CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPWVDVELDENWEG24-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Willem van der Veldenweg 24-24a, Leimuiden’.14.764 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Willem van der Veldenweg 24-24a, Leimuiden Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPWVDVELDENWEG24-VAS1

Datum:

2024-06-17

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. J. van de Zand | mw. F.F.L. Zandstra

Kenmerk Buro SRO:

SR230303

Opdrachtgever:

Parochie H. Franciscus

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied......................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................................... 8

2 Planbeschrijving ................................................................................................................................. 9 2.1 Huidige situatie ............................................................................................................................................. 9 2.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................ 15 3.3 Regionaal beleid .......................................................................................................................................... 19 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................... 20

4 Milieu- en omgevingsaspecten ....................................................................................................... 23 4.1 Milieueffectrapportage ............................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ......................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid .......................................................................................................................................................... 24 4.4 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................................. 25 4.5 Bedrijven en milieuzonering........................................................................................................................ 26 4.6 Externe veiligheid ........................................................................................................................................ 27 4.7 Ecologie .......................................................................................................................................................

29 4.8 Water .......................................................................................................................................................... 30 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................................................... 33 4.10 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 34

5 Juridische planbeschrijving ............................................................................................................. 38 5.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 38 5.2 Verbeelding ................................................................................................................................................. 38 5.3 Planregels .................................................................................................................................................... 38 5.4 Wijze van bestemmen ................................................................................................................................. 39

6 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................ 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................. 41 7.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 41 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ................................................................................................................. 41 7.3 Verslag zienswijzen ..................................................................................................................................... 42

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens percelen gelegen aan de Willem van der Veldenweg 24 en 24a te Leimuiden te herontwikkelen. Het bestaande schoolgebouw zal worden getransformeerd naar een kleinschalig appartementengebouw met vier appartementen. Daarnaast worden er twee woningen toegevoegd aan de zijde van de Willem van der Veldenweg en vier aan de zijde van de Vriezenweg. In totaal worden er tien wooneenheden toegevoegd aan dit gebied. In samenhang hiermee wordt tevens een nieuwe parkeerplaats voor de St. Jan de Doperkerk gerealiseerd, ten behoeve van piekmomenten. Het planvoornemen past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Op 22 mei 2023 is een principeverzoek ingediend voor het onderhavig initiatief. Het college van B&W van de gemeente Kaag en Braassem heeft als reactie hierop laten weten in beginsel medewerking te willen verlenen aan het beoogde initiatief. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van onderhavig initiatief is gelegen aan het bebouwingslint van de Willem van der Veldenweg, in het zuidelijke gedeelte van de kern Leimuiden. Dit gedeelte ligt ten zuiden van de rivier de Drecht. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend onder de gemeente Leimuiden, sectie C, percelen 1552, 1886, 1933 en deels 1553 en 1934. Het plangebied is gelegen ter plaatse van een bestaand (voormalig) schoolgebouw en aanliggende percelen. Rondom het plangebied bevinden zich de St. Jan de Doperkerk, enkele woningen en agrarische gronden. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem op 28 mei 2018. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en voor een klein deel de bestemming 'Verkeer'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'.

6

Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen, verenigingsleven en voorzieningen ten behoeve van levensbeschouwelijke en religieuze doeleinden. Er is een bouwvlak opgenomen, waarbij een maximum bebouwd oppervlak van 450 m² geldt. De maximale gooten bouwhoogte mag resp. 4 en 8 m bedragen. Verder geldt op locatie de functieaanduiding 'jongeren ontmoetingsplek'. Daarnaast zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen toegelaten. De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf en het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap. Daaraan ondergeschikt zijn ook wandel-, fiets- en ruiterpaden toegelaten. Ter plaatse is geen bouwvlak aangeduid, zodat hier uitsluitend erf- en terreinafscheidingen zijn toegelaten. De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, busstroken, fiets-, voet- en ruiterpaden, andere verhardingen en bermen. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Het plangebied beschikt gedeeltelijk over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en gedeeltelijk over de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Verder geldt voor een klein deel van de verkeersbestemming de dubbelbestemming 'Leiding Hoogspanning'. De aangewezen gronden zijn bestemd voor een hoogspanningsleiding met de daar bijbehorende bouwwerken en andere werken.

7

Binnen de geldende bestemmingen is het realiseren van de beoogde woningen niet toegestaan. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 beschrijft de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan beschreven, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie maakt onderdeel uit van de aanwezige lintbebouwing. Rondom de planlocatie bevinden zich verschillende woningen en agrarische gronden. Grenzend direct aan de noordzijde van de planlocatie is de St. Jan de Doperkerk gevestigd. In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied een voormalig schoolgebouw dat in 1973 is verkocht aan een maatschappelijke werkinstelling. Het betreft een gebouw van één bouwlaag en een plat dak, dat grotendeels verscholen ligt achter groene beplanting. Voor de rest is het perceel groen ingericht door beplanting en enkele boomgroepen. Binnen het plangebied zijn tevens twee kleine watergangen aanwezig. Het terrein heeft enkele hoogteverschillen en grenst aan de westzijde aan de ringsloot; plaatselijk bekend als dijksloot die parallel loopt aan de Willem van der Veldenweg. De planlocatie is ontsloten met een inrit aan de westzijde aansluitend op de Willem van der Veldenweg. Deze is ook in gebruik voor de bezoekers van de kerk. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie.

Plattegrond huidige situatie (bron: Buro SRO)

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied aan de Willem van der Veldenweg 24-24a te Leimuiden te herontwikkelen. Daarbij is het voornemen om het voormalige schoolgebouw te transformeren naar een appartementengebouw met vier appartementen. Verder zullen er zes woningen worden toegevoegd; twee aan de zijde van de Willem van der Veldenweg en vier aan de zijde van de Vriezenweg. Direct ten noorden van de planlocatie bevindt zich een katholieke kerk, St. Jan de Doperkerk. Hiervoor zal er een parkeerplaats achter op de percelen gerealiseerd worden, zodat er voldoende parkeermogelijkheden zijn ten behoeve van de druk bezochte kerkdiensten zoals Pasen, Kerst, etc.

9

In verband met de beoogde ontwikkeling wordt een deel van de watergang in het noordoosten gedempt. Ter compensatie wordt de watergang ten noorden van het plangebied doorgetrokken. Verder zal er een minimaal aantal aan bomen verwijderd worden. Deze dienen één op één gecompenseerd te worden. Op de navolgende afbeelding wordt de beoogde situatie weergegeven.

Plattegrond toekomstige situatie (bron: Buro SRO)

Aan de westkant van het plangebied ligt een bestaande toegangsweg, welke wordt gebruikt door de drie naastgelegen woningen. In de huidige situatie valt deze weg binnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Maatschappelijk'. Vanuit formele bestemmingsplantechnische overwegingen wordt deze toegangsweg bestemd als 'Wonen'. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is hier een bebouwingsvrije zone voor opgenomen. Deze bestemmingswijziging is tot stand gekomen in samenspraak met de bewoners van de percelen. Vier appartementen De voormalige school zal omgebouwd worden tot een appartementengebouw met vier appartementen. Het appartementengebouw blijft bestaan uit één bouwlaag met een plat dak. Aan de achterzijde zal een parkeerplaats gerealiseerd worden die voorziet in de parkeerbehoefte van de bewoners van het appartementengebouw. De benodigde negen parkeerplekken zullen half-verhard zijn. Voor de realisatie van de appartementen is reeds een vergunning aangevraagd. Onderstaande afbeeldingen geven het appartementengebouw schematisch weer.

10

Plattegrond appartementegebouw (bron: Parochie)

Westgevel appartementengebouw (bron: Parochie)

Zes woningen Verder zullen er zes grondgebonden woningen gerealiseerd worden. Dit zullen twee twee-onder-een-kappers en twee vrijstaande woningen zijn. Elke woning zal voorzien zijn van zowel een voortuin als achtertuin. Een twee-onder-een-kap zal aan de zijde van de Willem van der Veldenweg aan het water gerealiseerd worden. De rest van de woningen zullen aan de Vriezenweg gerealiseerd worden. Het parkeren zal op eigen terrein worden geregeld, waarbij er voldoende ruimte beschikbaar is. Hier wordt in toelichting paragraaf 4.10.2 verder op ingegaan.

11

Ontsluiting De ontsluiting van de planlocatie zal worden geregeld via twee toegangswegen. Allereerst tijdelijk via de bestaande inrit vanaf de Willem van der Veldenweg, daarnaast via een nieuw aangelegde ontsluiting vanaf de Vriezenweg. Deze twee toegangswegen zullen met elkaar worden verbonden, waarlangs ook de nieuwe parkeermogelijkheden voor de kerk bereikt kunnen worden. De twee-onder-een-kap die zich langs de Vriezenweg bevindt, zal worden aangesloten op deze weg met een eigen inrit.

12

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen van het Barro en het Barro is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

13

•

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

•

Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de negen en veertien nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. In het onderhavige geval worden tien nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De afdeling stelt hiervoor 'in beginsel' grenzen. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan elf woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet doorgelopen hoeft te worden.

3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.

het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).

De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, maar buiten het beperkingengebied voor bebouwing als bedoeld in artikel 2.2.1d (LIB 5) van het LIB. Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Onderhavig plan voorziet niet in hoogbouw hoger dan 146 m NAP. Daarnaast ligt het plangebied in het gebied waar een toetshoogte voor radar van 74 m NAP geldt. Onderhavig plan voorziet ook niet in hoogbouw hoger dan 74 m NAP. Er is dan ook geen overschrijding van de gestelde toetshoogte. Geconcludeerd kan worden dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmeringen voor het plan veroorzaakt.

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 februari 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the nextlevel; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

15

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' staat aangegeven dat het plangebied in een Veencomplex Veen gelegen is. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. De beoogde appartementen worden gerealiseerd in de bestaande bebouwing, waardoor bodemdaling niet van toepassing is. Daarentegen zullen de beoogde woningen gebouwd worden op plekken waar geen bebouwing aanwezig is. Hier zal met het beperken van de bodemdaling rekening worden gehouden. Gezien de aard en omvang zal er geen invloed uitgeoefend worden op het veencomplex en de diepe veenpakketten. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in de 'droogmakerij (klei en veen)' en specifiek aan een ringdijk en in een dijklint.

Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De woningen binnen de ontwikkeling dienen te worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Een deel van de ontwikkeling vindt plaats op de ringdijk en een deel aan het lint. De beoogde woningen zullen worden geïntegreerd binnen de bebouwing van het bestaande lint, waardoor de nieuwe woningen passen bij de omgeving. Het lint behoudt zijn oorspronkelijke staat en wordt niet aangetast. Bovendien zal de ontwikkeling geen invloed uitoefenen op de integriteit van de ringdijk, gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er

16

gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Gebiedsprofiel Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder wordt alleen de voor het plangebied relevante kaart besproken die een aanvulling vormt op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Linten blijven linten Het plangebied bevindt zich aan een Boerenervenlint, een lint als kralensnoer van losse boerderijen inclusief erven. Hiervoor geldt als ambitie dat het agrarisch karakter van de bebouwing behouden blijft. En het plangebied bevindt zich aan een Boezemlint, een lint met bebouwing op of tegen de kade van het boezemwater. Het doel ervan is om de openheid naar het landschap te waarborgen. In de huidige situatie liggen aan het Boerenervenlint al woningen en is de openheid naar het landschap vanaf het Boezemlint niet aanwezig. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan de kwaliteiten, maar past zich binnen de huidige bebouwing. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de gebiedsprofielen.

De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 februari 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Regionale waterkeringen In artikel 4.1 van de Omgevingsverordening zijn regels over regionale waterkeringen opgenomen: 1. 2. 3. 4.

5.

Dit artikel gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen zoals aangewezen in artikel 2.2. Op kaart 3 in bijlage II is voor de betreffende regionale waterkering of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar. Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het waterschapsbestuur te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vast. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met waterschapsbestuur, het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het tweede lid.

Ter hoogte van de Willem van der Veldenweg bevindt zich een regionale waterkering. De gemiddelde overschrijdingskans van deze waterkering is 1/300 jaar. Dit geeft aan hoe groot de kans maximaal mag zijn dat er een overstroming plaatsvindt. In toelichting paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de waterkering. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: 1.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante

17

2.

3.

richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Planspecifiek Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De ontwikkeling beoogt de realisatie van vier appartementen en zes woningen op de huidige percelen waar momenteel respectievelijk een voormalige school en agrarische gronden gevestigd zijn. Gezien de aard en schaal van het gebied past de beoogde ontwikkeling hier tussen. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Beschermingscategorie 3 Buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: a. b. c. d.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de ontwikkeling van een kleinschalig appartementengebouw en zes woningen. De ontwikkeling is aan de linten van de Willem van der Veldenweg en Vriezenweg gelegen. Er is nauwelijks tot geen openheid aanwezig op locatie waardoor de ontwikkeling hier geen afbreuk aan doet. De nieuwe woningen zullen ingepast worden in de linten, waarmee dit aansluit bij de omgeving. In de huidige situatie is de planlocatie omringd door voornamelijk woningen. De beoogde ontwikkeling is dus passend op locatie en doet geen afbreuk aan de kwaliteiten. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat bij onderhavig initiatief geen sprake is van een nieuwe stedelijke

18

ontwikkeling, is sub b niet van toepassing. Bovendien betreft het hier geen locatie groter dan 3 hectare. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied bijna geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal meer ruimte zijn voor water om te infiltreren. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een kleine kans (1/300 tot 1/3000 per jaar) is op overstroming in het plangebied. Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied lager is dan in de omgeving. Dit is mogelijk een gevolg van de aanwezigheid van groen. De voorgenomen ontwikkeling omvat de toevoeging van verharding, wat naar verwachting de mate van hittestress enigzins zal vergroten. Desalniettemin wordt deze toename als gering gezien waardoor dit niet voor belemmeringen zal zorgen. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Vanwege de ligging en de vergroening in het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling;

19

4. 5. 6. 7.

Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Voorliggend plan is voornamelijk gerelateerd aan de punten 1 en 4 van de kernbeslissingen. Met de beoogde ontwikkeling worden vier appartementen gerealiseerd in een bestaand gebouw en zes woningen gebouwd. Het initiatief levert een bijdrage aan de woonbehoefte binnen de regio. Tevens wordt de groenblauwe structuur niet uit het oog verloren. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020. 3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 De Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 (vastgesteld op 28 juni 2023) is er om gemeenten te helpen bij het realiseren van de nieuwe woningbouwopgave en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. In de regionale woonagenda wordt er rekening gehouden met de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingsrichting voor bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio. Met als doel voldoende passende woningen te hebben voor verschillende doelgroepen. Ook een passend aanbod hebben voor de doelgroepen van het huurbeleid. Beleid voor de energietransitie en klimaatadaptatie als gevolg van bodemdaling. Verder gaat de voorkeur uit naar nieuwbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied, georiënteerd op (hoogwaardig) openbaar vervoer.

Door het groeiend aantal huishoudens en de gestegen huizenprijzen zal de druk op de woningmarkt alleen maar verder toenemen. Er wordt daarom sterk ingezet naar het realiseren van nieuwe (betaalbare) woningen. In de regio Holland Rijnland is er namelijk een behoefte aan ca. 30.500 woningen. Hiervoor zijn vier thema's opgesteld: 1. 2. 3. 4.

woningbouw versnellen betaalbaar wonen mensen tussen wal en schip langer (en weer) zelfstandig wonen

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van twee vrijstaande woningen, twee twee-onder-één-kapwoningen en vier middeldure appartementen in de regio Holland Rijnland. Binnen de regio is een groot tekort aan woningen. Het voorgenomen plan maakt de realisatie van tien woningen mogelijk, wat een positieve invloed heeft op het woningtekort in de regio. De ontwikkeling vindt ook plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. In 2021 is de Omgevingsvisie op een aantal gebieden herzien. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is.

20

De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt voor wat betreft de Willem van der Veldenweg onderdeel uit van het gebiedstype 'agrarische linten'. Het gaat hierbij om linten die door de jaren heen zijn ontstaan en zich onderscheiden van het open landschap door een hogere bebouwingsdichtheid. Naast de agrarische activiteiten kennen ze ook woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen. Het beleid is hier gericht op het behouden van de agrarische linten. Hierbij geldt als uitgangspunt dat er ruimte is voor het incidenteel toevoegen van een woning, mits sprake is van een ruimtelijke kwaliteitswinst en/of er gebouwd wordt voor de doelgroepen waar behoefte naar is volgens de Regionale Woonagenda.

Hierbij wordt versterking/verbetering van de biodiversiteit ook gezien als ruimtelijke kwaliteitswinst. Het voorliggende initiatief maakt een kleinschalig appartementengebouw en zes woningen mogelijk door middel van inbreiding. De ontwikkeling vindt deels plaats op een maatschappelijke bestemming waar een voormalig schoolgebouw aanwezig is en deels op agrarische gronden. Hiermee komt de maatschappelijke bestemming te vervallen in een bebouwingslint waar overwegend wordt gewoond. Het initiatief is gericht op doelgroepen waar behoefte naar is volgens de Regionale Woonagenda. Bovendien wordt een leegstaand schoolgebouw getransformeerd naar een kleinschalig appartementengebouw, waarmee sprake is van kwaliteitswinst. Binnen ieder dorp van de gemeente Kaag en Braassem zijn woningbouwinitiatieven mogelijk, waarbij grootschalige woningbouw (meer dan elf woningen) zich focust op de kernen. Bij voorkeur wordt gekozen voor het inbreiden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plangebied ligt hier echter buiten. Toch biedt de gemeente ruimte voor plannen die buiten dit gebied liggen, mits deze 'passend' zijn in de omgeving. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen aanwezig. Tussen de woonbestemmingen aan de Vriezenweg liggen agrarische gronden. Door hier woningbouw te plaatsen worden deze bestemmingen met elkaar verbonden.

Daarnaast worden de type woningen en de goot- en bouwhoogte afgestemd op de omgeving. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

21

3.4.2 Welstandsnota De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de beschermde dorpsgezichten, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de Welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Planspecifiek Uit raadpleging van de welstandskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in welstandsluw gebied. Een welstandstoets voor de beoogde ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Daarnaast bevindt een deel van het plangebied binnen de grenzen van een rijksmonument. Dit deel is een onbebouwd stuk en zal niet voor belemmeringen zorgen. Het gedeelte waar het rijksmonument staat valt immers buiten de planlocatie.

Er wordt met de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk gedaan aan het rijksmonument. Gesteld kan worden dat de Welstandsnota geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

22

4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Gelet op de beperkte omvang van het plan is, mede gelet op jurisprudentie, geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject (D 11.2) of een andere activiteit als bedoeld in de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. is daarmee niet van toepassing. Een (vormvrij) m.e.r.-beoordelingsbesluit is daarom niet aan de orde.

23

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende initiatief maakt woningen mogelijk. Daarmee wordt er een bestemmingswijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk gemaakt. Om die reden is een verkennend en nader bodem(water)onderzoek uitgevoerd (Grondslag, 38494, 30 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.

•

In de boven- en ondergrond van het terrein zijn lichte verhogingen van zware metalen en/of PAK aangetoond.

•

Ter plaatse van de slootdemping direct ten westen van de voormalige bassischool is in de zandige bovengrond een sterke bijmenging aan slakken aangetroffen. In deze laag is een sterke verhoging aan nikkel en een matige verhoging aan kobalt aangetoond. Daarnaast zijn lichte verhogingen aan enkele andere zware metalen en PAK vastgesteld. De omvang van de verontreiniging met nikkel in de grond bedraagt circa 20 m³. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voorafgaande aan de graafwerkzaamheden ter plaatse van de verontreinigingsspot (boringen R3, 23 en 26) dient een plan van aanpak te worden opgesteld, dat ter akkoord wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag.

•

In de overige slootdempingen op het terrein zijn geen verdachte dempingsmaterialen aangetroffen.

•

De sliblaag in de te dempen watergang wordt beoordeeld als klasse industrie. Het slib is tevens verspreidbaar op de aangrenzende oever.

Ten aanzien van het bovenstaande zijn er voor de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen te verwachten. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai,

24

wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Een woning is een geluidgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Het plangebied valt binnen de onderzoekszone van de Willem van der Veldenweg, Vriezenweg, Herenweg en Heiligegeestlaan. Om die reden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (Kragten, SRO074-0001, 29 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten en conclusie naar voren gekomen. Wet geluidhinder De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de zoneplichtige wegen bedraagt ten hoogste 41 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. De voorkeurswaarde wordt niet overschreden. Goede ruimtelijke ordening In het kader van goede ruimtelijke ordening is de belasting vanwege de cumulatieve geluidbelasting (incl. 30 km/uur-wegen) inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverkeer (inclusief 30 km/uur-wegen) bedraagt maximaal 57 dB. Daar maatregelen bij de bron of in de overdracht niet mogelijk zijn of stuiten op bezwaren wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat geadviseerd voor de berekening van de geluidwering van de gevel (Ga;k) uit te gaan van deze gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelastingen.

Een onderzoek naar de geluidwering van de gevel is officieel niet benodigd, daar geen gezoneerde bron een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde veroorzaakt. Echter, vanuit een goede ruimtelijke ordening en vanwege een gecumuleerde belasting van 57 dB wordt om een binnenniveau van 33 dB te garanderen een geluidwering van de gevel van 24 dB geadviseerd. Bij nieuwbouw in combinatie met mechanische balansventilatie wordt voornoemde geluidwering van de gevel zondermeer gehaald. Wordt gekozen voor natuurlijke ventilatie dan dient ter waarborging van het binnenniveau een geluidwering gevel onderzoek te worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

25

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit tien woningen meer dan in het geldende bestemmingsplan is toegestaan. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 15,8 μg/m³ PM10, 8,3 μg/m³ PM2,5 en 14,2 µg/m³ NO2. Daarmee wordt er aan de wettelijke grenswaarden voldaan.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=967c5ada-5f12-4c92-9912-cc2b8274135a