CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPWOUDSEDIJKZUID22-VAS1 toelichting, regels en verbeelding

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woudsedijk-Zuid 22, Woubrugge’.34.868 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Gemeente Kaag en Braassem

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Vaststelling

621.143.20 KUIPERCOMPAGNONS Datum: Mei 2024

GEMEENTE KAAG EN BRAASSEM

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22”

TOELICHTING, REGELS, VERBEELDING

werknummer 621.143.20 datum Mei 2024 bestand J:\621\143\20\3.projectresultaat

Procedureoverzicht Fase

Datum

Ontwerp

Augustus 2023

Vaststelling

Mei 2024

TOELICHTING

Inhoudsopgave van de toelichting 1.

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel van het plan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Leeswijzer 2.

Planbeschrijving

1

1 1 2 3

2.1 Bestaande situatie plangebied 2.2 Ontwikkelingen 2.3 Juridische aspecten

3 4 8

3.

Ruimtelijke Ordening

11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie

11 12 15 16 18

4

Natuur en landschap

19

4.1 Kader 4.2 Onderzoek 4.3 Conclusie

19 21 22

5

Water

23

5.1 Kader 5.2 Onderzoek 5.3 Conclusie

23 25 27

6

Archeologie en cultuurhistorie

28

6.1 Kader 6.2 Onderzoek 6.3 Conclusie

28 28 28

7

Milieu

29

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9

Algemeen M.e.r.-beoordeling Bodemkwaliteit Akoestische aspecten Luchtkwaliteit Milieuzonering Externe veiligheid Duurzaamheid Overige belemmeringen

29 29 30 31 33 35 37 41 42

8

Uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.3 Handhavingsaspecten

43

43 43 44

Bijlagen: Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11

Van der Goes en Groot (4 januari 2022) Quickscan flora en fauna KuiperCompagnons (21 november 2023) Stikstofdepositie-onderzoek KuiperCompagnons (november 2023) Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Geofoxx (15 juni 2021) Verkennend bodemonderzoek Terra Milieu (26 juni 2023) Actualiserende memo bodemonderzoek KuiperCompagnons (21 november 2023) Akoestisch onderzoek KuiperCompagnons (september 2023) Notitie externe veiligheid Van der Goes en Groot (20 oktober 2023) Inventarisatie beschermde soorten De Roever Omgevingsadvies (2 november 2023) Onderzoek geurhinder veehouderijen Besluit hogere waarden Nota van beantwoording zienswijzen

1

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan Stichting Huisvesting Werkende Jongeren heeft het voornemen 32 sociale huurappartementen voor lokale, werkende jongeren te realiseren ter plaatse van het perceel aan de Woudsedijk-Zuid 22 te Woubrugge. Om dit initiatief te kunnen realiseren is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan vormt een passend nieuw planologisch kader voor deze ontwikkeling. Doel De ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt de gewijzigde opzet in juridisch-planologische zin mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Woudsedijk-Zuid. Het plangebied hoort bij de kern Woubrugge en ligt ten zuidoosten van de kern Rijnsaterwoude. Het perceel is circa 1.850 m2 groot. Het plangebied wordt grofweg begrensd door: - Een watergang aan de noordzijde; - de N207 in het oosten; - bestaande woonbebouwing aan de westzijde; - de Woudsedijk-Zuid aan de zuidzijde.

Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied

De exacte ligging van het plangebied is weergegeven op de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding. De globale ligging van het plangebied is in afbeelding 1.1 weergegeven.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

2

1.3

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt ingedeeld. In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1, zijn een aantal algemene planaspecten opgenomen. In hoofdstuk 2 vindt de planbeschrijving plaats en wordt tevens een toelichting gegeven op de bestemmingsmethodiek. Hoofdstuk 3 tot en met 7 vormt feitelijk de achterliggende onderbouwing voor de wijziging en gaat in op, onder andere, ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, mobiliteit, natuur en landschap, water, archeologie en cultuurhistorie en milieu. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond en wordt ook ingegaan op het overleg- en inspraaktraject.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

3

2.

Planbeschrijving

2.1

Bestaande situatie plangebied Het plangebied is gelegen in Woubrugge, een dorp in de gemeente Kaag en Braassem in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied grenst aan de ontsluitingsweg Woudsedijk-Zuid, die uitmondt op de Herenweg aan de bebouwde kom van Rijnsaterwoude. Feitelijk grenst het plangebied aan de kern van Rijnsaterwoude. De Herenweg is een oud lint met cultuurhistorische waarde. Het plangebied bestaat momenteel uit een bedrijvenlocatie, bestaande uit een bedrijfspand en opslag.

Afbeelding 2.1: Impressie bestaande situatie plangebied

Vigerend bestemmingsplan Voor de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude’ (vastgesteld 17 juni 2013). Het plangebied kent hierin de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Binnen de bedrijfsbestemming geldt voor het plangebied de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – opslag provinciale waterstaat’. Het gehele plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Daarnaast kent de zuidelijke helft van het plangebied momenteel de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Omdat de voorziene ontwikkeling niet past binnen het geldende bestemmingsplan wordt met dit voorliggende bestemmingsplan een nieuw juridisch-planologisch kader opgesteld. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

4

Afbeelding 2.3: Vigerende planologische situatie (in rood de globale begrenzing). Bron: Ruimtelijkeplannen.nl (bestemmingsplan ‘Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude’)

2.2

Ontwikkelingen

2.2.1 Programma De Stichting Huisvesting Werkende Jongeren heeft het voornemen om 32 sociale huurappartementen te realiseren. De doelgroep voor deze woningen bestaat uit lokale, werkende jongeren tussen de 18 en 28 jaar. Door deze jongeren een plek te bieden kunnen ze makkelijker doorstromen naar een grotere woning of hoger op de wachtlijst komen te staan bij andere woningbouwverenigingen. Het plangebied wordt ontsloten via de Woudsedijk-Zuid. Via deze weg zijn de parkeerplaatsen en de woningen binnen het plangebied bereikbaar. Aan de zuid- en zuidoostzijde zijn 33 parkeerplaatsen ingetekend, met aan de zuidzijde van de parkeerplaatsen een bomenrij (zie afbeelding 2.4 en 2.5). Op afbeelding 2.5 is de begane grond van de woningen weergegeven, met de locatie van de geluidsschermen. Op de akoestische aspecten wordt in paragraaf 7.4 nader ingegaan. Het woonprogramma bestaat uit vier losse appartementengebouwen waar de 32 huurwoningen over verdeeld zijn (zie afbeelding 2.4 en 2.5). Er zijn drie soorten typologieën, deze zijn weergegeven op afbeelding 2.6: • Type A: een studio van 34-36 m2 bestaande uit één ruimte met een badkamer en wc. • Type B: een tweekamerappartement van 43-45 m2, bestaande uit een slaapkamer, een badkamer en wc en een woon-eetruimte. Van Type B bestaat er ook een type met een dakkapel, deze woning is 36 m2 groot.

• Type C: een tweekamerappartement van 45 m2,, ook bestaande uit een slaapkamer, een badkamer en wc en een woon-eetruimte, en daarnaast een dakkapel. Op afbeelding 2.7 wordt een impressie van de appartementengebouwen weergegeven.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

5

Afbeelding 2.4: Nieuwe situatieschets. Bron: Bouwteam P&O, 7 november 2023

Afbeelding 2.5: Plattegrond van de verschillende bouwlagen. Inclusief locatie van de geluidsschermen. Bron: Bouwteam P&O, 28 maart 2023

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

6

Afbeelding 2.6: Plattegrond van de verschillende woningtypologieën. Bron: Bouwteam P&O, 28 maart 2023

Afbeelding 2.7: Schetsontwerp toekomstige situatie Bron: Bouwteam P&O, 28 maart 2023

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

7

2.2.2 Verkeersgeneratie en parkeren Parkeren Op basis van de gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen 2018’ is het totaal aantal vereiste parkeerplaatsen voor de woningen bepaald. De gemeente Kaag en Braassem wordt als weinig stedelijk aangemerkt. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling binnen de ‘rest bebouwde kom’. Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van in oppervlakte verschillende woningen ten behoeve van jongerenhuisvesting. De huisvesting is klein van opzet om betaalbare woonruimte te realiseren voor startende werkende jongeren. Het gebruiksoppervlak (GO) varieert van 34 m2 tot maximaal 45 m2. Deze ontwikkeling is niet eenduidig in te delen in de functiecategorieën uit de Nota Parkeernormen 2018 en CROW-publicatie. De categorie ‘kamerverhuur (zelfstandig en niet-zelfstandig)’ lijkt passend voor de woonruimtes van 35 m2 gebruiksoppervlak. Het betreffen immers zelfstandige eenheden bestemd voor verhuur, met een oppervlak dat vergelijkbaar is met een kamer of studio. Dit betekent een parkeernorm van minimaal 0,6 parkeerplaats per woonruimte. Voor de grotere woonruimtes ligt dit echter minder voor de hand. In overleg tussen initiatiefnemer en gemeente is bepaald deze woningen onder ‘etage goedkoop <65 m 2’ te scharen, met een parkeernorm van minimaal 1,2 parkeerplaats per woonruimte.

Met behulp van deze parkeernormen is voor de voorgenomen ontwikkeling de parkeerbehoefte berekend. Categorie

Aantal 16

Minimale norm 0,6

Gemiddeld totaal aantal parkeerplaatsen benodigd 9,6

Kamerverhuur (zelfstandig en nietzelfstandig) Etage, goedkoop (<65 m2) Totaal

16

1,2

19,2 29 parkeerplaatsen

Tabel 1: Parkeerberekening

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het minimale benodigde aantal parkeerplaatsen uitkomt op 29 parkeerplaatsen. In totaal worden er 33 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het plan voldoet daarmee aan de parkeernorm. De parkeerplaatsen bevinden zich aan de zuid- en zuidoostzijde van het plangebied. Tussen de parkeerplaatsen en de zijde langs de weg worden bomen geplaatst. De parkeerplaatsen bestaan uit half-verharding. Het water dat op deze verharding terecht komt, stroomt dan af naar de bodem en infiltreert hierin. Verkeersgeneratie De Nota Parkeernormen 2018 bevat geen kengetallen voor verkeersgeneratie. De categorieën zoals gehanteerd in de parkeerberekening zijn hier dan ook niet bruikbaar. Daarom is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie berekend op basis van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstigbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Daarbij is uitgegaan van de categorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop’. Categorie

Aantal

Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)

32

Minimale norm 3,7

Maximale norm 4,5

Gemiddeld totaal aantal verkeersbewegingen 131,2

Tabel 2: Berekening verkeersgeneratie

De toekomstige verkeersgeneratie komt met de nieuwe appartementen op ca. 131 motorvoertuigbewegingen. De woningen zullen worden ontsloten via de Woudsedijk-Zuid richting de Herenweg. Deze wegen beschikken over voldoende capaciteit om de toename aan Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

8

verkeersbewegingen op te vangen. Daarnaast ligt de locatie op zeer korte afstand van de N207. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename. 2.3

Juridische aspecten De gewenste ontwikkeling van het plangebied zoals beschreven in vorige paragrafen, is juridisch vertaald in de planregels en de planverbeelding. In deze paragraaf wordt een nadere toelichting gegeven op deze juridische vertaling.

2.3.1 Planmethodiek De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of nog op te richten bouwwerken. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: • Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); • Algemene regels (hoofdstuk 3); • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). Hierna worden de vier hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk is een groot aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel “Wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de groenstroken rondom de nieuwe bebouwing en verhardingen. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen, wegen en paden, verhardingen en verschillende (ondergeschikte) voorzieningen.

Bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn beperkt mogelijk, gebouwen zijn hier niet toegestaan. Verkeer Aan de ontsluitingsstructuur en parkeerplaatsen binnen het plangebied is de bestemming ‘Verkeer’ toegekend. Daarbinnen zijn onder meer wegen en paden met hoofdzakelijk een verkeers- of verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen toegestaan. Wonen Ten behoeve van de nieuwe woningen is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen. Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn vier bouwvlakken opgenomen waarbinnen de huurappartementen mogen worden gebouwd. Middels de bouwaanduiding ‘gestapeld’ is bepaald dat alleen gestapelde woningen zijn toegestaan. Verder zijn er maatvoeringsaanduidingen opgenomen voor de maximale bouwhoogte en het maximum aantal wooneenheden per bouwvlak, aansluitend bij het beoogde bouwplan. Ook zijn enkele bepalingen opgenomen met betrekking tot akoestiek, voortkomend uit het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 7.4). Zo moet onder meer ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

9

dove gevel’ een dove gevel gerealiseerd en in stand gehouden worden en moet er een geluidsscherm ter plaatse van de aanduiding ‘geluidsscherm’ worden gerealiseerd. Ten slotte is er een bouwaanduiding voor de berging van de huurappartementen opgenomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Het gaat om de volgende artikelen. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, galerijen en kelders. Daarnaast zijn er regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen en bestaande afstanden en maten. Daarnaast is in de algemene bouwregels een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. Indien op grond van één van de in het voorliggende plan opgenomen bestemmingen wordt gebouwd, dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid.

Daarbij wordt gebruik gemaakt van het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid. Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’. Indien deze parkeernota in de toekomst herzien wordt, dient getoetst te worden aan het meest recente gemeentelijke parkeerbeleid. Algemene gebruiksregels In dit artikel is in algemene zin aangegeven wanneer sprake is van strijdig gebruik met de regels uit het bestemmingsplan. Daarnaast is een regeling opgenomen voor aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven (afwijkingsbevoegdheid). Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen. Het betreft hier onder meer een standaardregeling die beperkte afwijkingen in de maatvoering bij de uitvoering van bouwplannen mogelijk maakt. Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de bouw van openbare nutsvoorzieningen, kunstobjecten en andere nutsgebouwen. Algemene wijzigingsregels Een wijzigingsbevoegdheid is onder voorwaarden opgenomen voor geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmeting van bestemmingsgrenzen met niet meer dan 10%. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling.

Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

10

2.3.3 Geometrische plaatsbepaling Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor ondermeer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

11

3.

Ruimtelijke Ordening

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, de leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Ook internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio's vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet is er één rijksvisie op de leefomgeving opgesteld: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt op nationaal niveau de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR) en de strategische ruimtelijke delen van het verkeers- en vervoerplan, het nationale waterplan, de natuurvisie en het milieubeleidsplan. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de NOVI als nationale visie onder de Omgevingswet Planspecifiek Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Rijk legt met het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Binnen het plangebied komen geen nationale ruimtelijke belangen voor. Het Barro vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Ladder Duurzame Verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 32 nieuwe woningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De voorliggende ontwikkeling is met 32 woningen dus ladderplichtig. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

12

Beschrijving behoefte woningen Op basis van de Woningbehoefteraming (WBR 2019) en de Trendraming (TR 2019) van de provincie Zuid-Holland bedraagt de woningvoorraadtoename voor Kaag en Braassem binnen de regio Holland Rijnland 1.740 woningen tot en met 2030, waarvan 840 in de periode 2020-2025. De procentuele groei van de gewenste woningvoorraad (GWV) van de gemeente Kaag en Braassem bedraagt tot 2040 meer dan 15%. In de recentere WBR 2021 is de regionale woningbehoefte voor Holland Rijnland voor de periode 2021-2030 nog min of meer gelijk gebleven, met circa 27.500. Met een overcapaciteit van 30% betekent dit een toegestane plancapaciteit van 35.685 woningen. Daarnaast is er op dit moment een aanzienlijke schaarste aan woningen in de sociale huur. De regio Holland Rijnland ziet de wachttijden over de hele linie van sociale huurwoningen oplopen. In de prijsklasse tot €410,- per maand neemt de schaarste volgens gemeenten het sterkst toe. Volgens de Woningmarkverkenning Zuid-Holland is er in Holland Rijnland tot 2030 een netto toename van de behoefte van zo’n 1.600 woningen in de sociale huursector. Locatie (bestaand stedelijk gebied) Het plangebied grenst aan de ontsluitingsweg Woudsedijk-Zuid, die uitmondt op de Herenweg aan de bebouwde kom van Rijnsaterwoude. De locatie ligt ingeklemd tussen in het noorden en westen het bebouwd (woon)gebied van Rijnsaterwoude.

Hiermee kan worden beargumenteerd dat voorgenomen ontwikkeling plaats vindt binnen het bestaand stedelijk gebied. Met de invulling van het perceel met woningbouw vindt daarnaast een kwaliteitsverbetering plaats van de dorpsrand van Rijnsaterwoude. Gezien het voorgaande kan worden geconstateerd dat er in de regio en de gemeente Kaag en Braassem een grote woningbehoefte bestaat, en specifiek ook naar huurwoningen in het goedkope segment. Met de beoogde ontwikkeling worden 32 studio’s en appartementen gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied. Deze worden uitgevoerd als (sociale) huurwoningen, gericht op werkende jongeren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de grote regionale en lokale behoefte. De voorgenomen ontwikkeling voldoet zodoende aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsbeleid Zuid-Holland Oorspronkelijk op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar ‘Omgevingsbeleid’ vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste integrale herziening (Herziening 2021) is op 2 februari 2022 door Provinciale Staten vastgesteld en op 15 maart 2022 in werking getreden. Door het samenvoegen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten een omgevingsvisie te maken.

De provinciale Omgevingsvisie bestaat uit de volgende onderdelen: • Een beschrijving en kaartbeelden van de ruimtelijke hoofdstructuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid: ambities en sturing; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

13

•

De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Ad. 1 Ruimtelijke hoofdstructuur

Ad. 2 Omgevingsbeleid: ambities en sturing De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Ad. 3 Omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een ‘kwaliteitskaart’ en bijbehorende ‘richtpunten ruimtelijke kwaliteit’. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

14

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem ligt in het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied. Het plangebied is aangeduid op drie van de kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Veencomplex – Veen’. Richtpunt is dat ontwikkelingen zorg dragen voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Ook is een deel van het plangebied aangeduid als ‘Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen’. Richtpunten hierbij zijn dat ontwikkelingen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar in stand houden en dat waar mogelijk de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar worden gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op bodemdaling.

Daarnaast zijn er ter plaatse van het plangebied geen bijzondere patronen of reliëf in het landschap en/of archeologische waarden aanwezig, die met de ontwikkeling worden aangetast. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen is het plangebied aangeduid als ‘Droogmakerij (klei)’. Richtpunt is dat nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. De Woudsedijk-Zuid is binnen deze aanduiding benoemd als ‘Ringdijk/ringvaart’. Richtpunt hierbij is het behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders. Met voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de doorzichten naar het omliggende landschap en de nieuwe appartementengebouwen worden groen ingekleed. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de dijk. In de laag van de stedelijk occupatie is het plangebied aangeduid als ‘Stads- en dorpsranden’. Ontwikkelingen binnen dit gebied dienen bij te dragen aan een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plangebied past binnen de overgangskwaliteit ‘contact’.

Bebouwd gebied en landschap zijn hier verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit bedrijvenlocatie met een bedrijfspand en opslag. De locatie ligt ingeklemd tussen in het noorden en westen het bebouwd (woon)gebied van Rijnsaterwoude, in het oosten de N207 en ten zuiden het buitengebied van Woubrugge. Het plangebied kent geen specifieke landschappelijke waarden of bijzondere ruimtelijke kwaliteit. Met de ontwikkeling wordt wel aangesloten bij de bestaande landschappelijke structuren in de omgeving. De hoeveelheid verharding neemt af en langs de zijde van de weg komt een bomenrij. In de omgeving is daarnaast al veel woningbouw aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan op het bestaande profiel van het gebied.

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling past binnen de richtpunten uit de provinciale kwaliteitskaarten. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

15

Ad. 4 Beleidskeuzes De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. Hieronder zijn de voor het plangebied relevante opgaven uiteengezet. Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder. Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een gezonde en veilige leefomgeving en zorgvuldig ruimtegebruik. De diverse relevante milieuaspecten worden in hoofdstuk 7 verder uiteengezet en afgewogen. Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Het document is toegespitst op de thema’s Bebouwde ruimte en mobiliteit, Landschap, groen en erfgoed en Water, bodem en energie. Planspecifiek Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het Programma Ruimte. 3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: • Holland Rijnland is een top woonregio; • Leiden vervult een regionale centrumfunctie; • Concentratie stedelijke ontwikkeling; • Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; • Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; • Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; • Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek De in dit bestemmingsplan opgenomen woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan de uitwerking van de eerste en de derde kernbeslissing om in de aaneengesloten stedelijke agglomeratie van Holland Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

16

Rijnland netto 30.000 woningen toe te voegen, om te kunnen voorzien in de regionale behoefte. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020. 3.3.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2017 Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Om goed in te kunnen spelen op deze ontwikkelingen, stelden de gemeenten in Holland Rijnland de Regionale Woonagenda 2017 op. Dit document vervangt de vorige woonagenda uit 2014. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijnen Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is. Met de vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu.

In de regio Holland Rijnland blijkt uit de bandbreedte in de behoefteramingen van de provincie dat er meer behoefte is dan enkel vanuit de regio zelf; immers de behoefte volgens de provinciale Bevolkingsprognose (BP) ligt ruim boven het niveau van de Woningbehoefteraming (WBR) die uitgaat van de autonome regionale behoefte. Er is een substantiële behoefte van buiten de regio. De autonome woningbehoefte in de regio is volgens de WBR van de provincie in de periode 2015 - 2030 30.000 woningen (uitgaande van de lokale bevolkingsontwikkeling, zonder saldo instroom van buiten). Planspecifiek De in dit bestemmingsplan opgenomen woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan het voorzien in de verwachte woningbehoefte, en met name aan de opgave om sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen te realiseren. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. Daarmee is de eerste versie van de omgevingsvisie (1.0) uit 2020 geactualiseerd. In deze brede visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar. Met de omgevingsvisie wil de gemeente borgen wat goed gaat en inzetten op verdere vernieuwing en ontwikkeling waar dit nodig is. Per onderwerp zijn opgaven weergegeven en is aangegeven met welke doelen de gemeente deze opgaven wil bereiken. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld, met bijbehorende kenmerken en waarden. Op basis daarvan is per gebied een beknopt perspectief voor de toekomst geschetst. Aan de hand van gebiedsgerichte programma’s zijn de gebiedstypen uit de omgevingsvisie nader uitgewerkt, met name bedoeld om richting te geven aan het op te stellen omgevingsplan. Het plangebied bevindt zich binnen het gebiedstype ‘Kernen’. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze zijn per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven. Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in centrum dorps en landelijk dorps.

Onder centrum dorps vallen de kernen Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

17

Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen hebben een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die vallen onder het subgebiedstype landelijk dorps. Binnen dit gebiedstype zijn de volgende doelen geformuleerd: • Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. • Een passende woning voor iedereen. • Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Dorpsperspectief Rijnsaterwoude De locatie hoort bij de kern Woubrugge, maar ligt ingeklemd tussen in het noorden en westen het bebouwd (woon)gebied van Rijnsaterwoude, waardoor wordt aangesloten bij het dorpsperspectief voor Rijnsaterwoude in plaats van dat van Woubrugge. In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat ook voor Rijnsaterwoude de nadruk ligt op het behoud van het bestaande karakter. Het toevoegen van woningen is van belang voor het dorp, om het IKC in de toekomst voor het dorp te behouden en vergrijzing zoveel mogelijk tegen te gaan. De woningbouwplannen beperken zich voornamelijk tot verdichting binnen de dorpsranden. Vrijkomende locaties bieden eveneens mogelijkheden tot kleinschalige woningbouw. De Herenweg is gereconstrueerd en de gemeente zet zich in om sluipverkeer zoveel mogelijk tegen te gaan.

Er wordt veel waarde gehecht aan het behoud van de karakteristiek van de entrees van Rijnsaterwoude aan zowel de noord- (boezemlint met doorzichten naar open landschap) als zuidzijde (bomen) van het dorp. Planspecifiek De gemeente richt zich in de omgevingsvisie op het bouwen voor alle doelgroepen, maar heeft op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren. De gemeente zet dan ook in op het bouwen van betaalbare woningen voor ouderen, starters en jongeren om zo de doorstroming te stimuleren. Daarnaast stelt de gemeente dat vrijkomende locaties waar mogelijk in eerste instantie ingezet zouden moeten worden ten behoeve van woningbouw en pas daarna voor de inpassing van groen of duurzame energieopwekking. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 32 sociale huurappartementen voor lokale, werkende jongeren. Gelet op het voorgaande draagt de ontwikkeling bij aan de ambities en uitgangspunten van de omgevingsvisie. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden.

Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de rijksmonumenten, karakteristieke panden en karakteristieke gebieden. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied ligt ten zuidoosten van de kern Rijnsaterwoude en is gelegen in een welstandsluw gebied. Binnen en rondom het plangebied zijn geen rijksmonumenten of karakteristieke panden Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

18

aanwezig. Aan de Herenweg bevindt zich wel een karakteristiek pand, dit wordt echter door een aantal tussenliggende percelen gescheiden van het plangebied. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een karakteristiek gebied. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld. 3.4.3 Nota Parkeernormen 2018 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’, die op 15 maart 2018 in werking is getreden. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het doel hiervan is te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen.

Met de parkeernota worden de volgende effecten beoogd: • Het waarborgen van de bereikbaarheid; • Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; • Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; • Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte. Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte. Door parkeernormen te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. Planspecifiek In dit bestemmingsplan is een specifieke regeling ten aanzien van parkeren opgenomen. Daarin is bepaald dat bij het bouwen en het wijzigen van het bestaande gebruik dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij getoetst wordt aan de (minimale) parkeernormen uit de Nota Parkeernormen 2018.

Parkeren binnen het plangebied wordt geheel op eigen terrein opgelost, zie ook paragraaf 2.2.2. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen 2018. 3.5

Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

19

4

Natuur

4.1

Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.1.1 Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.

Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

20

3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Kaag en Braassem is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).

Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 4.1.2 Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 4.1.3 Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de Rijksoverheid). Naast Natuurnetwerk Nederland zijn er provinciaal beschermde gebieden, zoals Strategische reservering natuur, belangrijke weidevogelgebieden en karakteristieke landschapselementen. Voor mogelijke effecten op beschermde gebieden is de nabijheid van dergelijke gebieden van belang. Als een activiteit in of nabij een beschermd gebied plaatsvindt, kunnen mogelijk negatieve effecten ontstaan.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

21

4.2

Onderzoek

4.2.1 Soortenbescherming Door onderzoeksbureau Van der Goes en Groot is een ecologische quickscan uitgevoerd, die is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Uit de quickscan blijkt het volgende: • Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en overige fauna. • Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën, grondgebonden zoogdieren en overige fauna alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn in het plangebied. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. • Teneinde de vestiging van overwinterende rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. • In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli.

• Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. • In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstand-aarden en/of kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. • Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

Uit de ecologische quickscan is gebleken dat er verblijvende vleermuizen in het plangebied kunnen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven: • In het plangebied zijn alleen langsvliegende en foeragerende vleermuizen waargenomen. • Verblijfplaatsen van vleermuizen konden niet worden vastgesteld in het plangebied. Rondvliegende vleermuizen met sociale geluiden vertoonden geen gebouw gebonden activiteit en konden niet aan aanwezige bebouwing worden gekoppeld. • Er is wel een verblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen buiten het plangebied. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

22

•

•

•

•

Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Vanwege het ontbreken van verblijfplaatsen van vleermuizen en/of andere beschermde gebruiksfuncties die in betekenende mate worden aangetast, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht.

4.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een ander beschermd natuurgebied. De planlocatie is niet gelegen in een belangrijke weidevogelgebieden en gebieden die zijn aangewezen als “strategische reserve natuur”. Daarnaast zijn binnen het plangebied geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Kennemerland-Zuid op een afstand van minimaal 12 km. Andere stikstofgevoelige natuurgebieden die op vrijwel dezelfde afstand zijn gelegen betreffen Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide op een afstand van respectievelijk 13 à 14 km. In dit kader is door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Hierin is voor de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen de stikstofdepositie beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting.

Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden in zowel de aanleg- als de gebruiksfase van deze nieuwe woningen. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 4.3

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan “Woudsedijk-Zuid 22” Toelichting Vaststelling

23

5

Water

5.1

Kader Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Nationale maatlat klimaatadaptatie De ontwikkeling van de maatlat duurt een half jaar en gebeurt samen met de (bouw)sector. Naast de landelijke koepels van publieke en private sector worden decentrale overheden, bedrijven en experts betrokken via interviews en een klankbordgroep. Zij hebben namelijk al ervaring met ontwerpen, ontwikkelen, en bouwen van klimaatadaptieve gebieden en gebouwen. Zij brengen deze ervaringen in en denken mee over de invulling van de maatlat. De maatlat wordt binnenkort opgeleverd. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025.

Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Bestuurlijke afspraken en een minimale programma van eisen (PvE) zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief bouwen - Provincie ZuidHolland. Rijnland is medeondertekenaar en spant zich daarom ook in het convenant te effectueren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=3f8afe64-6b14-459d-be6b-8476cc33b188