NL.IMRO.1884.BPWESTERDIJK47TM49-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Waterveiligheid Beschermde gebieden, of beschermingszones, zijn opgenomen op de leggerkaarten van het Hoogheemraadschap van Rijnland en borgen, in samenhang met de Keur, dat de betreffende waterstaatswerken aan de taken kunnen blijven voldoen. Dit betekent dat werken in beschermingszones aan regels is geboden. De volgende leggerkaarten zijn beschikbaar: Legger oppervlaktewateren Legger primaire waterkeringen Legger regionale keringen Legger ondersteunende kunstwerken Het plangebied is deels gelegen binnen de beschermingszone en kernzone van een regionale waterkering. Binnen deze zone mag niet zonder meer worden gebouwd en voor zover wel mag worden gebouwd, is dit veelal aan een watervergunning onderhevig. In de regels bij dit bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen, waarmee is geborgd dat het waterkeringsbelang door de (bouw)activiteiten niet onevenredig wordt geschaad en dat het Hoogheemraadschap van Rijnland hiertoe een schriftelijk advies wordt gevraagd.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 29
figuur 5.2 Uitsnede Legger regionale waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap van Rijland)
De westzijde van het plangebied wordt begrensd door de Oude Wetering. De Oude Wetering betreft een primair oppervlaktewaterlichaam. Daarnaast ligt binnen het plangebied een insteek waar boten en (kleine) schepen aan kunnen meren. Deze insteek is aangewezen als overige watergang. Een en ander is weergegeven op onderstaand figuur 5.3.
figuur 5.3 Uitsnede Legger oppervlaktewateren (bron: Hoogheemraadschap van Rijland)
Zowel de Oude Wetering als de insteekhaven kennen een beschermingszone. Deze beschermingszone dient (met name) met het oog op onderhoudswerkzaamheden vrij te worden gehouden van obstakels. Het overnemen van de beschermingszone in het bestemmingsplan is niet nodig. De waterbelangen die met deze beschermingszones worden gediend, worden afdoende gewaarborgd door de regels uit de Keur. In beginsel is een watervergunning noodzakelijk voor het oprichten van bebouwing binnen de beschermingszones, maar afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan op basis
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 30
van de Uitvoeringsregels behorende bij de Keur in bepaalde gevallen ook worden volstaan door te werken volgens de zorgplicht met erkende maatregel. Dit laatste geldt voor overige watergangen, waarvan het beheer en onderhoud bij derden anders dan het hogheemraadschap berust. Voor deze watergangen geldt - mits wordt voldaan aan de daartoe geldende voorwaarden - de zorgplicht. Dit laatste in tegenstelling tot de primaire watergangen, waarvoor wel een watervergunning benodigd is, een en ander voor zover binnen de beschermingszone wordt gewerkt of gebouwd. Tot slot geldt dat aan deze zijde een vrijwaringszone geldt in verband met de vaarweg die over de Oude Wetering voert. Deze vrijwaringszone volgt uit het van toepassing zijnde provinciaal beleid. Verwezen wordt derhalve naar paragraaf 3.3.2 van voorliggende toelichting. In deze paragraaf kan worden volstaan met de vermelding dat de vrijwaringszone is overgenomen op de verbeelding en de regels bij dit bestemmingsplan. Zodra een uitgewerkt bouwplan bestaat, kan deze worden getoetst aan de geldende waterregelgeving en de randvoorwaarden ten aanzien van de vaarweg. Voor dit bestemmingsplan geldt dat onderhavig onderdeel afdoende is onderzocht.
Waterkwaliteit en grondwaterstand Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Voor grondwater geldt voorts dat geen ondergrondse bebouwing aanwezig is in de huidige situatie. Of in de toekomstige situatie ondergrondse bebouwing wordt aangelegd dient te zijner tijd te blijken uit het nader in te dienen bouwplan. Ondergronds bouwen is in beginsel toegestaan, maar wel aan randvoorwaarden onderhevig. Deze voorwaarden staan benoemd in art. 8.1 van de regels bij dit bestemmingsplan en zien op de hoogte van het bouwwerk (incl. fundering), dat niet meer dan 3,2 meter onder peil mag bedragen. Indien een grotere diepte wenselijk is, dient hiertoe een positief advies te zijn verkregen van provincie en waterschap. Voor zover ondergrondse bebouwing beoogd is binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' prevaleren de regels uit deze dubbelbestemming en mag niet zonder meer worden gebouwd. Met bovenstaande regeling wordt een wijziging in grondwaterpeil en/of grondwaterstromen voorkomen. Voor de uitvoering van het project is bovendien ontgraving (anders dan eventuele ontgraving voor ondergrondse bebouwing) niet noodzakelijk.
Van risico's ten aanzien van opbarsten met omhoogkomend grondwater als gevolg is met inachtneming van de regels eveneens geen sprake. Riolering Voor huishoudelijk afvalwater geldt dat dit in de toekomstige situatie toe zal nemen. Dit is inherent aan de planologische wijziging, nu in de bestaande situatie twee en in de toekomstige situatie drie woningen op het perceel aanwezig zijn. Het huishoudelijk afval neemt dus in geringe mate toe, maar deze toename is verwaarloosbaar en bovendien staat daar tegenover dat afvalwater afkomstig van de bedrijfsactiviteiten komt te vervallen. Daarnaast geldt dat de bestaande bedrijfslocatie nog aangesloten is op een gemengd stelsel, waar in de toekomstige situatie conform de huidige wetgeving schoon hemelwater wordt afgekoppeld om daarmee de druk op het vuilwaterriool te beperken. Door het schoon hemelwater in de toekomstige situatie af te koppelen wordt de druk op het vuilwaterriool beperkt. Er ontstaat daardoor een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. De te verwachten toename van het huishoudelijk afvalwater is bovendien niet zodanig dat hierdoor aanpassingen op het riool noodzakelijk zijn. Digitale watertoets Ten behoeve van het bestemmingsplan is de digitale watertoets doorlopen. Daaruit volgt (logischerwijs) dat met het plan waterbelangen worden geraakt.
In het kader van het vooroverleg wordt het plan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Rijnland. Voorliggende toelichting zal zonodig worden aangevuld met of aangepast op basis van het Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 31
daaruit volgende advies. Conclusie Het plan heeft geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg. Derhalve is watercompensatie niet aan de orde. Voor het oprichten van bebouwing binnen de beschermingszones van de secundaire waterkering, primair oppervlaktewater en overige watergang gelden randvoorwaarden en een mogelijke vergunningsplicht, maar een en ander is afhankelijk van het nader in te dienen bouwplan. De waterkering is in dit bestemmingsplan beschermd met een dubbelbestemming, hetgeen voor de watergangen niet noodzakelijk is. Ter plaatse worden de waterbelangen afdoende gewaarborgd door de Keur. Van negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie is vooralsnog geen sprake. De waterhuishoudkundige situatie vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.5
Ecologie
Kader Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming (Wnb). De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft.
Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets' Relatie tot bestemmingsplan Ten behoeve van het bestemmingsplan is door ecologisch adviesbureau Van der Goes & Groot een quickscan Wet natuurbescherming en een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportages zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 3 en 4 bij deze toelichting. De resultaten worden hieronder samenvattend weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op meer dan 10 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 32
Figuur 5.4: Situering plangebied in relatie tot Natura 2000-gebied, NNN, strategische reservering natuur en weidevogelgebieden
Het geplande project leidt daarnaast mogelijk tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hieruit blijkt dat zowel tijdens de aanlegals tijdens de gebruiksfase geen sprake is van depositiewaarden van meer dan 0,00 mol/ha/jr op de daartoe gevoelige habitattypen. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied dat valt onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of in een belangrijk weidevogelgebied. Voor dit weidevogelgebied wordt opgemerkt dat de planlocatie wel gelegen is in de nabijheid daarvan, maar dat de ontwikkeling gezien de ligging, aard en omvang geen negatieve effecten heeft op weidevogels in de omgeving. De strategische reservering natuur en karakteristieke landschapselementen dienen ook meegenomen te worden in de beoordeling, maar ook hier is het plangebied niet in gelegen. Soortenbescherming Om de nieuwe woning te kunnen realiseren is het noodzakelijk de bestaande loods en bijgebouw te slopen. Met deze werkzaamheden kunnen negatieve effecten op beschermde soort(en) (indien aanwezig) ontstaan.
Uit de quickscan Wet natuurbescherming blijkt dat het plangebied potentieel geschikt is voor de zwaar beschermde Huismus, Gierzwaluw, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Omdat negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. Dit onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd en de resultaten hiervan worden te zijner tijd verwerkt in deze paragraaf. Uit het nader onderzoek kan volgen dat een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit kan effect hebben op de (planning van de) realisatiefase, maar staat niet direct de uitvoerbaarheid van het project in de weg. Voor het vaststellen van het bestemmingsplan dient het nader onderzoek te zijn afgerond, maar is het niet nodig reeds te beschikken over een verleende ontheffing. Wel dient te zijn aangetoond dat het verkrijgen daarvan in de lijn der verwachting ligt. Dit onderdeel wordt samen met het verwerken van de onderzoeksresultaten meegenomen in de fase richting vaststelling van het (nu nog) ontwerpbestemmingsplan. Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 33
Conclusie Het aspect ecologie vormt vooralsnog geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. De resultaten van het nader onderzoek dienen evenwel uit te wijzen of een onthefing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is in verband met soortenbescherming. Een vergunning (gebiedsbescherming) in het kader van de Wnb is niet noodzakelijk.
4.6
Geluid
Kader Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming (zoals een woning) altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Relatie tot bestemmingsplan Het initiatief behelst de realisatie van een woning. Woningen zijn in de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige objecten. Voor de ruimtelijke inpasbaarheid van geluidgevoelige objecten is een akoestisch onderzoek nodig wanneer deze objecten worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg, spoorweg of industriegebied.
In bepaalde gevallen is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook noodzakelijk en/of gewenst dat een (kwalitatieve) beschouwing plaatsvindt van de akoestische situatie ter plaatse indien geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd in de nabijheid van bedrijvigheid, ook indien deze bedrijven niet gelegen zijn op een gezoneerd industrieterrein. De beoogde nieuwe woning is gelegen in de (geluid)zone van onder andere de Alkemadelaan. Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient de geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de nieuwe woning in beeld te worden gebracht door middel van een akoestisch onderzoek. Dit akoestisch onderzoek (kenmerk: O 16837-2-RA) is uitgevoerd door bureau Peutz en is opgenomen in bijlage 5 bij voorliggende toelichting. Bij het doen van het akoestisch onderzoek zijn de volgende wegen betrokken: Kerkstraat Alkemadelaan Veerstraat Westerdijk Opgemerkt wordt dat de Westerdijk een 30 km/u-weg betreft en daarmee geen gezoneerde weg in de zin van de Wet geluidhinder is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient evenwel te worden aangetoond of het akoestisch klimaat als gevolg van verkeer over deze weg aansluit bij wat wordt verstaan onder een goed woon- en leefklimaat. De weg is daarom ook in het onderzoek betrokken. Daarnaast wordt opgemerkt dat in de aangeleverde verkeersgegevens geen gegevens zijn opgenomen voor de Westerdijk.
Dit betreft een doodlopende weg. Vanuit een worst-case benadering is aangesloten op de verkeersgegevens van aansluitende wegen, te weten de Veerstraat en Heiligegeestlaan. Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende geluidbelasting (Lden) ten gevolge van de Kerkstraat ten hoogste 31 dB bedraagt. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Alkemadelaan bedraagt ten hoogste 41 dB. Voor de Veerstraat bedraagt de berekende geluidbelasting ten hoogste 48 dB. Hiermee wordt in alle gevallen voldaan aan de
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 34
voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende geluidbelasting (Lden) ten gevolge van de Westerdijk ten hoogste 47 dB bedraagt. Hiermee wordt - voor zover relevant - voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder van 48 dB. Opgemerkt wordt dat bedrijfswoningen reeds als geluidgevoelige objecten worden aangemerkt. Voor de bestaande woningen op het kavel geldt derhalve dat geen relevante wijziging plaatsvindt. Uit het akoestisch onderzoek blijkt evenwel dat overal op de grens van het bouw- c.q. bestemmingsvlak aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat, ook ter plaatse van de bestaande woningen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling en staat daarmee de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan niet in de weg.
4.7
Luchtkwaliteit
Kader Op 15 november 2007 is de paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer gewijzigd (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Staatsblad 2007, 414) en zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer vernieuwde luchtkwaliteitseisen opgenomen. Gelijktijdig zijn de ministeriële regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 (Staatscourant 2007, 220), het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) in werking getreden. Een belangrijk element uit deze wetswijziging is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM). Luchtkwaliteitseisen vormen nu geen belemmering voor ontwikkelingen, als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend.
AMvB 'niet in betekenende mate' In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteiteisen) (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Op verzoek van de Nederlandse overheid heeft de EU verlenging van de termijn (derogatie) gegeven waarbinnen de luchtkwaliteitseisen gerealiseerd moeten zijn. Per 1 augustus 2009 is het NSL vastgesteld (een belangrijke voorwaarde voor het verkrijgen van de derogatie). Hierdoor kan volledig gebruik worden gemaakt van deze derogatie. Bovendien is de definitie van 'niet in betekenende mate' verlegd van 1% naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³) voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect lucht-kwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 35
Op 7 juni 2012 is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen aangepast, zodat het mogelijk wordt gemaakt om bij ministeriële regeling (Regeling NIBM) bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën aan te wijzen waarbinnen geen gebruik meer kan worden gemaakt van de NIBM-grond. Het zal gaan om gebieden waar de grenswaarde voor PM10 wordt overschreden of waar overschrijding van de grenswaarde dreigt. Dit betreft naar verwachting een enkele gemeente in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met veel intensieve veehouderijen, pluimveehouderijen in het bijzonder. De aanwijzing van gebieden en broncategorieën zal plaatsvinden in nauwe samenspraak met betrokken overheden en sectoren en zal gepubliceerd worden in de Regeling NIBM. Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uit-gewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Relatie tot bestemmingsplan In onderhavig geval is sprake van de realisatie van één nieuwe woning (en de planologische wijziging van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen).
Op basis van bovenstaande voorbeelden kan geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en het project daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Goed woon- en leefklimaat Op www.nsl-monitoring.nl (geraadpleegd op 28 juli 2022) kunnen de huidige achtergrondconcentraties van een gebied voor de jaren 2020 en 2030 worden geraadpleegd. Onderstaande tabel toont de achtergrondconcentraties in relatie tot de grenswaarden ter plaatse van rekenpunt ID 15846222. Te zien is dat de waarden ruimschoots beneden de grenswaarden blijven. Daarnaast geldt dat als gevolg van het plan het aantal motorvoertuigbewegingen afneemt en is bovendien de verwachting dat de achtergrondconcentraties in de loop der jaren door milieutechnische ontwikkelingen zullen afnemen.
Tabel 5.1: GCN-achtergrondconcentraties
ter plaatse van rekenpunt 15846222 (bron: nsl-monitoring.nl/viewer)
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het beoogde plan. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 36
4.8
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) van belang. Plaatsgebonden risico (PR) Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.
Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR) Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Relatie tot bestemmingsplan In de onmiddellijke omgeving van het plangebied zijn geen externe veiligheidsrisicobronnen gesitueerd. Transport gevaarlijke stoffen Ten westen van het plangebied is de A4 gesitueerd op circa 1,0 kilometer. Deze rijksweg is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Vanwege het transport van toxische stoffen van klasse LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Daarmee is de planlocatie in het effectgebied (1% letaliteit) van de A4 gesitueerd.
Voor de bestemmingsplannen "Floraweg en Geestweg", "Sotaweg 134-150" en "Bedrijventerreinen A4" heeft de Omgevingsdienst West-Holland risicoberekeningen in verband met het risicovolle transport uitgevoerd. Het groepsrisico van de A4 in de omgeving van Oude Wetering ligt op basis van die onderzoeken onder de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling zal het GR naar verwachting niet doen verhogen, omdat het aantal personen binnen het plangebied ten minste gelijk blijft, maar naar verwachting zal afnemen. Hierdoor wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. Een groepsrisicoverantwoording is derhalve niet benodigd. Voor de volledigheid wordt hieronder evenwel ingegaan op de zelfredzaamheid in geval van een ongeval met toxisch scenario. In het kader van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario is het belangrijk om te "schuilen"
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 37
om zodoende niet bloot te worden gesteld aan het toxisch gas (in ieder geval blootstelling zo lang mogelijk uit te stellen). Schuilen zal over het algemeen plaats vinden in gebouwen. Het is dus van belang dat gebouwen afgesloten kunnen worden om de indringing van toxisch gas tegen te gaan. Het gaat hierbij niet alleen om ramen en deuren, maar ook om het uitschakelen van de eventueel aanwezige ventilatiesystemen. Bij nieuwe bouwwerken (of ingrijpende verbouwing) is het dus zaak dat het ventilatiesysteem met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld, zodat wordt voorkomen dat toxische gassen naar binnen worden gezogen. Bij grotere gebouwen kan deze voorziening op het brandmeldpaneel worden geïnstalleerd. Omdat sprake is van nieuwbouw van een woning kan hier in voldoende mate rekening mee worden gehouden. Toekomstige bewoners kunnen zich derhalve voldoende in veiligheid brengen indien zich een ongeval met toxische stoffen voordoet. Overige risicovolle objecten Op basis van de risicokaart zoals te raadplegen op Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) zijn in de omgeving van het plangebied nog enkele risicobronnen gesitueerd. De meest nabijgelegen risicobronnen betreffen de westelijk gelegen buisleidingen en een inrichting op resp. ca. 2,3 en 2,9 km afstand. De bronnen zijn weergegeven op onderstaand figuur 5.5. De planlocatie is weergegeven met de ster.
Figuur 5.5: Uitsnede risicokaart externe veiligheid Atlas Leefomgeving (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)
De PR 10-6 contouren van de buisleidingen liggen niet buiten de leidingen met bijbehorende belemmeringenzone. Gezien de lage personendichtheden in de omgeving van de buisleidingen in relatie tot de afstand tot het plangebied van voorliggend bestemmingsplan, zal het GR in alle gevallen ruimschoots onder de oriënterende waarde zijn gelegen en blijven. Richting het zuidwesten van het plangebied tot slot, ligt risicovolle inrichting Dobbe Transport BV. Het invloedsgebied overschrijdt de terreingrens van de inrichting niet. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden In het kader van het wettelijk vooroverleg (art.3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) is het concept-ontwerpbestemmingsplan ter advisering gedeeld met de Veiligheidsregio Hollands Midden. Daaruit volgt dat er geen bijzonderheden zijn ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten en ook geen bijzonderheden ten aanzien van de bluswaterwinning (brandkraan en open water zijn aanwezig). Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 38
Er is een overschrijding ten aanzien van de opkomsttijd brandweer; de zorgnormtijd bedraagt acht minuten voor reguliere woonfuncties, de daadwerkelijke tijd is ruim twaalf minuten. Met het aanbrengen van extra rookmelders in de verblijfsruimten van de woning krijgen bewoners meer gelegenheid de woning veilig te verlaten indien zich een woningbrand voordoet. Een dergelijke voorwaarde kan niet in het bestemmingsplan worden verwerkt. Een te zijner tijd in te dienen omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit 'bouwen' zal wederom ter advisering worden voorgelegd. Zo nodig kunnen voorschriften aan de te verlenen omgevingsvergunning worden verboden, waarmee het bovenstaande kan worden geborgd. Bij een brand in de omgeving of een calamiteit waarbij een toxische wolk vrijkomt is het handelingsperspectief voor de aanwezigen schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie afgeschakeld kan worden. Er wordt dan ook geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In het toekomstige Bbl is in artikel 4.124, lid vier geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld.
Een beoordeling en advisering op deze uitwerking vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Met het oog daarop, is in artikel 3.3.3 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, op basis waarvan een mechanisch ventilatiesysteem handmatig uitgeschakeld moet kunnen worden indien zich een calamiteit voordoet waarbij schuilen het handelingsperspectief vormt. Conclusie De risicobronnen zijn in kaart gebracht. Meest relevant is de A4 in verband met transport van gevaarlijke stoffen over de weg. Het invloedsgebied ligt over het projectgebied, maar de toevoeging van een woning leidt niet tot onaanvaardbare veiligheidsrisico's. Door bij het verder uitwerken van het bouwplan rekening te houden met het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden, kan een veilig woon- en leefklimaat worden gewaarborgd.
4.9
Bodem
Kader Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wbb geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor die stof geldende streefwaarde overschrijdt. Of een verontreiniging acceptabel is, hangt af van de aard van de verontreiniging en van de bestemming van de gronden. Relatie tot bestemmingsplan Van Dijk Geo- en Milieutechniek bv heeft een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een tweetal locaties aan het lint in Leimuiden, namelijk ter hoogte van de Westerdijk 25 alsook ter hoogte van de Westerdijk 47-49. Voorliggend bestemmingsplan betreft uitsluitend de percelen die daartoe behoren. Het verkennend bodemonderzoek (d.d. 29 mei 2020) is opgenomen in bijlage 1 bij voorliggende toelchting. Geconcludeerd is dat conform de Wet bodembescherming sprake is van een tweetal gevallen van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3) in grond/grondwater op het perceel. Een aanvullend onderzoek is nodig om de aard en omvang van de verontreiniging vast te kunnen stellen.
Het aanvullend onderzoek is eveneens uitgevoerd door Van Dijk Geo- en Milieutechniek en is opgenomen in bijlage 2 van voorliggende toelichting. Daarbij is onderzoek gedaan naar: de kwaliteit van het slib en de waterbodem ter plaatse van de insteekhaven.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 39
de omvang van de verontreiniging en de drijflaag met minerale olie in het grondwater op het noordoostelijke deel van het plangebied. de omvang van de verontreiniging met minerale olie in de ondergrond. de omvang van de verontreiniging met minerale olie (benzine) in het grondwater. Uit het onderzoek volgt dat sprake is van ernstige bodemverornteiniging met zware metalen, PCB, PAK en minerale olie in de bodem. Om de gronden geschikt te maken voor de woonfunctie, dient daarom een saneringshandeling plaats te vinden conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. De kosten van de genoemde maatregelen blijven voor initiatiefnemer. Het afgeven van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' kan geschieden op basis van voornoemd saneringsplan. Voor de planologische procedure is de bodemkwaliteit afdoende onderzocht. Conclusie De locatie is vooralsnog niet geschikt voor het beoogde gebruik. Voordat de gronden in gebruik kunnen worden genomen, dient (al dan niet een deel van) het plangebied gesaneerd te worden conform de conclusies uit het nadere onderzoek en het op basis daarvan op te stellen saneringsplan. Hiertoe is in de regels bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Kosten voor de saneringshandeling worden gedragen door de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' en worden daarmee niet afgewenteld op de gemeente.
4.10
Bedrijven en milieuzonering
Kader Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 40
Tabel tabel 5.2: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering
(bron: VNG-brochure)
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Relatie tot bestemmingsplan Het projectgebied en haar omgeving kan getypeerd worden als een gemengd gebied. Woonen bedrijfslocaties aan het lint wisselen elkaar af. Beoordeeld dient te worden in hoeverre het realiseren van de woning nabij omliggende bedrijfsbestemmingen en/of overige voorzieningen te verantwoorden is in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij dient tevens te worden beoordeeld of het realiseren van de woning voor een belemmering in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven zorgt. Onderhavig plangebied grenst aan de bestemming 'Bedrijf' ten noorden en noordoosten. Hier geldt een specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines en technische apparaten, hetgeen kan worden ingedeeld in milieucategorie 3.2 met een bijbehorende richtafstand van 100 meter in verband met het aspect geluid (SBI-2008: 518). Onderhavige bestemmingswijziging naar 'Wonen' vindt plaats op het perceel direct ten zuiden van bovengenoemd bedrijf (kraanverhuur).
Aan de richtafstand van 100 meter wordt derhalve niet voldaan. In de bestaande situatie zijn echter twee bedrijfswoningen op onderhavig perceel (Westerdijk 47- 49) gesitueerd die maatgevend zijn ten aanzien van het aspect geluid. De bedrijfswoningen behoren immers tot de huidige jachtwerf en hebben daarmee geen relatie met de bedrijfsactiviteiten van het kraanverhuurbedrijf op het aangrenzende perceel. Deze woningen genieten daarom dezelfde bescherming als reguliere burgerwoningen. Nu de betreffende woningen maatgevend zijn, geldt dat mag worden aangenomen dat het bedrijf reeds in de huidige situatie rekening dient te houden met woningen op korte afstand. Het realiseren van een woning op grotere afstand dan de maatgevende woningen, vormt daarmee geen belemmering in de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. Nu met de hinder als gevolg van de activiteiten al rekening dient te worden gehouden met de nabijgelegen woningen en de nieuwe vrijstaande woning op het perceel daarnaast gebouwd dient te worden conform de daartoe geldende regels uit het Bouwbesluit 2012 (of diens rechtsopvolger), geldt tevens dat een goed woon- en leefklimaat in de woning kan worden gewaarborgd. Een tweede bedrijfslocatie is gelegen ten zuidoosten van het plangebied, eveneens met de bestemming 'Bedrijf'.
Hier geldt geen specifieke vorm van bedrijf, waardoor ter plaatse bedrijven zijn toegestaan van ten hoogste milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan (van bestemmingsgrens tot bestemmingsgrens bedraagt de kortste afstand ca. 20 meter. Ten opzichte van de gevel van de nieuwe woning zal de afstand dan ook groter zijn). Daarnaast geldt dat direct aan de overzijde van de bedrijfslocatie en ten zuiden van onderhavig Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 41
bestemmingsplangebied een woonbestemming is geprojecteerd. Deze bestemming is maatgevend, omdat deze dichter op de bedrijfslocatie ligt dan het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Dat betekent dat het bedrijf reeds in de huidige situatie rekening dient te houden met het voorkomen van milieuhinder richting woningen die op kortere afstand liggen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.11
M.e.r.-beoordeling
Kader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieube-heer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Relatie tot bestemmingsplan In eerste instantie dient beoordeeld te worden of het Besluit m.e.r. van toepassing is. Daarvoor geldt dat gegeven de omstandigheden van het geval dient te worden onderzocht in hoeverre sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als genoemd in onderdeel D.11.2: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Tabel 5.3: Onderdeel D11.2: activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de wet van toepassing is (bron: bijlage II Besluit m.e.r.)
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich meermalen over dit vraagstuk gebogen. Uit de jurisprudentielijn die inmiddels is uitgezet over het begrip stedelijke ontwikkeling in relatie tot het Besluit m.e.r. blijkt dat niet alleen de omvang van de wijziging, maar ook de vigerende bestemming van het gebied, alsmede het karakter (bestemmingen) in de omgeving een rol speelt bij het bepalen of er wel of geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het beoogde plan bevindt zich in het lint van een bestaand woongebied en is omgeven door woningen, afgewisseld door bedrijfslocaties. De realisatie van een vrijstaande woning is gegeven de bestaande bebouwing en bestemmingen in de omgeving, dan ook te zien als een vorm van kleinschalige opvulling/vervanging in een stedelijk gebied. Het plan is daarmee zeker in relatie tot de drempelwaarden geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in D11.2. van de bijlage van het Besluit m.e.r. Daarnaast geldt dat met de gewenste wijziging van Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 42
bedrijfslocatie naar erf met vrijstaande woning naar verwachting eerder een verbetering optreedt ten aanzien van het milieu, dan dat het initiatief leidt tot negatieve effecten. Het voorgaande betekent dat het Besluit m.e.r. voor dit plan niet van toepassing is. Derhalve is een m.e.r. beoordelingsplicht ook niet aan de orde. Conclusie Van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. is geen sprake. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling en aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is dan ook niet benodigd. Het plan leidt niet tot significant negatieve effecten voor het milieu. Daarmee vormt dit onderdeel geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 43
Hoofdstuk 5 Planopzet 5.1
Algemeen
Dit bestemmingsplan is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Dit betekent dat het bestemmingsplan een actueel planologisch kader biedt voor de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied. Op hoofdlijnen is qua bestemmingsplansystematiek zo veel als mogelijk aangesloten op het bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Het onderhavige plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het Rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
5.2
Bestemmingen, dubbelbestemmingen, aanduidingen
Onder een bestemming wordt de bestemming verstaan die ingevolge artikel 3.1 Wro aan gronden wordt toegekend. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies (en bebouwingsmogelijkheden), met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plan begrepen gronden zijn toegekend. In voorliggend plan kent het gehele plangebied de bestemming 'Wonen'. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waterstaat - Waterkering' van toepassing en is de vrijwaringszone in verband met de vaarweg (gebiedsaanduiding) overgenomen. Hieronder wordt een korte uitleg gegeven van de diverse bestemmingen en aanduidingen. 'Wonen' In de bestemming ‘Wonen’ zijn uitsluitend (grondgebonden) vrijstaande woningen toegestaan. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bij 'Wonen' behorende voorzieningen, zoals in dit geval ook de waterpartij ter plaatse van het insteekhaventje, een steiger en naar aard daarmee te vergelijken voorzieningen. Het medegebruik van een deel van de woning voor een beroep of bedrijf aan huis is toegestaan. De hoofdfunctie wonen mag daardoor echter niet worden verdrongen. Voor de erfbebouwingsregeling zijn de gebruikelijke regels overgenomen. 'Waarde - Archeologie 1 en 3' Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden.
Voor bouwwerken of werkzaamheden waarmee vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Deze geldt dan als indieningsvereiste bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' en/of 'uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden'. 'Waterstaat - Waterkering' Voor de waterkering die deels binnen het plangebied ligt, is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder (Hoogheemraadschap van Rijnland), voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken. Vrijwaringszone - vaarweg Conform de provinciale verordering is een vrijwaringszone voor vaarwegen opgenomen. Deze zijn bedoeld voor de bescherming van de vaarweg. Ontwikkelingen zijn mogelijk, mits aan de voorwaarden zoals gesteld in de betreffende regels is voldaan. Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 44
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid geldt dat geen reden bestaat om aan de financiële haalbaarheid te twijfelen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Het verhaal van kosten is anderszins verzekerd wanneer tussen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst wordt gesloten waarin (privaatrechtelijke) afspraken zijn vastgelegd ten aanzien van onder andere planschade en het verhaal van kosten voor het aanpassen van de openbare ruimte. In dit geval is sprake van een kleinschalige ontwikkeling op een kavel in particulier eigendom. Er is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer, waarmee de gemeente gevrijwaard wordt van mogelijke schadeclaims als gevolg van eventuele planschadeverzoeken.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 45
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1
Bewonersinformatie
Gezien de beperkte omvang van voorliggend plan, is geen uitgebreid participatietraject gevoerd. Wel zijn de direct omwonenden geïnformeerd over het plan en het proces daaromheen. Daarbij zijn de direct omwonenden uitgenodigd eventuele bezwaren kenbaar te maken en/of vragen te stellen. Op deze uitnodiging is in principe niet ingegaan, wel is door één belangstellende verzocht om hem/haar op de hoogte te houden met betrekking tot het proces. Omdat verdere reactie uit is gebleven mag worden aangenomen dat vanuit de omgeving geen grote bezwaren bestaan tegen de voorgestelde planologische wijziging.
7.2
Juridische procedures
Bestuurlijk vooroverleg Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voorliggend bestemmingsplan is met de volgende overlegpartners gedeeld: Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Rijnland Veiligheidsregio Hollands Midden Omgevingsdienst West-Holland De reacties uit het vooroverleg hebben niet geleid tot wijzigingen in het (concept)ontwerpbestemmingsplan. Wel is het advies van de veiligheidsregio voor de volledigheid toegevoegd aan paragraaf 4.8 Externe veiligheid. Zienswijzen Een bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Het plan heeft van 15 juni t/m 26 juli 2023 ter inzage gelegen. In deze termijn zijn geen zienswijzen zijn ontvangen. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage.
Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het plan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 46