NL.IMRO.1884.BPPASTOORVDPLT32B-VAS1 toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Pastoor van der Plaatstraat 32b, Rijpwetering Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPPASTOORVDPLT32B-VAS1
Datum:
2024-03-18
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Oostrom | dhr. J. Legemaate
Kenmerk Buro SRO:
SR230023
Opdrachtgever:
dhr. T. van der Poel
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7
2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie .................................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 8
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Nationaal beleid ..............................................................................................................................................10 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................11 3.3 Regionaal beleid ..............................................................................................................................................16 3.4 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................17
4 Haalbaarheid ......................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................22 4.2 Milieu................................................................................................................................................................23 4.3 Waterhuishouding ...........................................................................................................................................31 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................33 4.5 Archeologie ......................................................................................................................................................34 4.6 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................35 4.7 Verkeer en parkeren........................................................................................................................................35
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................37 5.2 Toelichting ........................................................................................................................................................37 5.3 Verbeelding ......................................................................................................................................................37 5.4 Planregels ........................................................................................................................................................37 5.5 Wijze van bestemmen .....................................................................................................................................38
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 7.1 Algemeen .........................................................................................................................................................40 7.2 Verslag vooroverleg .........................................................................................................................................40 7.3 Verslag zienswijzen..........................................................................................................................................42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe woning te realiseren op het perceel Pastoor van der Plaatstraat 32b te Rijpwetering (gemeente Kaag en Braassem). In de huidige situatie betreft de planlocatie een onbebouwd deel van een agrarisch perceel, waarvan direct ten westen een veldschuur staat. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt de betreffende veldschuur gesloopt. Het initiatief voor de ontwikkeling van een burgerwoning in het plangebied is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West'. Er is immers geen bouwvlak aanwezig en burgerwoningen zijn niet toegestaan binnen de ter plaatse van toepassing zijnde bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Ten behoeve van het planvoornemen heeft de initiatiefnemer daarom een principeverzoek ingediend bij de gemeente. Hierop gaf de gemeente aan onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Daarbij is de belangrijkste voorwaarde dat de veldschuur gesloopt dient te worden. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Omdat het bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kent en een buitenplanse afwijking op grond van de 'kruimellijst' evenmin tot de mogelijkheden behoort is een herziening van het bestemmingsplan vereist. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in de plaats Rijpwetering, aan de westzijde van de Pastoor van der Plaatstraat, langs de Rijpwetering. Het bevindt zich tussen de woningen Pastoor van der Plaatstraat 34 en Pastoor van der Plaatstraat 32c. Daarmee liggen de gronden in lijn met de bestaande woonbebouwing ten westen van De Rijpwetering; woningen die middels bruggen aangesloten zijn op de Pastoor van der Plaatstraat. Het plangebied maakt onderdeel uit van de percelen die kadastraal bekend zijn onder de gemeente Alkemade, sectie F, perceelnummers 1076 en 1080 (gedeeltelijk). De planlocatie beslaat een oppervlakte van ca. 590 m². De navolgende afbeelding toont afbeeldingen van de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West', vastgesteld op 17 juni 2013 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De gronden van het plangebied beschikken hierin over de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West'.
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Buitengebied West', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van een boomkwekerij, houtteelt-, sierteelt-, bollenteelt- of fruitteeltbedrijf. Het realiseren van een nieuwe woning is hier niet toegestaan. Om de bouw van een reguliere woning mogelijk te maken dient een nieuw juridisch-planologisch kader te worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin.
6
Verder gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waterstaat Waterkering'. De voor 'Waarde - Archeologie - 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de waterkering. De aspecten archeologie en water komen in toelichting paragraaf 4.5 en toelichting paragraaf 4.3 aan bod.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een deel van het agrarische perceel naast de Pastoor van der Plaatstraat 32b in Rijpwetering. In de huidige situatie bestaat het plangebied volledig uit grasland en is het onbebouwd. Aan de oostzijde van de locatie bevindt zich De Rijpwetering. Ook aan de noordzijde ligt een watergang. Het perceel is te bereiken via een brug waaruit een onverharde inrit voortvloeit. Dit is tevens de ontsluitingsroute voor de achterliggende weide. Daarnaast vormt deze inrit de zuidelijke grens van het plangebied. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich een veldschuur met een grondvloeroppervlakte van ca. 275 m², die in verouderde toestand verkeert. Op de navolgende afbeelding is een impressie van de huidige situatie weergegeven.
Impressie huidige situatie plangebied, gezien vanaf de Pastoor van der Plaatstraat (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk in het plangebied een vrijstaande woning te realiseren. De woning wordt zodanig gesitueerd dat de rooilijn een logische plaatsing in verhouding met de naastgelegen woningen heeft. Daarnaast wordt de woning voorzien van een oost-west georiënteerde kaprichting. In toelichting paragraaf 3.4.2 worden de overige keuzes wat betreft situering en vorm van de woning toegelicht. Op navolgende afbeelding is een impressie van de beoogde situatie weergegeven.
8
Beoogde inrichting plangebied (bron: Buro SRO)
Zoals te zien is op de situatietekening blijft de inrit, die een doorzicht geeft naar het achterliggende landschap, in stand en wordt ten opzichte van de huidige situatie verbreed. Direct achter het beoogde woonperceel wordt het parkeren uit het zicht opgelost. Het perceel wordt aan de zijkanten en achterkant omkaderd met hagen. Voor de achtergevel zijn dit lage hagen, daarachter hogere hagen. Zo blijft er aan de voorzijde sprake van openheid en zicht op het water en de straat. De voorste perceelgrens aan het water blijft vrij van erfafscheidingen; hier vormen talud en water de natuurlijke begrenzing. Aan de voorzijde van de nieuwe bebouwing is er ruimte voor enkele kleine solitaire bomen, in lijn met de rest van de Pastoor van der Plaatstraat, waar regelmatig kleine bomen in de voortuinen aan de waterkant staan. Aan de achterzijde van de woning is er ruimte voor enkele grote solitaire bomen die passen in het omgevingsbeeld, bijvoorbeeld een treurwilg en een paardenkastanje.
9
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op de beoogde ontwikkeling.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen, die de nationale belangen uit de SVIR juridisch borgen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen; het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
10
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, wordt deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Het voorgenomen plan heeft betrekking op realisatie van een nieuwe woning en wordt daarom niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Desalniettemin dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de ontwikkeling worden aangetoond. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 en toelichting paragraaf 3.4.1 blijkt dat er zowel regionaal als gemeentelijk een behoefte aan woningen is. Voorliggend plan komt aan deze behoefte tegemoet. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
11
2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.
12
Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex - veen. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk is in de droogmakerijen van belang. Een richtpunt dat hierbij hoort is dat ontwikkelingen bijdragen aan een duurzame waterhuishouding. Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van relatief kleine aard waarbij het veencomplex en de droogmakerijen niet aangetast zullen worden. Bovendien wordt bij de bouw van de nieuwe woning rekening gehouden met veen als ondergrond en dus het beperken van de bodemdaling. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen aan een lint. Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Richtpunten voor linten zijn:
• •
Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.
•
Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
•
Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekend dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
Met de beoogde ontwikkeling blijft het lint als onderscheidende bebouwingsvorm in stand. Met de ontwikkeling wordt bovendien een onbebouwde locatie in het lint opgevuld, wat de herkenbaarheid en continuïteit van het lint ten goede komt. De woning is gericht op De Rijpwetering. De bestaande veldschuur wordt ten behoeve van de ontwikkeling gesloopt, waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan het contrast met het onbebouwde landschap. Gezien het voorgaande doet de ontwikkeling geen afbreuk aan het lint. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied valt binnen het gebied dat is aangewezen voor 'Stads- en dorpsranden'. Dit is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen. Richtpunt bij ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand is dat ze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd en een bestaande veldschuur gesloopt. Met de ontwikkeling wordt de contrastwaarde versterkt; er wordt immers bebouwing uit het open landschap verwijderd en een locatie in het lint wordt ingevuld. Daarmee zorgt de ontwikkeling voor een scherper contrast tussen de bebouwde dorpsrand en het onbebouwde landschap.
Laag van de beleving Het plangebied bevindt zich binnen de groene buffer. Dit is een niet verstedelijkt landschap van relatief beperkte omvang tussen of grenzend aan de steden. Er vinden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen plaats in de bufferzone en nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Zoals reeds hiervoor beschreven draagt het plan bij aan de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. 4.
Beleidskeuzes
De beleidskeuzes uit de omgevingsvisie die relevant zijn voor voorliggend plan komen navolgend aan bod. Wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeente, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van
13
woningcorporatie. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Dit versterkt het doel om te voorzien in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Door de sloop van een verouderde veldschuur en de realisatie van een nieuwe woning die zorgvuldig wordt ingepast wordt geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit. Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie wil zoveel mogelijk bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De planlocatie ligt in het gebied dat is aangemerkt als landelijk gebied. Desalniettemin bevindt het zich wel in de stads- en dorpsrand. Aan het betreffende lint zijn reeds woningen gesitueerd. Omdat de beoogde woning in een bestaand lint gesitueerd wordt en het plan bijdraagt aan de contrastwaarde kan het als passende locatie voor verstedelijking gezien worden. Toekomstbestendig bouwen De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving.
Met voorliggend plan worden een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Deze woning zal energieneutraal en klimaatbestendig uitgevoerd worden. Bovendien wordt de woning zorgvuldig ingepast in de ruimte. De beoogde ontwikkeling is daarmee toekomstbestendig. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Er vindt geen aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaats. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland en in lijn is met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
14
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, zoals aan bod is gekomen in toelichting paragraaf 3.2.1, maar een wijziging op structuurniveau veroorzaakt. In de huidige situatie zijn de gronden immers deels onbebouwd en bestemd als agrarisch gebied. Door de veldschuur te slopen en de woning zorgvuldig in te passen, in lijn met de naastgelegen woningen, blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk. Daarmee is het plan in lijn met artikel 6.9 lid 5 en kan voorzien worden in de ruimtelijke ontwikkeling. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. In deze paragraaf is reeds beschreven dat het plan niet gezien wordt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nadere toetsing aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is daarom niet aan de orde. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
- Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat op de beoogde locatie van de woning geen sprake is van overlast bij extreme neerslag. De neerslag die er valt zal infiltreren in de bodem. Specifieke maatregelen met betrekking tot wateroverlast worden daarom niet nodig geacht. - Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van Zuid-Holland blijkt dat er ter plaatse van het plangebied een kleine overstromingskans van toepassing is. Voor de primaire waterkeringen geldt een overstromingsbeeld van <0,5 m. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet nodig geacht. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is het op dit moment ongeveer dezelfde temperatuur als in de omgeving. Door de plaatsing van de woning zal de hittestress maximaal wat toe kunnen nemen. Specifieke maatregelen met betrekking tot hitte worden desalniettemin niet nodig geacht. - Droogte In het plangebied is, op basis van de Klimaatatlas, droogte geen probleem. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden niet nodig geacht. Beschermingscategorie 2 groene buffer Het plangebied is gelegen in het gebied waar beschermingscategorie 2 van toepassing is. Binnen beschermingscategorie 2 is het plangebied aangeduid als 'groene buffer'.
Als landschap zijn de groene buffergebieden relatief klein, soms ruimtelijk versnipperd en altijd medebepaald door stadsranden. Behoud
15
van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. De stedelijke druk is relatief groot, maar tegelijkertijd vormen ze op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. De omvang van het beoogde initiatief sluit qua schaal en karakter aan op de omgeving, waarmee de ruimtelijke ontwikkeling past binnen het gebied aangeduid als 'groene buffer'. Bovendien wordt het initiatief ruimtelijk zorgvuldig ingepast en wordt de bestaande veldschuur gesloopt. Beschermingscategorie 3 buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: a. b. c. d.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van een veldschuur en de realisatie van een nieuwe woning. Het plangebied ligt in het lint van de Pastoor van der Plaatstraat, waarvan de oostzijde reeds onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied. Het onderscheid tussen stad en buitengebied wordt niet aangetast, omdat er in het plangebied reeds bebouwing aanwezig is en de beoogde bebouwing in dezelfde lijn komt te staan. Bovendien worden de erfafscheidingen en hagen voor de voorgevel laag gehouden om de doorzichten en openheid te behouden. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met artikel 6.9a van de omgevingsverordening. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Omgevingsagenda 2040 Op 11 juni 2021 hebben de gemeenten Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen en Zoeterwoude gezamenlijk de eindversie van de Regionale Omgevingsagenda gepresenteerd. De omgevingsagenda van de regio Holland-Rijnland bespreekt hoe op integrale wijze alle ruimte-vragende functies een plek kunnen krijgen in de regio of waar keuzes gemaakt moeten worden. Dat leidt tot de integrale hoofdopgave: zoeken naar balans. Deze omgevingsagenda helpt bij het maken van richtinggevende keuzes voor de toekomst. In ieder geval stelt de regio zichzelf de volgende doelen: 1. 2. 3. 4. 5.
versterken kenniseconomie en complementaire bedrijvigheid; realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting; investeren in infrastructuur voor mobiliteit en energievoorziening; creëren van voldoende plekken voor het opwekken van duurzame energie; bieden van een toekomstperspectief voor het landschap.
Met de Regionale Omgevingsagenda zet de regio een stip op de horizon. Zo levert Holland Rijnland een bijdrage aan nationaal en provinciaal beleid en bestaande afspraken over verstedelijking, economie en mobiliteit.
16
Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een nieuwe woning gerealiseerd in het lint van de Pastoor van der Plaatstraat. Hiermee wordt aangesloten op de tweede doelstelling 'realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting'. Primair zet de regio in op beperkte extra woningbouw voor de lokale behoefte in of nabij de kernen. Voorliggend plan is aan te merken als een dergelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de Regionale Omgevingsagenda 2040.
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft voornamelijk raakvlakken met de keuzes 1, 2 en 4. De vraag naar woningen in de regio Holland Rijnland is groot. In de periode 2017 tot 2022 bedroeg de vraag naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem 450 woningen en op de langere termijn (2022-2030) is deze behoefte nog eens 490 woningen. Op de korte termijn zijn er voor Holland Rijnland Oost voldoende plannen om te voorzien in de behoefte. Echter ontstaat er bij vertraging een tekort. Voor Holland Rijnland Oost is er op de lange termijn nog onvoldoende harde plancapaciteit om te voldoen aan de behoefte. De ontwikkeling kan gezien worden als een vorm van inbreiding, aangezien de planlocatie zich in een lint bevindt. Er wordt met de realisatie van een nieuwe woning aangesloten op de behoefte aan woningen in een dorps/landelijk woonmilieu. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in
17
samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt er een nieuwe woning gerealiseerd in het lint van de Pastoor van der Plaatstraat in Rijpwetering. Hiermee wordt aangesloten op het thema 'wonen in Kaag en Braassem'. De afgelopen jaren heeft de gemeente onder andere de focus gelegd op het versterken van de bestaande woonmilieus. Rijpwetering is gedeeltelijk een lintdorp bestaande uit woningen en (agrarische) bedrijven. De kern bevindt zich tussen de Koppoel en de A4. De agrarische sector, in hoofdzaak bestaande uit veeteelt, vormt een belangrijk deel van de identiteit van het dorp en blijft in de toekomst actief. De onbebouwde planlocatie in het lint vormt voor deze sector geen essentiële locatie, aangezien het op korte afstand van bestaande woningen ligt en daardoor geen agrarische functie kan vervullen. Doordat de woning in lijn met de bestaande veldschuur wordt gerealiseerd, doet het initiatief geen significante afbreuk aan het open landschap. De planlocatie kan dan ook gezien worden als een logische plek voor een nieuwe woning. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de omgevingsvisie Kaag en Braassem.
3.4.2 Nota Inbreidingslocaties Bij de gemeente Kaag en Braassem komen regelmatig verzoeken binnen voor het realiseren van één of meerdere woningen, een bedrijfs- of winkelgebouw of een combinatie van deze functies binnen de bestaande grenzen van de kernen. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Op 7 februari 2011 is derhalve de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen. De nota heeft betrekking op zelfstandige ontwikkelingen. Bij deze zelfstandige ontwikkelingen is sprake van sloop en nieuwebouw of het bebouwen van onbebouwde ruimte, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan maar wel binnen de rode contouren van de kernen.
18
Planspecifiek In de Nota Inbreidingslocaties valt het plangebied buiten de indicatief aangegeven 'rode contour'. Echter zijn de afgelopen jaren aan verschillende woningen aan de westzijde van de Pastoor van de Plaatstraat woonbestemmingen toegekend. Het is daarom passend de uitgangspunten voor ontwikkelingen in het lint van Rijpwetering ook voor onderhavige situatie te hanteren. Het lint van Rijpwetering ligt als een langgerekt bebouwingslint ten westen van de A4 en HSL en wordt omgeven door een fraai open polderlandschap. Het lint en de Wetering hebben vanaf de 11 de eeuw als basis gediend voor de ontginning van het omliggende veenlandschap. Bij nieuwe ontwikkelingen is het zaak deze fijnmazige landschappelijke structuur over te nemen en waar mogelijk te versterken. En ook bij nieuwe inbreidingen gaat de voorkeur uit naar het creëren van bebouwing aan het lint met aan de achterkant iets dat past bij het landelijke karakter. Er worden in de Nota Inbreidingslocaties richtlijnen gesteld voor bebouwing aan het lint van Rijpwetering. Met de beoogde ontwikkeling van een nieuwe woning op het perceel wordt zoveel mogelijk aangesloten op deze richtlijnen. Daarnaast is bij de situering van de woning rekening gehouden met de zichtlijnen naar het achterliggende landschap en de Akkerslootmolen. Op navolgende afbeelding is de situatietekening weergegeven.
Situatietekening beoogde situatie (bron: Buro SRO)
De situatietekening is voortgekomen uit de richtlijnen van de Nota Inbreidingslocaties voor het lint van Rijpwetering. In navolgende tabel is per richtlijn weergegeven hoe dit verwerkt is op de situatietekening. Onderwerp Eis Bouwen achterop het Alleen als de voorzijde van het perceel perceel bebouwd is Situering op de kavel Aan de weg of achter het lint Nokrichting Haaks op of parallel aan de openbare weg Woningtype Vrijstaande of twee-onder-één-kap-woningen Oppervlak perceel Minimaal 300 m² exclusief wateroppervlak vrijstaand Oppervlak perceel 2^1 Minimaal 200 m² exclusief wateroppervlak Afstand tot zijerfgrens Minimaal 3 m
19
Planspecifiek De woning komt aan de voorzijde te staan Aan de weg Haaks op de openbare weg Vrijstaande woning oppervlakte perceel ca. 430 m² n.v.t. afstand bedraagt 4,2 m
Afstand tot voorerfgrens Afgeleid van de uitersten van de voorgevelrooilijnen van de naastgelegen bestaande panden. Minimaal 60% van de voorgevel dient in de voorgevelrooilijn te worden gerealiseerd Afstand tot Minimaal 8 m achtererfgrens Voorgevelrooilijn Licht verspringende rooilijn Gevels aan openbare Zijde grenzend aan openbare weg vormgeven ruimte als voorgevel. Tevens zorgvuldige vormgeving van de zijde grenzend aan het open landschap Parkeren
Minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein
Oppervlakte hoofdgebouw Goothoogte Nokhoogte Hellingshoek kap Breedte woning
40% van het perceeloppervlak (exclusief water) maximaal 150 m² Maximaal 6 m Maximaal 9 m Tussen 30 en 60 graden Minimaal 6 m
Voorgevel rooilijn ligt in verlengde van noordelijke geschakelde woning
Afstand tot erfgrens ligt op ongeveer 10 m Voorgevel heeft een licht verspringende rooilijn Zijde grenzend aan openbare weg is vormgegeven als voorgevel. Achterzijde wordt zorgvuldig vormgegeven 3 parkeerplaatsen op eigen terrein oppervlakte bedraagt maximaal 150 m² Maximaal 6 m Maximaal 9 m Tussen de 30 en 60 graden Breedte is 10 m
Richtlijnen hoofdopzet lint Rijpwetering (bron: Nota Inbreidingslocaties)
Uit de toetsing volgt dat het plan voldoet aan de richtlijnen voor de hoofdopzet van het lint van Rijpwetering. Er kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de Nota Inbreidingslocaties.
3.4.3 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de rijksmonumenten, karakteristieke panden en karakteristieke gebieden. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een rijksmonument, karakteristiek pand of gebied zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Uit het raadplegen van de welstandskaart, horend bij de welstandsnota, blijkt dat de planlocatie is gelegen in een welstandsluw gebied. Op onderstaande afbeelding staat een uitsnede van de welstandskaart weergegeven.
20
Uitsnede welstandskaart gemeente Kaag en Braassem, plangebied zwart omcirkeld (bron: gemeente Kaag en Braassem)
Direct tegenover het plangebied, aan de Pastoor van der Plaatstraat 117, bevindt zich een karakteristiek pand. De beoogde ontwikkeling van een nieuwe woning heeft verder geen invloed op de beleving van dit pand. Bovendien maakt het plangebied geen deel uit van een karakteristiek gebied. Er worden vanuit de welstandsnota geen nadere voorwaarden gesteld aan de ontwikkeling.
21
4 Haalbaarheid In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in D 11.2. Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:314, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete
22
omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 1. 2. 3.
Er wordt slechts één woning toegevoegd. Het gaat om gebied waar reeds verscheidene stedelijke functies te vinden zijn. De woning voldoet aan het Bouwbesluit en de BENG-eisen, waardoor het milieueffect beperkt is.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Met behulp van dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek Onderhavig plan voorziet in een bestemmingswijziging van 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' naar 'Wonen' en 'Tuin', waardoor sprake is van een strenger bodemgebruik. In dit kader is een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 37838, d.d. 15 mei 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit dit onderzoek kwam in eerste instantie naar voren dat er een verontreiniging met meerdere zware metalen op de locatie aanwezig is. In verband met de aangetroffen verontreiniging is direct aansluitend aan het verkennend onderzoek een nader onderzoek uitgevoerd, waarmee de omvang en ernst van de verontreinigingen vastgesteld zijn. Aanvullend zijn er op een later moment nog extra boringen in het oostelijke deel van de slootdemping gezet (Grondslag, 37838, d.d.
10 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). De boorpuntenkaart is weergegeven op navolgende afbeelding.
23
Boorpuntenkaart (bron: Grondslag)
De sterke verontreiniging bevindt zich in het noordwestelijk deel van het plangebied, ter plaatse van de slootdemping. De omvang van de verontreiniging met zware metalen is in kaart gebracht en wordt geschat op ca. 21 m³. Daarmee is geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. De verontreiniging is te relateren aan de slootdemping en het dempingsmateriaal. De verontreiniging is ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. Op het overig deel van de locatie zijn maximaal lichte verhogingen aan zware metalen en PAK aangetoond. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Aangezien geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt er geen saneringsplicht. Indien de bouwwerkzaamheden zijn gepland ter plaatse van de gedempte sloot, dient er echter wel een sanering uitgevoerd te worden. Echter zijn in dit deel van het plangebied geen bouwwerkzaamheden voorzien. Er kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten.
Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
24
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal maar een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt immers slechts een nieuwe woning gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,2 μg/m³ PM10, 8,6 μg/m³ PM2,5 en 16,4 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt echter niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden.
Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHOadvieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);