CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPLEIDSEWEG17A-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 28 juni 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Leidseweg 17a Oud Ade15.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bij de realisatie / uitgangspunten van het plan is rekening gehouden met de kernwaarden in het gebied, de mate van openheid én de historische wijze van inpassing van (agrarische) bebouwingslocaties in het poldergebied (beperkte beplanting / ‘hier en daar’ bomen of enkele beplanting).

Cumela Advies – Nijkerk

- 24 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

4.2 Milieu Naast de planologische aspecten dient eveneens rekening te worden gehouden met de milieuhygiënische aspecten. De meest relevante aspecten voor onderhavig project zijn uitgewerkt. 4.2.1 Bedrijven en milieuzonering Een belangrijke factor voor het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving is een juiste afstemming tussen bedrijvigheid, wonen, recreëren en natuur. In de ruimtelijke ordening wordt daarom rekening gehouden met de milieuhinder van bedrijven/activiteiten ten opzichte van milieugevoelige functies. De meest relevante activiteiten van initiatiefnemer zijn als volgt te rubriceren: SBI - 016 - 8130 - 4312 - 773

activiteit Dienstverlening t.b.v. landbouw (loonbedrijf) (b.o. > 500 m2) Landschapsverzorging / cultuurtechnische werken Grondverzet (aannemers algemeen b.o. > 2.000 m2) Verhuur van machines / werktuigen

3.1 3.1 3.1 3.1

afstand 50 mtr 50 mtr 50 mtr 50 mtr

Gezien de aard van de activiteiten van het bedrijf Van der Poel én de omvang van de bestaande- en beoogde bedrijfslocatie aan de Leidseweg 17a te Oud Ade (bedrijfsoppervlakte > 500 m2) is, uitgaande van de richtlijn, een milieucategorie 3.1 van toepassing. Bij deze categorie hoort, op grond van het criterium geluid, een afstandseis van 50 meter. Dit toetsingscriteria geldt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bij initiatiefnemer is sprake van een bestaand bedrijf / feitelijke activiteiten (ruim 50 jaar) en een planologisch en milieukundig regime. De aanpassing van de vorm van het bestemmingsvlak Bedrijf in oostelijke richting leidt tot een relatief (iets) grotere afstand qua activiteiten aangaande de ten noorden (bestemming Wonen) en zuiden gelegen objecten (bestemming Agrarisch) aan de Leidseweg (zie figuur 2 en 3). De inrichting aan de westzijde i.c. het bestaande terrein blijft in principe gelijk (hier staat de huidige bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning, etc.) en derhalve ook het gebruik van activiteiten en de verkeersafwikkeling ter plaatse wijzigt niet door dit initiatief. De thans aanwezige, planologische- en feitelijke afstanden blijven gelijk of worden in ieder geval niet kleiner.

De situering van de bestaande bedrijfsbebouwing van het perceel zorgen – deels – feitelijk voor een afschermende werking van de geluidsemissie veroorzaakt door de geluidsrelevante bronnen van het aannemersbedrijf naar de relevante gevoelige objecten welke gelegen zijn aan de Leidseweg en omgeving. Het aspect ‘geur’ c.q. de hiermee samenhangende milieuzonering is niet relevant, aangezien het bedrijf binnen de inrichting geen geurgevoelige activiteiten uitvoert. Conclusie Op grond van het aspect ‘milieuzonering’ is er sprake van een bestaande situatie met een aanpassing van de vorm en oppervlakte van het bestemmingsvlak in oostelijke richting. De feitelijke bedrijfsomstandigheden wijzigen niet. Door onderhavig plan is geen sprake van een onevenredige aantasting van de (bestaande) goede ruimtelijke ordening of inbreuk op het woon- en leefklimaat (fysieke leefomgeving). 4.2.2 Bodem Op grond van de Wet bodembescherming of ten gevolge van de vereisten op grond van de Wet Milieubeheer (voor bedrijfsactiviteiten) kan een onderzoek van de bodemgesteldheid een vereiste zijn. Middels dit bestemmingsplan wordt voorzien in een vormwijziging en een uitbreiding van de bestemming Bedrijf in oostelijke richting. De vormwijziging leidt ertoe dat gronden welke thans in gebruik zijn als tuin of watergang ook daadwerkelijk zó bestemd worden (en dus niet meer als Bedrijf).

Het bestaand / feitelijk gebruik wordt derhalve planologisch geborgd. De gronden zijn en blijven derhalve geschikt voor de nieuwe (gevoeligere) bestemming. Deze gronden zijn nooit als zodanig bedrijfsmatig in gebruik geweest. Deze wijziging heeft geen invloed op de bodemgesteldheid.

Cumela Advies – Nijkerk

- 25 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

De gronden aan de oostzijde worden planologisch gewijzigd van Agrarisch met waarden naar de bestemming Bedrijf. Tevens worden hierbij grondwerken uitgevoerd voor de aanleg van een watergang en waterpartij. Voor deze gronden is historisch bodemonderzoek uitgevoerd om een indruk van de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te verkrijgen. Het onderzoek is opgenomen in de bijlage van dit plan (zie bijlage 3 Historisch bodemonderzoek NEN5725, Leidseweg 17A, Van der Helm, POOU20210328, d.d. 23 maart 2021). Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd: Op de locatie aan de Leidseweg 17A te Oud Ade is door VanderHelm Milieubeheer B.V. een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de nieuw te realiseren watergang en in de nabije omgeving (binnen een straal van 25 meter) geen potentieel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden en/of hebben plaatsgevonden. Ter onderbouwing van bovenstaand wordt tevens geconcludeerd dat de locatie onverdacht is op verontreinigingen. Het bedrijf is een zogenaamde type B-inrichting conform de melding Activiteitenbesluit. Voor de opslag en stalling van materieel, op-/overslag van bouw-, grond- en afvalstoffen en andere milieukundige voorzieningen (was- en tankplaats, opslag brandstof), e.d.

kan aansluiting worden gezocht bij de voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering ter realisatie van dit plan. 4.2.3 Geluid / Mobiliteit De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Een eventueel akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Onderhavig plan maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. De feitelijke aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten wijzigt per saldo niet. De omvang van het bedrijf blijft gelijk aan de huidige – milieutechnische – situatie. Het wijzigen van de oppervlakte van het bestemmingsvlak in casu het inrichten van het terrein leiden niet tot een nadere toetsing.

Ook wordt de afstand tot gevoelige objecten in de omgeving – relatief – niet kleiner (zelfs groter). Van verkeersaantrekkende werking is geen sprake. De verkeersbewegingen zijn gerelateerd aan de ‘eigen’ bedrijfsactiviteiten. Parkeervoorzieningen zijn op eigen terrein aanwezig. Lawaai (industrie-/wegverkeer-/spoorweg) is gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving niet relevant. Conclusie Het aspect geluid / mobiliteit geeft geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan. 4.2.4 Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet heeft de volgende drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen.

Cumela Advies – Nijkerk

- 26 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met Europese en nationale wetgeving en beleid ten aanzien van de bescherming van natuur. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. - Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) – voorheen Ecologische Hoofdstructuur – is een samenhangend netwerk van bestaande – en nog te ontwikkelen – belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

- Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen van dieren, dan wel ontworteling of vernieling van plantensoorten; • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Beoordeling natuurwaarden i.r.t. plangebied - Gebieds-/soortenbescherming Het plangebied ligt niet in of in directe nabijheid van een gebied welke door de provincie is aangewezen als een gebied welke behoort tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN).

Wel is sprake van de ligging in een gebied welke is aangewezen als ‘beschermingscategorie 2, belangrijk weidevogelgebied’ (zie ook hoofdstuk 3, provinciaal beleid). De totale omvang van dit gebied is zeer omvangrijk. Het plangebied is derhalve relatief klein. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied De Wilck, zie ook hierna, ligt op een afstand van circa 7 kilometer ten zuiden van de planlocatie (zie figuur 9). Op circa 16 kilometer ten oosten ligt het gebied Nieuwkoopse Plassen&De Haen en op circa 8,8 kilometer ten westen liggen de gebieden Meijendel&Berkheide alsmede Coepelduynen (10,5 kilometer). Het plangebied bestaat uit een bestaande bedrijfslocatie én een deel ‘agrarische grond’. Het plangebied ligt binnen landelijk gebied, derhalve behoeft uitsluitend een oordeel plaats te vinden op soortenbescherming: de aanwezigheid van beschermde soorten op of nabij de onderhavige locatie en de eventuele wettelijke consequenties hiervan volgens de Wet Natuurbescherming (ontheffing / vrijstelling). Het plangebied, wat thans agrarische grond (ten oosten) is en door onderhavig initiatief als Bedrijf wordt bestemd vanwege de wijziging van de vorm van het bestemmingsvlak, is van oudsher al vele jaren in gebruik geweest voor agrarische doeleinden waarbij voortdurend bewerkingen (maaien, weiden van vee, rollen, etc.) plaatsvinden.

De kans dat sprake is van beschermde flora – en fauna welke hierdoor permanent verstoord wordt is gering.

Cumela Advies – Nijkerk

- 27 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Op de overige gronden welke planologisch voor bedrijfsdoeleinden bestemd zijn, maar feitelijk als respectievelijk tuin en water zijn ingericht c.q. worden gebruikt, vinden geen ingrepen plaats. Dempingen van watergangen of dergelijke is niet aan de orde. Het plangebied is gelegen in een gebied welke is aangemerkt als ‘beschermingscategorie 2, belangrijk weidevogelgebied’. In dit kader bepaalt artikel 6.9 lid 6 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (laatste versie 1 augustus 2020) dat, voor zover een ruimtelijke ontwikkeling een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van een belangrijk weidevogelgebied, het provinciale compensatiebeleid van toepassing is. Volgens de toelichting van de Beleidsregel Compensatie, Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013) zijn in principe alle plannen waardoor weidevogelgebied een andere bestemming krijgt en daardoor in oppervlakte afneemt als significant aan te merken. Mede in dit kader is een vooropname flora en fauna in casu een veldonderzoek uitgevoerd door Bureau Natuurzorg op 15 mei 2020. De weergave en de uitkomsten van het onderzoek zijn bijgevoegd in de bijlagen (Bureau Natuurzorg, projectnummer BN-VO-2020/042, Weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, d.d. 15 mei 2020). Nadien is, na reactie van de omgevingsdienst, een nader aanvullend onderzoek uitgevoerd door Bureau Natuurzorg.

Verwezen wordt naar de bijlagen (Aanvulling vooronderzoek Flora&Fauna weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, Bureau Natuurzorg d.d. 27 februari 2021), De samenvatting en conclusies luidden als volgt: 1. Een deel van het weilandperceel wordt ingericht voor opslag van materialen. Een ander deel als watergang en poel-/ plasdras. 2. In de regio komen beschermde vogelsoorten voor. Op het perceel zijn geen broedgevallen aangetroffen. 3. De werkzaamheden kunnen aanvangen. Soort beschermende mitigerende maatregelen worden hieronder geadviseerd. 4. De wettelijke Zorgplicht flora en fauna is altijd van toepassing. 5. De werkzaamheden hebben geen negatieve invloed op beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. 6. Breng tijdig Bureau Natuurzorg op de hoogte indien er onverwacht problemen zijn betreffende soorten en nesten.

Voor een volledige duiding wordt verwezen naar bijlage 2a en 2b. De wettelijke zorgplicht is altijd van toepassing. Initiatiefnemer en medewerkers zijn hiermee gezien de aard van de werkzaamheden en qua opleiding afdoende mee bekend. Conclusie i.r.t. weidevogels De voorgenomen ontwikkeling leidt gezien de aard van het voornemen in combinatie met de aanleg van de watergang en het plas- en drasgebied niet tot een significante aantasting van het weidevogelgebied. De aanwezigheid van weidevogels versus de bedrijfsactiviteiten zijn al vele decennia aanwezig. Een beperkte uitbreiding van de bedrijfsoppervlakte (zonder oprichting van meer bebouwing i.c. een beperking van de bouwmogelijkheden) en de compensatie via de aanleg van een plas-/drasgebied leidt tot behoud van de weidevogels, herstelmogelijkheden en mogelijk zelfs tot een toename. - Stikstof In navolging van het bepaalde in de Wnb dient voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling – al dan niet via een voortoets - gemaakt te worden om te beoordelen of (eventueel met mitigerende maatregelen) met zekerheid kan worden vastgesteld dat het plan of project de natuurwaarden niet aantast. Deze verplichting vloeit voort uit de Habitatrichtlijn. Door Nederland is dit toestemmingsregime geïmplementeerd in de Wnb.

Middels het zogenaamde Programma Aanpak Stikstof (PAS) was er vanaf 2015 een integraal programma, waarmee voor activiteiten die stikstof uitstoten en kunnen neerslaan op een Natura 2000-gebied ("stikstofdepositie") bepaald kan worden wat de invloed al dan niet is. Het gaat dan bijvoorbeeld om uitbreidingen van veehouderijen, de aanleg van woonwijken en wegen en industriële activiteiten. Stikstofdepositie kan een negatief effect hebben op de natuur. In veel Natura 2000-gebieden is sprake van een overschrijding van de 'kritische depositiewaarde' voor stikstof voor het specifieke habitattype in het betrokken gebied. Middels een uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) geoordeeld dat het PAS in strijd met de Habitatrichtlijn is vastgesteld. Bijlage 2 van het PAS, artikel 2 van het (vervallen) Besluit

Cumela Advies – Nijkerk

- 28 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

grenswaarden programmatische aanpak stikstof en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming zijn onverbindend verklaard c.q. vernietigd. Voormelde heeft tot gevolg dat het toetsingskader, zoals opgenomen in het PAS en het daarbij behorende ‘rekenprogramma’ Aerius, sinds 29 mei 2019 niet meer bruikbaar zijn / van toepassing is. De overheid (adviescollege / taskforce) beraadt zich nu op de mogelijkheden en onmogelijkheden voor vergunningverlening voor (nieuwe) activiteiten rondom Natura 2000-gebieden. Diverse wetswijzigingen zijn doorgevoerd. Indien er bij een (ruimtelijke) ontwikkeling c.q. bij (milieukundige) activiteiten waarvan niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is, waar de kritische depositiewaarde is bereikt, dient er een passende beoordeling te worden uitgevoerd (artikel 2.8, tweede lid, Wnb). Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan / project. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen (kunnen) worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan of project geen doorgang vinden. Met behulp van een voortoets kan het bevoegd gezag bepalen of op voorhand negatieve gevolgen uit te sluiten zijn.

Daarbij kunnen verschillende omgevingsthema’s van belang zijn, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluid, stikstof, etcetera. Voor een beoordeling van deze aspecten – met uitzondering van stikstof – wordt volstaan met de betreffende aspecten in de toelichting (ruimtelijke onderbouwing) behorend bij het wijzigingsplan. De in de inleiding benoemde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve gevolgen vanwege stikstofdepositie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied De Wilck of andere gebieden (zie figuur 9). Wanneer de ontwikkeling bijvoorbeeld gepaard gaat met extra verkeersbewegingen of er nieuwe activiteiten (planologisch) plaats mogen vinden welke leiden tot een toename aan stikstofuitstoot (i.c. depositie) op Natura 2000-gebieden zal ter onderbouwing een voortoets / passende beoordeling moeten worden uitgevoerd. De stikstofdepositie welke gelieerd is aan de beoogde ontwikkeling (bouw- / aanlegfase) en de bedrijfsactiviteiten (gebruiksfase) kan middels een aangepaste versie van het programma AERIUS berekend c.q. inzichtelijk worden gemaakt. Voor deze ontwikkeling is een voortoets stikstofdepositie opgesteld waarbij geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling niet leidt tot een signifante toename (> dan 0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie op een Natura 2000gebied. De voortoets stikstofdepositie is bijgevoegd (zie bijlage).

figuur 9: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

Cumela Advies – Nijkerk

- 29 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Conclusie Het initiatief heeft geen specifieke of dermate onevenredige aantasting op de belangen / waarden welke op grond van de Wet natuurbescherming of inzake het provinciaal ruimtelijk beleid (weidevogelgebied) beschermd dienen te worden, dat uitvoering van het plan hierdoor niet mogelijk zou zijn. In alle gevallen moet rekening worden gehouden met de zorgplicht voor soorten uit de Wet natuurbescherming. 4.2.5 Luchtkwaliteit Op basis van de EU- richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2) en stikstofoxiden (NOx), zwevende deeltjes (PM10) en lood (Pb) in de lucht (Pb EG L163) dient Nederland de wettelijke luchtkwaliteitsnormen voor bovengenoemde stoffen en tevens voor koolmonoxide (CO) en benzeen (C6H6) vast te leggen. Het vorige Besluit Luchtkwaliteit 2005 is na de inwerkingtreding van de “Wet Luchtkwaliteit (Wlk)” vervallen. Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 5 Wet Milieubeheer (zie Staatsblad 2007, nr. 414, d.d. 30 oktober 2007). In artikel 5.16 Wm (lid 1) is opgenomen onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer aan één van de voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid.

De voorwaarden zijn: a) er is geen sprake van een feitelijke en dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) de concentratie van de betreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft tenminste gelijk; c) een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging; d) een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en bijbehorende Regeling is opgenomen wanneer ‘projecten’ geen aantoonbare gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Het bestemmingsplan voorziet in de voortzetting van een bestaand niet-agrarisch bedrijf, de wijziging van de vorm en oppervlakte van het (bestaande) bestemmingsvlak en het oprichten van bedrijfsbebouwing. De bedrijfsactiviteiten wijzigen in principe niet door deze ontwikkeling.

Voor zover wijzigingen of autonome ontwikkeling een rol spelen, betreft het in dit kader met name verkeersbewegingen en inzet van (zware) bronnen op en nabij de inrichting. Het aantal verkeersbewegingen (licht en zware bronnen) per etmaal gerelateerd aan de bedrijfsvoering bedraagt 200 bewegingen. Conform de ‘worst-case’ benadering, welke ook aangehouden is in relatie tot de Wet natuurbescherming, zie paragraaf 4.2.4, is in totaal een aantal van 220 bewegingen als ‘extra’ aangemerkt. Als jaar van realisatie is 2021 aangehouden. Opgemerkt wordt dat de verkeersbewegingen reeds bestaand zijn. Dit initiatief leidt niet tot meer of extra bewegingen. Desalniettemin is de toetsing rekening gehouden met de huidige totale omvang van de mobiliteit. De NIBM-tool is een rekentool voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit. Hiermee is op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Aan de hand van de NIBM-tool (versie maart 2020) is bezien of er op basis van de huidige situatie en gerelateerd aan de beoogde ontwikkeling (a.d.h.v. het aantal verkeersbewegingen) wordt voldaan aan de hiervoor geldende norm. Als ‘worst-case’ is 70% van de bewegingen als ‘zware bronnen (vrachtverkeer)’ aangemerkt, zoals landbouwtractoren, mmbs, etc.

(zie figuur 10).

Cumela Advies – Nijkerk

- 30 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit

Jaar van planrealisatie

2021

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

220

Extra verkeer als gevolg van het plan

Aandeel vrachtverkeer 70,0% Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in μg/m3

1,14

3

0,14

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig figuur 10: Berekening NIBM

De blootstelling aan luchtverontreiniging is beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar. De uitbreiding van het bedrijf draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nader onderzoek is niet aan de orde (figuur 10). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 4.2.6 Water Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland binnen de Roode Polder. Kenmerken van het plangebied: Voor het bestaande bestemmingsvlak is sprake van een bodemopbouw bestaand uit Liedeerdgronden, zavel (bodemcode pMv51). De nieuw in gebruik te nemen gronden hebben een bodemopbouw omschreven als Weideveengronden op zeggeveen, rietzeggeveen of (mesotroof) broekveen (code pVc). Het maaiveld ter plaatse ligt op circa -1,44 tot 1,64 meter NAP (bron: Atlaskaarten).

Oppervlaktewater : Het kadastrale perceel / plangebied wordt begrensd door poldersloten / C-watergangen (tertiaire watergangen), zie figuur 11. Het hemelwater ter plaatse van het bouwvlak infiltreert momenteel, waar mogelijk, nog vrij in de bodem / stroomt af naar oppervlaktewater. Het bedrijfsafvalwater is aangesloten op een afzonderlijk rioleringssysteem. In de beoogde situatie blijft dit gelijk. Natuurwaarden : Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur. Waterhuiskundige aspecten in relatie tot initiatief: • Wateroverlast : Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Zo nodig dient de drooglegging of ontwatering te worden verbeterd (bijvoorbeeld bij lage ligging plangebied of hoge

Cumela Advies – Nijkerk

- 31 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

grondwaterstanden). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlakte waterpeil ligt. Ter plaatse ligt de grondwaterstand voldoende diep onder het maaiveld. Hiermee is er afdoende ontwateringsdiepte, waarmee aan de normen met betrekking tot drooglegging kan worden voldaan. Afkoppeling en waterberging : Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Gestreefd wordt naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden.

figuur 11: Plangebied en relevante waterbelangen (bron: Legger) Het hemelwater dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden verwerkt. Indien dit niet mogelijk is kan in overleg met het waterschap worden bekeken in hoeverre vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater mogelijk is. Op grond van de Keur geldt er een compensatieplicht van 15% bij de toename aan verhard oppervlak (zie onderdeel 11 Aanbrengen van verharding). Dit betekent dat de aanleg van een extra waterbergingsvoorziening noodzakelijk is. De benodigde ruimte voor compenserende waterberging dient in dat geval te worden verantwoord. De feitelijke toename aan verhard oppervlak / terrein bedraagt 4.334 m2. De te compenseren oppervlakte is derhalve (15%) = 650 m2. In onderhavig initiatief is hierin voorzien door aan de oostzijde een afzonderlijke watergang aan te brengen, welke tevens zorgt voor fysieke begrenzing van terrein, bestaande uit een watergang en extra berging c.q. watercompenserende voorziening in de vorm van een waterpartij met rietveld. De totale oppervlakte bedraagt 650 m2. Zie inrichtingstekening in bijlage. Bij de aanleg van nieuw water in het plangebied dient zoveel mogelijk te worden aangesloten op de bestaande waterstructuur. Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud.

Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door rekening te houden

Cumela Advies – Nijkerk

- 32 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

met voldoende ruimte voor water, voldoende waterdiepte en voldoende oevervegetatie. Voor realisering van een dergelijke voorziening middels bijvoorbeeld een waterpartij met rietveld en/of afvoer via een watergang biedt het plangebied voldoende ruimte. De te realiseren waterpartij zal verbonden worden met het bestaande watersysteem nabij het plangebied. Afvoer schoon- en vuilwater : In het kader van het bevorderen van het duurzaam omgaan met water is het beleid van de gemeente en het waterschap erop gericht om schoon hemelwater af te koppelen van het gemengde rioolstelsel (of niet aan te koppelen). Hemelwater dat van de daken af stroomt of van (schoon) terrein is aan te merken als schoon. Zuivering van dit water is dan ook niet noodzakelijk. Het (schone) hemelwater van de bedrijfsgebouwen en van de nieuwe oppervlakte aan verhardingen zal worden afgekoppeld en niet op de riolering worden aangesloten, maar via de bestaande watergangen (en nieuwe aan te leggen watergang) worden afgevoerd. Het vuilwater wordt gescheiden afgevoerd naar het riool. Waterlopen : Rondom het plangebied zijn C-watergangen gesitueerd. Er is sprake van onderhoudsstroken waar rekening mee dient te worden gehouden. Door onderhavige ontwikkeling komen de bestaande stroken niet in het geding.

Waterkwaliteit - Duurzaam waterbeheer : De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Van belang is dat zo min mogelijk vervuilende stoffen worden toegevoegd aan het grond- en oppervlaktewatersysteem. Alleen schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de bodem en/of het oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van niet-uitlogende materialen (zoals bijv. lood, koper en zink). Afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en via de rioolpersleiding afgevoerd. De bedrijfsactiviteiten vallen onder het Activiteitenbesluit. Initiatiefnemer dient te voldoen aan het Activiteitenbesluit en daarmee is het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater als gevolg van bodembedreigende activiteiten voldoende verzekerd. Vervuiling van grondwater is niet aan de orde. Conclusie Aangaande het onderdeel waterhuishouding zijn afdoende maatregelen aanwezig / uitvoerbaar en in het plan opgenomen, zodat dit de uitvoering van dit plan niet hoeft te belemmeren. Voor de uit te voeren werkzaamheden dient een melding conform artikel 11.3 en 5.3 van de Algemene regels van het Hoogheemraadschap te worden verricht en is derhalve een maatwerkbesluit benodigd.

4.2.7 Cultuurhistorie en archeologie Per 1 september 2017 is, onder andere ter vervanging van de Wet op de archeologische monumentenzorg, de Erfgoedwet in werking getreden. Nederland heeft hiermee haar verplichting op basis van de Wet van Malta (1992) gestalte gegeven. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het plangebied is overeenkomstig de bepalingen uit het bestemmingsplan of het gemeentelijk archeologisch beleid gelegen in een gebied met specifieke bescherming van cultuurhistorische- of archeologische waarden. In het bestemmingsplan is dit vastgelegd middels de bestemming Waarde - Archeologie - 1 (ex. artikel 34), zie figuur 12. In artikel 34.2 zijn eisen opgenomen inzake bouwen. Aangezien op het ‘nieuwe’ deel geen sprake is van een bouwvlak en derhalve bebouwing niet voorzien is / kan worden, is lid 34.2 – met uitzondering van het oprichten van bouwwerken, geen gebouw zijnde, tot een hoogte van 3 meter – niet aan de orde.

Cumela Advies – Nijkerk

- 33 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

In artikel 34.3 zijn eisen opgenomen inzake het uitvoeren van werken of werkzaamheden. Het uitvoeringsverbod zonder vergunning (34.3.1), de uitzonderingen hierop (34.3.2) en de voorwaarden (34.3.3) blijven middels dit bestemmingsplan onverkort van kracht. Het verbod voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden is onder andere niet van toepassing indien de bodemingrepen niet dieper zijn dan 30 centimeter of de oppervlakte groter is dan 2.500 m2. Bij het aanleggen c.q. verharden van het terrein (zonder bouwvlak) zal de huidige teeltlaag verwijderd worden, maar in principe niet dieper dan 30 centimeter. De realisatie van de nieuwe watergang / -berging zal wel dieper zijn dan 30 centimeter, echter hierbij is de oppervlakte kleiner dan 2.500 m2. Er wordt voldaan aan de vereisten van de genoemde uitzondering, zodat het bouwverbod in casu nader onderzoek naar de aanwezigheid en behoud van archeologische waarden niet aan de orde is.

figuur 12: Plangebied en weergave ‘archeologische waarde’ Conclusie Het archeologisch beleid is vertaald in de regels van het bestemmingsplan. Ten aanzien van archeologie zijn in dit bestemmingsplan in relatie tot het plangebied regels opgenomen voor archeologie, waarbij één of meer van de genoemde uitzonderingen van toepassing zijn. Het onderdeel ‘archeologie en cultuurhistorie’ staat uitvoering van het plan niet in de weg. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.2.8 Externe veiligheid Beleid en regelgeving Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen door bedrijven, het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen, spoorwegen en door buisleidingen en het gebruik van luchthavens.

Cumela Advies – Nijkerk

- 34 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Beoordeling Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De locatie ligt op een afstand van circa 220 meter van de Provincialeweg N445. Over de N445 mogen gevaarlijke stoffen getransporteerd worden en is daar mee een potentiële risicobron. Echter, op de risicokaart is de N445 niet aangemerkt als een weg met een extern veiligheidsrisico. Langs de N445 bevinden zich geen bedrijven waar een substantieel aantal transporten van gevaarlijke stoffen naar toe gaan. Deze punten duiden er op dat er slechts een gering aantal transporten met gevaarlijke stoffen over de N445 zullen gaan. Gelet hierop en de relatief grote afstand van de N445 tot de planlocatie is een uitgebreide toetsing op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes dan ook niet nodig. Omgekeerd beschouwd voorziet onderhavig plan niet in de realisatie van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een toetsing aan de risiconormen uit het Bevi is daarom niet aan de orde. Conclusie Externe veiligheid is geen belemmering voor het realiseren van het plan.

4.2.9 MER In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) 1994 is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). Per 16 mei 2017 bestaat ook beneden de drempel van onderdeel D een m.e.r.-beoordelingsplicht. In de Wet milieubeheer, artikel 7.2, lid 1 onder b. wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur (i.e. Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Het 4e lid, artikel 7.2, stelt dat voor dergelijke activiteiten categorieën van besluiten worden aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag aan de hand van de relevante criteria in bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 7.17) een beslissing neemt of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Het wijzigen van een bestemmingsplan voor een vormverandering (gelijkblijvende oppervlakte) en (beperkte) vergroting van het bestemmingsvlak voor een bestaand bedrijf ter grootte van circa 1.650 m2, waarbij een toelaatbaar oppervlakte aan bedrijfsgebouwen eveneens ter grootte van 1.650 m2 wordt ‘ingeleverd’ is geen ontwikkeling welke genoemd is of wordt in categorie C of D van de m.e.r.

Alhoewel geen sprake is van een wettelijke verplichting tot het doorlopen van de uitgebreide m.e.r.-procedure en de m.e.r.-beoordeling, geeft de Wet milieubeheer aan dat voor de geplande activiteiten wel een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht van toepassing is. Deze beoordeling kan worden uitgewerkt in een zogenaamde aanmeldnotitie. Bij een dergelijke beoordeling moet dan worden afgewogen of het project geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van de uitgebreide procedure (o.g.v. bijlage III van de mer-richtlijn). Een activiteit heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu indien: sprake is van een grote afstand tot gevoelige gebieden; de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken hebben waardoor er een verwaarloosbare kans is op belangrijke nadelige effecten; de activiteit niet tot grote emissies leidt; er sprake is van een klein ruimtebeslag. De hiervoor genoemde aspecten zijn van toepassing op deze ontwikkeling. De afstand tot gevoelige gebieden is groot. De ontwikkeling leidt niet tot dusdanige belangrijke nadelige gevolgen / belemmeringen voor de omgeving of milieu. De activiteiten leidden niet tot grote emissies en het ruimtebeslag is relatief klein.

Cumela Advies – Nijkerk

- 35 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Voor een nadere verantwoording op deze onderdelen / aspecten wordt verwezen naar de overige paragrafen van hoofdstuk 4. Op basis hiervan wordt geen aanleiding gezien om een aanmeldnotitie m.e.r. op te stellen. Conclusie Onderhavig initiatief is geen activiteit of plan waarvoor het verplicht is om een milieueffectrapportage of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren op grond van het Besluit milieueffectrapportage en / of artikel 7.16, lid 2 van de Wet milieubeheer. De nadere verantwoording aangaande de milieueffecten zijn in de afzonderlijke paragrafen van hoofdstuk 4 opgenomen. 4.2.10 Leidingen De ontwikkeling, in casu de toename aan verharding, zou invloed kunnen hebben op in of nabij het plangebied gelegen kabels of leidingen. In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen aardgasleidingen / kabels aanwezig. Conclusie Dit onderdeel levert geen belemmering op voor de uitvoering van het initiatief.

Cumela Advies – Nijkerk

- 36 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

5 JURIDISCHE TOELICHTING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste twee paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

5.1 Doel en reikwijdte Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1.

het bebouwen van de gronden; 2. het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

5.2 Onderdelen van een bestemmingsplan Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart). 5.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect

Cumela Advies – Nijkerk

- 37 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale- en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument. 5.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1.

Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald. 2.

Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Indien er sprake is van specifieke verplichtingen kan dit via een zogenaamde ‘voorwaardelijke verplichting’ worden vastgelegd.

3.

Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingsregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen.

4.

Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de regels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

Cumela Advies – Nijkerk

- 38 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

5.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

5.3 Dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De vormverandering en wijziging van de oppervlakte van het bestemmingsvlak Bedrijf heeft invloed op de overige gronden van het plangebied. De gronden met de bestemming Agrarisch verkrijgen de bestemming Bedrijf, zonder bouwvlak. De ‘vrijkomende’ gronden aan de west-/noord- en zuidzijde verkrijgen de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden respectievelijk Tuin. De maatvoering binnen de bestemming Bedrijf en binnen het bouwvlak, zijnde het maximum bebouwd oppervlak, wordt aangepast van 8.650 m2 naar 7.000 m2. De planregels maken het gebruik van het oostelijk deel voor (buiten)opslag en stalling van materieel en dergelijke mogelijk. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Bij dit bestemmingsplan is inzake de planregels aangesloten bij de ‘modelregels’ van de gemeente Kaag en Braassem. De specifieke regels ‘planregels Leidseweg 17a te Oud Ade’ zijn onderdeel van dit plan. Conclusie Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Cumela Advies – Nijkerk

- 39 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

6 UITVOERBAARHEID EN CONCLUSIE In dit bestemmingsplan is nader ingegaan op de ruimtelijke, planologische, juridische en milieukundige aspecten aangaande de verantwoording van de beoogde onwikkeling voor de locatie Leidseweg 17a te Oud Ade.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze toelichting maakt onderdeel uit van de wijziging van het bestemmingsplan, welke door de gemeente Kaag en Braassem in procedure wordt gebracht. In dit plan zijn de resultaten van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. De direct omwonenden zijn persoonlijk geïnformeerd door initiatiefnemer c.q. bekend met onderhavig initiatief.

6.2 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Er is geen sprake van een zogenaamd GREX-plan, maar een legesplan. Dit betekent dat voor de bestemmingsplanprocedure leges worden geheven en met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst wordt gesloten.

6.3 Conclusie In dit bestemmingsplan is verantwoord dat het initiatief in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat er sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling c.q. geen sprake is van onevenredige aantasting van de fysieke leefomgeving. Hiermede is onder andere afdoende invulling gegeven aan de toetsing van het relevante ruimtelijke beleid en de gestelde voorwaarden van de gemeente inzake de medewerking aan onderhavig plan.

Cumela Advies – Nijkerk

- 40 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

7 INSPRAAK EN VOOROVERLEG 7.1 Inspraak (omgevingsdialoog) In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners. Dit betreft de adressen: > Leidseweg 11, Oud Ade > Leidseweg 13, Oud Ade > Leidseweg 13a, Oud Ade > Leidseweg 13b, Oud Ade > Leidseweg 15, Oud Ade > Leidseweg 15a, Oud Ade > Leidseweg 19, Oud Ade > Leidseweg 21, Oud Ade > Roodepolder 1, Oud Ade > Roodepolder 2 / 2a, Oud Ade > Roodepolder 3, Oud Initiatiefnemers hebben de plannen aan bovengenoemde buurtbewoners toegelicht. Vanwege de coronamaatregelen is er niet voor gekozen om een bijeenkomst te organiseren, maar omwonenden persoonlijk in kennis te stellen van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij is de gelegenheid geboden om te reageren. De diverse uitkomsten / reacties van de omgevingsdialoog geven geen aanleiding tot wijzigingen of aanpassingen van het plan. Vanwege de zichtlijnen is door een omwonende specifiek aangegeven dat bebouwing van het ‘achterterrein’ niet gewenst wordt geacht. Aangezien voor het achterterrein geen bouwvlak is opgenomen, is het oprichten van gebouwen niet mogelijk. Het plan voorziet tevens in de afname van de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing.

7.2 Wettelijk vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. De reacties uit het vooroverleg zijn, waar nodig, verwerkt in dit bestemmingsplan. Van de volgende instanties is een reactie ontvangen: > Hoogheemraadschap van Rijnland, zaaknummer 2020-025468, december 2020 > Veiligheidsregio Hollands Midden, zaaknummer 2020-007984, december 2020 > Omgevingsdienst West-Holland, zaaknummer 2020-026750, februari 2021

Cumela Advies – Nijkerk

- 41 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

8 PROCEDURE Er wordt een reguliere bestemmingsplanprocedure voorstaan op grond van artikel 3.1 van de Wro.

8.1 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan is gepubliceerd en heeft gedurende een periode van 6 weken (van 15 april tot en met 27 mei 2021) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon door eenieder zienswijzen worden ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ontvangen / ingediend.

Cumela Advies – Nijkerk

- 42 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

BIJLAGEN 1. 2a. 2b. 3. 4.

Plattegrond- en inrichtingstekeningen: Terreintekening en inrichting Leidseweg 17a te Oud Ade – december 2020 (projectnr. GP-T2005); Vooronderzoek Flora&Fauna weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, Bureau Natuurzorg, projectnummer BN-VO-2020/042 d.d. 15 mei 2020; Aanvulling vooronderzoek Flora&Fauna weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, Bureau Natuurzorg d.d. 27 februari 2021; Historisch bodemonderzoek NEN5725, Leidseweg 17A, Van der Helm, POOU20210328, d.d. 23 maart 2021; Voortoets stikstofdepositie, Leidseweg 17a te Oud Ade incl. Aerius-berekening (maart 2021) plus berekeningen voor de aanleg-/ontwikkelfase en de gebruiksfase.

Cumela Advies – Nijkerk

- 43 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Bijlage 1: Plattegrond- en inrichtingstekeningen: Terreintekening en inrichting Leidseweg 17a te Oud Ade – december 2020 (projectnr. GP-T2005)

Afzonderlijk bijgevoegd

Cumela Advies – Nijkerk

- 44 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Bijlage 2a: Vooronderzoek Flora&Fauna weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, Bureau Natuurzorg, projectnummer BN-VO-2020/042 d.d. 15 mei 2020

Afzonderlijk bijgevoegd

Cumela Advies – Nijkerk

- 45 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Bijlage 2b: Aanvulling vooronderzoek Flora&Fauna weilandperceel Leidseweg 17a te Oud Ade, Bureau Natuurzorg d.d. 27 februari 2021;

Afzonderlijk bijgevoegd

Cumela Advies – Nijkerk

- 46 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Bijlage 3: Historisch bodemonderzoek NEN5725, Leidseweg 17A, Van der Helm, POOU20210328, d.d. 23 maart 2021;

Afzonderlijk bijgevoegd

Cumela Advies – Nijkerk

- 47 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Bijlage 4: Voortoets stikstofdepositie, Leidseweg 17a te Oud Ade incl. Aerius-berekening (maart 2021) plus berekeningen voor de aanleg-/ontwikkelfase en de gebruiksfase

Afzonderlijk bijgevoegd

Cumela Advies – Nijkerk

- 48 -

juni 2021

Toelichting – Leidseweg 17a Oud Ade

Cumela Advies – Nijkerk

- 49 -

juni 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=5e8adafa-ca90-484f-bfa4-e8f31953e370