NL.IMRO.1884.BPSPORTPAD-VAS2 toelichting, regels en verbeelding
Tekst van het document
De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. 5.2.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebied en gebieden die zijn aangewezen als strategische reservering natuur. Daarnaast zijn binnen het plangebied geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor de aanleg en het gebruik van de nieuwe functies is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de bouw en het gebruik van het voorzieningencluster in het bestemmingsplan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project. 5.3
Conclusie Uit de bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. Uit het nader onderzoek blijkt dat alle grote nesten in het plangebied in gebruik zijn door eksters. Deze nesten zijn niet jaarrond beschermd. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Wel moet rekening gehouden worden met het broedseizoen.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
26
Daarnaast blijkt dat er zijn geen vliegroutes of essentieel foerageergebied van vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn. Ook hiervoor hoeft dus geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebied en gebieden die zijn aangewezen als strategische reservering natuur. Daarnaast zijn binnen het plangebied geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Uit het uitgevoerde stikstofonderzoek blijkt daarnaast dat significant negatieve effecten op de instandhouding van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
27
6
Water
6.1
Kader Nationaal Waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en is en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden.
Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Waterbeheerplan 5 2016-2021 Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het Waterbeheerplan 5 2016-2021 (WBP5) “Waardevol Water” vastgesteld. Hierin staat samen werken aan water staat centraal, zodat nu en in de toekomst in dit unieke deel van Nederland onder zeeniveau gewoond, gewerkt en gerecreëerd kan worden. Water is een maatschappelijke opgave en Rijnland wil, samen met zijn omgeving, werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Die toekomst wordt mede bepaald door trends in klimaat en maatschappij en de noodzaak om op duurzame wijze met onze omgeving om te gaan. De verwachte toename van neerslag en droogte, bodemdaling, Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
28
verzilting, zeespiegelrijzing en de verdergaande verstedelijking, leggen een steeds grotere druk op het watersysteem. De hoofdambitie is schoon en voldoende water en droge voeten. Dit wordt bereikt door: - Beschermen tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem door een aanpak in drie lagen (meerlaagsveiligheid): preventie, adviseren over het beperken van de gevolgen van overstromingen (gevolgbeperking), en voorbereiden op een calamiteit; - Zorgen voor schoon en gezond water dat past bij de verschillende functies in een gebied. - Optimaliseren van de verwerking van het afvalwater en hergebruiken van de grondstoffen uit afvalwater. - Zorgen voor voldoende water: niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. Momenteel wordt gewerkt aan WBP6 voor de periode 2022-2027. Keur Rijnland 2020 en Uitvoeringsregels De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Maar ook voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Het uitgangspunt van deze Keur is ‘ja, tenzij’: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels.
Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een Zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. -
De Zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is.
Leggers hoogheemraadschap van Rijnland In de leggers is voor alle wateren in het gebied aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook staat erin wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
29
6.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Huidig watersysteem In het voorliggende plangebied zijn diverse watergangen en andere oppervlaktewateren aanwezig die voornamelijk dienen voor het afwateren van de verschillende woongebieden. Diverse watergangen zijn in de legger van het hoogheemraadschap aangemerkt als primaire watergang en in het vigerende bestemmingsplan van de bestemming ‘Water’ voorzien.
Afbeelding 6.1: Uitsnede legger - ligging primaire en overige watergangen (bron: Legger oppervlaktewateren, hoogheemraadschap van Rijnland)
Voorliggend plangebied is gelegen in het peilgebied ‘Gogherpolder’. De Gogherpolder heeft een vast peil van NAP -4,72 m (waterpeil Sportpad) en -4,95 m (waterpeil Alkemadelaan). Het overtollige water uit de polder wordt door middel van een gemaal afgevoerd naar het Braassemermeer. Het Braassemermeer is een onderdeel van de boezem van Rijnland en heeft een zomerpeil van NAP -0,61 m en een winterpeil van NAP -0,64 m. Waterkwantiteit Het waterschap stelt als uitgangspunt dat door toedoen van de ontwikkeling er geen versnelde afvoer in het oppervlaktewater mag plaatsvinden. Doorgaans wordt dit gecompenseerd door nieuw te graven water (Art. 11; 15% compensatie van toename verharding door nieuw te graven water). Het waterschap kan hiervan afwijken als de ruimte te beperkt is, in dat geval dient er alternatieve berging plaats te vinden. De uitgangspunten hiervoor zijn: • de alternatieve waterberging een bergingscapaciteit heeft van minimaal 55 liter per m² verharding, en; • de alternatieve waterberging een afvoer heeft van 0,6 liter/uur/m², en; • indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan 5 ha, maximaal 20% van de toename aan verhard oppervlak wordt gecompenseerd in een alternatieve waterberging. Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
30
In afbeeldingen 6.2 en 6.3 is het verhard oppervlak van de huidige situatie met de toekomstige situatie vergeleken. Op basis hiervan blijkt dat het verhard oppervlak met circa 39.384 m2 toeneemt. Er wordt geen extra water gegraven, maar er worden alternatieve bergingen toegepast. Er is 2.166 m 3 aan alternatieve waterberging benodigd. De klimaatbestendigheid Lucas van Leydenstraat en Rembrandt van Rijnsingel is echter matig. Bij modelbui t=100 (70mm in 2 uur) komt daar tot 30 cm op straat. Voor de opgave van de directe omgeving is een globale berekening gemaakt van de hoeveelheid water op straat. Dit betreft nog eens circa 2.200 m3 water. In totaal zijn in de twee peilvlakken dus 4.366 m3 aan alternatieve waterberging nodig.
Afbeelding 6.2: Overzicht huidige en toekomstige verharding en watercompensatie peilvak Gogherweide (noordzijde) (bron: Stedenbouwkundig plan, 7 maart 2023)
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
31
Afbeelding 6.3: Overzicht huidige en toekomstige verharding en watercompensatie peilvak Gogerweide (zuidzijde) (bron: Stedenbouwkundig plan, 7 maart 2023)
De watercompensatie wordt gezocht in alternatieve berging. Er wordt waterberging onder de sportvelden gecreëerd en er worden waterbassins en waterkelders gerealiseerd. In totaal wordt er binnen de twee peilvlakken 4.578 m3 aan alternatieve waterberging aangelegd. Er wordt dus voldoende (alternatieve) waterberging aangelegd. Waterberging in de sportvelden: • De sporttechnische laag onder kunstgrasvelden kan een deel van het water opnemen en vertraagd afvoeren (0,6 L/uur/m2). Laag van lavasteen is 10cm dik met capaciteit van ca. 30%. Dit verlaagt de afvoer van de sportvelden. Waterbassin/Waterkelder: • Waterbassin/waterkelder van beton (afgedicht t.b.v. grondwater) voor opvang en opslag hemelwater (afvoer max 0,6 L/uur/m2). 1,20m diep. • In noordzijde van het gebied wordt het bassin onder de parkeervakken aangelegd om met beperkte afvoer op het oppervlaktewater te kunnen lozen. • In de zuidzijde van het gebied wordt er een kelder aangelegd onder het (inloop)veld van de hockey. Dit bassin voorziet in het hergebruik van water voor de sproeiinstallatie van het hockeyveld. Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
32
Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Bruggen De watergang en groene oevers in het gebied is een van de grote kwaliteiten van het gebied. Tegelijkertijd vormt dit ook een barrière in de verbinding tussen de verschillende gebruikers en het Sportpad. Om de samenwerking, het deelgebruik en de veiligheid zo optimaal mogelijk te kunnen benutten zijn er een aantal bruggen of overbruggingen over het water nodig. Dit vraagt extra aandacht aangezien de watergang een A-watergang betreft in de legger. In de huidige situatie bevinden zich drie bruggen: bij de aansluiting met de Gerberastraat, ter hoogte van de Treffers en bij de aansluiting met het parkeerterrein. Twee van de drie bruggen kunnen goed dienst doen binnen de ontwikkeling.
Tussen de nieuwe voetbalkantine en het nieuwe verzamelgebouw van de Tweesprong/Kindcentrum zijn echter betere (en meer) overbruggingen nodig. De huidige brug kan mogelijk wel verplaatst worden. In de ontwikkeling zijn vier nieuwe bruggen opgenomen (waarvan één mogelijk hergebruikt) ter overspanning van de watergang. Deze sluiten aan op logische routes naar de entree van het Kindcentrum en de Tweesprong, naar de fietsenstalling en naar de voetbalvereniging. De watergang is ca. 4m breed. De nodige overspanning van het bruggenhoofd is ca. 6m. De huidige onderdoorgang onder de Alkemadelaan blijft vooralsnog behouden. Wel sorteert het plan voort op een mogelijke verbetering in de toekomst.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
33
Afbeelding 6.4: Overzicht bestaande en nieuwe bruggen (bron: Stedenbouwkundig plan, 7 maart 2023)
Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het hoogheemraadschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Kaag en Braassem. 6.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
34
7
Archeologie en cultuurhistorie
7.1
Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”.
In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
7.2
Onderzoek Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid (13 mei 2013) rust er geen archeologische verwachtingswaarde op het plangebied. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Op grond van de cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland zijn er in het voorliggende plangebied geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren aanwezig.
7.3
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
35
8
Milieu
8.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
8.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer en een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. De herontwikkeling van het plangebied valt onder de categorie ‘woningbouw’, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Deze worden hieronder behandeld: 1.
Kenmerken project/activiteit De ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van voorzieningencluster het Sportpad. De hoofdopzet van het plan bestaat uit een cluster van nieuwe bebouwing aan de noordzijde van het Sportpad (Tweesprong, IKC) en een aantal sportverenigingen ten zuiden van het Sportpad. 2. Plaats van het project/activiteit Het Sportpad ligt in het noordoosten van Roelofarendsveen en is gelegen tussen het winkelhart van Roelofarendsveen en het centrum van Oude Wetering in. 3. Samenhang met andere activiteiten Er zijn geen concrete andere activiteiten in de omgeving van het plangebied gepland of in uitvoering. 4. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Het plangebied blijft ruim onder de drempelwaarde zoals opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r.
Uit de onderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat als gevolg van de realisatie van het plan geen (significante) nadelige milieueffecten optreden – noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien – waardoor een uitgebreide m.e.r.-beoordeling niet aan de orde is. Wel dient het college van
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
36
burgemeester en wethouders een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan. Dit besluit is inmiddels genomen. 8.3
Bodemkwaliteit
8.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 8.3.2 Onderzoek Door ABO-Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van deellocatie 1 een sterk verhoogd gehalte zink is aangetroffen. Er heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de aangetoonde verontreiniging met zink om de ernst en omvang te bepalen. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting.
Op basis van de resultaten uit het aanvullend onderzoek wordt geadviseerd om middels een plan van aanpak de matig tot sterke verontreiniging met zink ter plaatse van deellocatie 1, met een omvang van circa 7,5 m3 te verwijderen. Voor een verontreiniging van deze omvang is geen BUS-melding of saneringsplan noodzakelijk. Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
37
In het verkennend onderzoek ontbraken nog een aantal locaties binnen het plangebied. Deze zijn nog aanvullend onderzocht en meegenomen in bijlage 7. Ter plaatse van deze en de andere deellocaties geven de aangetoonde licht verhoogde waardes, in de grond en in het grondwater, geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt naar verwachting geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. Na het beëindigen van de huidige bodembedreigende bedrijfsactiviteiten dient de eindsituatie te worden vastgelegd ter plaatse van het zwembad, op de locatie waar bodembedreigende activiteiten hebben plaats gevonden, voordat gestart kan worden met herontwikkeling/nieuwbouw. 8.3.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voor het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen verwacht worden voor de ontwikkelingen in dit plan. 8.4
Akoestische aspecten
8.4.1 Kader Wegverkeerslawaai Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen in bepaalde gevallen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Normstelling Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Daarnaast worden in het Bouwbesluit 2012 eisen gesteld aan de karakteristieke geluidwering. Dit betreffen eisen aan de geluidwering van de gevel zodat deze zodanig wordt geconstrueerd dat voldaan wordt aan de maximale binnenwaarde van 33 dB.
Voor een bedgebied (verblijfsgebied waarin bedden aanwezig zijn) is de waarde van de karakteristieke geluidwering 5 dB hoger. Dit betekent dat de binnenwaarde in het bedgebied niet hoger mag zijn dan 28 dB. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze - strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen mee worden genomen in de afweging. Het plangebied is gelegen binnen in de Wet geluidhinder (Wgh) vastgelegde onderzoekszone van de Alkemadelaan en de Rembrandt van Rijnsingel. Op grond van de Wgh is om deze reden akoestisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ook de 30 km/uur weg de Lucas van Leydenlaan beoordeeld. Tevens zijn de akoestische effecten getoetst ter plaatse van de Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
38
bestaande woningen die langs de wegen zijn gelegen waar een verkeerstoename plaatsvindt vanwege de planontwikkeling. Railverkeerslawaai In de Wgh en het Besluit geluidhinder (Bgh) is de zonering van spoorwegen (en ook van tram- en metrotracés) en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Het voorliggende plangebied is niet gelegen binnen de zone van een spoorweg. 8.4.2 Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies benoemd. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door het verkeer op geen van de wegen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeurgrenswaarde. Dit betekent dat een hogere waarde procedure niet aan de orde is. Verder blijkt uit het onderzoek dat de verkeerstoename op de rond het plan gelegen wegen zodanig gering is dat op de bestaande woningen langs deze wegen geen significante hoorbare verandering van de geluidsbelasting aan de orde is. Naar alle waarschijnlijkheid wordt de nieuwbouw lager uitgevoerd dan in het akoestisch onderzoek is aangehouden.
Omdat de voorkeursgrenswaarde op de nieuwbouw niet wordt overschreden heeft een eventueel andere bouwhoogte geen invloed op de resultaten en de conclusies. 8.4.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid overeenkomstig de Wgh geen belemmering veroorzaakt voor de ontwikkelingen in dit plan. 8.5
Luchtkwaliteit
8.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
39
grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 8.5.2 Onderzoek Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd.
Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. Op basis van de toename aan verkeersbewegingen is met de NIBM-tool beoordeeld of het plan aan te merken is als NIBM. In de huidige situatie genereren de voorzieningen circa 1.450 tot 1.650 mvt/etm. In de toekomstige situatie genereren de voorzieningen samen 3.000 tot 3.400 mvt per etmaal. Dit gaat dus om een maximale toename van 1.750 verkeersbewegingen. Op basis van de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van dit extra verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
1750
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
3
NO2 in μg/m
1,13
3
0,24
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
1,2
40
Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.
Afbeelding 8.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 20,6 µg/m3, 18,7 µg/m3 en 11,0 µg/m3 bedragen. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,7, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 8.5.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 8.6
Milieuzonering
8.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Daarnaast bepaalt de feitelijke (planologische) situatie eveneens in hoeverre bedrijven in de bestaande situatie reeds beperkt worden in hun bedrijfsvoering. Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
41
8.6.2 Onderzoek De herontwikkeling vindt voornamelijk in het noordelijke deel van het sportpark plaats. In de huidige situatie is er op de plek van de toekomstige bebouwing reeds een sporthal en zwembad aanwezig. De situering van het bouwvlak wijzigt, en de sportvoorzieningen (inclusief zwembad) worden meer naar het westen verplaatst. De sporthallen en het zwembad wordt De Tweesprong genoemd. De sportschool blijft op dezelfde plaats. In het nieuwe gebouw zijn ook basisscholen en een kinderopvang voorzien (IKC). Onderwijs wordt gezien als gevoelige functie, waardoor bekeken moet worden of de omliggende functies tot hinder leiden op de onderwijslocatie. Tegelijkertijd kan de nieuwe onderwijslocatie ook tot hinder leiden op de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied. In het vigerende bestemmingsplan kent vrijwel het gehele plangebied de bestemming ‘Sport’. In de toekomstige situatie blijft dit het geval, enkel de nieuwe bebouwing van het Kindcentrum en de Tweesprong krijgt een maatschappelijke bestemming. Vanwege het multifunctionele karakter van het gebied en het toekomstige gebouw van het Kindcentrum/De Tweesprong is met name gekeken naar de uitstraling van de functies op de omliggende bebouwing. Binnen het plangebied is sprake van een dusdanige functiemenging dat er geen onaanvaardbare hinder van de onderlinge functies en activiteiten wordt verwacht.
Sportvelden De huidige én toekomstige sportvelden vallen onder de VNG-categorie ‘Veldsportcomplex (met verlichting)’ of ‘Tennisbanen (met verlichting)’. Beide inrichtingen kennen milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. De richtafstanden volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Ter plaatse van de woningen aan de Oeverzegge, de Gerberastraat en de Lucas van Leydenlaan/Breitnerlaan wordt de richtafstand (gemeten vanaf de grens van de sportbestemming) in de huidige situatie reeds overschreden. Zoals te zien op afbeelding 8.2 en 8.3 verandert dit niet met de herontwikkeling van het gebied. Voor enkele woningen aan de noordzijde van het plangebied geldt dat deze als gevolg van het verkleinen van de sportbestemming zelfs buiten de richtafstand komen te liggen. De toekomstige situatie verbetert ten opzichte van de huidige situatie.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
42
Afbeelding 8.2: Overzicht bestemmingen en richtafstanden huidige situatie (bron: KuiperCompagnons)
Afbeelding 8.3: Overzicht bestemmingen en richtafstanden toekomstige situatie (bron: KuiperCompagnons)
Een van de ontwikkelingen betreft de realisatie van het nieuwe clubgebouw van EMM’21. Op de huidige locatie van het andere clubgebouw is een nieuw sportveld voorzien. Door het verplaatsen en vernieuwen van enkele velden ontstaat er ook ruimte voor de inpassing van een nieuw hockeyveld. Daarnaast wordt de tennisvereniging uitgebreid met nieuwe tennisvelden en padelbanen. Bovengenoemde ontwikkelingen leiden tot een (mogelijke) verschuiving van de richtafstanden en kunnen voor hinder zorgen op omliggende (woon)bebouwing en de nieuwe onderwijslocatie.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
43
Omdat de akoestische impact van padellen groter is dan dat van tennis heeft Het GeluidBuro in 2023 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In eerste instantie is onderzocht welke akoestische effecten optreden als er 2 of 4 padelbanen worden gerealiseerd en extra tennisbanen. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Voor de onderzochte situatie geldt het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de huidige situatie is het plangebied namelijk reeds bestemd voor sportvoorzieningen, en in de nabijheid komen ook maatschappelijke en bedrijfsmatige functies voor. Daarnaast wordt de nabijgelegen woonwijk van het plangebied gescheiden door de Alkemadelaan. De woningen aan de Populierenstraat liggen al binnen het aandachtsgebied (geluidzone) van deze weg. In geval van omgevingstype ‘gemengd gebied’ moet worden getoetst aan een richtwaarde van 50 dB(A) (avond 45 en nacht 40 dB(A)) voor het langtijdgemiddelde geluidniveau en 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de totale geluidniveaus bij een aantal bestaande woningen aan de Populierenstraat hoger zijn dan de richtwaarde van 45 dB(A) (avondperiode). De berekende maximale geluidniveaus voldoen wel aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit.
Naar aanleiding van bezwaar vanuit enkele omwonenden is gezocht naar passende voorzieningen waarmee het tennispark, inclusief de toekomstige padelbanen, aan de geluidnorm van 45 dB(A) kan voldoen. Hiertoe zijn verschillende varianten onderzocht en is door Het GeluidBuro in 2024 een tweede akoestisch onderzoeksrapport opgesteld, welke is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. In overleg met de tennisvereniging is beoordeeld welke variant het meest uitvoerbaar en realistisch is. Dit is de variant waarbij aan de zuidzijde achter de tennisbanen een geluidsscherm wordt geplaatst van 140 meter lang en 3 meter hoog. Het scherm dient absorberend te zijn en een minimale soortelijke massa te hebben van 15-20 kg/m2. De 4 padelbanen worden daarnaast op de bovenste meter van het gaas van de kooi rondom voorzien van NoiStop-Impact panelen. Op basis van geluidmetingen door een onafhankelijk adviesbureau (Peutz) is, door het plaatsen van dergelijke panelen, op 5 meter hoogte een afname van 3 dB van het padelgeluid vastgesteld. Het onderzoek toont aan dat met het nemen van deze geluid reducerende maatregelen aan de wettelijke geluidsnormen wordt voldaan. Er ontstaat wat betreft het geluid van de tennisvereniging zelfs een betere situatie dan in de huidige situatie, waarin de norm met 1 dB wordt overschreden.
De bijdrage van de 4 padelbanen bedraagt hiermee ter plaatse van de woningen 40 dB(A) en minder. De werkelijke geluidniveaus van de padelbanen, exclusief de impuls-/hindertoeslag zijn dan 35 dB(A) en lager. De kans op hinder vanwege de padelbanen ter plaatse van de woningen is daarmee verwaarloosbaar. Het aantal, de ligging en de benodigde geluid reducerende maatregelen ten behoeve van de padelbanen zijn geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Clubgebouw Het clubgebouw van EMM’21 komt in de toekomstige situatie op dezelfde plek of zelfs verder van de woonbestemmingen af te liggen, dit leidt dan ook niet tot belemmeringen. Kindcentrum en De Tweesprong Binnen het toekomstige gebouw van het Kindcentrum en De Tweesprong is sprake van een sterke functiemenging. In de basis bestaat het gebouw uit een gedeelte Tweesprong, een gedeelte Kindcentrum, met daartussen het gezamenlijke ‘hart’ van het gebouw. Er is sprake van een inpandige scheiding tussen de functies. Wanneer voldoende aandacht wordt besteed aan inpandige, bouwkundige maatregelen om de eventuele hinder te beperken, wordt hiervan geen belemmering verwacht. Het Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
44
toepassen van een voldoende inpandige scheidingsconstructie tussen onderwijsfuncties en sportfuncties is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Op basis van deze regeling mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de activiteiten van de sportfunctie in de geluidsgevoelige ruimte van de onderwijsfunctie niet meer dan 35 dB(A) etmaalwaarde bedragen. Hierbij mag rekening gehouden worden met de beoordelingsperioden waarbinnen de onderwijsfunctie in gebruik is. Kindcentrum De toegang tot het schoolgebouw wordt aan de zuidzijde gesitueerd. Ook het schoolplein ligt aan deze zijde. De zuidzijde is afgekeerd van de woonbebouwing. Hiermee vormt het nieuwe schoolgebouw een afscherming naar de woonbebouwing voor de activiteiten op het schoolplein, waardoor dit niet tot belemmeringen leidt. Daarnaast wordt, door de situering van het schoolplein aan de zuidzijde van het schoolgebouw, de richtafstand van 50 meter van de sport-/tennisvelden tot aan de onderwijslocatie gerespecteerd. Het Kindcentrum zelf heeft een kleinere richtafstand dan de bestaande sportvelden. In de huidige situatie ligt de richtafstand van de sportvelden over de bestaande functies. Door het verdwijnen van de sportvelden op deze locatie, en het realiseren van het Kindcentrum, wordt de richtafstand kleiner.
De functies ten noordoosten van het Kindcentrum worden in de toekomstige situatie niet belemmerd. De Tweesprong In De Tweesprong worden sporthallen en een zwembad gerealiseerd. Deze inrichtingen hebben een richtafstand van 50 meter. De huidige sportvelden hebben ook een richtafstand van 50 meter. Er vindt dus geen verslechtering plaats. Evenemententerrein In het zuidwesten van het plangebied is binnen de toekomstige verkeersbestemming voor de parkeerplaats naast EMM’21 de aanduiding ‘evenemententerrein’ opgenomen. In het vigerende bestemmingsplan kent de parkeerplaats een sportbestemming. Er worden echter in de huidige situatie ook al verschillende (relatief grote) evenementen georganiseerd op deze parkeerplaats. Er zijn in principe drie evenementen met een vergunning die jaarlijks plaatsvinden op het parkeerterrein naast EMM’21. Naast deze vergunde evenementen bestaat er altijd de mogelijkheid om een evenement te organiseren waarvoor geen vergunning noodzakelijk is. Dit kan alleen wanneer het evenementen voldoet aan de voorwaarden van een vergunningsvrij evenement. Het gebruik van de parkeerplaats als incidenteel evenemententerrein wordt in voorliggend bestemmingsplan geformaliseerd.
Gezien het feitelijk gebruik van de parkeerplaats en het feit dat er niet meer evenementen bij komen ten opzichte van het bestaand aantal evenementen dat al is toegestaan, vindt er geen verslechtering plaats. 8.6.3 Conclusie Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er ten opzichte van de huidige situatie geen verslechtering plaatsvindt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zodoende vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 8.7
Externe veiligheid
8.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
45
vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10 -6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10 -6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 8.7.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: • Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A4. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied voor toxische stoffen. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid' Tevens is sport- en recreatiecentrum De Tweesprong ingedeeld in de categorie ‘overige inrichtingen met gevaarlijke stoffen’. Blijkens de risicokaart van de provincie Zuid-Holland is er van de locatie een terreingrens aangegeven.
Voor de inrichting is een milieuvergunning afgegeven (WM409, 24 april 2002). Met de herontwikkeling zal het bestaande gebouw van De Tweesprong verdwijnen. Binnen het nieuwe gezamenlijke gebouw wordt wel een sporthal, een binnenbad en overige sportfuncties teruggebracht. De bouw van het nieuwe zwembad zal plaatsvinden binnen de huidige milieuvergunning. Een zwembad valt onder het Activiteitenbesluit milieubeheer. De in het verleden verleende omgevingsvergunning milieu van 24 april 2002 is van rechtswege vervallen vanaf het moment dat het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing is geworden (1 januari 2013). De opslag van gevaarlijke stoffen bij dit zwembad bestaat uit de opslag van natriumhypochloriet en zwavelzuur. Naar verwachting zal bij een (ver)nieuwbouw van het zwembad een andere reinigingsmethode gehanteerd worden zonder gebruik te maken van gevaarlijke stoffen. Voor de kwetsbare objecten in de omgeving van het plan vindt er daarom feitelijk geen verandering plaats.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
46
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals de kinderopvang. Door een incident op de rijksweg of met de chloortank van het zwembad kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. In het geval van ammoniak kan het gevaar door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen.
De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de werknemers is zeer belangrijk. Bij indiensttreding dient op de externe veiligheidsrisico’s gewezen te worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Binnen de maatschappelijke voorzieningen in het plangebied kunnen personeelsleden en grote groepen bezoekers verblijven.
Het is van belang dat het personeel, de begeleiding en/of de BHV-organisatie van deze objecten is voorbereid op eventuele calamiteiten op de rijksweg of met de chloortank. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om bezoekers van deze objecten te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. 8.7.3 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. Er is formeel advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Hollands Midden (zie paragraaf 9.2.1).
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
47
8.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
8.8.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied lopen geen planologisch relevante kabels of (hoogspannings)leidingen, anders dan behandeld in de paragraaf externe veiligheid. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
48
9
Uitvoerbaarheid
9.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De gemeente voert zelf de regie over de herontwikkeling en bewaakt hiertoe de grondexploitatie. De herontwikkeling van het Sportpad is slechts mogelijk wanneer uit de grondexploitatie blijkt dat er sprake is van een financieel haalbare ontwikkeling.
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
9.2.1 Totstandkoming Masterplan Het masterplan is tot stand gekomen vanuit een intensieve samenwerking tussen alle gebiedspartijen zoals de gemeente, verenigingen, onderwijsinstellingen, omwonenden en gebruikers van het gebied. In dit kader zijn er een aantal inspraak- en informatieavonden geweest. De thema’s die in deze avonden aan bod kwamen waren onder andere bereikbaarheid, verkeer, parkeren, openbare ruimte, sport, onderwijs, kinderopvang en cultuur. Tijdens de participatieavonden konden de participanten hun input geven en met elkaar sparren over wat belangrijk is voor hun omgeving. Tevens heeft er een excursie plaatsgevonden om inspiratie op te doen voor slim dubbelgebruik en integratie van verschillende functies. Naar aanleiding van deze excursie is een set bouwstenen gemaakt als input voor een participatieavond waarbij met deze bouwstenen op de plankaart een reeks scenario’s is bedacht, op basis van een drietal thema’s zoals ‘verbreden, verspreiden en verbeteren’. 9.2.1 Voorbereidingsfase Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
In dit kader is het ontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. De inhoudelijke reacties van de omgevingsdienst West-Holland zijn in het bestemmingplan verwerkt. Verder heeft de Veiligheidsregio Hollands Midden gereageerd op het plan. In het vervolg-/ontwerpproces wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de adviezen van de Veiligheidsregio.
Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling
49
9.2.2 Ontwerpfase Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 9 maart t/m 19 april 2023 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. In deze periode zijn in totaal 21 zienswijzen ontvangen. De ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een reactie voorzien in de ‘Nota van beantwoording Zienswijzen’, die als bijlage 13 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. 9.2.3 Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging heeft de gemeenteraad een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan. 9.3
Handhavingsaspecten Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij Bestemmingsplan “Sportpad” Toelichting Vaststelling