CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPWVDVELDENWEG24-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Willem van der Veldenweg 24-24a, Leimuiden’.14.764 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier appartementen in een bestaand gebouw en zes woningen aan de Willem van der Veldenweg en Vriezenweg. Hiermee is sprake van het toevoegen van

26

een gevoelige bestemming. Er dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot bedrijven en milieuzonering. Daarnaast dient inzichtelijk gemaakt te worden of bedrijven in de omgeving in de mogelijkheden beperkt worden. Het plangebied ligt in een gebied met woon-, maatschappelijke-, agrarische- en enkele bedrijfsbestemmingen. Hierdoor is het aan te merken als gemengd gebied en is er sprake van gereduceerde richtafstanden. Agrarische gronden In de bestaande situatie zijn in de directe omgeving van het plangebied gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Indien op het agrarisch land kan worden gespoten met gewasbeschermingsmiddelen, dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de gevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De naast het plangebied gelegen agrarische gronden zijn volgens het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Holland bestemd als 'leefgebied dooradering'. Deze gronden zijn al langer dan vijf jaar in gebruik als grasland. Volgens het Rijk wordt een perceel waarop minstens vijf jaar achter elkaar gras wordt geteelt in het zesde jaar blijvend grasland. Daarmee mag de teeltvorm niet worden gewijzigd naar een teeltvorm waarbij wel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Derhalve kan gesteld worden dat dit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.

Bedrijven in omgeving Aan de Willem van der Veldenweg 69 en aan de Willem van der Veldenweg 75 bevinden zich twee bedrijfsbestemmingen. Hier zijn bedrijven tot maximaal milieucategorie 2 toegestaan, waarvoor een richtafstand van 10 m geldt in gemengd gebied. De afstand tussen het plangebied en deze bedrijfsbestemmingen zijn circa 40 m en 100 m, waarmee ruimschoots voldaan wordt aan de richtafstand van 10 m in gemengd gebied. Er bevindt zich direct aan de noordzijde van de planlocatie een kerk, St. Jan de Doperkerk. Hier geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. De gronden van de planlocatie en de kerk grenzen aan elkaar, wat resulteert in een situatie waarin de vereiste richtafstand niet wordt gehaald. De afstand tot het beoogde appartementengebouw, ter plaatse van de bestaande school, bedraagt evenwel circa 14 m, waarmee voldaan wordt aan de richtafstand. Conclusie Gelet op voorstaande is er met de beoogde ontwikkeling sprake van een goede ruimtelijke ordening vanuit het aspect milieuzonering. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het aspect milieuzonering en dat ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

27

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling van woningen is er sprake van het toevoegen van kwetsbare objecten. Daarom dienen de veiligheidsrisico's voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart (Atlas Leefomgeving) ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving)

Bij een incident met een LPG-tankwagen op de N207 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de realisatie van het plan. De hulpdiensten kunnen het gebied via lokale wegen bereiken om de omvang van een ramp te beperken. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen liggen op circa 650 m afstand en vormen daarmee geen belemmering. Ook worden er met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Transportroutes gevaarlijke stoffen De planlocatie is op een afstand van ongeveer 3 kilometer gelegen van de rijksweg A4. De A4 heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer als gevolg van het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3. Dit houdt voor onderhavig plan in dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij een calamiteit met toxische stoffen op de A4 een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken. Gelet op het maatgevende scenario en de afstand tot de risicobron kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De N207 is een weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd.

Deze weg is niet meer opgenomen in de telgegevens van Rijkswaterstaat en behoort niet tot het Basisnet. Daarmee wordt ervan uitgegaan dat de vervoershoeveelheden aan gevaarlijke stoffen beperkt zijn. De afstand tot de weg vanaf het plangebied bedraagt ca. 380 m. Er geldt een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied is, in verband met het transport van LT2 (toxische vloeistoffen), wel binnen het invloedsgebied van het groepsrisico gelegen. Uit de onderzoeksrapportage

28

(2012) horende bij het bestemmingsplan 'N207' blijkt dat de hoogte van het groepsrisico 0,003 van de oriëntatiewaarde is. De beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico zeer beperkt verhogen. Gelet op de lage oriëntatiewaarde zijn nieuwe berekeningen niet vereist (Besluit externe veiligheid transportroutes, artikel 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Besluit externe veiligheid transportroutes, artikel 7). Bij een incident met toxische stoffen op zowel de N207 als de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Er wordt geadviseerd om ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar te laten zijn. Daarmee kunnen personen voldoende beschermd worden in geval van een giftige gaswolk.

Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met natuurwanden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Met de herontwikkeling van het terrein wordt een aantal bomen gekapt. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Hiertoe is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, 2023-0873, d.d. 13 december 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Soortenbescherming Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten uitgesloten worden. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen en ransuil. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende

29

vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en te saneren groenstructuren een relevante functie heeft voor vleermuizen en ransuil (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ongeveer 9,7 km afstand, te weten het Natura 2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'.

Om te bepalen wat de effecten als gevolg van stikstofemissie op Natura 2000-gebieden zijn, is een AERIUS-berekening uitgevoerd zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase niet groter is dan 0,00 mol/ha/j op de Natura 2000-gebieden. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen

30

waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.

Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

• •

Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende

31

bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Planspecifiek Watercompensatie In het noordwestelijke deel van het plangebied wordt een watergang gedempt. Dit wordt, conform het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland één op één gecompenseerd in de vorm van het verbinden van twee watergangen direct ten noordoosten van het plangebied. Het hoogheemraadschap van Rijnland hanteert voorts het beleid dat bij het toevoegen van 500 m² of meer aan verharding gecompenseerd moet worden met oppervlaktewater. Met de beoogde herontwikkeling zal de oppervlakte aan verharding met meer dan 500 m² toenemen. Om die reden is watercompensatie noodzakelijk. In onderstaande verhardingsbalans is aangegeven welke compensatie noodzakelijk is.

Bebouwing Verharding Half verharding Totaal

Bestaand (m²) 454 112 139 705

Toekomstig (m²) 911 949 152 2.012

De totale verhardingstoename bedraagt 1.308 m². Van deze toename dient 15% gecompenseerd te worden, wat resulteert in 196 m². Tevens wordt er in het plangebied een watergang gedempt met een oppervlakte van 135 m². In totaal moet er 332 m² worden gecompenseerd. De benodigde watercompensatie wordt aan de noordoostzijde van het plangebied opgelost. Hier wordt de bestaande watergang verlengt en verbreed met een oppervlakte van 351 m². Daarmee wordt er voldoende water gecompenseerd en voldoet het plan aan de eisen van het waterschap. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland blijkt dat het plangebied binnen kern- en beschermingszone van een regionale waterkering is gelegen.

• •

Wanneer het bouwwerk zich binnen de kern- en beschermingszone bevindt, maar buiten het profiel van vrije ruimte en niet boven op de kruin, dan zijn bouwwerken daar onder voorwaarden toegestaan. Wanneer het bouwwerk zich binnen de kern- en beschermingszone bevindt en binnen het profiel van vrije ruimte, geldt voor het bouwen binnen de bebouwde contouren het 'nee, tenzij'-principe, bouwwerken zijn daar in beginsel niet toegestaan. Eventueel kan een zelfstandige, onafhankelijke waterkering als vervangende waterkering worden aangelegd waarvoor de sterkte aangetoond moet worden voor een periode van honderd jaar.

Het waterkerend vermogen mag niet worden aangetast. Daartoe dient het bouwwerk te voldoen aan een veiligheidsfactor. Dit moet worden aangetoond tijdens de uitvoering en in de eindsituatie. De bebouwing mag geen belemmering vormen voor inspectie, beheer en onderhoud. Dit dient aangetoond te worden met een beheer- en onderhoudsplan voor de levensduur van de (vervangende) waterkering. Er dient rekening gehouden te worden met de eisen vanuit het waterschap voor het bouwen in de beschermingszone. Voor het bouwen in de zones van de waterkering zal een watervergunning worden aangevraagd. Bij de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de eisen van het waterschap. Er worden geen bouwwerken gerealiseerd op de kruin van de waterkering. Ook worden alle bouwwerken (ook rioolleidingen

32

en -putten) inclusief fundering en isolatie (behalve palen) boven het profiel van vrije ruimte gerealiseerd, zie onderstaande afbeelding.

Doorsnede Willem van der Veldenweg (bron: Buro SRO)

Waterafvoer De nieuwe bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Het hemelwater wordt gescheiden en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen watergangen. Het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Schuilen Het plangebied ligt in een polder waarbij het waterpeil bij een bres in de polderdijk kan oplopen tot meer dan 2,5 meter. Schuilen kan op een hoger gelegen verdieping. Daarnaast is veilig gebied (andere polder) direct nabij. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Er zal een watervergunning aangevraagd worden, waarbij nadere uitwerking plaats zal vinden.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Binnen het geldende bestemmingsplan heeft de planlocatie de bestemming 'Waarde - Archeologie - 1'. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Gelet op de bepalingen van de dubbelbestemming is een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd (Transect b.v., 23070070, 21-11-2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend is de conclusie van het onderzoek weergegeven. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat er in het westen van het plangebied een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd geldt. Verder liggen in een deel van het plangebied slappe wadafzettingen van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer. Er zijn enkele recente ophooglagen aangetroffen. In de top van de wadafzettingen zijn geen aanwijzingen gevonden voor tijdelijke

33

bewoonbare omstandigheden (vegentatienniveaus, intact veen, rijping of kwelderafzettingen). Ook is er geen sprake van een gefaseerde vorming van de top van de wadafzettingen. Tussen de ophooglaag en de bouwvoor was geen sprake van intact veen. Op basis van deze resultaten is de lage archeologische verwachting op de resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Nieuwe Tijd uit het bureauonderzoek bevestigd. In het westelijke deel blijft echter de hoge verwachting gelden. Hier is in het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting vastgesteld op basis van de historische kaarten en de ligging van het gebied aan een ontginningsas. Op basis van dit onderzoek is alleen in het westen van het plangebied een hoge archeologische verwachting vastgesteld. In de rest van het plangebied geldt een lage verwachting. Geadviseerd wordt om in het westen een dubbelbestemming archeologie op te nemen met de huidige onderzoeksgrenzen (150 m² en niet dieper dan 30 cm -Mv). Hier is in het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting vastgesteld op basis van de historische kaarten en de ligging van het gebied aan een ontginningsas. Voor wat betreft het deel met een lage verwachting wordt geadviseerd om geen nadere uitwerking in het bestemmingsplan op te nemen. Vanwege deze verwachting zijn in dit gedeelte van het plangebied geen aanvullende maatregelen of vervolgonderzoek nodig.

De contour van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is vergeleken met het huidge bestemmingsplan verkleind. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Kaag en Braassem). Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De planlocatie maakt geen deel uit van een karakteristiek gebied en de bestaande bebouwing betreft geen karakteristiek pand of rijksmonument. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. Grenzend aan de planlocatie bevindt zich een rijksmonument.

De boogde ontwikkeling heeft verder geen invloed op dit monument. Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen

34

voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van vier appartementen en zes woningen brengt extra verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in het 'buitengebied' en 'weinig stedelijk' gebied. In de navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROW-publicatie 381 weergegeven. Soort woning Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, appartement, midden Totaal

Aantal 2 4 4 10

CROW verkeersgeneratie 8,2 7,6 6 -

Totale verkeersgeneratie 16,4 30,4 24 70,8

De totale verkeersgeneratie die de ontwikkeling met zich meebrengt bedraagt 70,8 verkeersbewegingen per etmaal. De twee-onder-één-kap die zich langs de Vriezenweg bevindt, zal worden ontsloten via een eigen inrit op deze weg. De ontsluiting van het plangebied wordt aan twee kanten geregeld. Aan de noordzijde wordt aangesloten op de bestaande weg op het perceel van de kerk. Aan de zuidzijde wordt een toegangsweg gerealiseerd die aansluit op de Vriezenweg. Deze wegen worden met elkaar verbonden, waarop de overige twee-onder-één-kap, de vrijstaande woningen en de appartementen worden aangesloten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen.

In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Beleidsregel Parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen. Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen zijn de parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in het 'buitengebied'. De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer in de toekomstige situatie, gebaseerd op de 'Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018'.

35

Soort woning

Aantal

Gemiddelde parkeernorm

Vrijstaand Twee-onder-een-kap Etage, middelduur (62-120 m²) Totaal

2 4 4 10

2,4 2 1,9 -

Totaal aantal parkeerplaatsen 4,8 8 7,6 20,4 (=21)

Voor de vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen wordt het parkeren op eigen terrein geregeld waar genoeg ruimte voor is. Daarnaast voorziet het initiatief in een parkeermogelijkheid voor de aangrenzende kerk. Het is primair van belang te benadrukken dat de voorgestelde parkeerplaats specifiek bedoeld is om te voorzien in de piekmomenten van de kerk, zoals bij uitvaarten, Kerst en Pasen. Deze zal hoofdzakelijk worden benut gedurende de dag en vroege avond, en zal niet dienen als een openbare parkeerplaats voor willekeurige bezoekers. Deze beperking kan effectief worden geïmplementeerd door bijvoorbeeld een slagboom, waardoor enkel de kerk toegang toe heeft. Deze beperkte toegang zal hinderlijke gevolgen, zoals geluidsoverlast in de nachtelijke uren, stationair draaiende motoren, en het parkeren van werkbusjes, voorkomen. De parkeerplaats zal immers uitsluitend worden gebruikt door bezoekers van de kerk tijdens piekmomenten, waardoor de frequentie van voertuigbewegingen en de duur van stilstaan minimaal zijn. Bovendien, door de beperkte toegang en het specifieke gebruik van de parkeerplaats, wordt het aantal voertuigen dat deze zal bezoeken aanzienlijk beperkt, wat bijdraagt aan het minimaliseren van geluidsoverlast, geuroverlast, en het behoud van de esthetische waarde van de omringende woningen.

Het landschappelijk karakter van het gebied zal worden behouden door gebruik te maken van 'gewapend gras', wat hetzelfde visuele effect geeft als de huidige situatie. Door deze specifieke inrichting en het beperkte gebruik van de parkeervoorziening worden mogelijke overlastsituaties tot een minimum beperkt, en wordt de karakteristiek van de omgeving behouden. Onderstaande afbeelding geeft de verdeling van de privé en openbare parkeerplaatsen weer.

36

Parkeerbalans plangebied (rood: eigen terrein, oranje: openbaar, geel: parkeerplaatsen t.b.v. kerk)

Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

37

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de 'Bestemmingsregels', staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

38

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, die ontleend zijn aan het bestemminsplan ‘Buitengebied - Oost'. Maatschappelijk Gronden aan de noordoostzijde van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. Het gaat hierbij om een parkeerterrein ten behoeve van de aangrenzende kerk. Dit parkeerterrein mag enkel tijdens de piekmomenten van de kerk en voor religieuze doeleinden gebruikt worden. Om het open weidelandschap te behouden is het niet toegestaan om de parkeervoorzieningen anders dan een volledig open en groen beeld in te richten. Er zijn hier uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde toegelaten. Wonen De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de rest van het plangebied, bedoeld voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Tevens zijn voorzieningen, zoals groen, water, parkeervoorzieningen en toegangswegen toegelaten, ook ten dienste van aanliggende bestemmingen. De woningen en appartementen dienen binnen de aangegeven bouwvlakken gebouwd te worden. Er zijn binnen het plangebied in totaal tien wooneenheden toegelaten. De maximum goot- en bouwhoogten en de maximale inhoudsmaat zijn in de regels opgenomen.

Leiding - Hoogspanning De gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een hoogspanningsleiding met daar bijbehorende bouwwerken en andere werken ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - hoogspanning' met de daarbij behorende belemmeringenstrook. Waarde - Archeologie 1 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Dit geldt, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek, voor het oostelijke gedeelte van het plangebied. Waterstaat - Waterkering De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor waterkeringen. Dit geldt voor het westelijke deel van het plangebied, zoals op de verbeelding weergegeven.

39

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a van de Wro. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

40

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c overleg Wro te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg Het (voor)ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op 9 september 2023 gestuurd naar de overlegpartners: provincie Zuid-Holland, Veiligheidsregio Hollands Midden en hoogheemraadschap van Rijnland. Daarnaast is in het bestemmingsplan rekening gehouden met het advies van Omgevingsdienst WestHolland (advies d.d. 13 oktober 2023). Hieronder zijn de ingekomen vooroverlegreacties samengevat, met - waar nodig - een gemeentelijke reactie in cursief. Provincie Zuid-Holland (ingekomen op 24 oktober 2023) Het planvoornemen is in een eerdere fase al besproken op het gemeentehuis met de initiatiefnemers. Daar zijn opmerkingen gemaakt op basis van de toenmalige schets. Bij het invullen van het e-formulier, om het voorontwerpbestemmingsplan aan te leveren bij de provincie Zuid-Holland, bleek dat deze adviezen zijn opgevolgd. Op basis van dit formulier kan gesteld worden dat het plan niet strijdig was met provinciale belangen en dat het dus niet opgestuurd hoefde te worden. Veiligheidsregio Hollands Midden (ingekomen op 23 oktober 2023) De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. VRHM heeft een advies uitgebracht ten aanzien van de fysieke veiligheid. a.

VRHM merkt op er niet duidelijk is of wordt voldaan aan de minimale wegafmetingen voor hulpdiensten binnen het plangebied en dat het appartementencomplex enkel via één weg te bereiken is. Geadviseerd wordt om het beleidsdocument voor bluswatervoorziening en bereikbaarheid te volgen. De weg in het plangebied heeft een breedte van 5 m en voldoet daarmee aan het beleid van de VRHM. Daarnaast is het appartementencomplex na deze herontwikkeling zowel via de Willem van der Veldenweg als de Vriezenweg bereikbaar. Het plangebied is voldoende bereikbaar. b. Ten aanzien van de bluswaterwinning is er nabij het plangebied niet binnen 100 meter een brandkraan aanwezig. Wel is er open water aanwezig welke in deze situatie kan volstaan in de benodigde

41

bluswaterwinning voor offensieve bluswaterwinning. Daarbij moet het water wel voldoende schoon en diep zijn. Daaraan wordt op dit moment getwijfeld, periodiek onderhoud tegen plantengroep is nodig om het water op een minimale diepte van 1 meter te houden. Bij de verdere uitwerkingen wordt rekening gehouden met de genoemde aandachtspunten. Hoogheemraadschap van Rijnland (ingekomen op 6 november 2023) Het Hoogheemraadschap geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan en geeft een positief wateradvies. a. Het Hoogheemraadschap merkt op dat de watergang zuidelijk gelegen van de planlocatie primair water is. Zij adviseert deze op te nemen op de plankaart. In het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' is de bestemming 'Water' niet opgenomen. Er is voor gekozen om dit ook nu niet op te nemen op de plankaart. Daarnaast laat de bestemming 'Wonen' toe dat hier water of duikers gerealiseerd mogen worden.

7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan 'Willem van der Veldenweg 24-24a' heeft vanaf 21 december tot en met 31 januari 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn vier zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6).

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=967c5ada-5f12-4c92-9912-cc2b8274135a