CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.TAMGRIETPOLDER-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Grietpolder, Leimuiden’.20.534 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

pagina 26 van 57

Hoogbouw wordt in Kaag en Braassem gedefinieerd als bebouwing van ongeveer 12 à 13 meter. Hoogbouw komt vooral voor in Roelofarendsveen en Oude Wetering en wordt vooral passend geacht in de grotere kernen (centrum-dorpse gebieden) zoals Leimuiden, Woubrugge, Oude Wetering en Roelofarendsveen. In kleinere dorpen is hoogbouw minder geschikt, maar niet volledig uitgesloten. De gemeente ziet hoogbouw als een manier om binnen beperkte ruimte meer woningen te realiseren, mits goed ingepast in de omgeving. Belangrijke voorwaarden zijn een goede ruimtelijke onderbouwing van woningtype, architectuur, openbare ruimte, verkeer en parkeren,

straatprofiel,

zichtlijnen,

schaduwwerking,

windstructuren

en

rekening

houden

met

de

hoogtebeperkingen rond Schiphol. Inbreiden en uitbreiden gaat over waar nieuwe woningbouw plaatsvindt. De provincie Zuid-Holland benadrukt het beter benutten van bestaand stedelijk gebied door verdichting, herstructurering en transformatie. De gemeente sluit hierbij aan met het principe: 'inbreiden waar het kan, uitbreiden waar het moet'. Binnen bestaand stedelijk gebied gaat de voorkeur uit naar verdichting, maar als dat niet voldoende ruimte biedt, worden uitbreidingen aan de dorpsranden overwogen, mits zorgvuldig landschappelijk ingepast. Voor zowel hoogbouw als uitbreidingsprojecten geldt dat de ruimtelijke inpassing maatwerk is. Projecten moeten voorzien in de actuele woningbehoefte en zorgvuldig omgaan met de omgeving, infrastructuur, groen en landschap.

Planspecifiek Bij het opstellen van de Omgevingsvisie zijn de elf kernen binnen de gemeente onderverdeeld in de categorieën centrum-dorps en landelijk-dorps. Tot de centrum-dorpse kernen behoren Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen beschikken over een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die zijn aangemerkt als landelijk-dorps. Het plangebied is gelegen in Leimuiden en valt binnen het gebiedstype centrum-dorps. Onderstaand worden de relevante aspecten toegelicht waaraan hoogbouwinitiatieven dienen te voldoen. Woningtype In deelgebied I betreft de bebouwing van meer dan 12 meter koopwoningen. In deelgebied III wordt een deel van de bebouwing 13 meter hoog. Het voorziene appartementencomplex omvat 80 woningen, waarvan minimaal 66 sociale huurwoningen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de aanzienlijke behoefte aan sociale woningbouw binnen de gemeente. Openbare ruimte Rondom de bebouwing wordt voldoende ruimte gecreëerd om een aangename en duurzame leefomgeving te waarborgen. Achter de dijkwoningen en het appartementencomplex is voldoende buitenruimte voorzien om de leefkwaliteit te borgen. Daarnaast wordt in beide deelgebieden voldaan aan de eisen uit de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR), zoals toegelicht in paragraaf 3.2.1.

Verkeer en parkeren Het initiatief voldoet aan de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Tevens wordt voorkomen dat de directe omgeving van het gebouw overmatig wordt ingericht als parkeervoorziening. Ook wordt gestuurd op het beperken van verkeersdruk. In hoofdstuk 5.2 zijn zowel een verkeersonderzoek als een parkeerberekening opgenomen.

pagina 27 van 57

Hieruit blijkt dat de bestaande infrastructuur de te verwachten verkeersgeneratie kan verwerken en dat binnen alle deelgebieden voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd zonder toepassing van een grootschalige parkeeroplossing. Straatprofiel Het straatprofiel heeft betrekking op de verhouding tussen de bouwhoogte en de breedte van de straat. De weg langs de dijkwoningen in deelgebied I krijgt een breedte van 5,8 meter, hetgeen tevens voldoende is voor de doorgang van afvalinzamelingsvoertuigen. De Polderlaan blijft in de beoogde situatie ongewijzigd. Paragraaf 5.2.1 bevestigt dat de infrastructuur in de toekomstige situatie voldoet. Type bebouwing en relatie tot de omgeving Het effect van hoogbouw verschilt per locatie, afhankelijk van de context. De dijkwoningen worden aan de zuidzijde

van

het

deelgebied

gerealiseerd,

waar

zich

geen

bestaande

bebouwing

bevindt.

Het

appartementencomplex wordt trapsgewijs vormgegeven, waardoor het visueel niet als één massief bouwvolume wordt ervaren. De ontwikkeling doet daarmee geen afbreuk aan het karakter van de omgeving. Architectuur Het ontwerp kent een alzijdige benadering, waarbij alle gevels op gelijkwaardig niveau architectonisch zijn uitgewerkt en ongewenste achterkantsituaties worden voorkomen. Voor het project is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin de architectonische uitgangspunten zijn vastgelegd. Zichtlijnen Bij de planvorming is rekening gehouden met bestaande zichtlijnen, in het bijzonder richting de Drecht. De voorgenomen bebouwing onderbreekt geen waardevolle zichtlijnen. Schaduwwerking en windhinder Door de stedenbouwkundige opzet waarbij de dijkwoningen in deelgebied I in paren worden gerealiseerd en het appartementencomplex trapsgewijs wordt vormgegeven ontstaat geen samenhangend bouwvolume dat aanzienlijke wind- of schaduwhinder veroorzaakt. De afstand tussen de dijkwoningen is dusdanig dat schaduweffecten beperkt zijn. Voor deelgebied III is een bezonningsstudie uitgevoerd, waaruit blijkt dat geen belemmeringen ontstaan voor omliggende woningen. Luchthavenindelingbesluit (LIB) Het plangebied ligt buiten de zones waar beperkingen gelden op grond van het LIB. De ontwikkeling overschrijdt derhalve geen toegestane bouwhoogten in relatie tot de nabijheid van Schiphol.

Peil- en hoogteverschillen In het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezige maaiveld- en hoogteverschillen binnen het plangebied. Gevelopeningen (ramen) Bij het ontwerp is geborgd dat alle woningen beschikken over voldoende lichttoetreding. Daarnaast zijn akoestische berekeningen uitgevoerd om te bepalen of dove gevels noodzakelijk zijn. Voor alle woningen geldt dat een adequate hoeveelheid gevelopeningen wordt gerealiseerd en dat geen belemmeringen ontstaan.

pagina 28 van 57

5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Welstand Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.

Planspecifiek De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de rijksmonumenten, karakteristieke panden (voorheen: gemeentelijke monumenten) en karateristieke gebieden (voorheen: beschermde dorpsgezichten). Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Uit raadpleging van de welstandskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in welstandsluw gebied. Een welstandstoets voor de beoogde ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Tevens bevindt er zich geen monumentale bebouwing binnen het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2), waarin impressies worden gegeven van hoe het beoogde plan eruit zal zien. Gesteld kan worden dat de Welstandsnota geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

5.2 Verkeer en parkeren 5.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt

pagina 29 van 57

onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Het toevoegen van 220 woningen levert een grote verkeersgeneratie op. Derhalve is een onderzoek uitgevoerd naar de verkeersveiligheid van de ontsluitingswegen van de ontwikkeling: de Kerklaan, het Kloofpad en de Tuinderij (Goudappel, d.d. 18 maart 2025, zie bijlage 3). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. In dit onderzoek is gerekend met de realisatie van 220 woningen. De gemeente Kaag en Braassem valt volgens het gemeentelijk beleid qua stedelijkheid in de categorie ‘weinig stedelijk’. De projectlocatie ligt binnen ‘rest bebouwde kom’. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling bedraagt 1.516 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Daarvan rijden 965 motorvoertuigen via de Kerklaan en 551 motorvoertuigen via de Grietpolderweg. De wegvakken Kerklaan, Kloofpad en Tuinderij hebben in de huidige vormgeving voldoende capaciteit om het verkeer in de plansituatie op een verkeersveilige wijze af te wikkelen. Het kruispunt N207 – Dokter Stapenséastraat – Burgemeester Bakhuizenlaan heeft in de huidige vormgeving voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen in 2040. In de referentiesituatie is er sprake van een acceptabele cyclustijd. In de planvariant 2040 (met Grietpolder en Drechthoek II) is de cyclustijd te hoog. Dit kruispunt heeft de continue aandacht van de wegbeheerder (de provincie Zuid-Holland).

Gemeente en provincie zullen in overleg treden om de cyclustijd te verlagen in de planvariant 2040. De raad is zich bewust van de overschrijding, maar is van mening dat wel sprake is en blijft van een veilige situatie en vindt de overschrijding acceptabel.

5.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018, gepubliceerd op 15 maart 2018. Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien.

pagina 30 van 57

Deelgebied I Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'. Navolgende tabel geeft een overzicht van het aantal benodigde parkeerplaatsen in deelgebied I gelet op de beoogde ontwikkeling.

Type functie

Aantal

Parkeerkencijfer

Parkeerbehoefte

Dijkwoning 2^1 kap

26

1,9

49,4

Grondgebonden gezinswoning

37

1,6

59,2

Beneden-/bovenwoning

40

1,5

60

Appartement

37

1,5

55,5

Totaal

140

224,1

Uit de gegevens van de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling minimaal 225 parkeerplaatsen nodig zijn in het plangebied. Alle dijkwoningen hebben twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Omdat parkeerplaatsen op eigen terrein niet voor iedereen toegankelijk zijn wordt hier volgens het CROW een berekeningsaantal van 1,7 voor gebruikt, dit zijn de telbare parkeerplaatsen. Daarnaast worden 188 openbare parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. Onderstaande tabel geeft de telbare parkeerplaatsen weer.

Parkeren in plan

Aantal

Telbaar

Eigen terrein

52

44,2

Openbaar

188

188

Totaal

240

232,2

Met het beoogde plan worden in totaal 240 parkeerplaatsen aangelegd en daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Deelgebied II De ijsclub onderscheidt drie activiteiten: skeeleren/droogtrainen, kaartavonden en schaatsen. Buiten de ijsperiodes zijn er maximaal 29 parkeerplaatsen nodig (19 voor skeeleren en 10 voor kaartavonden). Tijdens ijsperiodes kan de parkeerbehoefte oplopen tot 54 plaatsen. Extra parkeerplaatsen kunnen opgevangen worden door incidenteel te parkeren in de berm van de Kerklaan. Voor reguliere activiteiten van de scouting zijn 12 parkeerplaatsen nodig (7 voor leiding en 5 voor ouders). Bij grotere bijeenkomsten kan er geparkeerd worden in de berm van de Kerklaan. Voor 65 volkstuinen zijn conform de parkeernormen 9 parkeerplaatsen vereist. In totaal is er een vaste parkeerbehoefte van 50 plaatsen (29 voor de ijsclub, 12 voor de scouting en 9 voor de volkstuinen). Er worden 52 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Extra parkeerplaatsen kunnen opgevangen worden door incidenteel te parkeren in de berm van de Kerklaan. Deelgebied III Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'. Navolgende tabel geeft een overzicht van het aantal benodigde parkeerplaatsen in deelgebied III gelet op de beoogde ontwikkeling.

pagina 31 van 57

Type functie

Aantal

Parkeerkencijfer (per 100 m²)

Parkeerbehoefte

Appartement (sociale huur)

66

1,2

79,2

Etage middelduur

14

1,5

21

Zorgplint

3

1,2

3,6

Totaal

103,8

Uit de gegevens van de tabel volgt dat er voor de beoogde ontwikkeling minimaal 104 parkeerplaatsen nodig zijn in het plangebied. Onderstaande tabel geeft de telbare parkeerplaatsen weer.

Parkeren in plan

Aantal

Koffer 1

28

Koffer 2

19

Onder gebouw

50

Langsparkeren

8

Totaal

105

Met het beoogde plan worden in totaal 105 parkeerplaatsen aangelegd en daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.3 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Door te kiezen voor gasloze woningen wordt de CO2-uitstoot aanzienlijk verminderd, wat een positieve impact heeft op het klimaat.

pagina 32 van 57

De aanwezigheid van een brede parkstrook binnen het plangebied, biedt niet alleen een aangename omgeving, maar draagt ook bij aan de bevordering van biodiversiteit en klimaatadaptatie. Door groene zones te integreren in de openbare ruimte wordt niet alleen de leefbaarheid vergroot, maar wordt ook de hitte-eilandeffect verminderd, wat essentieel is voor het creëren van gezonde en comfortabele woonomgevingen. De integratie van volkstuinen, die op een groene en duurzame manier worden ingericht, biedt niet alleen de mogelijkheid voor bewoners om zelf voedsel te verbouwen, maar bevordert ook een gezonde levensstijl en een sterker gemeenschapsgevoel. Het struinpad langs het water, dat langs de molen loopt, nodigt uit tot fysieke activiteit en ontspanning in de natuurlijke omgeving. Daarnaast worden mensen bij de verenigingen aangemoedigd om te bewegen op verschillende manieren. Dit draagt bij aan het welzijn van de bewoners en stimuleert een actieve levensstijl, wat essentieel is voor een goede gezondheid. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect duurzaamheid en gezondheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Het

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de lokale wegen in de directe omgeving. Derhalve is akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (van der Boom, d.d. 13 maart 2025, zie bijlage 4). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

pagina 33 van 57

Resultaten De hoogste waarde van het geluid door wegverkeer op lokale wegen bedraagt 53 dB op de bouwblokken in deelgebied 1. De standaardwaarde van 53 dB wordt niet overschreden. De hoogste waarde van het geluid door wegverkeer op lokale wegen bedraagt 40 dB op de woningen in deelgebied 3. De standaardwaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Het gecumuleerde geluid van wegverkeer en luchtvaart ligt in vijf rekenpunten 1 – 2 dB boven bijdrage van het luchtvaartlawaai. Het gezamenlijk geluid ligt in één rekenpunt boven de waarde van 53 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning moet ten minste gelijk zijn aan het gezamenlijk geluid op de gevel verminderd met 33 dB. Indirecte hinder De toename van de waarde van het geluid ligt nabij het westelijk deel van de Kerkstraat boven de 1,5 dB. In art 5,78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgenomen dat een toename van meer dan 1,5 dB alleen mogelijk is als:

▪

Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te beperken

▪

De toename door het treffen van maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt

▪

Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde

Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van stil asfalt is financieel niet doelmatig. De verkeerssnelheid op de weg is al teruggebracht naar 30 km/u. Het afschermen van de bestaande woningen langs de Kerkstraat stuit binnen de bebouwde kom op stedenbouwkundige bezwaren. Gezien de verkeersintensiteit op de Kerkstraat en de beperkte verkeerssnelheid van 30 km/u wordt naar verwachting de grenswaarde van 70 dB op woningen langs de Kerkstraat niet overschreden. Daarmee is, conform het Bkl art 578af de toename van de waarde van het geluid met 1,9 dB mogelijk. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Omdat de standaardwaarde van 53 dB op geluidgevoelige gebouwen niet wordt overschreden zal voor het aspect geluid door wegverkeer sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gecumuleerde geluid van wegverkeer en luchtvaart ligt in vijf rekenpunten 1-2 dB boven de bijdrage van het luchtvaartlawaai. Gezien de ligging buiten de LIB 4 en LIB 5 contouren van Schiphol zal ook voor het aspect geluid door luchtvaartlawaai en de cumulatie sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Eis geluidwering Voor de gevels met een waarde van het gezamenlijk geluid van 55 dB, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 22 dB. Voor deze gevels dient te worden bepaald of aanvullende voorzieningen nodig zijn.

Voor gevels met een waarde van het gezamenlijk geluid van ten hoogste 53 dB bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bbl. Voor de gevels van de ontwikkeling zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

pagina 34 van 57

In het plan zijn speelvoorzieningen opgenomen die zorgvuldig zijn gepositioneerd met oog voor de omliggende woningen. Er is een gepaste afstand aangehouden om mogelijke hinder te minimaliseren. Daarnaast betreft het een beperkt aantal speeltoestellen, waar naar verwachting niet meer dan tien kinderen tegelijkertijd gebruik van zullen maken. Hierdoor wordt geen overmatige geluidsbelasting verwacht voor de nabijgelegen woningen. Wijziging na uitvoering onderzoek De opbouw van de bebouwing in deelgebied III is gedeeltelijk gewijzigd na het uitvoeren van dit akoestisch onderzoek. Adviesburo van der Boom heeft de nieuwe opzet beoordeeld en geconstateerd dat bij een andere opbouw de waarde van het geluid niet zal stijgen en ruim beneden de standaardwaarde blijven. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Activiteiten en milieuzonering De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit beschikbaar is.

De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden. Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.

pagina 35 van 57

Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn.

In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:

▪

Luchtverontreiniging.

▪

Externe veiligheid en gevaar.

▪

Trillinghinder.

▪

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.

▪

Lichthinder.

▪

Spuitzones.

▪

De hinder door verkeer aantrekkende werking.

pagina 36 van 57

Planspecifiek Het voorgenomen initiatief betreft de oprichting van 220 woningen en verplaatsing van drie lokale verenigingen naar één gezamenlijke locatie. Wonen is een gevoelige functie, waardoor beoordeeld dient te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het plangebied is gelegen aan de dorpsrand van Leimuiden. In de omgeving van het plangebied zijn woningen, sportvoorzieningen en enkele bedrijven aanwezig. Derhalve is het plangebied en omgeving aan te merken als ‘gemengd gebied’. Ten oosten van de beoogde woningbouw en aan de noordzijde van deelgebied II, ligt een AWZI. Het plangebied ligt op ca. 260 m afstand van de bestemmingsgrens van de AWZI. Daarnaast zijn er reeds woningen aanwezig die op dezelfde afstand van de installatie staan. Er kan gesteld worden dat de beoogde woningen geen hinder zullen ondervinden van de AWZI. Alle verenigingen worden op één locatie gerealiseerd. Derhalve is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de omliggende woningen (Van der Boom, d.d. 13 maart 2025, zie bijlage 5). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT t.g.v.

alle activiteiten bij de scouting, ijsclub en volkstuinen gezamenlijk bedraagt in de immissiepunten bij de bestaande en nieuwe woningen hooguit 45 dB(A) overdag en 45 dB(A) in de avond. Daarmee worden de richtwaarden in de avond met maximaal 5 dB(A) overschreden. Dat is het gevolg van de muziek tijdens het schaatsen in de avond. In de incidentele bedrijfssituatie bij de scouting (kinderkamp) ligt LAr,lt op hooguit 44 dB(A) overdag en 45 dB(A) in de avond (muziek maatgevend). Ten gevolge van de activiteiten van de activiteiten op de voetbalvelden (worstcase) liggen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr;LT op hooguit 43 dB(A) overdag (wedstrijden maatgevend) en 46 dB(A) in de avond (trainingen maatgevend) daarmee worden de richtwaarden in de avond t.g.v. de trainingen overschreden. Maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus LAmax LT t.g.v. alle activiteiten bij de scouting, ijsclub en volkstuinen gezamenlijk bedragen in de immissiepunten bij de bestaande en nieuwe woningen hooguit 49 dB(A) overdag en 49 dB(A) in de avond. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De maximale geluidniveaus LAmax LT t.g.v. de voetbalvelden liggen overdag bij de nabijgelegen woningen op hooguit 71 dB(A). Daarmee worden de richtwaarden in zowel de dag als avond overschreden.

Ruimtelijke toets De richtwaarden voor de langtijdgemiddeld en maximale geluidniveaus worden bij de bestaande en nieuwe woningen niet overschreden t.g.v. de scouting, ijsclub en volkstuinen; muziek (bij de ijsbaan) in de avond is daarbij maatgevend. Buiten het schaatsseizoen (dus zonder muziek) kan aan de eisen worden voldaan. Er zal dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

pagina 37 van 57

Bij de nieuwe woningen nabij de voetbalvelden worden de richtwaarden wel overschreden t.g.v. (stem- en sportgeluid) tijdens de trainingen en de wedstrijden. Maatregelen en binnenniveaus woningen Bronmaatregelen zijn beperkt mogelijk. Ook de posities van bronnen kunnen niet worden aangepast zonder de 'bedrijfsvoering' in gevaar te brengen. Overwogen kan worden om de muziekgeluidniveaus tijdens het schaatsen te reduceren met minimaal 5 dB(A); de bronvermogens van de 6 luidsprekers mogen dan hooguit 85 dB(A) bedragen (60 dB(A) op 5 m); dan kan (ook) in de avond aan de eisen worden voldaan. Dit kan ook worden overwogen bij muziek tijdens de vakantieweek (scoutingterrein) in de avond. Ook dan kan aan de richtwaarden worden voldaan. Bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevels van de nieuwe woningen kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. De (maatgevende) maximale geluidniveaus mogen binnen in de dag en avond niet hoger zijn dan 55 respectievelijk 50 dB(A); dat vergt dus een geluidwering van de gevel van minimaal 71 – 50 = 21 dB(A), hetgeen met gebruikelijke constructies haalbaar is (geluidgedempte ventilatie, goede beglazing en kierdichting). Wijziging na uitvoering onderzoek De opbouw van de bebouwing in deelgebied III is gedeeltelijk gewijzigd na het uitvoeren van dit akoestisch onderzoek.

Adviesburo van der Boom heeft de nieuwe opzet beoordeeld en geconstateerd dat bij een andere opbouw de waarde van het geluid niet zal stijgen en ruim beneden de standaardwaarde blijven. Aangezien de positie van de gevel en dus van de punten niet is gewijzigd zijn de uitkomsten ook ongewijzigd. De uitskomsten en conclusies uit dit onderzoek zijn ongewijzigd. Uitgaande van een goede geluidwering van de woningen nabij de voetbalvelden zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Lichthinder Om het effect van de lichtmasten van de voetbalvereniging op het beoogde appartementencomplex in beeld te brengen is een lichthinderonderzoek uitgevoerd (Lumosa, d.d. 13 juni 2024, zie bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat lichtinstallatie na plaatsing van de nieuwe woningen niet meer aan de aanbevelingen van de NSVV/NOC*NSF voldoen. Om aan deze aanbevelingen te voldoen is een nieuw lichtontwerp opgesteld met een aantal aanpassingen aan de huidige armaturen. Lumosa adviseert een aantal van de inkijkbegrenzers te vervangen voor een langere variant en het opnieuw uit laten richten van één armatuur. Voordat de woningen in gebruik worden genomen dienen deze werkzaamheden uitgevoerd te zijn. Wijziging na uitvoering onderzoek De opbouw van de bebouwing in deelgebied III is na het uitvoeren van het lichthinderonderzoek gedeeltelijk gewijzigd. In het oorspronkelijke onderzoek is uitgegaan van een bebouwing met zes bouwlagen, waarop een specifiek advies is gebaseerd. In de aangepaste situatie is het aantal bouwlagen verlaagd naar vier. De positionering van de bebouwing is ongewijzigd gebleven.

pagina 38 van 57

Uit het eerdere advies blijkt dat met het toepassen van langere inkijkbegrenzers bij verschillende armaturen kan worden voldaan aan de geldende normen ten aanzien van lichthinder. Gezien het feit dat de bouwhoogte is verlaagd ten opzichte van het uitgangspunt in het oorspronkelijke onderzoek, kan worden geconcludeerd dat, met inachtneming van de eerder geadviseerde maatregelen, nog steeds aan de gestelde normen kan worden voldaan. Een nieuw onderzoek wordt op basis hiervan niet noodzakelijk geacht. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6 Geur Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek In de omgeving van het plangebied bevindt zich een AWZI. De kortste afstand van de AWZI tot de beoogde woningen bedraagt ca. 260 m. Op de AWZI, met een biologische capaciteit van minder dan 100.000 inwonerequivalenten, is een richtafstand van 200 m van toepassing voor het aspect geur. Omdat de kortste afstand tot de beoogde woningen circa 260 m bedraagt, vormen de beoogde woningen geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de AWZI. Gelet op de ruime afstand in relatie tot de richtafstand wordt gesteld dat er geen kans is van het ontstaan van nieuwe hinder. Ook voor bestaande woningen geldt dat aan de richtafstand van 200 m wordt voldaan. Daarnaast is in deelgebied I een rioolgemaal aanwezig, waarvoor een hindercirkel is opgenomen. Binnen deze hindercirkel worden geen woningen gerealiseerd. Voor een schaatsbaan, scouting en volkstuinen zijn geen richtafstanden voor geur opgenomen. Er kan gesteld worden dat er geen hinder plaatsvindt. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

pagina 39 van 57

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2023 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 15,4 μg/m³, 8,7 μg/m³ en 16,9 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

5.8 Bezonning In het kader van de Omgevingswet dient bij wijziging van een planologische situatie, bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, in het besluit gemotiveerd te worden of de wijziging ruimtelijk acceptabel is. De wet gebruikt hiervoor de term goede ruimtelijke ordening, waarbij voor plannen binnen een stedelijke omgeving een beperkte verslechtering acceptabel wordt geacht. Afhankelijk van de opgave kan het wenselijk zijn om een bezonningsstudie uit te voeren, waarmee inzicht wordt verkregen of er sprake is van schaduwhinder en zo ja, in welke mate. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat geen directe wettelijke basis. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’, een richtlijn of er sprake is van voldoende en goede bezonning. De TNO-norm bevat een aantal uitgangspunten voor de mate van bezonning en tijdstippen die algemeen gehanteerd worden. Er is een lichte en een strenge TNO-norm geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Om die reden blijven noordgevels buiten beschouwing, omdat deze gevels nooit direct zonlicht ontvangen. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer.

Zo houdt de lichte TNO-norm in dat er sprake is van voldoende bezonning bij ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag, in de periode van 19 februari tot 21 oktober en

pagina 40 van 57

gemeten in de woonkamer op de begane grond, aan de binnenkant van het raam in het midden van de vensterbank. De normen zijn ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes, maar hiervoor geeft de TNO-norm geen ijkpunten.

Planspecifiek Vanwege de ligging nabij bestaande woningen is voor het appartementencomplex in deelgebied III een bezonningsstudie uitgevoerd (Enzo architecten, d.d. 17-02-2025, zie bijlage 7). De bezonningsstudie beoordeelt de impact van het bouwplan op de omliggende woningen aan de hand van de lichte TNO-norm, die landelijk wordt gehanteerd. Voor de analyse is een 3D-model opgesteld, waarbij de schaduwwerking van de nieuwbouw is vergeleken met de huidige situatie. Momenteel bevindt zich geen bebouwing op de locatie, waardoor er geen schaduw valt op de omliggende panden. Na realisatie van het bouwplan wordt voor het overgrote deel van de omliggende woningen voldaan aan de lichte TNO-norm. Daarnaast is een bezonningsstudie voor deelgebied I uitgevoerd (Enzo architecten, d.d. 10-02-2026, zie bijlage 7a). Omdat de afstand van de nieuwbouw naar de bestaande bouw aan de overkant van de Kerklaan zo groot is, is er eigenlijk alleen in december op een aantal plaatsen een waarneembare afname van het aantal zonuren in de tuin. Op een aantal plaatsen is er ook verbetering waarneembaar, doordat grote bestaande bomen niet in de nieuwe situatie terug komen. Er treedt voor een aantal woningen een zeer beperkte verslechtering van het aantal zonuren op. Hiermee voldoen de woning ook in de nieuwe situatie aan de lichte TNO norm.

In het BBL worden geen eisen gesteld aan bezonning, alleen aan daglichttoetreding en die verandert niet. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect bezonning geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief.

5.9 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn onder de

Wro

veelal

doorvertaald

in

archeologische

en

cultuurhistorische

dubbelbestemmingen.

Deze

dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

pagina 41 van 57

Planspecifiek Archeologie Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem is het plangebied aangeduid als ‘lage verwachting’. Voor deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. Cultuurhistorie De planlocatie maakt geen deel uit van een karakteristiek gebied en de bestaande bebouwing betreft geen karakteristiek pand of rijksmonument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. Het aspect archeologie cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten

op

grond

van

een

omgevingsplan

of

een

omgevingsvergunning

voor

een

omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. De beoogde ontwikkeling bestaat uit drie plangebieden, waarvoor elk een afzonderlijk bodemonderzoek is uitgevoerd. Deelgebied II omvat twee bodemonderzoeken, omdat de ijsbaan in eerste instantie onder water stond. De onderzoeken zijn uitgevoerd door Inventerra en zijn te vinden in bijlagen 8, 9, 11, 12. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

pagina 42 van 57

Deelgebied I De locatie heeft een oppervlakte van ca. 2,79 ha en is in gebruik als ijsbaan, volkstuin en scoutingterrein. Tijdens het vooronderzoek bleek dat de ijsbaan onder water stond. Derhalve is dit deel van het terrein tijdens dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Volkstuin en scouting De hypothese van een verdachte locatie is bevestigd vanwege aangetoonde verontreinigingen. Behalve de verontreiniging met asbest ter plaatse van het dammetje, zijn de verhoogde gehalten echter zo licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk lijken. Het dammetje heeft een hoger asbestgehalte dan de interventiewaarde bodemkwaliteit, maar de rest van het terrein is vanuit milieu hygiënisch oogpunt geschikt voor huidig en toekomstig gebruik. De verontreiniging met asbest ter plaatse van het dammetje lijkt op basis van de oorzaak (opvulling/ophoging) en de waarnemingen bij de nabije boringen (401 en 402) ter plaatse van de tanklocatie beperkt van omvang. Aanvullend onderzoek zal naar waarschijnlijkheid weinig aanvullende informatie opleveren. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de dam ter plaatse van de volkstuin gesaneerd te worden vanwege een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest.

Ook wordt opgemerkt dat de waterbodem van de zuidelijke sloot verontreinigd bleek en wordt geadviseerd om voor eventuele demping of baggerwerkzaamheden een verkennend waterbodemonderzoek uit te voeren vanwege het vermoeden van asbestverdachte beschoeiing. IJsbaan Op het moment dat de ijsbaan niet meer onder water stond is tevens een bodemonderzoek voor deze locatie uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond. De aangetoonde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat de in het Omgevingsplan vastgelegde toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Waterbodemonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van het bodemonderzoek ter plaatse van de volkstuin en scouting is een waterbodemonderzoek uitgevoerd (MH Poly Consultants & Engineers B.V., d.d. 2 mei 2024, zie bijlage 10). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Het waterbodemonderzoek heeft uitgewezen dat de te baggeren waterbodem voornamelijk bestaat uit zwak zandig slib op een ondergrond van matig stevige klei. Er zijn geen bodemvreemde bijmengingen of visuele aanwijzingen voor asbestverdachte materialen of invasieve exoten gevonden.

De analyses van het waterbodemmateriaal tonen aan dat het materiaal uit sloten 1 en 6 zonder restricties kan worden toegepast en verspreid. Het materiaal uit sloten 2 en 5 kan zonder restricties worden verspreid op landbodem en in zoet oppervlaktewaterlichamen, mits de ontvangende waterbodem dezelfde of slechtere kwaliteitsklasse heeft. Het materiaal uit sloot 4 moet echter worden afgevoerd naar een erkend verwerker vanwege verhoogde PFOSwaarden, terwijl het materiaal uit sloot 3 verhoogde asbestwaarden bevat en niet verspreid mag worden, maar alleen toegepast kan worden indien de ontvangende waterbodem een gelijke of slechtere kwaliteit heeft.

pagina 43 van 57

Voorafgaand aan het baggeren moet een melding in het kader van de Omgevingswet worden verricht en de definitieve veiligheidsklasse moet beoordeeld worden door een Hogere Veiligheidskundige. Voor de mogelijke woningbouw wordt aanbevolen om de waterbodem uit sloten 1, 2, 5 en 6 op land te verspreiden op een aangrenzend perceel, terwijl het materiaal uit sloten 3 en 4 moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Het onderzoek voldoet aan de geldende richtlijnen en normen en kan worden gebruikt voor het opstellen van een Milieuverklaring Bodemkwaliteit voor hergebruik. Deelgebied II De hypothese ‘verdachte locatie’ voor asbest ter plaatse van de dammetjes dient verworpen te worden, aangezien geen verontreinigingen met asbest zijn vastgesteld. De hypothese ‘verdachte locatie’ voor zware metalen en PAK ter plaatse van de dammetjes is formeel bevestigd, vanwege de aangetoonde lichte verontreinigingen. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ voor het overige terrein (strikt genomen) verworpen te worden vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht.

Vanuit milieu hygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor het huidige en toekomstige gebruik. Deelgebied III Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. De aangetoonde gehalten in de grond zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieu hygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming. Aanbevelingen Voorafgaand aan de werkzaamheden dient het slib uit de watergangen 3 en 4 afgevoerd te worden naar een erkende verwerker en dient de dam (inspectiegat G328) ter plaatse van de volkstuin gesaneerd te worden vanwege een overschrijding voor asbest. Conclusie Naar aanleiding van de uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties.

pagina 44 van 57

Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal

pagina 45 van 57

of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek Aan de westzijde van deelgebied I is een propaantank aanwezig met een inhoud van 5 m³, welke niet meer dan 5 keer per jaar bevoorraad wordt. Volgens artikel 4.899 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt dat de afstand tot (beperkt) kwetsbare gebouwen minimaal 10 m moet zijn. De beoogde woningen worden op meer dan 10 m afstand van deze propaantank gerealiseerd en voldoen derhalve aan de veiligheidsafstand. Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. De planlocatie is op een afstand van ongeveer 1,2 km gelegen van de rijksweg A4. De A4 heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer als gevolg van het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3. Dit houdt voor onderhavig plan in dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij een calamiteit met toxische stoffen op de A4 een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken. Gelet op het maatgevende scenario en de afstand tot de risicobron kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De N207 is een weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd. Deze weg is niet meer opgenomen in de telgegevens van Rijkswaterstaat en behoort niet tot het Basisnet. Daarmee wordt ervan uitgegaan dat de vervoershoeveelheden aan gevaarlijke stoffen beperkt zijn.

De afstand tot de weg vanaf het plangebied bedraagt ca. 1 km. Het plangebied is, in verband met het transport van LT2 (toxische vloeistoffen), buiten het invloedsgebied van het groepsrisico gelegen. De N207 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.2). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Er wordt geadviseerd om ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar te laten zijn. Daarmee kunnen personen voldoende beschermd worden in geval van een giftige gaswolk. Gezien het voorgaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=7284b40c-3d26-4196-bfcd-1551ca354991