NL.IMRO.1884.BPVRIEZENWEG10B-VAS1 bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
13
-Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aangetroffen. In het plangebied ligt geen geïsoleerd, ondiep en snel opwarmend water. De aanwezige steile oevers zijn te zwaar en dicht begroeid. In het plangebied is ook geen geschikt vorstvrij, droog en vergraafbaar zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut als landbiotoop door deze soort.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden op de locatie geen vogelsoorten waargenomen. Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het water langs het plangebied broeden mogelijk watervogels zoals Wilde eend. In het grasland kunnen weidevogels broeden zoals Scholekster. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Gierzwaluw (cat. 2), Huismus (cat. 2), Grote gele kwikstaart (cat. 3), Kerkuil (cat. 3), Ooievaar (cat. 3), Boomvalk (cat. 4), Buizerd (cat. 4), Havik (cat. 4), Ransuil (cat. 4), Sperwer (cat. 4), en Steenuil (cat. 1) vastgesteld. Deze soorten hebben echter geen binding met het plangebied. De bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels of deze soorten hebben gebroed in andere biotopen zoals bebouwing en bos in de omgeving (NDFF 2011-2021). De soorten broeden niet in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen.
Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen geen beschermde soorten met jaarrond beschermde nesten voorkomen. Er is geen broedbiotoop (en geschikt leefgebied) voor roofvogels en uilen aanwezig, zoals hoge bomen of schuren. Voor Huismus en Gierzwaluw ontbreken geschikte gebouwen. Deze soort stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van dekking biedende struiken in bijvoorbeeld tuinen, zandplekken en/of voederplaatsen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
14
Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus of Buizerd. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (NDFF 2011-2021). Potentie plangebied Het is mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals Haas en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1.
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn vier soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2011-2021). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, (Gewone) grootoorvleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Er zijn geen relevante waarnemingen (zoals bijvoorbeeld verblijven, kolonies, foerageergebieden of vliegroutes) bekend van vleermuizen in het plangebied zelf of in de directe omgeving ervan (NDFF 20112021). Potentie verblijfplaatsen In het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven omdat binnen het onderzoeksgebied geen geschikte bebouwing en bomen aanwezig zijn. Potentie foerageergebied Het plangebied is marginaal geschikt voor foeragerende vleermuizen. De schaarse aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
15
concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
3.2.7
Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor overige beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
16
3.3
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij het plangebied
Potentieel aanwezig binnen het plangebied
(literatuur en veldbezoek) nee nee ja
nee nee nee
ja
ja
ja
nee*
nee
nee
nee ja ? nee
nee ja nee nee
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
4
17
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Buizerd en Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
18
4.2
Vleermuizen Verblijfplaatsen In de gebouwen in het plangebied kunnen geen vleermuizen verblijven. In de bebouwing op de erven in de omgeving van het plangebied is het wel mogelijk dat vleermuizen verblijven. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.3
Conclusie effectbeoordeling Met het in achtnemen van besproken aanbevelingen, beperkingen en restricties in §4.1 t/m §4.2 worden geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten bij uitvoer van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
5
19
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op circa tien kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Gezien de grote afstand, afscherming en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van beschermde Weidevogelleefgebieden natuurverbindingen en het NNN.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
20
Het geplande project leidt mogelijk tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze analyse is separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorend .gml-bestanden.
5.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 4). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 4). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.
5.4
Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.`
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
5.6
21
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorend .gml-bestanden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
22
6
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Buizerd en Huismus), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is buiten indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen. Het geplande project leidt mogelijk tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorend .gml-bestanden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
6.3
23
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. Om schade aan amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
24
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.
MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. PASMA, D-J & NAUMAN, F. 2020. Omgevingsscan onderstation Leimuiden. Bouw nieuw onderstation Leimuiden SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
25
VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2020, 28 oktober 2020.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
26
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 2.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZH
ZL
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ +
+ + + + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ +
+ + + + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+ + +
+ + + +
+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +
+ + +
+ + +
+ + +
+ + + +
+ + + +
+ + + +
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ + +3 + +4 + +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
+ +
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker
Van der Goes en Groot
+ +
+ + + + +
+ + + + + + + + +
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
+ + + +
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn Ontheffing is nodig: in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten Ontheffing is nodig: ter bescherming van flora en fauna. in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. in het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. *Geldt alleen in provincie Limburg en Overijssel Categorieën waarbinnen de soorten in deze provincies vallen zijn aangegeven voor Limburg, Overijssel.
**Geldt alleen in provincie Limburg.
***Geldt alleen in provincie Overijssel
Soort Bijeneter** Blauwe reiger** Boerenzwaluw* Boomvalk Bosuil* Buizerd Draaihals** Gierzwaluw Grauwe klauwier** Grote gele kwikstaart Grutto** Havik Huismus Huiszwaluw* IJsvogel** Kerkuil Kramsvogel** Kwartelkoning** Oehoe Ooievaar Paapje** Raaf* Ransuil Ringmus** Roek Roerdomp** Rode Wouw** Slechtvalk Sperwer Spotvogel** Steenuil Torenvalk* Visdief** Wespendief Wulp** Zeearend*** Zomertortel** Zwarte specht* Zwarte wouw
Categorie 4 4 2,3 4 2, 3 4 4 2 4 3 4 4 2 2 4 3 4 4 3 3 4 3, 4 4 4 2 4 3 3 4 4 1 3, 4 4 4 4 4 4 4, 3 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincie Overijssel is de lijst in 2019 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg is de lijst in 2020 opnieuw aangepast (zie kader). In de provincie Limburg gelden nog enkele wijzigingen op de standaard, de volgende soorten vallen in deze provincie andere categorieën: Kerkuil (cat. 1), Oehoe (cat. 1), Roek (cat. 1), Grote gele kwikstaart (cat. 2), Ooievaar (cat. 2), Slechtvalk (cat. 2), Wespendief (cat. 3), Zwarte wouw (cat. 3), Zomertortel (cat. 4). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. *Andere beschermingsstatus in provincies Limburg en/of Overijssel. **Geldt alleen in provincies Limburg en/of Overijssel De Grutto en Ringmus behoren bij categorie 5 in Overijssel, maar horen bij categorie 4 in Limburg. zie ook kader op voorgaande pagina.
Blauwe reiger* Boerenzwaluw* Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil* Brilduiker Draaihals* Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto*/** Hop Huiszwaluw* IJsvogel* Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger
Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht** Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf* Ringmus*/** Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk* Tureluur** Veldleeuwerik** Wulp** Zeearend* Zomertortel** Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht*
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan uit een project en ook voor zogenaamde ‘andere handelingen’ in of rond een Natura 2000-gebied, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de wet: Ecologische Hoofdstructuur EHS Via de Wet Ruimtelijke Ordening wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS) planologisch beschermd. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden. Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de zogenaamde ‘wezenlijke kenmerken en waarden’ of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de provinciale verordening moet dit ‘nee tenzij’-regime zo worden vastgelegd dat hieraan in alle bestemmingsplannen en/of omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen wordt voldaan. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland.
Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Stappenplan procedure Vriezenweg 10B te Leimuiden ecologisch onderzoek en ontheffing Zie hiervoor, Bijlage 1.2.1 van ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie hiervoor, Bijlage 1.2.2 ghhghj Geen ontheffing nodig ghhghj Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3 ghhghj
Zie hiervoor, Bijlage 1.2.3 ghhghj Geen ontheffing mogelijk ghhghj
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk ghhghj
Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd. Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 5 te worden gevolgd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Vriezenweg 10B te Leimuiden
Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen. Bijlage 1.5.1 Ontheffingsaanvraag Wnb Als stap 4a uit het stroomschema negatief is omdat een project of plan locatie gebonden is en er geen alternatieven zijn, is een ontheffingsaanvraag waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied (ongeveer 3-5 jaar geldig). De aanvraag kan voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning plaatsvinden. De aanvraag wordt gedaan bij de provincie waarin het plangebied is gelegen.
Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Men dient op het digitale aanvraagformulier van het omgevingsloket (OLO) dan aan te geven dat ‘Handelingen worden verricht met gevolgen voor beschermde dieren en planten’. Ook hierbij dient een activiteitenplan en inventarisatie bijgevoegd te worden. De gemeente waarbij de aanvraag is ingediend stuurt de informatie omtrent beschermde flora en fauna naar de provincie die een ‘Verklaring van geen bedenkingen’ (VVGB) afgeeft voor het ‘natuur’ onderdeel van de omgevingsvergunning. De provincie handhaaft bepalingen uit eventuele ontheffingen en vergunningen en de eventuele werking van de Wnb bij projecten waar geen ontheffing is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door de provincie. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging of het stilleggen van werkzaamheden
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2021-013
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl
86
Bijlage 4 Aerius berekening
"Vriezenweg 10B Leimuiden" (vastgesteld)
Vriezenweg 10b te Leimuiden
Stikstofberekening
G&G-advies 2021
in het kader van de Wet natuurbescherming
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Vriezenweg 10b te Leimuiden Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming
S.C. Wytema
2021
Opdrachtgever DNS Planvorming B.V.
G&G-advies 2021
Datum Versie
27 januari 2021 V1
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Vriezenweg 10b te Leimuiden
3
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1
2
3
4
4
Werkwijze en werkzaamheden ............................................................................... 4
Methode
5
2.1
Berekening en uitgangspunten................................................................................ 5
2.2
Kleine tijdelijke depositie door mobiele werktuigen .............................................. 6
Aanlegfase
7
3.1
Verkeersaantrekking ................................................................................................ 7
3.2
Inzet mobiele werktuigen ........................................................................................ 7
3.3
Berekening Aanlegfase ............................................................................................ 9
Gebruikfase
10
4.1
Verkeersaantrekking .............................................................................................. 10
4.2
Berekening Gebruikfase ........................................................................................ 10
5
Conclusie effectbeoordeling stikstof
11
6
Literatuur
12
7
Bijlagen
13
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
4
1
Inleiding Er bestaan plannen aan de Vriezenweg 10B te Leimuiden een terrein te herontwikkelen. Het is hiervoor nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot/depositie van dit project te bepalen. De te realiseren bebouwing wordt zonder gasaansluiting aangelegd, maar er is wel sprake van extra verkeer en de inzet van mobiele werktuigen door de herinrichting. Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000-gebieden. Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.
1.1
Werkwijze en werkzaamheden In het plangebied zal door Liander een onderstation worden gerealiseerd. Het bouwoppervlakte beslaat circa 1191 m2. Voorafgaand aan de bouw zal het bouwterrein verder bouwrijp worden gemaakt door dit te ontdoen van vegetatie, het te vlakken en het benodigde graafwerk uit te voeren voor kabels, leidingen en fundamenten.
Impressie van het nieuwe onderstation op de huidige locatie.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
2
5
Methode Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2020) gebruikt. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes. Aangetoond moet worden dat geen significant negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrond tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.
2.1
Berekening en uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (bouw en sloop) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). Omdat het niet mogelijk is om de stroomvoorziening voor de omgeving voor minimaal een jaar af te sluiten ten behoeve van sloop en nieuwbouwwerkzaamheden, is het noodzakelijk om direct aansluitend aan het bestaande terrein de nieuwbouw te realiseren Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage zullen beide fases berekend worden. De situatie met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen (en in rekentool Aerius aangegeven) habitattypen in Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Botshol en Kennemerland-Zuid.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
6
2.2
Kleine tijdelijke depositie door mobiele werktuigen Bij tijdelijke activiteiten waar de bijdrage van de stikstofdepositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jr is over een periode van 2 jaar, kan worden beredeneerd dat negatieve gevolgen op stikstofgevoelige habitats op voorhand kunnen worden uitgesloten. In de aanlegfase van een project wordt materieel ingezet dat slechts tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. In een voortoets kan onderbouwd worden dat kleine, tijdelijke deposities, van tijdelijke bronnen, binnen het project op zichzelf en bij elkaar opgeteld, op voorhand niet kunnen leiden tot significant negatieve effecten. Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. Deze lijn geldt voor alle vormen van tijdelijke emissies in de aanlegfase, in de praktijk zal dit met name mobiele werktuigen en de aan-/afvoer van materiaal en materieel betreffen. De inzet van het materieel voor een project betreft in feite het telkens verschuiven van bestaande bronnen naar een nieuwe locatie. Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden.
Een dergelijke beperkte toename kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van de totale depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel. Daarmee kan een tijdelijke inzet van materieel geen negatieve gevolgen hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Indien de stikstofdepositie in de aanlegfase groter is dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar, of indien er sprake is van een depositiebijdrage in de gebruiksfase op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied, dan kan wel sprake zijn van een vergunningplicht op het gebied van stikstof. Op grond van bovenstaande is het inmiddels de praktijk dat een Wnb –vergunning voor projecten met een dergelijke kleine toename niet nodig wordt geacht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
3
7
Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft verkeersaantrekkende werking en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwsite. De aanlegfase zal ongeveer anderhalf jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames.
3.1
Verkeersaantrekking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen (aanvoer van materialen en afvoer van puin), werktuigen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot het eerste knooppunt/aansluiting op de doorgaande weg, in dit geval de aansluiting op de N207 met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken en afremmen. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersaantrekkende werking bestaat uit: Transport personeel en kleine materialen: in totaal 2040 ritten licht verkeer en 1360 ritten middelzwaar verkeer; Dit wordt gemodelleerd /1,5 (over een heel jaar) en x2 omdat zowel aankomst als verkeer wordt meegerekend, dus in totaal 2720 ritten licht verkeer en 1813 ritten middelzwaar verkeer per jaar. Aan- en afvoer van bouwmaterieel en bouwmaterialen & puin: in totaal 153 ritten met zwaar verkeer gedurende anderhalf jaar. Dit wordt gemodelleerd /1,5 (over een heel jaar) en x2 omdat zowel aankomst als verkeer wordt meegerekend, dus in totaal 204 ritten zwaar verkeer.
3.2
Inzet mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrij komt, betreffen sloopwerk en afvoer van puin, vlakken van de vrijgekomen gronden, graven van sleuven voor bijvoorbeeld kabels en leidingen, heien en hijswerk t.a.v. prefab constructiedelen. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in Tabel 1. Er wordt uitgegaan van de inzet van materieel van stageklasse IIIB of nieuwer. Voor het berekenen van de emissie tijdens het stationair draaien van de werktuigen is uitgegaan van de maximale duur (totale duur minus aantal draaiuren) en de formule afgegeven door Aerius.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
8 ES = TS * EFS_CI * (V/20) / 1000 Waarbij
ES = emissie stationair TS = tijd stationair EFS_CI = Emissiefactor stationair V = vermogen Hierbij is grofweg uitgegaan van de volgende emissiefactoren: NOx 14,2 10
Stage III Stage IV
NH3 0,003293 0,003149
Voor een volledig overzicht van de emissiefactoren (onbelast) wordt verwezen naar https://www.aerius.nl/nl/factsheets/mobielewerktuigen-stage-klasse-emissiefactoren/15-10-2020. De mobiele emissiebronnen zijn in Aerius apart ingevoerd, niet te kiezen bronnen zijn binnen Aerius ingegeven als ‘anders’ met emissiefactoren zoals aangegeven in Tabel 1. De materiële inzet is zo accuraat mogelijk ingeschat door de initiatiefnemer. Er is echter een extra bron met vermogen van 100 kw (vergelijkbaar met een grote graafmachine) opgenomen voor onvoorziene werkzaamheden, correctie van TAF-factoren en voor divers overig klein materieel gedurende 60 uur continu.
Totaal
Van der Goes en Groot
0,00254 32 8,8 0,00249 80 19,5 0,00291 46 19,0 0,00283 120 29,8 0,00254 60 12,0
0,011 1,40864 0,0002976 0,024 4,4304 0,000936 0,028 3,03738 0,0006417 0,042 4,75416 0,0010044 0,015 nvt nvt
89,2 0,121
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
13,6
Tijd stationair (uren)
Emissie stationair NH3 (g/kw)
2 2 2 2 2
Emissie stationair NOx (g/kw)
0,69 0,61 0,69 0,69 1
Emissie (Kg NH3)
Emissiefactor NOx (g/kw)
2007 2007 2007 III III
Emissie (Kg Nox)
Draaitijd factor
200 200 300 180 100
Draaitijd uren
Stage/jaar
Graafmachine aanleg Mobiele kraan 40 ton Hijskraan 300 ton Heistelling Divers/onvoorzien
Emissiefactor NH3 (g/kw)
Stage IV
Vermogen (kw)
Geschatte materiaalinzet en geproduceerde stikstof in de aanlegfase op basis van directe invoer van bouwjaar in Aerius(2020) of met stageklasse in het Emissiemodel Mobiele Machines (EMMA) (HULSKOTTE & VERBEEK 2009).
9,92 31,2 14,26 37,2 nvt
0,003
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
3.3
9
Berekening Aanlegfase De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) is opgenomen in Bijlage 1. Separaat worden bestanden met extensie gml en PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021
Vriezenweg 10b te Leimuiden
10
4
Gebruikfase Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van één onderstation. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is en alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking wordt berekend.
4.1
Verkeersaantrekking Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen per jaar is bij het project uitgegaan van één bezoek van een onderhoudsbusje per half jaar. Dit resulteert in 4 vervoersbewegingen per jaar aangezien zowel aankomst als vertrek worden meegerekend Het verkeer is gemodelleerd tot de aansluiting op de N207 met naar beide kanten 200 meter extra voor optrekken afremmen. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer dat de gevolgen voor het milieu van dit verkeer niet meer aan het nieuwe project kunnen worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”.
4.2
Berekening Gebruikfase De uitkomst van de berekeningen is opgenomen in Bijlage 2. Separaat worden bestanden met extensie gml en PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op alle rekenpunten de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
2021