NL.IMRO.1884.BPWOUDSEDIJKZUID22-VAS1 toelichting, regels en verbeelding
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
24
Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) Goed waterbeheer is van levensbelang om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe pakken we dat aan en wat zijn de plannen voor de komende 6 jaar? Op de website www.wbp6rijnland.nl presenteert Rijnland zijn waterbeheerprogramma (WBP6) voor 2022 - 2028. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog.
Ook wordt ingegaan op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. Blauwe lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het RapportBlauwe Lens (Rapport Blauwe Lens). De Blauwe Lens leert ons dat het gebied en het watersysteem veerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat we de problemen niet moeten afwentelen op onze omgeving, maar water juist moeten inzetten als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur Rijnland 2020 en Uitvoeringsregels De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is ‘ja, tenzij’: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken.
De Uitvoeringsregels kunnen een Zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. -
De Zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
25
Leggers hoogheemraadschap van Rijnland In de leggers is voor alle wateren in het gebied aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook staat erin wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. 5.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Huidig watersysteem Afbeelding 5.1 toont een uitsnede van de legger oppervlaktewateren van het hoogheemraadschap van Rijnland. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door oppervlaktewater. De waterpartij ten noorden van het perceel is aangeduid als primair oppervlaktewater en valt buiten het plangebied. De waterpartij ten westen van het perceel is aangeduid als overig oppervlaktewater en valt ook buiten het plangebied.
Afbeelding 5.1: Uitsnede legger oppervlaktewateren. De globale ligging van het plangebied is rood omcirkeld. Bron: hoogheemraadschap van Rijnland
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
26
Waterkwantiteit Afbeelding 5.2 toont de verharde en onverharde oppervlaktes in het plangebied in de bestaande en toekomstige situatie. Hieruit blijkt dat de toekomstige bebouwing leidt tot een afname van verhard oppervlak. Daarnaast worden er half-verhardingen aangebracht ten behoeve van de parkeerplaatsen. Gezien er sprake is van een afname van verhard oppervlak is watercompensatie niet benodigd.
Afbeelding 5.2: Nieuwe situatie met de watercompensatie. Bron: Bouwteam P&O, 28 maart 2023
Veiligheid Het plangebied is gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Voor het bouwen op deze gronden ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouw, indien: •
het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken;
•
de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het vervangen van de bestaande bebouwing en breidt hierin de oppervlakte niet uit. Met het hoogheemraadschap zijn afspraken gemaakt over het bouwen binnen deze beschermingszone. De kruinlijn van de waterkering wordt verlegd en de positionering van de bebouwing is hierop afgestemd. Daarnaast is de beschermingszone overgenomen op de verbeelding. De beschermingszone van de waterkering zorgt hiermee niet voor belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
27
Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het hoogheemraadschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Kaag en Braassem. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
28
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
6.2
Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude’ kent het gebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Hierbij geldt een vrijstellingsgrens van 2.500 m2 en 30 -mv. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling deze grens niet overschrijd is onderzoek niet benodigd. Cultuurhistorie Op grond van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland zijn er in het voorliggende plangebied geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren aanwezig.
6.3
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
29
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling
7.2.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 7.2.2 Afweging en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).
Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
30
Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 3. 7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.3.2 Onderzoek In opdracht van de provincie Zuid-Holland, Dienst Beheer Infrastructuur, heeft Geofoxx in december 2020, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Woudsedijk-Zuid 22 te Woubrugge. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4. Onderzoeksbureau Terra Milieu heeft het bestaande bodemonderzoek geactualiseerd en toegespitst op de nieuwe bestemming. Dit onderzoek is Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
31
opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. De belangrijkste resultaten uit het onderzoek worden hieronder beknopt omschreven. Op de locatie zijn verontreinigingen van PAK, cyanide en chloride aanwezig. De verontreinigingen zijn grotendeels afgedekt met een duurzame, aaneengesloten afdeklaag. De PAK-verontreiniging in concentraties boven de tussenwaarde is in 2021 grotendeels over het gehele terrein aangetroffen. Er is sprake van een heterogene aanwezige verontreiniging. Aangezien de omvang van de verontreinigingen grotendeels zijn vastgelegd heeft het uitvoeren van aanvullende bodemonderzoeken geen meerwaarde. Echter, wanneer men voornemens is om nieuwbouw te realiseren dient rekening gehouden te worden met de aanwezige verontreinigingen waarbij de kwaliteit van de grond in overeenstemming moet zijn/moet worden gemaakt met de nieuwe bestemming. Indien er op locatie gegraven gaat worden in en op de sterk verontreinigde bodem/afdeklaag moet het gezien worden als saneringswerkzaamheden. In dit geval dient een saneringsplan ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Conform Kwalibo dienen de werkzaamheden milieukundig begeleid te worden en dienen de grondwerkzaamheden te worden uitgevoerd door een erkende aannemer.
7.3.3 Conclusie Uit geactualiseerd bodemonderzoek is geconcludeerd dat er een saneringsplan ingediend dient te worden indien er op locatie gegraven gaat worden in en op de sterk verontreinigde bodem/afdeklaag. Voorafgaand aan de nieuwbouw zal de duurzame afdeklaag (deels) moeten worden verwijderd of worden veranderd. Voorafgaande aan de nieuwbouw zal daarom een saneringsplan of een nieuwe BUS-melding moeten worden gedaan. Hierbij zullen ook de matige verontreinigingen op het noordoostelijke en het noordwestelijke deel van de ontwikkelingslocatie moeten worden meegenomen. De eventuele saneringskosten zullen volledig worden gedekt door de initiatiefnemer. Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 7.4
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Onderzoekszone Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Normstelling In het geval er nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de zone van een weg, mag de geluidsbelasting niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Reductie geluidsbelastingen wegverkeerslawaai Op grond van de verwachting dat de geluidproductie van motorvoertuigen in de toekomst afneemt, mogen de berekende geluidbelastingen op de gevels worden gereduceerd. Vanaf 1 juli 2012 moet Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
32
worden gerekend met het vernieuwde ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’. (RMG 2012). De resultaten zijn, voor wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur, in veel situaties 1 tot 2 dB hoger dan berekend met het oudere reken- en meetvoorschrift. Hogere waardenbeleid gemeente Kaag en Braassem Voor de gemeenten die binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst West-Holland vallen, waaronder Kaag en Braassem, is een hogere waarde beleid van toepassing. Dit beleid is vastgelegd in het rapport ‘Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder’, van 4 maart 2013. Kort gezegd is in dit beleidsstuk vastgelegd onder welke voorwaarden kan worden meegewerkt aan het vaststellen van een hogere waarde. Daarbij zijn er enkele algemene en specifieke criteria met aanvullende voorwaarden gesteld voor het vaststellen van hogere waarden. 7.4.2 Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat alleen het verkeer op de N207 een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan voorkeursgrenswaarde. Aan de zijde van de N207 wordt op diverse gevels eveneens de maximale ontheffingswaarde van 63 dB overschreden. Op die plaatsen moet een dove gevel worden toegepast.
Uit het onderzoek naar maatregelen blijkt dat een scherm van 200 m lang en 3 m hoog langs de N207 er toe leidt dat geen dove gevels meer noodzakelijk zijn. Om bij alle woningen aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen zijn echter zeer hoge en lange geluidsschermen noodzakelijk. De toepassing van een stiller wegdek leidt tot een geluidsreductie van enkele dB’s en leidt er niet toe dat geen dove gevels noodzakelijk zijn, dat het aantal hogere waarden significant kan worden beperkt en dat kan worden voldaan aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid. Deze maatregelen zijn dus zowel praktisch als financieel niet realistisch. Verder blijkt dat de lagere geluidsbelasting op de stille zijde vooral wordt bereikt door de clustering van de nieuwbouw inclusief een scherm tussen deze nieuwbouw. Deze geluidsreductie is veel hoger dan de geluidsreductie van een scherm of de toepassing van een stiller wegdek. Bij de meeste woningen is in dat geval sprake van een geluidsluwe gevel, maar niet bij alle woningen. Voor een aantal woningen zijn daarom aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk om een geluidsluwe gevel te realiseren. Eveneens is sprake van een geluidsbelasting die hoger is dan 58 dB zodat een motivatie moet worden opgesteld om een hogere waarde dan 58 dB vast te stellen. Omdat de hogere waarde hoger is dan 53 dB moet aandacht worden besteed aan akoestische compensatie.
Vanwege de geluidsbelasting van de provinciale weg N207 op de oostgevel van het gebouw, is voor enkele woningen sprake van een dove gevel. Aan de oostgevel van het gebouw wordt een glazen geluidsscherm geplaatst om het binnenhof af te sluiten en een geluidsluwe binnenruimte te maken. Op de noordgevel hebben enkele woningen naast het geluidsscherm een klein stuk extra dove gevel. De kavel bevindt zich in de nabijheid van de provinciale weg N207, waarbij de kavel schuin op de weg georiënteerd staat. Hierdoor komt het maatgevende verkeersgeluid schuin aan op het plangebied. Dit resulteert erin dat op de oostgevel het meeste geluid binnenkomt en dat deze gevels voornamelijk als Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
33
dove gevels worden uitgevoerd. Het aanhouden van meer afstand tot de provinciale weg is niet mogelijk, omdat in dat geval een groot deel van de locatie niet kan worden bebouwd. Het bouwplan bestaat uit 32 appartementen voor werkende jongeren waarbij het oppervlak per woning beperkt is tot maximaal 50 m2. Hierdoor bestaat het plan uit één- en tweekamerappartementen. Om zoveel mogelijk kwalitatieve geluidsluwe ruimte te creëren is het plan ontworpen met een binnenhof. Het binnenhof krijgt een groene inrichting om zo een optimaal woon- en leefklimaat te realiseren. De appartementen krijgen door deze indeling één gevel aan de buitenzijde en één aan de binnenzijde. De binnen gevels zijn zo afgeschermd van de voornaamste geluidsbron dat aan de binnenzijde geluidsluwe gevels ontstaan. Het bouwvolume heeft hierdoor geluidsluwe gevels aan de binnenzijde en licht en vrij uitzicht aan de buitenzijde. Door de ligging ten opzichte van de N207 ontstaan er op de noordoosthoek van het gebouw een beperkt aantal appartementen met twee dove gevels. De meerwaarde van deze appartementen is echter dat zij door hun ligging aan meerdere kanten licht en vrij uitzicht behouden en aan de binnenzijde een geluidsluwe gevel hebben. Het laten vervallen van één dove gevel door het aanbrengen van een loze ruimte of een leidingschacht gaat ten koste van een deel van de lichtinval en het uitzicht.
Een extra dove gevel is in deze situatie daarom eerder gewenst dan dat het een belemmering oplevert. Daarnaast zorgt het laten vervallen van een dove gevel voor extra kosten en gaat dit ten koste van het bouwvolume. De in het rapport van het akoestisch onderzoek aangegeven maatregelen (dove gevels, geluidsscherm, afgeschermde slaapkamergevels, de geluidsluwe gemeenschappelijke buitenruimte en de geluidscompensatie) zijn vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan (artikel 5.2). In het kader van het bestemmingsplan is een hogere waarde procedure doorlopen. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is opgenomen als bijlage 10 bij deze toelichting. 7.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Hierom moeten hogere waarden worden vastgesteld. De benodigde maatregelen zijn in het rapport benoemd en in de regels van het bestemmingsplan geborgd. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmering voor het bestemmingsplan. 7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
34
grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 7.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd.
Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 32 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO₂, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO₂, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2023 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-monitoringstool. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO₂, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. Nader onderzoek is daarom niet benodigd.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
35
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO₂, PM10 en PM2,5, peiljaar 2023 (Bron: CIMLK-monitoringstool 2023)
7.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
36
richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Geurhinder Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor geurgevoelige objecten (zoals woningen) moet daarnaast het geuraspect meewegen. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in tabel 7.2 opgenomen.
Ligging geurgevoelig object Concentratiegebied Geen concentratiegebied
Binnen bebouwde kom 3 ouE/m3 2 ouE/m3
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3 8 ouE/m3
Tabel 7.2: standaard geurnormen in concentratiegebieden en buiten concentratiegebieden
De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. 7.6.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn, naast (bedrijfs)woningen, verschillende agrarische en recreatieve bestemmingen aanwezig in het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast is het plangebied gelegen naast de ontsluitingsweg N207. Om deze reden is het gebiedstype aan te merken als ‘gemengd’. Ten noordwesten en ten westen van het plangebied zijn diverse woningen gelegen. Deze woningen vormen geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Ten oosten van het plangebied ligt de N207 en aan de andere zijde zijn ook diverse woningen gelegen. Ten noorden van het plangebied ligt ten slotte nog een perceel met de bestemming ‘Recreatie’. Op een kortere afstand zijn aan de westkant reeds woningen gelegen. Deze woningen kunnen redelijkerwijs als maatgevend worden beschouwd. Het plangebied ligt op veel grotere afstand (circa 20 meter) van deze bestemming. Daarnaast liggen de nieuw te realiseren woningen op nog ruimere afstand. Deze recreatieve bestemming leidt dan ook niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Geurhinder In omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gevestigd. Hiervoor is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek naar geurhinder uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Hieruit blijkt dat: - wordt voldaan aan de afstandseisen; Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
37
-
de voorgrondbelasting op zijn hoogst 11,8 ouE/m3 bedraagt; de achtergrondbelasting niet maatgevend is voor het woon- en leefklimaat, maar de voorgrondbelasting. De hoogst berekende voorgrondbelasting bedraagt 11,8 ouE/m3. De geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt 2,0 ouE/m3. Aan deze geurnorm wordt niet voldaan. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer de (op basis van de Wet geurhinder en veehouderij dan wel een geurverordening geldende) geurnorm wordt overschreden, dit niet per definitie inhoudt dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. In deze situatie wordt de voorgrondbelasting aanvaardbaar geacht. De geurbelasting kan namelijk niet verder toenemen, omdat reeds sprake is van een overbelaste situatie. Daarnaast wordt voldaan aan de afstandseisen en is er geen significante invloed vanwege andere veehouderijen in de omgeving. Tevens zullen de toekomstige bewoners vooraf worden geïnformeerd over de geursituatie, waardoor zij dit kunnen meewegen in hun overweging om zich hier te vestigen. 7.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormen bedrijven en veehouderijen in de omgeving geen belemmering voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied.
Omdat er reeds geurgevoelige objecten op kleinere afstand van de veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn, worden deze veehouderijen niet beperkt in hun mogelijkheden en worden de belangen van deze veehouderijen niet geschaad. In de omgeving zijn reeds woningen aanwezig die min of meer net zo maatgevend zijn voor de bedrijven als de nieuwe appartementen. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
38
waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 7.7.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Hiervoor zijn de risicobronnen in de omgeving van de planlocatie inzichtelijk gemaakt en beschouwd, zie ook bijlage 7. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: - Vervoer gevaarlijke stoffen over de N207. Ook is het plangebied gelegen binnen het beperkingengebied van het luchthavenindelingsbesluit (LIB) van Schiphol. Deze risicobronnen worden hieronder beschreven. Luchthaven Schiphol Het plangebied bevindt zich binnen het beperkingengebied van het luchtvaartterrein Schiphol. Het plangebied is gelegen buiten het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid zoals opgenomen is in bijlage 3 van het LIB Schiphol. Wel valt het plangebied binnen het beperkingengebied voor maximale hoogte van objecten. Voor het plangebied geldt een hoogtebeperking van 146 m NAP. De bouwwerken die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt hebben een hoogte (veel) lager dan 146 meter NAP, waardoor deze beperking geen belemmering vormt.
Het plangebied ligt buiten de zone waarbinnen een maximale hoogte geldt voor bomen en struiken. Ook bevindt het plangebied zich niet in het gebied met beperkingen ten aanzien van grondgebruik of bestemmingen met een vogelaantrekkende werking zoals opgenomen is in bijlage 5 van het LIB Schiphol. Binnen het plangebied worden geen windturbines of laserinstallaties gerealiseerd, waardoor niet getoetst hoeft te worden aan de speciale eisen die gelden voor deze objecten. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter, een invloedsgebied van 355 meter voor GF3 (LPG) en een invloedsgebied voor toxische stoffen van 880 of 4.000 meter. De locatie is gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de N207. Voor deze weg dient daarom m.b.v. de HART-methode te worden aangetoond of de ontwikkeling een belemmering vormt. Tevens dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. De N207 ligt direct ten oosten van het perceel en is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen.
De locatie is daarom gelegen binnen het verantwoordingsgebied en binnen het invloedsgebied van GF3 en toxische stoffen. In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de gevaarlijke stoffen die over de N207 vervoerd worden. Stofcategorie
Invloedsgebied [m]
Vervoersaantallen per jaar
LF1 LF2 LT2 GF3
45 45 880 355
3.431 657 35 73
Tabel 7.1: Invloedsgebieden en transporthoeveelheden gevaarlijke stoffen over de weg. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
39
PR contour en PAG De N207 heeft geen PR 10-6 contour en ook geen PAG. Groepsrisicoberekening De hoogte van het groepsrisico is inzichtelijk gemaakt op basis van de vuistregels uit de HART, routetype weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur). Op basis van deze methode is berekend dat de planlocatie ingericht kan worden als verblijfsgebied voor circa 50 personen zonder dat dit een belemmering vormt voor het groepsrisico. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de N207 is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij een tankstation een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe.
Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario plasbrand Door een incident met een benzinetankwagen op de N207 kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de nabijheid van de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Scenario toxische gassen Door een incident op de weg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt.
De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De aanwezigen kunnen vanuit het plangebied naar de Woudsedijk-Zuid vluchten, om vervolgens via deze weg richting het westen te gaan en zo van de bron af te vluchten.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
40
Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De toegangswegen in het plangebied dienen te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. Het wordt aangeraden om bij de positionering van de gebouwen rekening te houden met de risicobron. Zo kan een gebouw bijvoorbeeld een afschermende functie krijgen. Ook wordt aangeraden om hoge personendichtheden op een grotere afstand van de risicobron te plannen. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen.
Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Hiervoor is in de bestemmingsplanregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015. Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet).
De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Conclusie Het aspect externe veiligheid dient bij de verdere uitwerking van het plan meegenomen te worden. De Veiligheidsregio stelt een aantal kanttekeningen en aandachtspunten bij het plan en de invulling daarvan. Gelet op deze punten is nadere betrokkenheid van de Veiligheidsregio bij de verdere uitwerking van het plan gewenst. 7.7.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
41
7.8
Duurzaamheid
7.8.1 Kader Nationaal klimaatbeleid In 2013 zijn er in het ‘Energieakkoord voor duurzame groei’ reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.
Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.
BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). Gelijktijdig met en in aanvulling op de BENG-eisen is de nieuwe indicator TOjuli ingevoerd. Om het risico op oververhitting gedurende de zomer bij nieuwbouwwoningen te beperken wordt aan deze indicator een grenswaarde gesteld. Deze grootheid geeft een indicatie van het risico op temperatuuroverschrijding en wordt bepaald aan de hand van de berekende koelbehoefte over de Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
42
maand juli in de BENG-berekening volgens NTA 8800. 7.8.2 Onderzoek Met de nieuwe woningen wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de huidige wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid en energie. Zo zullen de nieuwe woningen gasloos worden gerealiseerd en voldoen aan de geldende BENG-eisen. 7.8.3 Conclusie Op het gebied van duurzaamheid wordt in ieder geval voldaan aan de huidige wettelijke vereisten. 7.9
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
7.9.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen, anders dan behandeld in de paragraaf externe veiligheid. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
43
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt inzicht gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.2.1 Voorbereidingsfase Participatie Ten behoeve van de planvoorbereiding heeft participatie plaatsgevonden. Er is een informatieavond geweest voor bewoners waarbij de omwonenden zijn geïnformeerd over het plan. Verder is er direct contact geweest met de directe buren en is de Stichting Huisvesting Werkende Jongeren met het plan aanwezig geweest op een themamarkt van de gemeente. Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
44
met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het concept-ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Van de volgende instanties is een overlegreactie ontvangen: - Omgevingsdienst West-Holland (ODWH); - Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM); - Hoogheemraadschap van Rijnland; - Provincie Zuid-Holland. Naar aanleiding van de ontvangen overlegreacties is het bestemmingsplan op verschillende punten aangepast. De omgevingsdienst heeft de diverse milieuaspecten en -onderzoeken bij het bestemmingsplan beoordeeld. 8.2.2 Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 21 december 2023 t/m 31 januari 2024 ter inzage gelegen.
Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. In deze periode zijn in totaal zes zienswijzen ontvangen. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen’, die als bijlage 11 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. 8.2.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad een besluit nemen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 8.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling
45
aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig.
Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is. De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.