NL.IMRO.1884.BPKERKSTRAAT1EN2-VAS1 toelichting
Tekst van het document
30
Conclusie De resultaten van alle uitgevoerde bodemonderzoeken geven aanleiding tot aanvullend bodemonderzoek naar de omvang van de aangetroffen verontreiniging met zink in de bovengrond ter plaatse van het onderzoek d.d. 30 oktober 2014. Dit onderzoek wordt nog uitgevoerd.
4.2.2 Luchtkwaliteit Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030. In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit.
'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Planspecifiek Het voorliggende initiatief is een kleinschalige ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit is daarmee niet vereist. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a.
ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen respectievelijk 15 µg/m³, 8 µg/m³ en 13 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Er wordt overigens niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31
4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
verpleeghuizen,
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Doordat er met voorliggend plan de realisatie van woningen wordt beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormt voor de ontwikkelingen. Wegverkeerslawaai De planlocatie wordt ontsloten via de Kerkstraat aan de oostzijde. Daarbij liggen de beoogde woningen binnen de sfeer van de Alkemadelaan, wat een geluidgezoneerde weg betreft. Derhalve is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door KuiperCompagnons (621.158.80, d.d. 5 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1).
Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai planlocatie (bron: KuiperCompagnons, d.d. 5 oktober 2022)
Uit de resultaten voor de Alkemadelaan blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op de westgevels van de zes woningen langs de Alkemadelaan, tot maximaal 57 dB. Een overschrijding van
32
de voorkeursgrenswaarde is daarnaast aan de orde op de zijgevels van deze woningen. Op de zijgevels wordt een waarde van maximaal 54 dB bereikt. Op de overige gevels en woningen wordt wel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de route Kerkstraat/Veerstraat is maximaal 55 dB. Omdat de route een 30 km/uur weg betreft is het aanvragen van hogere waarden niet mogelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is dit wel getoetst aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt maximaal 62 dB op de woningen langs de Alkemadelaan. Deze geluidbelasting wordt vrijwel geheel veroorzaakt door de Alkemadelaan. Aangezien de Kerkstraat/Veerstraat aan de andere kant van het plan is gelegen vindt er op geen enkele woning een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats door beide wegen zodat geen sprake is van cumulatie van geluid. In het kader van het bestemmingsplan moet een hogere waarde procedure worden opgestart. Daarvoor moet een ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde worden opgesteld. Dit ontwerpbesluit dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd. De hogere waarden moeten zijn vastgesteld voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld.
Toetsing hogere waardenbeleid wegverkeer Uit de toetsing aan de voorwaarden uit het gemeentelijke hogere waardenbeleid kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de algemene voorwaarde dat een hogere waarde slechts kan worden vastgesteld als maatregelen tot het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, of als er ernstige bezwaren zijn op het gebied van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Verder beschikken alle woningen over tenminste één geluidluwe zijde en over een buitenruimte aan de geluidluwe zijde. Bij nadere uitwerking van het plan dient er rekening mee te worden gehouden dat de verblijfsruimtes zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijden gerealiseerd worden. Daarnaast zijn specifieke criteria van toepassing om de hogere waarden vast te stellen. Zo is een akoestische compensatie vereist. De wijze waarop dit wordt ingevuld wordt in het kader van de aanvraag om Omgevingsvergunningen aangegeven en beoordeeld. Spoorweglawaai De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op ca. 1,5 km afstand. Vanwege deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering.
Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.2.4. Conclusie De bepalingen van de Wet geluidhinder vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan, waarbij hogere waarden vastgesteld dienen te worden. De in dit verband te stellen voorwaarden zijn ook als een voorwaardelijke verplichting aan de regels toegevoegd.
4.2.4 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
33
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de kern Oude Wetering. In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen en maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Het plangebied wordt door deze mix aan functies aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kunnen worden verlaagd. Aan de overzijde van de Oude Wetering is een (voormalig) industriegebied gelegen, met voornamelijk categorie 2-bedrijven en met enkele bedrijven met zwaardere categorieën. Deze liggen allen op voldoende afstand van de planlocatie. Dat geldt ook voor een detailhandelsfunctie aan de Kerkstraat en de oefentherapieruimte op het aangrenzende perceel. Op de overige activiteiten op het aangrenzende perceel Veerstraat 1 wordt hieronder nader ingegaan. Veerstraat 1 Op het naastgelegen perceel Veerstraat 1 is een metaalbewerker gevestigd (Beuk Kunst & Constructie). Dit is een categorie 2-bedrijf dat een melding in het kader van het Activiteitenbesluit heeft ingediend.
In het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' is het bestemd als 'Wonen' en valt het onder een 'aan huis verbonden beroep', dat als volgt wordt omschreven: 'de uitoefening van een beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied in een woning of bijgebouw, waarbij de woning overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling die met de woonfunctie in overeenstemming is.' Derhalve kan op voorhand worden aangenomen dat de bijbehorende activiteiten en werkzaamheden van kleinschalige aard zijn en in een woonomgeving uitgevoerd kunnen worden. Bovendien heeft de werkplaats een dichte gevel aan de noordzijde, waardoor het gegenereerde geluid niet gericht is op de planlocatie. Om aan te tonen of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd en of het betreffende bedrijf niet wordt beperkt in de bedrijfsvoering door de komst van de woningen, is desondanks akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, rapport d.d. 24 januari 2023): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Het gaat hierbij om de volgende activiteiten:
• •
metaal- en houtbewerkingen in de werkplaats; aan- en afvoer van materialen en gereed product.
34
Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van alle activiteiten bij het bedrijf bedraagt in de immissiepunten 1 – 6 bij de nieuwe woningen hooguit 32 dB(A) overdag. Daarmee wordt de richtwaarde voor de geluidbelasting op woningen van 50 dB(A) in 'gemengd gebied' niet overschreden. Het geluid van het bedrijf zal worden gemaskeerd door het omgevingsgeluid. De maximale geluidniveaus LAmax ten gevolge van de heftruckbewegingen (hooguit 1 x per dag) bedragen in de immissiepunten bij de nieuwe woningen hooguit 65 dB(A) overdag. Daarmee worden de richtwaarden van 70 dB(A) in 'gemengd gebied' niet overschreden. Voor de onderzochte activiteit, een werkplaats (cat. 3.2), geldt een richtafstand in dit gebied van 50 m uitgaande van een omgeving ‘gemengd gebied’ en van 100 m uitgaande van’ rustige woonwijk’. De richtwaarden voor de langtijdgemiddeld en maximale geluidniveaus worden bij de nieuwe woningen niet overschreden. Er is bij de nieuwe woningen dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien wordt het bedrijf niet beperkt in de bedrijfsvoering; aan de eisen uit het Activiteitenbesluit kan ruimschoots worden voldaan. De 50-dB(A)-contour ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting ligt op minder dan 2 m van de wegas.
De geluidbelasting op de woningen langs de weg – binnen de invloedssfeer van het bedrijf - ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Gezien de bouwkundige staat van de woningen kan worden uitgegaan van een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB(A), waarmee de binnenniveaus van de woningen aan de wettelijke eis van 35 dB(A) kunnen voldoen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. Planspecifiek Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd:
35
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 1,4 km ten westen van het plangebied is de rijksweg A4 gelegen. De A4 is een weg waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd, vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Er geldt een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m en een groepsrisicocontour 10-7 van 65 m. Een risicoberekening is echter niet verplicht gezien de ruime afstand tot de A4. Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook worden er met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
36
4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities.
37
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient volgens de regels van het hoogheemraadschap van Rijnland in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt
38
bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Onderstaande afbeelding en tabel toont de verhardingsbalans van de beoogde ontwikkeling. oppervlakte (in m²) bestaande situatie bebouwd groen water totaal verhard
967,0 1.630,2 28,8 967,0
toekomstige situatie bebouwd groen water totaal verhard
982,7 1.615,0 28,3 982,7
benodigde watercompensatie verhardingstoename watercompensatie (> 500 m² verhardingstoename)
+ 15,7 n.v.t.
Verhardingsbalans bestaand en gewijzigd (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, d.d. 12-10-2022)
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de toename aan verharding neerkomt op 982,7 - 967,0 = 15,7 m². Een toename van verharding minder dan 500 m² houdt in dat niet gecompenseerd hoeft te worden. Het toevoegen en dempen van oppervlaktewater is afgestemd met het hoogheemraadschap van Rijnland. Het aanwezige bruggehoofd in de Ringsloot wordt namelijk verwijderd, wat ten goede komt aan de doorstroming van de Ringsloot. Overeengekomen is dat in samenhang hiermee een dwarssloot aan de noordrand van het perceel mag worden gedempt. Watergangen De volgende afbeelding toont een fragment van de Legger Regionale Keringen van het hoogheemraadschap van Rijnland.
Fragment legger hoogheemraadschap van Rijnland (plangebied rood omkaderd)
39
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied binnen de kernzone en beschermingszone ligt van een regionale waterkering. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Hiertoe is in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het uitvoeren van handelingen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering dient de initiatiefnemer instemming te verkrijgen van het hoogheemraadschap van Rijnland. Waterafvoer Voor afvalwater kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Het afvalwatersysteem wordt zodanig vormgegeven dat het hemelwater kan worden afgekoppeld richting het oppervlaktewater. Conclusie De wateraspecten vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN en vormen een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN dragen bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
40
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling realiseert 11 woningen op een braakliggend perceel. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna, beschermde gebieden en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. In dit kader is een oriënterend onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, 2022-0679, d.d. 24 juni 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Soortenbescherming Uit het oriënterend onderzoek is naar voren gekomen dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare soorten. Er dienen wel enkele algemene maatregelen te worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Zo is het van belang dat lichtuitstraling naar de ten westen van het plangebied gelegen sloot en de ten oosten van het plangebied gelegen Oude Wetering, als mogelijke onderdelen van essentieel foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen, wordt voorkomen: bij de verdere uitwerkingen wordt hiermee rekening gehouden.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een belangrijk weidevogelgebied en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Nieuwkoopse Plassen en De Haeck) bevindt zich op een afstand van ruim 11 km. Gelet op de aard en omvang van het initiatief is van externe werking op de omliggende gebieden geen sprake. Stikstofdepositie Zekerheidshalve is er een AERIUS-berekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 1 februari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator 2022 volgt dat er in zowel de gebruiksfase als de bouwfase van de beoogde ontwikkeling sprake is van een bijdrage van de stikstofdepositie (afgerond op 2 decimalen) van maximaal 0,00 mol/ha/jr ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve kunnen inzake stikstofdepositie significante negatieve effecten worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling en er is inzake stikstofdepositie geen sprake van vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningsplicht geldt.
Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering ondervindt van het aspect ecologie. Er dient rekening te worden gehouden met de Algemene zorgplicht. In dat verband zijn er de volgende te treffen maatregelen:
• •
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
41
• •
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Tevens dient lichtuitstraling richting de watergangen voorkomen te worden. De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van een ter zake deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundige gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast.
Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.
42
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart, plangebied rood omcirkeld
Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een historische kern en historische ontginningsas. De aanwijzing brengt een nadere onderzoeksverplichting met zich mee voor bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Er is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Transect, rapport 3866, d.d. 8 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek kan worden vastgesteld dat het plangebied een middelhoge – hoge archeologische verwachting op de aanwezigheid van nederzettingsresten en sporen van erfinrichting uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd heeft. Uit de boringen blijkt dat deze zich waarschijnlijk bevinden vanaf een diepte van circa 70 cm -Mv, diepte van het ophogingspakket, en samenhangen met de historische bebouwing van Oude Wetering. Deze verwachting geldt alleen voor de voorheen onbebouwde delen van het plangebied. Er geldt een lage verwachting voor de eerder bebouwde delen van het plangebied. Conclusie Uit het archeologische onderzoek blijkt dat het zuidelijke deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft. Derhalve wordt geadviseerd om te voldoen aan eisen van archeologievriendelijk bouwen. In dit geval houdt dat o.a.
in dat men rekening houdt met een 30 cm-bufferzone tussen de aanbevolen diepte van de bodemingrepen en de verwachte archeologische vindplaats (behoud vanaf 30 cm -Mv (huidig), circa 0,5 m -NAP in het oosten en 1,3 m -NAP in het westen) en dat de heipalen minstens 4 meter van elkaar af worden geplaatst. Een dergelijk bouwplan zal eveneens goedgekeurd moeten worden door de bevoegde overheid (de gemeente Kaag en Braassem). Indien toekomstige plannen de bovengenoemde diepte overschrijden wordt in het rapport aanbevolen om proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering zal vormen voor de beoogde ontwikkeling. Om dat zeker te stellen wordt de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd.
43
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het een karakteristiek gebied (voorheen: beschermd dorpsgezicht). De bescherming van het dorpsgezicht is gewaarborgd binnen de regels van het vigerend bestemmingsplan middels de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'. Hierin is vastgelegd dat het slopen van bebouwing enkel is toegestaan mits er een omgevingsvergunning wordt verleend. De bebouwing in het plangebied was sterk in verval geraakt en is inmiddels op last van de gemeente gesloopt. Voorts wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan het beleven van de historische lintstructuur. Met de beoogde ontwikkeling wordt de karakteristieke uitstraling van het lint behouden. De architectuur sluit in situering, oriëntatie en vormgeving goed aan op de omgeving.
Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast. Gezien het voorgaande dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.7 Ontplofbare Oorlogsresten Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Planspecifiek Voor de planlocatie is een quickscan Niet Gesprongen Explosieven uitgevoerd (REASeuro, 74853/RO220284 versie 1.0, d.d. 8 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit het raadplegen van RailMaps van ProRail is nagegaan of er in het verleden onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit blijkt dat de locatie als niet verdacht beschouwd kan worden.
De navolgende afbeelding toont de ligging van het onderzoeksgebied in relatie tot de planlocatie.
44
Uitsnede Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME), planlocatie geel omkaderd (Bron: IKME)
Op basis van de analyse van het bronnenmateriaal en de oorlogshandelingen wordt niet verwacht dat er NGE zijn achtergebleven binnen de projectlocatie, en is er geen sprake van een NGE-Verwachtingsgebied in (gedeelten van) de projectlocatie naar de situatie van 1945 (het einde van de oorlog). In het uitgevoerde Historisch Vooronderzoek-Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) is geconcludeerd dat geen Ontplofbare Oorlogsresten worden verwacht binnen de projectlocatie. Geadviseerd wordt om de werkzaamheden regulier doorgang te laten vinden, zonder verdere maatregelen. Geconcludeerd wordt dat het aspect Ontplofbare Oorlogsresten geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.8.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen
45
voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van 11 woningen brengt verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROW-publicatie 381 weergegeven. Soort woning
Aantal
CROW verkeersgeneratie
Twee-onder-één-kap (koop) Tussen-/hoekwoning (koop) Totaal
8
7,8 (gemiddelde)
Totale verkeersgeneratie 62,4
3
7,4 (gemiddelde)
22,2
11
84,6
De totale verkeersgeneratie die de bovengenoemde woningen met zich meebrengen bedraagt 84,6 verkeersbewegingen per etmaal. De planlocatie is ontsloten via de Kerkstraat. Het gaat om een relatief geringe toename van het aantal verkeersbewegingen voor deze weg en uit recente tellingen blijkt dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige ontsluiting. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.8.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken.
Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek In het voorliggende geval is in de richtlijnen voor deze ontwikkeling aangegeven dat per woning dient te worden voorzien in minimaal twee parkeerplaatsen binnen het plangebied. Op basis van de Nota parkeernormen zijn afgerond 20 parkeerplaatsen nodig:
46
Berekening parkeren (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september 2023)
Rekening houdend met de berekeningswijze op basis van de Nota parkeernormen, wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm. Alle benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Zo worden in het voorstel van Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw (september 2023) alle woningen van 2 parkeerplaatsen voorzien, in hoofdzaak met parkeren op eigen terrein, met veelal twee parkeerplaatsen naast elkaar. Tevens wordt voorzien in een strook haaksparkeren aan de toegangsweg binnen het plangebied. Dit komt in totaal neer op 22 parkeerplaatsen. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
47
Beoogde parkeersituatie (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september 2023)
48
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
49
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de hoofdgebouwen en voor parkeer- en groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van erkers. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie of verblijfsfunctie, alsmede tuinen ten behoeve van aangrenzende percelen. Wonen Het plangebied is voorts voorzien van de bestemming 'Wonen'. De beoogde bebouwing is vervat in een drietal bouwvlakken, waarbinnen alle bebouwing moet worden geplaatst, conform de aangegeven typologie ('twee-aaneen') of als rijenwoning. Daarbij is tevens per bouwvlak de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven, alsmede het maximum aantal wooneenheden. Tevens zijn bepalingen opgenomen voor bijbehorende bouwwerken. Hierbij is een specifieke bepaling opgenomen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken op de percelen met de aanduiding 'twee-aaneen', waar de bouwhoogte 7 m mag bedragen, zoals aangegeven op de bouwenvelop (zie paragraaf 2.2). Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen, zijn maximale maatvoeringen opgenomen. In de gebruiksregels worden eisen gesteld aan aan huis verbonden beroepen en voor bedrijf aan huis.
Verder zijn er mogelijkheden voor een bed & breakfast. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee veiliggesteld is dat vier (voormalige) silo’s en restanten van een ingestorte schuur op het aangrenzende perceel verwijderd worden alvorens de omgevingsvergunning voor de bouw van (één van) de woningen wordt afgegeven. Verder is een 'Voorwaardelijke verplichting hogere waarden' opgenomen, waarmee veiliggesteld is dat aan de te stellen voorwaarden uit het hogere waardenbesluit wordt voldaan. Ook is een 'Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie' opgenomen, uit een oogpunt van externe veiligheid. Voorts is in de Algemene bouwregels een regeling opgenomen waarmee geregeld is dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid, ook bij toekomstige veranderingen. Water Een bestaand bruggehoofd is, zoals overeengekomen met het hoogheemraadschap van Rijnland, bestemd als 'Water'. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten, zoals keermuren en aanlegsteigers. Dit is conform de mogelijkheden van het aangrenzende bestemmingsplan 'Oude Wetering'. Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' beschermd de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.
Waarde - Beschermd dorpsgezicht De dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' ziet toe op het behoud, het herstel en de bescherming van de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en bebouwingsbeeld zoals omschreven in het aanwijzingsbesluit tot karakteristiek gebied (voorheen: beschermd dorpsgezicht).
50
Waterstaat - Waterkering De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' ziet toe op het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Algemene aanduidingsregels Uit het geldende bestemmingsplan is de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' overgenomen, met het oog op bescherming en behoud van de zichtlijnen voor de scheepvaart en de bedienings- en begeleidingsobjecten.
51
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.24 Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld zoals bedoeld in artikel 6.4a Wro. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
52
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een voorontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Initiatiefnemer heeft een eerste kennismaking met de bewoners en eigenaren van de belendende percelen gehouden op 22 november 2021. De eigenaren van Kerkstraat 3 hebben aangegeven open te staan voor voorstellen van een ontworpen erfafscheiding op het hart van de erfgrens die de recentelijk geplaatste schutting tussen de tuin van Kerkstraat 3 en de planlocatie zou kunnen vervangen. Op 21 december 2021 is het schetsontwerp aan de aangrenzende omwonenden getoond. Het doel was om aan te horen of deze in goede aarde valt en om het verzamelen van eventuele zorgen die er leven, zodat daar zoveel mogelijk rekening mee gehouden kan worden. De omwonenden van Kerkstraat 3, 5 en 7 hebben positief gereageerd op het voorgelegde schetsontwerp. Enkele zorgen zijn naar voren gekomen. Eén van de bewoners/eigenaars uitte zorgen of twee parkeerplaatsen per woningen wel voldoende is. Een andere bewoner/eigenaar uitte zorgen over de geluidsoverlast van de toekomstige bewoners. Op 30 maart 2022 is een bezoek gebracht aan de bewoners van het belendende perceel Veerstraat 1. De bewoners reageren positief op de voorgestelde architectuur van de geplande woningen. Wel zijn er zorgen over de omvang van de ontwikkeling en de daarbij behorende parkeerdruk. Ook zien ze graag behoud van het huidige groene karakter van de locatie. Er staat nog een participatiemoment in de planning.
Op dat moment zal de nieuwste versie van de ontwikkeling aan de directe omwonenden worden gepresenteerd.
7.3 Overleg artikel 3.1.1 Bro Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op 9 februari 2023 gestuurd naar de overlegpartners: provincie Zuid-Holland, Veiligheidsregio Hollands Midden en hoogheemraadschap van Rijnland. Daarnaast is in het bestemmingsplan rekening gehouden met het advies van Omgevingsdienst WestHolland (advies d.d. 9 februari 2023).
53
Hieronder zijn de ingekomen vooroverlegreacties samengevat, met -waar nodig- een gemeentelijke reactie in cursief. Provincie Zuid-Holland Bij het invullen van het e-formulier, om het voorontwerpbestemmingsplan aan te leveren bij de provincie Zuid-Holland, bleek dat het plan niet strijdig was met provinciale belangen en dat het dus niet opgestuurd hoefde te worden. Veiligheidsregio Hollands Midden (ingekomen 16 februari 2023) De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft een advies uitgebracht om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren. a. VRMH merkt op dat het, door onduidelijkheid over de maatvoering van de weg binnen het plangebied. niet mogelijk is een goede beoordeling van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand te geven. Geadviseerd wordt om de ontbrekende gegevens aan te vullen. De ontbrekende gegevens zullen verstrekt worden aan VRHM. Er is hierbij rekening gehouden met de gestelde voorwaarden ten aanzien van de bereikbaarheid. b. Voor dit plangebied is enkel het scenario Gebouwbrand van toepassing. Er bevinden zich geen andere relevante risicobronnen binnen of in de directe omgeving van het bestemmingsplan. De woningen zullen voorzien moeten worden van rookmelders waarmee een snelle alarmering van aanwezige personen wordt versneld.
In de nabijheid van het plangebied is een paal ban het Waarschuwing Alarm Systeem (WAS) aanwezig. Daarnaast speelt ook het NL-alertsysteem een steeds belangrijkere rol bij het alarmeren van de bevolking. Verder wordt gewezen op extra kans op brand vanwege het plaatsen van zonnepanelen. Naar aanleiding van het advies van de veiligheidsregio is een 'Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie' opgenomen. De overige aspecten uit het advies komen aan bod bij de verdere uitwerkingen van de nieuwbouw en de herinrichting. Hoogheemraadschap van Rijnland (ingekomen 1 maart 2023) Het hoogheemraadschap van Rijnland (HHR) geeft aan geen bezwaar te hebben tegen het bestemmingsplan. HHR geeft daarom een positief wateradvies. Voor de werkzaamheden is wel een watervergunning nodig. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding als onderstaande punten worden meegenomen. Zo moeten alle bouwwerken inclusief fundering en isolatie (behalve palen) boven het leggerprofiel en boven het profiel van vrije ruimte komen te liggen. Het is belangrijk dat regenwater zoveel mogelijk op het eigen perceel wordt opgevangen/verwerkt en dat klimaatadaptieve maatregelen worden getroffen, zoals regenwaterinfiltratie, minder (terras)verharding en meer beplanting. Voor het bouwen in de zones van de waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd.