NL.IMRO.1884.BPPASTOORVDPLT32B-VAS1 toelichting
Tekst van het document
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
25
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Een woning is een geluidsgevoelig object zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. In dit kader dienen de geluidbronnen uit de Wgh te worden beschouwd. Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen binnen de onderzoekszone van de Provincialeweg (N445) en de Zuidweg. In dit kader is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo VanderBoom, 23-102r1, d.d. 12 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Er hoeft voor de geluidbelasting door wegverkeer geen hogere waarde te worden aangevraagd. De geluidbelasting door wegverkeer op alle wegen (incl. 30 km/uur wegen) samen bedraagt ten hoogste 50 dB zonder aftrek. Bij het toetsen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Aan deze toetsingskaders kan zonder maatregelen worden voldaan.
Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als daarnaast voldaan wordt aan de eisen voor het verlenen van een hogere waarde en als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woningen, met een geluidbelasting van ten hoogste 50 dB zonder aftrek, bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Railverkeerslawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Desalniettemin is in het kader van het bedrijven en milieuzonering wel gekeken naar het geluid van de omliggende bedrijven. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.2.4. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de Wgh geen belemmeringen vormen voor het initiatief.
4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met
26
daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. Het plangebied is gelegen aan een bebouwingslint waar (agrarische) bedrijven en woningen voorkomen waardoor de omgeving aangemerkt kan worden als gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap verminderd kunnen worden, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Met dit bestemmingsplan wordt het toevoegen van een woning mogelijk gemaakt. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Hierdoor moet worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet belemmerd in de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten. Indien de nieuwe woning binnen de milieucontour van een bestaand bedrijf ligt, zal dit het betreffende bedrijf kunnen hinderen in zijn bedrijfsvoering en doet dit mogelijk afbreuk aan het woonen leefklimaat bij de woning. Het plangebied is gelegen in lintbebouwing met bedrijven, woningen en agrarische activiteiten waardoor het getypeerd kan worden als gemengd gebied. Zoals hiervoor in de VNG publicatie is vermeld, kan bij het type 'gemengd gebied' de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Activiteit
Adres
Schoonmaakdiensten
Pastoor van Plaatstraat 38 Pastoor van Plaatstraat 40 Pastoor van Plaatstraat 79 Pastoor van Plaatstraat 36 Pastoor van Plaatstraat 133
Melkveebedrijf Veeteelt Catering Varkens- en schapenhouderij
Milieucategorie (maximaal toegestaan) der 2
Richtafstand gemengd gebied 10 m
Minimale afstand tot de woning 70 m
der 3.1
30 m
94 m
der 3.1
30 m
160 m
der 1
0m
40 m
der 4.1
100
123 m
Uit de bovenstaande tabel volgt dat voor alle bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving voldaan wordt aan de richtafstand. Desalniettemin worden navolgend enkele van de genoemde locaties beschouwd. Pastoor van der Plaatstraat 133 Op ca. 123 m ten oosten van het plangebied ligt een varkens- en schapenhouderij, wat gezien wordt als intensieve veehouderij. Hierbij is het aspect geur maatgevend. Voor het aspect geur geldt de zogenaamde omgekeerde werking van het Activiteitenbesluit. De Omgevingsdienst West-Holland heeft met de V-Stacks vergunning berekend dat ter plaatse van de planlocatie geen sprake is van een overschrijding van de geurnormen (ODWH, D2023-081521, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Daarmee vormt doet dit bedrijf geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning.
27
Ten westen gelegen gronden Direct ten westen van het plangebied bevinden zich agrarische gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. In theorie zijn hier grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw toegestaan. Bij veehouderijen kennen slechts de bedrijfsgebouwen een milieucontour. Hiervan is in de directe omgeving geen sprake, waardoor dit geen belemmering vormt. Akkerbouw en vollegrondsteelt is hier niet te verwachten, aangezien de betreffende gronden al voor lange tijd als grasland voor veeteelt in gebruik zijn. De wijzigingen van de gronden naar open teeltgrond binnen de planperiode is daardoor niet voorzienbaar. Bovendien liggen er rond het plangebied reeds enkele gevoelige functies in de vorm van woningen. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de
28
veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
29
Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart komt naar voren dat er op circa 800 m een buisleiding van Gasunie is gelegen. Het plangebied ligt hiermee buiten de risicoafstanden van deze leiding. Op basis van afstandstabellen van de Gasunie is bekend dat het invloedsgebied van buisleidingen tot 40 bar en tot 10 inch uitwendige diameter beperkt blijft tot 120 meter. Het invloedsgebied is het gebied waarbinnen een beoordeling en verantwoording van het groepsrisico dient te worden gegeven. Aangezien het invloedsgebied niet samenvalt met het plangebied kan een verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven. Inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart komt naar voren dat er op circa 150 m een propaantank aanwezig is. Het plangebied ligt buiten de bij de propaantank horende risicoafstanden. Transport gevaarlijke stoffen Uit het raadplegen van de risicokaart komt naar voren dat op circa 800 m van het plangebied de rijksweg A4 ligt, waarover toxische vloeistoffen vervoerd worden. Voor de A4 geldt een zone van 200 m vanuit de wegas waar beperkingen gesteld kunnen worden. Het plangebied bevindt zich buiten deze zone van 200 m waardoor een risicoberekening niet noodzakelijk is (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Wel bevindt het zich met deze afstand binnen het invloedsgebied van de rijksweg.
Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de Provincialeweg N445, waar ook gevaarlijke stoffen over vervoerd kunnen worden. In dit kader is een beperkte verantwoording van het groepsrisico vereist. Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met een tank-/ketelwagen met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waar binnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km. Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van de planlocatie twee transportroutes gelegen zijn die beschouwd dienen te worden: de Provincialeweg N445 en de Rijksweg A4. De N445 loopt op een afstand van 150 meter van de planlocatie. Over de N445 mogen gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Het is echter aannemelijk om te stellen dat slechts een gering aantal transporten met gevaarlijke stoffen over de N445 zullen gaan, aangezien:
• • •
Op de risicokaart de N445 niet is aangemerkt als een weg met een extern veiligheidsrisico. Langs de N445 zich geen bedrijven bevinden waar een substantieel aantal transporten van gevaarlijke stoffen naar toe gaan. Doorgaand transport van gevaarlijke stoffen logischerwijs gebruik zal maken van de Rijksweg A4.
Een uitgebreide toetsing op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. - Bestrijdbaarheid Het plangebied is zowel vanuit de noord- als zuidzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Voor de woning kunnen bouwtechnische maatregelen worden genomen, zoals afschakelbare (mechanische) ventilatie. - Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woning te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het
30
ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Daarom is dit vastgelegd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren.
Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities.
31
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Verhard oppervlak In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland en is er geen verharding aanwezig. De te slopen veldschuur heeft een oppervlakte van ca. 275 m². Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak dan ook niet met meer dan 500 m² toe, mede door de sloop van de bestaande schuur. Watercompensatie is dan ook niet aan de orde. Waterkeringen De gronden in het oostelijk deel van het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. In deze dubbelbestemming is bepaald dat op de als zodanig bestemde gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Vrijstelling van deze bepaling wordt slechts verleend indien de belangen van de waterkering hierdoor niet onevenredig worden geschaad.
Omdat er met voorliggend plan wordt beoogd een woning in de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' te bouwen is deze vrijstelling noodzakelijk. Om te bepalen of de voorgenomen
32
ontwikkeling ter plaatse mogelijk is en onder welke voorwaarden dient er bij hoogheemraadschap van Rijnland advies te worden ingewonnen met betrekking tot het bouwplan. Hiervoor dient eerst bepaald te worden welke beleidsregels van de Keur van Rijnland er van toepassing zijn. Om dit te bepalen wordt eerst de legger van het waterschap geraadpleegd. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de legger weergegeven.
Uitsnede leggerkaart regionale waterkeringen HHR, plangebied zwart omkaderd (bron: Hoogheemraadschap van Rijnland)
Uit de legger blijkt dat de buitenbeschermingszone, de beschermingszone, het Profiel van Vrije Ruimte en de kernzone tot in het plangebied reiken. De beschermingszone wordt met voorliggend plan beschermd door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering', zowel in de regels als op de verbeelding. Uit de beleidsregels bij de Keur blijkt dat er door het college van dijkgraaf en hoogheemraden vergunning kan worden verleend voor het bouwen van bouwwerken groter dan 20 m² in de kern- en/of beschermingszone van waterkeringen (art. 3.3 sub k onder ii). Rijnland toetst het bouwen van bouwwerken op waterkeringen aan uitvoeringsregel 19; bouwen art. 2a. Doordat in het lint aan de Pastoor van der Plaatstraat reeds bouwwerken geplaatst zijn, is de verwachting dat het plan uitvoerbaar is. Door de initiatiefnemer wordt het overleg met het waterschap in gang gezet om te kijken op welke wijze voldaan kan worden aan de regels van de Keur. Waterafvoer Naar verwachting wordt de riolering van het gebouw aangesloten op het gemeentelijk riool. Hemelwater zal zoveel mogelijk afgekoppeld worden om bodemverdroging tegen te gaan. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Conclusie Er is een vergunning van het waterschap vereist voor het bouwen van de vrijstaande woning in de kern- en beschermingszone van de waterkering.
De overige wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle
33
beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek In het kader van de Wet natuurbescherming zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming relevant. In dit kader is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom Ecologie, 2023-0279, d.d. 24 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten die niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Aanvullend vleermuisonderzoek Naar aanleiding van de conclusie van de quickscan Wet natuurbescherming is een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd (Elsken Ecologie, d.d. 10 oktober 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Er zijn bij dit onderzoek geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een vliegroute en/of essentieel foerageergebied. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt deel uit van provinciaal aangewezen beschermd gebied beschermingscategorie 2 de Groene Buffer. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Ook een AERIUS-berekening kan achterwege blijven. Conclusie Het plan is in lijn met de bepalingen van de Wet natuurbescherming en in dit kader uitvoerbaar.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het geldende bestemminsplan 'Buitengebied West' hebben de gronden de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2'. Het is binnen deze dubbelbestemming niet toegestaan grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm uit te voeren. Omdat deze vrijstellingsgrens met de beoogde ontwikkeling overschreden wordt (ten behoeve van graven fundering), is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 23020112, d.d.
4 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Middels het archeologisch veldonderzoek is vastgesteld dat er op de locatie een lage archeologische verwachting geldt. Desalniettemin is de dubbelbestemming ter bescherming van archeologische waarden niet volledig verwijderd. Met het oog op
34
toekomstige bescherming van dieper liggende archeologische waarden in het plangebied is middels een dubbelbestemming een vergunningplicht voor heiwerkzaamheden met een paalzetting dichter dan 4x4 m opgenomen. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan vormt.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De Rijpwetering ligt in de gemeente Kaag en Braassem. De gemeente Kaag en Braassem heeft een historische structuur en cultuurhistorische bebouwing zoals molens, boerderijen, gemalen, pastorieën, kerken en bijzondere woonhuizen die karakteristiek zijn voor het veenlandschap. Binnen de gemeente zijn veel beeldbepalende lintstructuren aanwezig. Het plangebied bevindt zich langs het bebouwingslint van de Pastoor van der Plaatstraat. De bebouwing aan het lint bestaat voornamelijk uit (agrarische) bedrijven, woningen en recreatie. Dit is allemaal in verschillende periodes gebouwd. De voorkant van de woningen zijn naar de weg gericht. Aan de oostzijde van de Pastoor van der Plaatstraat bevindt zich ter hoogte van het plangebied een karakteristiek pand.
De cultuurhistorische waarde van dit pand wordt niet aangetast met de beoogde ontwikkeling. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in het kader van het aspect cultuurhistorie uitvoerbaar is.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling aan te tonen, is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Hierbij wordt uitgegaan van een vrijstaande woning in 'weinig stedelijk' gebied in de 'rest bebouwde kom'. De gemiddelde verkeersgeneratie
35
die hiervoor geldt is 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal zal de verkeersgeneratie toenemen met 8,2 per etmaal. Deze beperkte toename van de verkeersgeneratie kan opgevangen worden met de huidige ontsluiting van het perceel.
4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW-kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen.
Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek Conform de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018, gepubliceerd op 15 maart 2018, bedraagt de gemiddelde parkeernorm voor een vrijstaande woning in de 'rest bebouwde kom' 2,3 parkeerplaatsen. De parkeereis bedraagt daarmee afgerond 3 parkeerplaatsen. Voor het realiseren van 3 parkeerplaatsen is binnen het plangebied voldoende ruimte. Zoals reeds aan bod gekomen in toelichting paragraaf 2.2 is ervoor gekozen het parkeren uit het zicht achter het woonperceel te realiseren. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende parkeersituatie.
36
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
37
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voor is de planregels is zo veel mogelijk aangesloten op de standaard die binnen de gemeente Kaag en Braassem gangbaar is, in het bijzonder bij het geldende bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de enkelbestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Tuin De voortuin van de woning en de in- en uitrit zijn voorzien van de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en insteekhavens. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. Om de in- en uitrit, die ten zuiden van de beoogde woning ligt, ook te kunnen blijven gebruiken als in- en uitrit voor de ten westen van het plangebied agrarische gronden is aan de bestemmingsomschrijving toegevoegd dat ook in- en uitritten zijn toegestaan. Vergunningsvrij bouwen is binnen deze bestemming uitgesloten. Wonen De gronden aangewezen met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen en de mogelijkheid tot het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden. Voor het bouwen van bijgebouwen geldt dat deze binnen het bouwvlak of op het achtererf gebouwd mogen worden. Tevens zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven en parkeervoorzieningen.
Verder is in een voorwaardelijke verplichting bepaald dat de woning slechts gebouwd mag worden indien ze voorzien wordt van uitschakelbare mechanische ventilatie. Waarde - Archeologie Met deze dubbelbestemming is de bescherming van archeologische waarden geregeld. Er geldt een vergunningplicht voor heiwerkzaamheden met een paalzetting dichter dan 4x4 m. Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor de waterkering.
38
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met het initiatief zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend.
39
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De initiatiefnemer heeft omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het initiatief en heeft daarbij een brief met zijn contactgegevens achtergelaten. Geen van de omwonenden heeft bezwaren tegen het planvoornemen kenbaar gemaakt.
7.2 Verslag vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is het plan toegestuurd aan de relevante vooroverlegpartners. Navolgend zijn de reacties van de vooroverlegpartners met bijbehorende beantwoording weergegeven. Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. Wel is er in het kader van de werkzaamheden een watervergunning nodig. Daarnaast geeft het hoogheemraadschap aan dat het advies positief is zolang er geen bebouwing, fundering en isolatie binnen het profiel van vrije ruimte komt te liggen. Verder geeft het hoogheemraadschap de volgende adviezen die relevant zijn voor voorliggend bestemmingsplan mee:
• •
•
Ten noorden van het perceel ligt een sifon. Deze mag niet beschadigd worden en deze moet vrij blijven van bovenliggende objecten zodat er altijd onderhoud kan worden uitgevoerd. Het blijkt dat een deel van het plangebied binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering ligt. Voor het bouwen in de zones van de waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd. Volgens onderstaande tekening worden er bomen geplaatst in de kern- en beschermingszone van een waterkering. Dit is ongewenst.
Reactie: Navolgend wordt puntsgewijs gereageerd op bovenstaande adviezen. Het plan vindt mogelijk deels plaats binnen het profiel van vrije ruimte. Dit wordt in het kader van de watervergunning afgestemd met het hoogheemraadschap. In ieder geval is het bouwvlak een meter richting het westen verschoven.
40
• • •
De sifon blijft ongeroerd. Er wordt een watervergunning aangevraagd door de initiatiefnemer. De bomen zijn uit het plan gehaald.
Veiligheidsregio Holland Midden De belangrijkste zaken volgens VHRM voor dit plan zijn:
•
Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten en het plangebied is goed toegankelijk voor de hulpdiensten.
•
Er is geen offensieve bluswatervoorziening middels brandkranen aanwezig. Voor woningen wordt er uitgegaan van een offensieve bluswatervoorziening (brandkranen) op maximaal 100 meter afstand. Voor het plangebied kan het aanwezige open water (defensief bluswater) dienstdoen voor de offensieve bluswaterwinning en kan de brandweer effectief optreden.
•
Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie ‘Categorie 3’ met het overheersende kenmerk ‘Verspreid liggende woningen’. De referentiewaarde voor deze categorie is 15 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd bedraagt 7 minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Dekkingsplan geen aanvullende voorzieningen benodigd want de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan.
•
Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ is het scenario ‘Toxische wolk’ ook relevant. In de omgeving van het plangebied is de A4 gesitueerd. Het plangebied bevindt zich binnen het effectgebied van deze inrichting. Vanwege de mogelijkheid dat er bij een calamiteit toxische stoffen vrijkomen in de omgeving, wordt geadviseerd om er zorg voor te dragen dat aanwezigen tijdelijk in het bouwwerk kunnen schuilen. Er wordt dan ook geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In het toekomstige Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) is in artikel 4.124, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld.
Reactie: Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van VHRM is in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor het realiseren van afschakelbare (mechanische) ventilatie opgenomen. Provincie Zuid-Holland Het is belangrijk dat er 2 zichtlijnen behouden blijven: die van de inrit op het landschap en die in het verlengde van de sloot aan de zuidzijde van de bestaande beplanting (o.a. zicht op de molen; zie ter illustratie onder aan mijn mail een streetview uit Google Maps). Bij 2 woningen, zoals wordt voorgesteld, is daarvoor geen ruimte. De woningen komen te strak tegen het toegangspad en de sloot aan te liggen. Er is ook onvoldoende ruimte voor een groene inpassing van de woningen en de parkeerplaatsen. Daarbij vinden we 2 woningen ook te veel als compensatie voor het verwijderen van de lager in de polder gelegen schuur van ca. 300 m², waar je ruim langsheen kunt kijken richting het landschap en wat dan verloren gaat. Hoewel ruimte-voor-ruimte geen harde eis is (1 woning voor elke 1.000 m² te slopen agrarische bedrijfsgebouwen), is dit nog wel steeds een uitgangspunt voor de beoordeling van ruimtelijke maatregelen en biedt het slopen van 300 m² agrarische bedrijfsgebouwen in dit geval wat ons betreft geen houvast als ruimtelijke maatregel voor het kunnen terugbouwen van 2 woningen.
Eén en ander leidt er dan ook toe dat we moeten concluderen dat de ruimtelijke kwaliteit op basis van dit voorstel per saldo niet gelijk blijft en dat dus niet voldaan kan worden aan de betreffende regel uit de Omgevingsverordening. Reactie: Naar aanleiding van de reactie van de provincie Zuid-Holland is het plan omgezet van tweekapper (2 woningen) naar vrijstaande woning (1 woning). Daarmee blijven de zichtlijnen naar het achterliggende landschap en de molen behouden. Om verder aan deze eis tegemoet te komen wordt de toerit verbreed en wordt de woning uit de zichtlijn richting de molen geplaatst.
41
7.3 Verslag zienswijzen Voorliggend bestemmingsplan heeft van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ontvangen.
42