwikkeling waarmee de ontstaansgeschiedenis van het gebied niet meer herkenbaar wordt. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief past binnen de kwaliteiten van het buitengebied en dus uitvoerbaar is. Risico's van klimaatverandering In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: a.
wateroverlast door overvloedige neerslag;
b.
overstroming;
c.
hitte;
d.
droogte;
alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. - Wateroverlast Wateroverlast kan ontstaan wanneer er sprake is van veel neerslag. Eén van de gevolgen van klimaatverandering is dat we ook een toename zullen zien in neerslagintensiteit. Derhalve wil de provincie dat bij alle nieuwe plannen rekening wordt gehouden met mogelijk wateroverlast bij hevige neerslag. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat de waterdiepte bij een hevige bui maximaal 10 tot 15 cm bedraagt. De planlocatie is gelegen in het buitengebied en beschikt aan de randen over watergangen om water naar af te voeren. De planlocatie is niet gevoelig voor grootschalige wateroverlast. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de waterhuishouding en zullen de richtlijnen vanuit het hoogheemraadschap in acht genomen worden. - Overstroming Volgens de overstromingskaart van de klimaateffectatlas is ter plaatse van het plangebied sprake van een middelgrote plaatsgebonden overstromingskans, met een overstromingsdiepte van hoger dan 5,0 m. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen specifieke maatregelingen genomen om overstroming te voorkomen, immers is de voorgenomen ontwikkeling relatief kleinschalig van aard en is overstroming veelal het gevolg van
pagina 20 van 42
externe factoren zoals een dijkdoorbraak. Derhalve worden er met de beoogde ontwikkeling geen specifieke maatregelen genomen om overstroming tegen te gaan. - Hitte Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. Hier geldt dat hitte een minder belangrijke rol speelt dan in het stedelijk gebied. Met behulp van de atlas leefomgeving kan het zogenaamde stedelijk hitte eiland effect (UHI) in beeld worden gebracht. Dit geeft het gemiddelde luchttemperatuursverschil tussen de stedelijke en omliggende landelijke gebieden weer. Ter plaatse van de planlocatie is bijna geen sprake van een UHI. In de omgeving van het plangebied is voldoende water en groen aanwezig, wat het UHI tegengaat. Aangenomen kan worden dat hitte geen rol speelt ter plaatse van de planlocatie. - Droogte In het plangebied lijkt op basis van de klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. Ter plaatse van het plangebied is het risico op droogtestress laag. Er is voldoende oppervlaktewater rondom het plangebied aanwezig. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 5 februari 2024 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens worden vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, thema of taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:
▪
samenwerken in en aan Kaag en Braassem;
▪
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem;
▪
natuur, water en lucht in Kaag en Braassem;
▪
wonen in Kaag en Braassem;
▪
gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem;
▪
sociaal Kaag en Braassem;
pagina 21 van 42
▪
mobiliteit in Kaag en Braassem;
▪
veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden.
Planspecifiek Het plangebied is onderdeel van het gebiedstype 'Buitengebied' en specifiek van het gebiedstype 'Droogmakerij'. De droogmakerijen vormen grootschalige open polders die voornamelijk worden gebruikt als agrarisch productielandschap. Het primaire grondgebruik bestaat uit landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt. De Omgevingsvisie Kaag en Braassem benoemt de volgende doelen en ontwikkelrichtingen voor dit gebiedstype:
▪
Behoud en stimulering van het primaire grondgebruik landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt;
▪
Herstel, versterking en/of vergroting van de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit;
▪
Activiteiten zoals zelfstandige horeca, grootschalige evenementen, recreatie en woningbouw kunnen slechts incidenteel voorkomen;
▪
Er is ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven, mits dit niet ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van omwonenden;
▪
Binnen de droogmakerij is ruimte voor recreatie langs linten zoals de Wijde Aa en de Drecht, mits gekoppeld aan bestaande agrarische functies;
▪
Ontwikkelingen dienen bij te dragen aan verhoging van de landschaps- en natuurwaarden, onder meer door: o
het creëren van nieuwe ecologische verbindingszones;
o
het vergroten van biodiversiteit;
o
duurzame schaalvergroting of intensivering van activiteiten die leiden tot verbetering van bodemkwaliteit en natuurwaarden.
Het initiatief aan de Lange Dwarsweg 6 past binnen deze uitgangspunten. De huidige bebouwing is verouderd en voldoet niet meer aan de duurzaamheidseisen van deze tijd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in sloop van de bestaande bebouwing en realisatie van een nieuw, duurzaam bedrijfsgebouw. Hierbij wordt het erf heringericht met meer groen en water, wat leidt tot een toename van de biodiversiteit en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het initiatief heeft geen invloed op het agrarisch productielandschap buiten het erf en tast de openheid van de droogmakerij niet aan. De ontwikkeling betreft een vervangings- en verduurzamingsproject binnen de bestaande contouren en sluit daarmee aan bij de beleidsdoelen van de gemeente.
pagina 22 van 42
Daarnaast draagt het initiatief bij aan een duurzaam ruimtegebruik door herstructurering binnen bestaand bebouwd gebied, een versterking van de biodiversiteit door vergroening en waterinfiltratie en een verbetering van de beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van het erf. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de doelen en uitgangspunten van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem voor de droogmakerijen.
pagina 23 van 42
5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Verkeer en parkeren 5.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en herbouwd. Deze ontwikkeling gaat gepaard met extra verkeersbewegingen en een grotere parkeerbehoefte. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een weinig stedelijk woonmilieu in het buitengebied. Voor een 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)' geldt per 100 m² een verkeersgeneratie van 4,8 voertuigbewegingen. Met een beoogd bvo van In totaal 1.188 m² beschikt de planlocatie daarmee in de beoogde situatie over een verkeersgeneratie van afgerond 57 voertuigbewegingen. In de huidige situatie beschikt de planlocatie over ongeveer 500 m² bvo en daarmee in een verkeersgeneratie van 24 voertuigbewegingen per etmaal. Dit betekent dat er in de beoogde situaitie sprake is van een toename van afgerond 33 voertuigbewegingen per etmaal. De verwachting is dat de Lange Dwarsweg deze toename in de verkeersgeneratie op kan vangen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
pagina 24 van 42
Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in 'Herziening Nota Parkeernormen 2018' (vastgesteld op op 3 juni 2025). Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Voor een loods en opslag kan uit worden gegaan van de categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Per 100 m² geldt een parkeernorm van 1,05 parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie beschikt het bedrijfsgebouw over een oppervlakte van ongeveer 1.188 m². Dit betekent dat er in de beoogde situatie sprake is van een parkeernorm van 12,47, afgerond 13 parkeerplaatsen. Het plangebied beschikt over voldoende ruimte om 13 parkeerplaatsen te realiseren. Aan de westzijde van het plangebied worden de dertien parkeerplaatsen aangelegd. Daarmee kan aan de parkeernorm van de gemeente Kaag en Braassem worden voldaan. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.
Planspecifiek Met het beoogd voornemen wordt het terrein opgeschoond en opnieuw ingericht. De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt duurzaam gerealiseerd, er komen zonnepanelen op het dak van de bedrijfsbebouwing, wordt gasloos en zal voldoen aan de BENG-eisen. Er is aandacht voor het realiseren van groen met het aanleggen van een struweel van inheemse plantsoorten en een open veenweidelandschap met graskruidvegetatie. Deze maatregelen dragen bij aan de duurzaamheid van het initiatief. Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
pagina 25 van 42
Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Het
▪
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
▪
gebouw voor kinderopvang met bedden;
▪
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen
van
deze
geluidsgevoelige
gebouwen
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek Een bedrijfsgebouw is geen geluidgevoelige gebouw zoals gedefinieerd in artikel 3.21 van het Bkl. Het laten uitvoeren van een akoestisch onderzoek wordt voor de beoogde ontwikkeling niet nodig geacht. Derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
5.4 Activiteiten en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die milieubelastende en milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed wordt in belangrijke mate bepaald door de afstand tussen de bedrijvigheid en milieugevoelige functies. Milieugevoelige functies zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (zoals woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen een rol spelen bij de zonering ten opzichte van andere, minder gevoelige functies zoals bedrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan sprake zijn van zowel reeds aanwezige bedrijvigheid als van nieuwe bedrijven. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een passende plek krijgen ten opzichte van milieugevoelige functies en dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van een goed woon- en leefklimaat, én het bieden van voldoende zekerheid voor de continuïteit van de aanwezige en nieuwe bedrijven. Milieuzonering richt zich op milieuaspecten met een duidelijke ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof.
De mate waarin deze aspecten een rol spelen en de omvang van de daarmee samenhangende hindercontour verschilt per type bedrijvigheid. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft hiervoor sinds 1986 de publicatie Bedrijven en milieuzonering uit (laatste versie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen met indicatieve richtafstanden tussen milieugevoelige functies en bedrijven. Indien van deze richtafstanden wordt afgeweken, wordt dit gemotiveerd op basis van een nadere, locatie-specifieke beoordeling. In 2024 heeft de VNG daarnaast de handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze nieuwe handreiking sluit aan bij de Omgevingswet en vervangt de uitgave uit 2009, maar bouwt voort op dezelfde basisprincipes van functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering op