NL.IMRO.1884.BPWESTERDIJK47TM49-VAS1 toelichting
Tekst van het document
TOELICHTING PROJECT
Westerdijk 47-49 Leimuiden
STATUS
vastgesteld
PROJECTNUMMER
NL.IMRO.1884.BPWESTERDIJK47TM49-VAS1
DATUM
18 september 2023
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer
info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 - 744 08 38 085 - 744 08 37 Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding 1.1 1.2 1.3 1.4
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
6 Aanleiding Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
6 6 7 9
Het initiatief
10
2.1 2.2
10 10
Huidige situatie Toekomstige situatie
Beleidskaders
11
3.1 3.2 3.3 3.4
11 11 15 21
Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Nader onderzoek
26
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
26 26 27 28 32 34 35 37 39 40 42
Algemeen Verkeer en parkeren Archeologie en cultuurhistorie Water Ecologie Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Bedrijven en milieuzonering M.e.r.-beoordeling
Planopzet
44
5.1 5.2
44 44
Algemeen Bestemmingen, dubbelbestemmingen, aanduidingen
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
45
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46
7.1 7.2
46 46
Bewonersinformatie Juridische procedures
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 3
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 4
Toelichting
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Aan de Westerdijk 47 t/m 49 te Leimuiden is (voormalig) jachtwerf Van Dam & Zonen gevestigd. De bedrijfsactiviteiten worden beëindigd, waardoor behoefte ontstaat aan een nieuwe invulling van de locatie. De eigenaren van het perceel zijn voornemens de bestaande scheepshal te vervangen door een nieuwe vrijstaande woning. Op het perceel zijn daarnaast twee bedrijfswoningen aanwezig die behouden blijven, maar met het vervallen van de bedrijfsbestemming burgerwoningen worden. Om de functiewijziging van 'Bedrijf' naar 'Wonen' mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een passende bestemmingsregeling voor de gewenste ontwikkeling en biedt daarmee een actueel planologisch kader waarmee de ontwikkeling kan worden gefaciliteerd.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied betreft gronden gelegen aan de Westerdijk 47 t/m 49, kadastraal bekend onder de nummers 1541 en 1542 sectie A van de kadastrale gemeente Leimuiden. De betreffende gronden worden omsloten door: een bedrijfslocatie ten noorden; het lint Westerdijk ten oosten; woningen ten zuiden; de Oude Wetering ten westen. Het plangebied is op onderstaand figuur weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging en begrenzing van het plangebied (bron: afbeelding opgemaakt in QGIS)
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan "Buitengebied Oost" is op 28 mei 2018 vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De gronden hebben de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw- en reparatiebedrijf'. De locatie kent tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en voor een beperkt deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Het plangebied ligt daarnaast binnen de vrijwaringszone in verband met de (provinciale) vaarweg over de Oude Wetering en voor de andere helft binnen de beschermingszone van een waterkering, waartoe de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is opgenomen. Figuur 1.2 toont een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Oost".
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied Oost" (bron: afbeelding opgemaakt in QGIS)
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 7
Beoordeling De locatie kent de enkelbestemming 'Bedrijf', waarbinnen (reguliere) woningen niet zijn toegestaan. Om de vrijstaande woning mogelijk te maken en de bestaande bedrijfswoningen om te zetten in burgerwoningen, is dan ook een functiewijziging nodig naar 'Wonen'. Hiertoe dient een planologische procedure doorlopen te worden, die in dit geval wordt doorlopen aan de hand van een (postzegel)bestemmingsplanprocedure. Bij het doorlopen van de planologische procedure dient rekening te worden gehouden met de dubbelbestemmingen in verband met archeologie en de waterkering, alsmede met de Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 8
vrijwaringszone in verband met de vaarweg. De betreffende regelingen worden nagenoeg één op één overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De te beschermen belangen worden daarmee in dit bestemmingsplan afdoende gewaarborgd. In hoofdstuk 4 wordt daarnaast ook ingegaan op de omgevingsaspecten, waaronder archeologie en water. De vrijwaringszone volgt uit relevant beleid ter zake en komt derhalve aan de orde in hoofdstuk 3 van voorliggende toelichting.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting geeft in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie en van het beoogde initiatief. In hoofdstuk 3 wordt het actuele beleidskader (gemeentelijk, provinciaal en rijksniveau) beschreven. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van de onderzoeken in het kader van de diverse omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planopzet en hoofdstuk 6 en 7 sluiten af met resp. de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 9
Hoofdstuk 2 Het initiatief 2.1
Huidige situatie
De locatie aan de Westerdijk 47-49 in Lemuiden betreft een (voormalige) bedrijfslocatie waarop in de huidige situatie een jachtwerf gevestigd is. De gronden zijn volledig verhard en ter plaatse zijn twee bedrijfswoningen en een bedrijfsloods gesitueerd. De bestaande bedrijfsbebouwing kent een oppervlakte van grofweg 630 m2 (excl. bedrijfswoningen). Tot slot is aan de zijde van de Oude Wetering een klein insteekhaventje aanwezig.
figuur 2.1 Huidige bedrijsbebouwing
2.2
incl. loods, met rechts in beeld bedrijfswoning
Westerdijk 47
Toekomstige situatie
Het doel is de bedrijfsloods te slopen en ter plaatse een nieuwe vrijstaande woning mogelijk te maken. In lijn met de bestemmingsplansystematiek langs de Westerdijk wordt ervoor gekozen het bouwvlak gelijk te trekken met het bestemmingsvlak. De positionering van de beoogde woning op het perceel staat daarmee nog niet vast. In de regels bij dit bestemmingsplan worden voorwaarden gesteld waarbinnen de woning nader kan worden uitgewerkt. Het uiteindelijke doel is van de huidige gronden met een overwegend bedrijfsmatig karakter een woonlocatie te maken, waarbij het geheel meer in lijn wordt gebracht met de overige woonbebouwing in het lint en aan het water. De bestaande bedrijfswoningen tot slot, blijven behouden en zijn verder niet aan (fysieke) veranderingen onderhevig.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 10
Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het relevante ruimtelijke beleid voor het bestemmingsplan en toont aan dat de ontwikkeling geheel past binnen de geldende beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
Figuur 3.1 Toekomstperspectief NOVI
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De NOVI benoemt de volgende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 11
6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Drie afwegingsprincipes Het doel van de NOVI is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: Combineren boven enkelvoudig; Kenmerken & identiteit; Afwentelen voorkomen. Relatie tot bestemmingsplan Voorliggend bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling van één vrijstaande woning mogelijk. Het betreft daarmee een klein project waarvoor verder beleid wordt overgelaten aan de bevoegde decentrale overheden. Desalniettemin kan worden gesteld dat met het toevoegen van één woning een, weliswaar bescheiden, bijdrage wordt geleverd aan het zorgdragen voor een toereikende woningvoorraad.
Het omzetten van de huidige bedrijfsactiviteiten naar een woonfunctie heeft daarnaast een positieve impact op de
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 12
leefomgevingskwaliteit voor omwonenden in het gebied en voorts kan worden gesteld dat de locatie zelf een passende locatie is voor wonen aan het water. De Oude Wetering betreft een provinciale vaarweg. Een van de doelen vanuit het NOVI betreft het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Van belang is dat zorggedragen wordt voor het voorkomen van belemmeringen voor de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart, het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten, de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten vanaf de wal en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg. Omdat het een provinciale vaarweg betreft, wordt beleid hierover verder overgelaten aan de provincie. In voorliggend bestemmingsplan wordt de huidige vrijwaringszone overgenomen, zodat wordt voorzien in een passende beschermingsregeling. Conclusie Gelet op de aard en omvang van het initiatief, wordt verder beleid overgelaten aan de bevoegde decentrale overheden. Het plan betreft ten slotte geen (grootschalige) ontwikkeling van nationaal belang. Desalniettemin kan worden gesteld dat het plan in lijn is met de NOVI.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen, per onderwerp aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden Relatie tot bestemmingsplan Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor restricties gelden volgens het Barro. Ten aanzien van de vrijwaringszone in verband met de vaarweg (zie ook paragraaf 1.3) wordt opgemerkt dat het geen rijksvaarweg betreft, maar een provinciale vaarweg. Het Barro is daarmee niet van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. Conclusie Het Barro is niet van toepassing op het plangebied en legt daarmee geen randvoorwaarden op aan de ontwikkeling. Het Barro vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot bestemmingsplan De milieutechnische aspecten van dit bestemmingsplan worden behandeld in hoofdstuk 4 van voorliggende toelichting. 3.2.3.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 13
Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Artikel 3.1.6 van het Bro: Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Tevens wordt de mogelijkheid geboden in het derde lid, om de toepassing van de Ladder door te schuiven naar het uitwerkings- of wijzigingsplan.
De verwachting is dat de Ladder hierdoor beter hanteerbaar zal zijn, beter aansluit bij het geheel aan vereisten aan een toelichting bij bestemmingsplannen en tot minder onderzoekslasten zal leiden.” Relatie tot bestemmingsplan Van belang voor de beoordeling in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking is de vraag in hoeverre sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Vaste jurisprudentie heeft uitgewezen dat daaronder in ieder geval niet wordt verstaan woningbouwontwikkeling bestaande uit minder dan elf woningen. Omdat met dit plan één nieuwe woning aan de bestaande voorraad wordt toegevoegd en daarnaast twee bedrijfswoningen worden omgezet in reguliere burgerwoningen, kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing op voorliggend bestemmingsplan. Conclusie De behoefte aan de ontwikkeling dient te worden aangetoond. In de navolgende paragrafen wordt onderbouwd dat het initiatief aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 14
Vooruitlopend daarop wordt in deze paragraaf geconcludeerd dat het initiatief daarop aansluit en dat de Laddertoets daarmee met succes kan worden doorlopen.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Per 15 maart 2022 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Zeven vernieuwingsambities laten zien waar Zuid-Holland naartoe wil en maken ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. Ambitie 1: samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten Ambitie 2: bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor Ambitie 3: schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen Ambitie 4: een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland Ambitie 5: versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving Ambitie 6: sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit Ambitie 7: gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving Uitgangspunten fysieke leefomgeving Bij het
vormgeven en uitvoeren van bovengenoemde ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Zuid-Holland. Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen. Hierin beschrijft de provincie welke kwaliteiten in welke gebieden worden nagestreefd. Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Verbeteren van ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van 'verbeteren van ruimtelijke kwaliteit' is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie.
Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 15
(de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). Binnen deze spelregels en met dit gedeelde kwaliteitsbeeld is er ruimte voor maatwerk om te komen tot de best mogelijke oplossing voor de gestelde opgave. De provincie beschikt over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en onderdeel is van het Omgevingsbeleid. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking in richtpunten aan de basis van de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Figuur 3.2 Inpassen, aanpassen en transformatie (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)
Relatie tot bestemmingsplan De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal kaartlagen met bijbehorende richtpunten. De diverse kaartlagen van de kwaliteitskaart in relatie tot het plangebied worden hieronder achtereenvolgens besproken. Laag van de ondergrond Het plangebied is gelegen in het gebied dat op basis van de kaart 'Laag van de ondergrond' is aangewezen als veencomplex - veen. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. Bij de planontwikkeling wordt rekening gehouden met de veenondergrond. Ook voor de voorgenomen ontwikkeling is bodemdaling ongewenst.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 16
Ook is het plangebied aangewezen als bijzonder reliëf in verband met de hoogteverschillen die de ontstaansgeschiedenis van de provincie markeren. Ontwikkelingen dienen met deze patronen rekening te houden, datzelfde geldt voor archeologische waarden van de genoemde structuren. Het onderhavige initiatief heeft geen wijziging op structuurniveau tot gevolg, er is uitsluitend sprake van het vervangen van bedrijfsbebouwing voor een vrijstaande woning op een bestaande locatie aan het water. Voor archeologie is in dit bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen waarmee mogelijk aanwezige waarden worden beschermd. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Op basis van de kaart 'Laag van cultuur- en natuurlandschappen' is het plangebied gelegen in een droogmakerij (klei) en een lint. Voor de droogmakerijen geldt met name dat deze als eenheid herkenbaar dienen te blijven, dijken en/of vaarten als herkenbare landschappelijke structuurdrager behouden dienen te blijven en dat nieuwe ontwikkelingen worden vormgegeven als eigentijdse objecten, passend bij de schaal en het patroon van de verkaveling. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
Zoals eerder benoemd heeft de beoogde ontwikkeling geen wijzigingen op structuurniveau tot gevolg. De nieuwe woning wordt op passende wijze ingepast in het lint, in lijn met de overige lintbebouwing in de omgeving. Het verkavelingspatroon wijzigt niet, aan de Oude Wetering en de waterkerende dijk wordt niet getornd. Laag van de stedelijke occupatie Op grond van de kaart 'Laag van stedelijke occupatie', is het plangebied aangewezen als stads- en dorpsrand. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tussen het plangebied en het achterliggende landelijk gebied is sprake van groenstructuren die in de toekomstige situatie behouden blijven. De overgang richting het oostelijk gelegen landelijk gebied blijft daarmee ongemoeid. In aanvulling op het voorgaande gelden ook de richtpunten voor dorpen, waarbinnen voortgebouwd dient te worden op karakteristieke structuur en de ligging aan het landschap. Daar sluit voorliggend plan op aan, door ten aanzien van gebruiks- en bouwmogelijkheden aan te sluiten bij het huidige karakter van het lint. Structuren, karakteristieke panden en waardevolle patronen blijven behouden. Tot slot gelden ook richtpunten voor bouwwerken ten behoeve van het opwekken van duurzame energie.
Dergelijke bouwwerken maken geen deel uit van de ontwikkeling, waardoor dit onderdeel niet van toepassing is op het plangebied. Conclusie Voor zover de richtpunten op basis van de kwaliteitskaart relevant zijn voor de ontwikkeling van het plangebied, kan worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de relevante richtpunten en zodoende in lijn is met het provinciaal beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 17
3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Met ingang van 15 maart 2022 is, naast de Omgevingsvisie, ook de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening, waarin de beleidskeuzes worden vertaald naar een concrete juridische regeling. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. Relatie tot bestemmingsplan Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.
Hoe groot die ruimtelijke impact is, wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Voor onderhavig bestemmingsplan geldt dat de locatie gelegen is binnen bestaand stedelijk gebied en er geen sprake is van wijzigingen op structuurniveau. Het betreft daarmee een inpassingsproject. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Daarnaast dient getoetst te worden aan het bepaalde ten aanzien van de provinciale vaarweg, stedelijke ontwikkelingen, bereikbaarheid en klimaatadaptatie. In onderstaande tabel worden de relevante onderdelen in kaart gebracht en voorzien van een onderbouwing.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 18
tabel 3.1 Toets Omgevingsverordening
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 19
Beoordeling infrastructuur art. 6.19 jo 2.1 Omgevingsverordening Het plangebied is gelegen aan de Oude Wetering. De vaart betreft een vaarweg in beheer bij de provincie. Op het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening, is de aanwijzing als vaarweg en de bijbehorende beschermingszone inzichtelijk gemaakt.
Te zien is dat grofweg de helft van het plangebied gelegen is binnen de vrijwaringszone in verband met de vaarweg. Art. 6.19 geeft de regels met betrekking tot ontwikkelingen binnen de vrijwaringszone.
De vrijwaringszone en bijbehorende bepalingen worden overgenomen in voorliggend bestemmingsplan middels een gebiedsaanduiding en passende beschermingsregeling (zie ook de vrijwaringszone zoals opgenomen in het huidige bestemmingsplan, paragraaf 1.3). Indien en voor zover een omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' wordt aangevraagd voor het realiseren van een woning binnen de weergegeven vrijwaringszone, dient met de bepalingen rekening te worden gehouden en dient afstemming plaats te vinden met de vaarwegbeheerder (provincie Zuid-Holland). De provinciale belangen ten aanzien van de vaarweg zijn daarmee voldoende geborgd in dit bestemmingsplan. Beoordeling klimaatadaptatie art. 6.35a Omgevingsverordening Op dit moment is nog geen sprake van een bouwplan dat naast de regels uit de verordening kan worden gelegd. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan wordt aandacht besteed aan klimaatadaptatie, waarbij de op dat moment geldende regelgeving en beleidsregels in acht worden genomen. Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 20
Conclusie De ontwikkeling is getoetst aan de relevante bepalingen uit de provinciale Omgevingsverordening. Geconcludeerd kan worden het plan in lijn is met de regels die op dit project of op deze locatie van toepassing zijn. Voor het overige wordt, ten overvloede, vermeld dat het plan daarmee niet in strijd is.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem Eind 2020 is de eerste Omgevingsvisie voor en van Kaag en Braassem vastgesteld. In 2021 is de Omgevingsvisie op een aantal gebieden nog concreter gemaakt. Zo zijn de belangrijke uitgangspunten van de verschillende gebiedstypen nog verder uitgewerkt. In januari 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0 vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat in op zaken als recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. In de visie verbindt de gemeente de fysieke leefomgeving en het sociale domein aan elkaar en wordt, waar het kan, zoveel mogelijk de regie gegeven aan haar inwoners en professionals. Hieronder worden de thema's uit de Omgevingsvisie die verband houden met de beoogde ontwikkeling geduid en toegelicht. Met name de gemeentelijke visie op het woonbeleid is voor onderhavig plan van belang. Daarnaast wordt ingegaan op het gebied waarbinnen de wijziging plaatsvindt, in samenhang met de gemeentelijke visie binnen het betreffende gebied. Gebiedstype - Kernen De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit elf kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze worden per kern benoemd en uitgewerkt in de dorpsperspectieven.
Daarnaast worden de kernen onderverdeeld in centrum dorps en landelijk dorps. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen binnen gebiedstype 'centrum dorps'. Onder centrum dorps vallen de kernen Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Deze kernen hebben een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal ten opzichte van de kernen die vallen onder het sub-gebiedstype landelijk dorps. De uitgangspunten voor ontwikkelingen binnen dit gebied zijn: Het in stand houden en verder opwaarderen van het voorzieningenniveau binnen de kernen. Een passende woning voor iedereen. Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 21
figuur 3.4 Uitsnede gebiedstypenkaart Omgevingsvisie Kaag en Braassem (bron: omgevingsvisie-kaag-en-braassem-kuipercompagnons.hub.arcgis.com/)
Woningbouw Als het gaat om het bouwen van woningen wordt de voorkeur gegeven aan inbreiding, maar dit betekent niet dat uitbreiden geen mogelijkheid is. Het buitengebied dient zoveel mogelijk open te worden gehouden, maar aan de randen van de kernen is ruimte voor ontwikkeling. Bij een eventuele uitbreiding aan de rand van een dorp moet er sprake zijn van een geleidelijke overgang tussen de woonwijk en het open landschap. Oftewel, aandacht voor een goede landschappelijke inpassing. Duurzame energie en klimaatadaptatie Binnen de kernen is er aandacht voor het opwekken van energie op een duurzame manier. Hierbij valt te denken aan zonnepanelen op daken van gebouwen. Klimaatadaptatie is binnen dit gebiedstype ook een belangrijk thema. Door de hoge mate van verharding en bebouwing kan er in de toekomst steeds vaker overlast komen door extreem weer. Daarom dient te worden nagedacht over te nemen maatregelen binnen dit gebied. Wonen in Kaag en Braassem Bouwen volgens behoefte In de Regionale Woonagenda van Holland Rijnland en de bijbehorende, meest recente woningbehoefteraming (trendraming) zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Elke te bouwen woning wordt afgestemd met Holland Rijnland en met name regio Oost (Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem).
Het aantal woningen dat volgens deze raming nog mag worden gebouwd in de regio Oost is beperkt. De gemeente houdt dan ook zelf de controle over de algehele woningbouwplanning en stuurt daarom meer en meer op de kwaliteit van plannen. Bijvoorbeeld door: het toevoegen van een woningtype dat ontbreekt of waar behoefte aan is in de gemeente; bijvoorbeeld zorg-/seniorenwoningen (levensloopbestendig) en goedkope koop- of (sociale) huurwoningen (Regionale Woonagenda, 2018), maar ook middeldure huur- en betaalbare koopwoningen (t.b.v. jongeren/starters/middeninkomens); het zoeken naar een oplossing voor een onwenselijke activiteit; bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge milieucategorie en/of binnen een dorpskern; het realiseren van ruimtelijke kwaliteitswinst; bijvoorbeeld in het kader van ‘ruimte voor
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 22
ruimte’ en/of het slopen van vervallen bebouwing. Met de regio Holland Rijnland zijn afspraken gemaakt omtrent sociale woningbouw. 25% van het totale woningbouwprogramma per gemeente dient zodoende te bestaan uit sociale huurwoningen. Kaag en Braassem heeft zelf de doelstelling gesteld om 30% van de totale bouwproductie per jaar uit te voeren als sociale woningbouw: 25% sociale huur en 5% sociale koop. Die 5% sociale koop is eventueel in te wisselen voor 20% betaalbare koop (tot €250.000). Wat is passend? Bouwen in een tijd van schaarse mogelijkheden vraagt om duidelijke keuzes ten aanzien van doelgroep, locatie en woningtype. Voor wie? Er wordt gebouwd voor alle doelgroepen, maar de gemeente heeft op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren. Daarnaast is het doel scheefwoners door te laten stromen op de woningmarkt. Ook de mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen zijn nadrukkelijk in beeld. Waar? De gemeente sluit geen enkel dorp uit van woningbouwinitiatieven. Grootschalige woningbouw – meer dan elf woningen – concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge) en die zijn aangemerkt als ‘centrum dorps’. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd: 'Inbreiden waar het kan, uitbreiden waar het moet'.
Wat (is passend in de omgeving)? Deze vraag wordt per initiatief bekeken en het antwoord kan dus ook per geval verschillen. Ontwikkelingen zijn vaak maatmerk en hoofdmoot is dat de ontwikkeling fysiek gezien ‘passend is in de omgeving’. Dat gaat bijvoorbeeld om bouw- en goothoogtes, woningtypes en de situering in de bestaande omgeving. Een stedenbouwkundige moet elk nieuwbouwvoorstel beoordelen en positief onderbouwen. In specifieke gevallen kan er een beeldkwaliteitsparagraaf geëist worden. Relatie tot bestemmingsplan Het initiatief in relatie tot haar omgeving en diens bewoners Het plangebied is gelegen tegenover het lint van Oude Wetering en behoort tot de kern Leimuiden. Middels dit bestemmingsplan wordt de huidige bedrijfslocatie opgeheven en wordt het plangebied in lijn gebracht met de overige woonbebouwing langs het water. Het doel is een vrijstaande woning te realiseren, hetgeen qua aard en omvang aansluit bij de directe omgeving van het plangebied. Het plan behelst de realisatie van één vrijstaande woning, zodat er geen ruimte is voor het voorzien in het verplichte/gewenste aandeel sociale huur (25% resp. 30%). Voor dergelijke situaties heeft de gemeente een fonds opgericht waar een bijdrage in dient te worden gestort. Dit betekent dat als bij een bouwplan geen 30% sociale woningbouw wordt gerealiseerd, een bijdrage verschuldigd is per niet-gebouwde sociale woning.
De eis geldt voor alle nieuwbouwprojecten ongeacht de omvang daarvan en zodoende ook voor onderhavig initiatief. Stedenbouwkundige opzet De exacte situering van de nieuwe woning is nog niet bekend. In lijn met de bestemmingsplansystematiek langs de Westerdijk wordt er daarom voor gekozen het bouwvlak gelijk te trekken met het bestemmingsvlak en daarmee enige flexibiliteit te bieden, mits aan de overige bouwregels die gelden binnen het lint wordt voldaan. De positionering van de beoogde woning op het perceel staat daarmee nog niet vast. In de regels bij dit bestemmingsplan worden voorwaarden gesteld waarbinnen de woning nader kan worden uitgewerkt. Het uiteindelijke doel is van de huidige gronden met een overwegend bedrijfsmatig karakter een woonlocatie te maken, waarbij het geheel meer in lijn wordt gebracht met de overige woonbebouwing in het lint en aan het water. Klimaatadaptatie en duurzaamheid Op dit moment is nog geen sprake van een uitgewerkt bouwplan. Voorliggend Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 23
bestemmingsplan biedt uitsluitend de planologische kaders voor de uitwerking daarvan, maar betreft nog geen plan met een concreet bouwvoornemen. Zodra het planvoornemen meer concreet wordt, worden ook de maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie en duurzaamheid meegenomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de op dat moment geldende regelgeving op de genoemde onderwerpen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. De gewenste wijziging past binnen het karakter van het bestaande lint en voorziet in een verdere versterking van de ruimtelijke uitstraling van deze - overwegende - woonlocatie. Ten aanzien de afspraken rondom het aandeel sociale huur en koop, wordt conform de gemeentelijke beleidsregels een bijdrage gestort in het fonds dat daarvoor is opgericht. 3.4.2 Nota Inbreidingslocaties Bij de gemeente Kaag en Braassem komen regelmatig verzoeken binnen voor het realiseren van één of meerdere woningen, een bedrijfs- of winkelgebouw of een combinatie van deze functies binnen de bestaande grenzen van de kernen. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Op 7 februari 2011 is derhalve de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem.
Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingen. Bij deze zelfstandige ontwikkelingen is sprake van sloop en nieuwbouw (transformatie) of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan maar wel binnen de rode contouren van de kernen. De Nota Inbreidingslocaties is niet van toepassing op: inbreidingsinitiatieven binnen grotere ontwikkelingsgebieden; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van bedrijventerreinen; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van recreatieterreinen/jachthavens; inbreidingsinitiatieven die onderdeel uitmaken van belangrijke groenvoorzieningen. Voor kleine initiatieven worden kant en klare ruimtelijke richtlijnen gegeven waaraan het verzoek moet voldoen. Hierbij gaat het om initiatieven van maximaal twee grondgebonden woningen die niet vallen binnen de invloedssfeer van een gemeentelijk of rijksmonument of vallen binnen de grenzen van een beschermd dorpsgezicht.
Relatie tot bestemmingsplan Aan de oostzijde van de Oude Wetering ligt een bebouwingslint. Dit bebouwingslint is een tweede bebouwingslint dat gevoelsmatig bij Oude Wetering hoort en wordt aan de oostkant ontsloten door de Westerdijk en het Westeinde. Deze wegen liggen op de dijktop van de aangrenzende Grote Heilige Geestpolder. Aan de polderkant liggen compacte (agrarische) complexen aan de teen van de dijk. Deze ruimtelijke opzet dient behouden te blijven. De bebouwing aan de Weteringkant, waar onderhavig plangebied is gelegen, bestaat uit voornamelijk vrijstaande woningen op ruime kavels. De bebouwing is nadrukkelijk ook op de Wetering georiënteerd, waardoor daar sprake is van een representatieve zijde. Dit deel van Oude Wetering heeft een sterk landelijk karakter. Om dit karakter te behouden dient uiterst terughoudend omgegaan te worden met het toevoegen van bebouwing. Inbreiden is hier dan ook alleen mogelijk indien er sprake is van een grote kwaliteitswinst, zowel vanaf de Wetering als vanuit het polderlandschap of als er sprake is van sanering van overlast gevende bedrijvigheid. Hierbij wordt de bestaande opzet en dichtheid van het lint als uitgangspunt genomen. Dit wil zeggen geen tweede lint en een oriëntatie op het water. Omdat alleen in uitzonderlijke gevallen medewerking verleend zal worden zijn voor dit deel Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 24
van Leimuiden geen richtlijnen opgesteld voor kleine inbreidingsverzoeken. Voor onderhavig bestemmingsplan is van belang dat de huidige bedrijfsbebouwing wordt vervangen door een vrijstaande woning, waarmee zowel een kwaliteitswinst (ruimtelijke uitstraling en situeringswaarde) tot stand komt als de huidige bedrijfsbestemming met een hogere milieucategorie wordt gesaneerd. Voor de stedenbouwkundige opzet van de nieuwe bebouwing en de daartoe strekkende bouw- en gebruiksregels, wordt aangesloten bij de bestemmingsregeling zoals opgenomen in de bestemming 'Wonen' op basis van bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Daarmee wordt de bestaande, gewenste uitstraling in het lint voortgezet op onderhavig perceel. Conclusie Binnen dit plan is sprake van een kleinschalige ontwikkeling waarmee een bestaande bedrijfslocatie langs de Westerdijk wordt gesaneerd. Ten aanzien van stedenbouw wordt aangesloten bij de bestaande bestemmingsregeling voor woningen in het lint. Voorliggend bestemmingsplan is in lijn met de Nota Inbreidingslocaties. 3.4.3 Nota Parkeernormen 2018 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen 2018’. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden.
Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem. De parkeernormennota heeft niet tot doel om eventuele bestaande parkeerproblemen op te lossen. Dit betekent concreet dat bestaande functies niet aan de normen uit deze nota hoeven te voldoen. Met de voorliggende parkeernota worden de volgende effecten beoogd: Het waarborgen van de bereikbaarheid; Het waarborgen van de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit; Het voorkomen van verkeersonveiligheid door ongewenste parkeersituaties die (mogelijk) gevaarlijke situaties kunnen opleveren; Het op gelijke en voor iedereen duidelijke wijze beoordelen van de benodigde parkeervoorzieningen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling heeft een eigen parkeerbehoefte. Als er geen voorwaarden aan de beoogde ruimtelijke ontwikkeling worden gesteld, zal de parkeerbehoefte op de openbaar ruimte worden afgewenteld, terwijl deze niet altijd voorziet in voldoende parkeeraanbod. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers van de openbare ruimte.
Door parkeernormen, te hanteren wil de gemeente enerzijds voorkomen dat er parkeeroverlast ontstaat als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en anderzijds tracht de gemeente de bereikbaarheid van nieuwe functies te waarborgen. Relatie tot bestemmingsplan In paragraaf 4.2 wordt het aspect verkeer en parkeren nader beschouwd. Verwezen wordt naar de betreffende paragraaf. Volledigheidshalve wordt hier vermeld dat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling met voldoende ruimte op eigen terrein om de parkeerbehoefte te ondervangen. Het initiatief is in lijn met de Nota Parkeernormen 2018.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 25
Hoofdstuk 4 Nader onderzoek 4.1
Algemeen
Het Besluit ruimtelijke ordening stelt in artikel 3.1.1, onder f dat inzicht dient te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Bovendien dient bevoegd gezag bij de voorbereiding van het besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht). Daarvan wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan.
4.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor wordt de realisatie van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten conform de bestaande situatie, waardoor een nieuwe uit-/inritconstructie of wegaanpassing niet noodzakelijk is. Toekomstige gebruikers van het plangebied kunnen de locatie zodoende bereiken via de Westerdijk, dat richting het zuiden naar de Heiligegeestlaan voert. De Heiligegeestlaan gaat over in de Vriezenweg en sluit aan op de provinciale weg N207. Parkeren Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2018'. Het doel van deze beleidsnota is om voor de gehele gemeente - per gebied en per functie - de parkeernormen vast te leggen. Tevens is aangegeven op welke wijze de parkeernormen gehanteerd dienen te worden. Het hanteren van deze normen heeft als doel te waarborgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, enzovoort) in Kaag en Braassem.
figuur 5.1 Uitsnede tabel parkeernormen grondgebonden
woningen (bron: Nota Parkeernormen 2018)
Binnen dit bestemmingsplan is sprake van de realisatie van één nieuwe vrijstaande woning in het buitengebied. Dat betekent dat minimaal 2 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd. Ook voor de bedrijfswoningen die als burgerwoningen worden bestemd geldt dat voldoende parkeergelegenheid conform de genoemde uitgangspunten dient te worden gerealiseerd. Dat betekent dat voor het geheel minimaal 6 en maximaal 8,4 parkeerplaatsen benodigd zijn. Op het terrein is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. In de regels behorende bij dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, op grond waarvan het gebruik van de gronden uitsluitend is toegestaan indien in voldoende parkeergelegenheid is voorzien. Daarmee is het onderdeel parkeren voldoende geborgd.
Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 26
Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de gewijzigde verkeersstromen als gevolg van de planologische wijziging, zijn de kencijfers van het CROW uit de publicatie 381 toegepast. I.c. is sprake van een vrijstaande woning in het buitengebied van Kaag en Braassem, wat als een weinig stedelijke gemeente wordt beschouwd. Op basis van deze uitgangspunten geldt een te verwachten verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/e). Datzelfde geldt voor de om te zetten bedrijfswoningen. In de toekomstige situatie kunnen daarom ca. 23,4 tot 25,8 mvt/e worden verwacht. De te verwachten verkeersgeneratie mag (in beginsel) worden afgezet tegen de verkeersstromen op basis van de huidige planologische mogelijkheden. Daarvoor geldt dat gerekend dient te worden met gegevens die aansluiten bij de praktijk van een scheepsbouwen reparatiebedrijf. Daarvoor kan gebruik gemaakt worden van de kencijfers voor een bedrijf dat arbeidsintensief en bezoekersextensief is. In het buitengebied van een weinig stedelijke gemeente, geldt dat rekening gehouden dient te worden met minimaal 9,1 en maximaal 10,9 motorvoertuigbewegingen per 100 m2 per etmaal. De huidige bedrijfsbebouwing kent een omvang van ca. 630 m2. Het berekende aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt daarmee minimaal 57,3 en maximaal 68,6 mvt/e.
Daarmee nemen de vervoersbewegingen van en naar de locatie na herontwikkeling van de kavel af. Wel zullen de piekmomenten op andere tijdstippen liggen dan bij het gebruik van de kavel als werkplaats. Desalniettemin kan worden geconcludeerd dat de huidige weginfrastructuur voldoende uitgerust is om de vervoersbewegingen in de toekomstige situatie te kunnen (blijven) verwerken. Obstructies of onveilige situaties worden dan ook niet verwacht. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
Kader In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en is de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast.
Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze beleidsherziening vastgesteld. Beoordeling archeologie Het plangebied kent op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Oost" en in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid, in hoofdzaak de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1'. Een heel klein deel gelegen in de zuidoosthoek van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Ter plaatse van deze gronden mag - met inachtneming van de voor de betrokken Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 27
bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Deze randvoorwaarde geldt wanneer sprake is van grondroerende werkzaamheden en/of bouwwerkzaamheden waarmee de bodem wordt verstoord over een oppervlakte van meer dan 150 m2 (waarde 1) dan wel 2.500 m2 (waarde 2), een en ander voor zover deze werkzaamheden tevens plaatsvinden op een diepte van meer dan 30 cm -mv. Omdat ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan nog geen sprake is van een bouwplan dat tegen het licht van deze beschermingsregeling kan worden gehouden, kunnen op voorhand geen conclusies worden getrokken over de mogelijke invloed op archeologische resten in de bodem. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt overgenomen in voorliggend plan. Indien ten tijde van de bouwaanvraag blijkt dat de genoemde vrijstellingsgrenzen worden overschreden, dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd en toegevoegd aan de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen'. Het aspect archeologie is daarmee voldoende gewaarborgd.
Indien bij werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen dan worden deze gemeld bij de Minister van OCW in overeenstemming met de Erfgoedwet uit 2015. Beoordeling cultuurhistorie Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook is geen sprake van bebouwing van monumentale of andere cultuurhistorische waarde. Binnen of rondom de planlocatie zijn voorts geen cultuurhistorisch waardevolle objecten waaraan afbreuk zou worden gedaan door de geplande wijziging. Cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie Voor archeologie geldt dat de huidige dubbelbestemming wordt overgenomen in voorliggend bestemmingsplan, om daarmee te borgen dat bij grondroerende werkzaamheden oog blijft voor de mogelijke archeologische waarden in het gebied. Cultuurhistorische waarden zijn in het geheel niet in het geding. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.4
Water
Kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Hieronder wordt ingegaan de beleidskaders en wordt het plan aan de hand van de relevante wateraspecten beschouwd. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water worden de gezamenlijke uitgangspunten geformuleerd voor een integraal waterbeleid in de 21e eeuw. De verantwoordelijkheid voor de te treffen waterhuishoudkundige maatregelen gericht op vasthouden, bergen en afvoeren van water ligt bij het waterschap (hoogheemraadschap). Waterbeheerprogramma 6 (2022-2028) Het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 8 februari 2022 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP6) vastgesteld.Goed waterbeheer is van levensbelang om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe het Hoogheeraadschap van Rijnland dit aanpakt is opgenomen in het WBP6, waarin de aanpak voor de komende zes jaar is opgenomen.
Daarin koppelt zij haar kerntaken aan 5 maatschappelijke opgaves; bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Mees Ruimte & Milieu | Westerdijk 47-49 Leimuiden
Pagina | 28
tegengaan van bodemdaling; versterking van de biodiversiteit; energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050. Keur en Uitvoeringsregels De Keur is een juridisch document (verordening). Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regels staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregels tot slot, staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is. Relatie tot bestemmingsplan Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard en grotendeels bebouwd. In de toekomstige situatie wordt de bestaande bedrijfsbebouwing vervangen door een vrijstaande woning. Ten tijde van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is nog geen sprake van een concreet bouwplan, maar van een toename van het verhard oppervlak is hoe dan ook geen sprake. Watercompensatie en een watervergunning in verband met het versneld afvoeren van hemelwater is daarmee niet aan de orde.