NL.IMRO.1884.BPKERKSTRAAT1EN2-VAS1 toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Kerkstraat 1-2, Oude Wetering Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPKERKSTRAAT1EN2-VAS1
Datum:
27 november 2023
Kenmerk Buro SRO:
SR210555
Opdrachtgever:
NU Projectontwikkeling
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 13
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 17 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 19 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 23 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 25
4 Haalbaarheid ......................................................................................................................................... 29 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 29 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 30 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 37 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 40 4.5 Archeologie ....................................................................................................................................................... 42 4.6 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 44 4.7 Ontplofbare Oorlogsresten ...............................................................................................................................
44 4.8 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 45
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 49 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 49 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 49 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 49 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 49 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 50
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 52 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 53 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 53 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 53 7.3 Overleg artikel 3.1.1 Bro ................................................................................................................................... 53 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 54
3
1 Inleiding
1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Kerkstraat 1-2 in Oude Wetering, gemeente Kaag en Braassem, 11 koopwoningen te realiseren. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een principeverzoek ingediend (d.d. 3 januari 2022), die per brief (d.d. 26 maart 2022) onder voorwaarden positief is beoordeeld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem. Het initiatief is echter niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan 'Oude Wetering'. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen in het midden van het lint Kerstraat/Veerstraat in de kern Oude Wetering. De planlocatie is kadastraal bekend onder gemeente Alkemade, sectie B, perceel 5608, met een oppervlakte van 2.624 m². De omgeving wordt gekenmerkt door een mix van wonen en maatschappelijke functies. Op de onderstaande kaarten is het betreffende plangebied aangegeven:
Globale ligging plangebied rood omcirkeld (bron: Google Maps)
4
Globale ligging plangebied rood omkaderd (bron: Google Maps)
5
1.3 Geldend bestemmingsplan Op dit moment geldt in het plangebied het bestemmingsplan 'Oude Wetering', vastgesteld door de raad op 29 mei 2017. Daarnaast is er op 15 oktober 2018 een reparatieplan vastgesteld met enkele wijzigingen. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.
Ligging plangebied (rood omkaderd) in vigerende bestemmingsplan 'Oude Wetering' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden binnen het plangebied hebben hoofdzakelijk de bestemming 'Wonen'. Het gaat hierbij om één bouwvlak, waarbij maximaal 2 wooneenheden zijn toegestaan. Daarvan is bepaald dat de goot- en bouwhoogte maximaal resp. 3 en 8 meter mogen bedragen. Tevens heeft het zuidelijke deel van het plangebied de bestemming 'Verkeer'. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie of verblijfsfunctie, alsmede voor tuinen ten behoeve van aangrenzende percelen. Hier mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut worden gebouwd en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Een klein noordelijk deel heeft de bestemming 'Water'. Voor de gronden binnen het plangebied geldt tevens een aantal dubbelbestemmingen. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' geldt voor het oostelijke en zuidwestelijke gedeelte van het plangebied. Hiermee is de bescherming van het dijklichaam gewaarborgd binnen het bestemmingsplan. Ook is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' van kracht; bouwwerken groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm zijn hier niet toegestaan. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'
6
ter bescherming van het karakteristieke, historische bebouwingsbeeld. Tevens zijn de gronden aan de oostzijde voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg'. Aangezien de realisatie van het beoogde aantal woningen niet mogelijk is binnen het vigerende bestemmingsplan, is een herziening van het bestemmingsplan benodigd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie, de terinzagelegging en het vooroverleg zijn opgenomen.
7
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in het midden van het karakteristieke bouwlint aan de Kerkstraat te Oude Wetering. De locatie ligt aan de weg waar het dorp Oude Wetering ooit gesticht is, op de overgang van de Kerkstraat naar de Veerstraat. Het bebouwingslint Kerkstraat/Veerstraat loopt evenwijdig aan de westzijde van het kanaal 'Oude Wetering' en wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing van één of twee lagen met een eenvoudig zadeldak. De bebouwing aan het lint staat dicht op elkaar. Af en toe geeft een zichtlijn tussen de bebouwing door zicht op de achterliggende tuinen. Aan de oostzijde van het kanaal zijn vrijstaande woningen en bedrijven te zien. Aan de achterzijde van het perceel bevindt zich de Ringsloot. De Ringsloot wordt aan de westzijde deels begrensd door openbaar groen, waardoor deze goed waarneembaar en op enkele plaatsen ook toegankelijk is. Langs de Alkemadelaan bevindt zich eveneens openbaar groen in de vorm van bermen en soms water.
Bebouwingslint tussen de Ringsloot en de Oude Wetering, plangebied rood gekleurd (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw)
Lint en erfbebouwing (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, 19-04-2023)
8
De landschappelijke aanleiding voor de scheiding tussen de Kerkstraat en de Veerstraat is nu niet meer zichtbaar, maar van oudsher lag hier een schutsluis tussen de Oude Wetering en de achtergelegen Ringsloot. In 1954 is de schutsluis gedempt en de hefbrug gesloopt. De locatie betreft het boerenerf aan de noordzijde van de sluis. Dit erf had een eigen brugverbinding (ophaalbrug) over de achtergelegen Ringsloot. De boer kon via de brug zijn schapen en twee paarden op het aangrenzende schapenlandje tussen de Ringsloot en de huidige Alkemadelaan laten grazen. Met de koeien stak hij de weg over naar de Googer polder, die toen nog onbebouwd was. De oude boerderij bestond uit een woongedeelte aan de straat en een grote (koeien)stal erachter. Achter de stal stond de hooimijt. Aan de ringsloot bevond zich een langgerekte schapenschuur. Erachter was een relatief jonge varkensstal aanwezig, waartegen een kippenhok, een kas en een moestuin waren gebouwd.
Planlocatie begin jaren 50 van de 20e eeuw (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw)
9
Planlocatie (wit omkaderd) aan het einde van de 20e eeuw met gedempte sluis, boerderij, woonhuis, varkensstal en kippenhok (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw)
10
Oude bebouwing vlak voor de sloop (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw)
Zoals blijkt uit het voorgaande, is het perceel door de jaren heen bebouwd geweest. De bebouwing is de afgelopen jaren sterk in verval geraakt en is inmiddels op last van de gemeente gesloopt. De eigen ophaalbrug over de Ringsloot verkeerde in een dermate vervallen staat, dat deze reeds is verwijderd. Op het schapenlandje tussen Ringsloot en Alkemadelaan zijn nog restanten van vier (voormalige) silo’s en van een ingestorte schuur aanwezig zijn. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige impressies van het plangebied.
Plangebied, zicht vanaf de Kerkstraat (bron: Google Streetview)
11
Het plangebied met zicht naar het westen (bron: Blom Ecologie)
Het plangebied met zicht op de Ringsloot en Alkemadelaan (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw)
12
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens op het onbebouwde perceel 11 nieuwe (koop)woningen te ontwikkelen. Het betreft 8 twee-onder-één-kap woningen en 3 tussen-/hoekwoningen, met een duidelijk contrast tussen de bebouwing aan het de straat en de bebouwing op het terrein erachter.
Lint en erfbebouwing nieuwe situatie (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september-2023)
Inpassing nieuwe situatie in straatprofiel lintbebouwing en zicht vanaf Kerkstraat/overzijde Oude Wetering (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september 2023)
Aan het lint wordt historiserend gebouwd, met drie geschakelde woningen passend in het gevarieerde beeld van het dorpslint. De bebouwing is hier veelal direct aan de straat geplaatst, georiënteerd op de straat en kleinschalig van maat en rijk gedetailleerd. Aan weerszijden van de bebouwing aan het lint bevindt zich een oprit, waarvan één tevens de ontsluiting vormt van het achtererf. De compositie aan het lint ontneemt zo veel mogelijk het zicht naar het achtererf, waardoor de bebouwing achter het lint meer vrijheid heeft qua vormgeving. Op het achtererf worden twee-onder-één-kapwoningen voorgesteld, met aangebouwde bijbehorende bouwwerken met een bouwhoogte van maximaal 7 m, zoals aangegeven op de bouwenvelop. Deze bijbehorende bouwwerken zijn ook in de gevellijn van het hoofdgebouw toegestaan.
13
De navolgende afbeeldingen tonen de beoogde invulling van het perceel.
Beoogde nieuwe situatie (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september 2023)
14
Impressie bebouwing aan Kerkstraat (boven) en binnenterrein (onder) (bron: Van Wilsum Van Loon architectuur & stedenbouw, september 2023)
Dit project is afgestemd met het hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft verzocht om, nu de (vervallen) ophaalbrug is verwijderd, het aanwezige bruggehoofd te verwijderen. Daarmee wordt de doorgang verbreed en verbeteren de doorstromingsmogelijkheden van de Ringsloot. Overeengekomen is dat in samenhang hiermee een dwarssloot aan de noordrand van het perceel mag worden gedempt. Ook vanwege de nadruk die de provincie Zuid-Holland momenteel legt op inbreiden binnen bestaand stadsen dorpsgebied is dit een passende ontwikkeling. Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Het bebouwingsvoorstel is afgestemd met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bij brief van 25 april 2023 heeft de commissie aangegeven zeer tevreden te zijn over de getoonde volumestudie tijdens het overleg op woensdag 19 april 2023. De commissie ziet de ontwerpen voor de eerste- en tweedelijnsbebouwing met plezier tegemoet. Vervolgens is een aangepaste versie op 28 september 2023 opnieuw besproken met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. In dat verband hebben zij op 3 oktober 2023 aangegeven dat zij met groot genoegen het aangepaste plan van september 2023 hebben bestudeerd en besproken. Hierbij merken zij op dat voldoende elementen in het ontwerp verwerkt zijn om de ogenschijnlijke massaliteit aan de straatzijde (drie woningen aan de Kerkstraat) te doorbreken.
Het kan nog verder worden doorbroken wanneer de nok van de langskap die de drie woningen beslaat met de afstand van één of twee dakpannen wordt verlaagd tot onder de nok van de drie dwarskappen. Nadrukkelijk is de wens uitgesproken dat dit in het ontwerp wordt meegenomen. Verder is de commissie zeer onder de indruk van en blij met de historische verwijzingen in het ontwerp. Tevens merkt de commissie op dat in het ontwerp tegemoet gekomen is aan een eerder advies dat de cultuurhistorische waarden vooral gericht moeten zijn op de Kerkstraat. Ook heeft de commissie aangegeven dat, wanneer op afdoende en gepaste wijze de erfgoedwaarden aan de straatzijde zijn gehonoreerd en gerespecteerd, de ontwerpers zich wat meer vrijheden kunnen permitteren op de achterzijde van het erf, mits voldoende uit het zicht vanaf de Kerkstraat. Ook hierin voelt de commissie zich gehoord en wil zij de bewondering uitspreken voor het ontwerp van de woningen op het achtererf. Het ontwerp van deze woningen sluit goed aan bij het ontwerp van de woningen aan de Kerkstraat. Het vormt een natuurlijk en organisch geheel. Niet alleen op het erf, maar het gehele ontwerp in de bredere ruimtelijke en cultuurhistorische context. De commissie is de mening toegedaan dat het ontwerp niet alleen de erfgoedwaarden maar ook de verdere ruimtelijke cohesie van de Kerkstraat versterkt.
15
Parkeren Er worden binnen het plangebied 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. De meeste woningen zijn voorzien van twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor de woningen aan de Kerkstraat wordt tevens voorzien in een strook haaksparkeren aan de toegangsweg binnen het plangebied. In toelichting paragraaf 4.8.2 wordt nader ingegaan op het parkeren. Alle woningen hebben tevens een opstelruimte voor fietsen in een separate berging. Voorwaarde sloop Op het naastgelegen perceel aan de overzijde van de Ringsloot, dat aanvankelijk bij het onderhavige perceel hoorde (kadastraal nummer AKMO1B1760), zijn nog enkele restanten van vier (voormalige) silo’s en van een ingestorte schuur aanwezig. In het kader van de planvorming voor de beoogde woningen is afgesproken dat deze restanten verwijderd worden. Hiervoor is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee veiliggesteld is dat deze verwijderd worden alvorens de omgevingsvergunning voor de bouw van (één van) de woningen wordt afgegeven.
16
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt in algemene zin bij aan de als derde genoemde prioriteit. Maar gezien de aard en omvang van het project is de Nationale Omgevingsvisie niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden.
17
De 'treden van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorgenomen initiatief voorziet in 11 woningen. Doordat er nabij het plangebied een stedelijke functie aanwezig is, voorziet het plan niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 1.1.1., eerste lid, aanhef en onder i Bro. Daardoor behoeven de 'stappen van de ladder' niet doorlopen te worden. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.3 Luchthavenindelingbesluit Schiphol Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.
het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).
De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich wel in het 'beperkingengebied van het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' (LIB). Het plangebied valt onder het gebied waar een maatgevende toetshoogte van 146 m NAP geldt. Binnen dit gebied zijn geen objecten hoger dan 146 m NAP toegestaan. Onderhavig plan voorziet niet in hoogbouw hoger dan 146 m NAP. Er is dan ook geen overschrijding van de gestelde toetshoogte. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de uitwerking van het plan veroorzaakt.
18
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
2.
Ambities en sturing
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
19
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief.
2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling.
3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Binnen het veengebied zijn er plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van 11 woningen. Met de ontwikkeling dient zorg gedragen te worden voor het behoud van het veengebied en het beperken van de bodemdaling. Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van relatief kleine aard waarbij het veencomplex niet aangetast zal worden. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Ontwikkelingen dienen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap te behouden en waar mogelijk worden de archeologische waarden herkenbaar gemaakt. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een 'droogmakerijenlandschap (klei en veen)'. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van nieuwe ontwikkelingen. In sommige gebieden is de (historische) relatie tussen droogmakerij en molengang (toentertijd om diepere plassen droog te malen) nog herkenbaar. Dit zijn bijzondere elementen in het ZuidHollandse landschap.
20
Richtpunten voor droogmakerijen zijn:
•
De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of –vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land (klei en veen).
•
Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders (klei en veen).
•
Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten (klei).
De nieuwe bebouwing wordt geplaatst binnen de bestaande structuren en niet in het landschap. Tevens betreft de ontwikkeling een perceel waar in het verleden bebouwing heeft gestaan. Geconcludeerd wordt dat droogmakerijen niet worden aangetast met de beoogde ontwikkeling. Laag van de stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' staat het plangebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden' en 'Steden en dorpen'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tevens dragen ze bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. De beoogde nieuwe woningen zijn passend binnen de karakteristieke kenmerken en identiteit van Oude Wetering en sluiten aan op de bestaande bebouwing aan het lint van de Kerkstraat, waarmee de ontwikkeling bijdraagt aan de karakteristieke kenmerken en de identiteit van de kern. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de 'laag van de stedelijke occupatie'. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze ’behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Herkenbare waterrijk veen(weide) Rond de Kagerplassen liggen de oudste veenontginningen van het Groene Hart (vermoedelijk 8e eeuw) gekenmerkt door grillige, blokvormige verkaveling met verspreide bebouwing en een zeer waterrijk karakter. De ambitie van de provincie is om het specifieke karakter van de blokverkaveling te handhaven en te versterken door het in stand houden en beleefbaar houden van bestaande sloten en de specifieke blokvorm van de kavels. Aangezien het plangebied tot voor kort bebouwd was, zullen de kwaliteiten van het plangebied verder niet aangetast worden. Linten blijven linten Het plangebied ligt aan een lint met bebouwing op of tegen de kade van het boezemwater.
Het profiel is vaak asymmetrisch met aan één zijde de ontsluitingsweg. Bij ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Nieuwe bebouwing is zeer beperkt mogelijk. Daarbij dient rekening te worden gehouden met:
• • •
Behouden van doorzichten om de kade herkenbaar te houden en de visuele relatie met het achterliggende landschap te handhaven. Kavelrichting langwerpig en haaks op de boezemgang. Directe ontsluiting van het erf op het lint.
21
•
Soms liggen er agrarische erven aan de achterkant van het lint; zogenaamde tweedelijnsbebouwing. Hier is uitbreiding mogelijk, mits het dient ter ondersteuning van de (verbrede) functie van het landbouwbedrijf en de ontwikkeling een directe functionele relatie heeft met het landschap.
Met de ontwikkeling blijven de karakteristieken van het lint zoveel als mogelijk behouden. In toelichting paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de beoogde ontwikkeling en de bij het lint passende architectuur en herstructurering. Geconcludeerd kan worden dat de ligging aan een veenlint geen belemmeringen met zich meebrengt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. Er vindt geen aantasting van de ruimtelijke kwaliteit plaats en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland en in lijn is met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Planspecifiek Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.2 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
22
c.
als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.'
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. Vrijwaringszone provinciale vaarwegen In artikel 6.19 van de Omgevingsverordening is bepaald dat 'een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden waarop een vrijwaringszone van een vaarweg in beheer bij de provincie is gelegen, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: a. b. c. d.
de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten vanaf de wal; en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.'
Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de vrijwaringszone van een provinciale vaarweg. Als gevolg van het voorgenomen plan ontstaan er geen belemmeringen met betrekking tot zicht en contact voor de scheepvaart (voorwaarden a en b). Het plangebied ligt in het uiterste westelijke deel van de vrijwaringzone, op een relatief grote afstand tot de vaarroute (Oude Wetering) waarvoor deze vrijwaringszone is bedoeld. Het toevoegen van bebouwing op deze locatie, in aansluiting op de bestaande bebouwing in de omgeving, belemmert de scheepvaart niet voor wat betreft zicht en contact. Regionale waterkeringen Een gedeelte van het plangebied ligt binnen de kernzone en beschermingszone van een regionale waterkering. Hier wordt op ingegaan in toelichting paragraaf 4.3. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De kern Kaag maakt onderdeel uit van de regio Holland Rijnland, waarvoor de betrokken gemeente gezamenlijk een visie hebben ontwikkeld om te werken aan de toekomst van deze regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regioof landsgrenzen. De Regionale Structuurvisie geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk
23
de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.
Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a, c en e en past binnen deze kernbeslissingen. Met de realisatie van woningen wordt een bijdrage geleverd aan het concentreren van woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee de druk op het landschap (Groene Hart) afneemt.
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling van 11 koopwoningen draagt bij aan de kwantitatieve behoefte aan woningen in de regio. Specifiek voor de gemeente Kaag en Braassem bestaat er een behoefte van 940 woningen in het type 'luxe woonwijk, dorps, landelijk'. Deze behoefte komt in de gemeente Kaag en Braassem volledig voor rekening van een dorps woonmilieu. Voorliggend plan maakt riante geschakelde woningen in een dorpse omgeving mogelijk, waarmee wordt aangesloten op de specifieke behoefte aan dit type woningen. Het voorgenomen plan maakt de realisatie van 11 koopwoningen mogelijk, wat een positieve invloed heeft op de keuzes 2, 4, 5 en 7 en waarmee een bijdrage aan de doorstroming op de woningmarkt wordt geleverd. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in kwalitatieve en kwantitatieve zin bijdraagt aan de regionale woningbehoefte.
24
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Dorpsperspectief Roelofarendsveen/Oude Wetering Tevens is er voor Roelofarendsveen en Oude Wetering een dorpsperspectief opgenomen. Deze twee kernen zijn feitelijk aan elkaar gegroeid en vormen samen het meest verstedelijkte gebied van de gemeente. Er is ruimte voor gemeentelijke voorzieningen, detailhandel en horeca. De komende jaren vinden er verschillende inbreidingsinitiatieven en herontwikkelingen binnen deze kernen plaats, waarvan de meest ingrijpende ontwikkeling het woningbouwproject Braassemerland is. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Kernen'. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen.
De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Voor het bouwen van nieuwe woningen ligt de voorkeur bij inbreiding, zoals bij onderhavige ontwikkeling het geval is. De kern Roelofarendsveen/Oude Wetering valt onder centrum dorps. De Kerkstraat in Oude Wetering is aangemerkt als karakteristiek gebied (voorheen beschermd dorpsgezicht). Daarnaast is klimaatadaptatie een belangrijk thema binnen dit gebiedstype. Het toevoegen van verharding kan overlast veroorzaken bij extreem weer. Initiatiefnemer is met het oog hier op voornemens om de mogelijkheden te onderzoeken om de toegangswegen op eigen terrein te voorzien van waterdoorlatende
25
verhardingen (al dan niet met waterbuffers). Daarbij zal worden onderzocht in hoeverre in de koopaktes van de toekomstige kopers wordt opgenomen dat de tuinen slechts voor een bepaald percentage verhard mogen worden. De ligging van Oude Wetering is midden in de Randstad, maar ook in het Groene hart. Oude Wetering is een typisch lintdorp dat van oudsher op de waterkering langs het kanaal werd aangelegd. In de zomermaanden trekt de watersport op het Braassemermeer veel bezoekers, waardoor de economie weer opleeft. Het realiseren van de 11 woningen levert een bijdrage aan de woningmarkt binnen de kern Oude Wetering en de gemeente Kaag en Braassem. Het onderhavige initiatief voorziet in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps/landelijk'. Er is een aannemelijke behoefte aan dergelijke woningen. Er wordt met het onderhavige initiatief niet voorzien in 30% sociale woningbouw, zoals beoogd binnen het gemeentelijke beleid. Om die reden is een bijdrage verschuldigd aan het fonds voor sociale woningbouw (bestemmingsplanreserves). De beoogde bebouwing zal passend zijn bij het karakter van de omgeving. Vanaf de Kerkstraat zal de bebouwing passend ogen in het bestaande lint. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.
3.4.2 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem. Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie.
Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. Bij de verdere uitwerkingen wordt rekening gehouden met de ambities uit deze agenda. Hierbij geldt dat de nieuwbouw zal voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) zoals deze vanaf 1 januari 2021 van kracht zijn. Verder worden de woningen gasloos gerealiseerd. Daarbij zal onderzocht worden in hoeverre er bij de bouw gebruik kan worden gemaakt van duurzame, circulaire materialen.
3.4.3 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen
26
gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelingsen ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het midden van het lint Kerkstraat/Veerstraat, zoals zichtbaar op navolgende afbeelding
Uitsnede visiekaart Nota Inbreidingslocaties, planlocatie wit omcirkeld (bron: gemeente Kaag en Braassem)
De grotendeels aaneengesloten lintbebouwing aan de Kerkstraat en Veerstraat heeft de vorm van een traditionele dijknederzetting behouden en is geheel aangewezen als beschermd dorpsgezicht, wat inhoudt dat de gemeente streeft naar behoud van het bestaande karakter en kwaliteiten. Maatwerk is hierbij noodzakelijk. Deze nota geeft daarom voor dit gedeelte van Oude Wetering geen specifieke richtlijnen voor kleinschalige inbreidingsverzoeken. Wel zijn er voor dit gebied in het kader van het bestemmingsplan richtlijnen opgesteld voor tweedelijnsbebouwing. Deze richtlijnen vormen echter geen onderdeel van deze
27
Nota Inbreidingslocaties en zijn ook komen te vervallen met de komst van een nieuw bestemmingsplan voor Oude Wetering. Richtlijnen tweedelijnsbebouwing Er is desalniettemin in het ontwerp zoveel mogelijk met de richtlijnen voor tweedelijnsbebouwing rekening gehouden. Dat betreft richtlijnen voor woningtype, plaatsing, bouwmassa, oppervlakten en afstanden, naast eisen ten aanzien van welstand en milieuaspecten. Zo wordt er onder andere vanuit gegaan dat de bouw van woningen achter op percelen uitsluitend is toegestaan, als in het eerste bebouwingslint al een woning staat en dat is hier het geval. Tevens wordt bijvoorbeeld een gezamenlijke ontsluiting van meerdere percelen aanbevolen. Het voorliggende initiatief gaat uit van een centrale ontsluiting op de Kerkstraat. Gesteld kan worden dat het perceel op een verantwoorde wijze wordt ingevuld in relatie tot de richtlijnen. Conclusie Voorliggend plan zoekt de aansluiting met het historische lint en met de kenmerkende opbouw aan de Kerkstraat/Veerstraat, waarbij de woningen achter op het perceel een eigen domein en ensemble vormen. De herstructurering levert een bijdrage aan de beleving van deze historische structuur. Hiermee is het initiatief in lijn met de Nota Inbreidingslocaties.
28
4 Haalbaarheid In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Gelet op de beperkte omvang van het plan is, mede gelet op jurisprudentie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het Besluit m.e.r. is daarmee niet van toepassing. Het opstellen van een (vormvrij) m.e.r.beoordelingsbesluit is daarom niet aan de orde.
29
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Met behulp van dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Planspecifiek De Omgevingsdienst West-Holland heeft in haar advies van 9 februari 2023 (kenmerk D2023-025896) aangegeven dat van de onderhavige planlocatie verschillende onderzoeken bekend zijn (historische informatie bodemkwaliteit). Van het oostelijke deel van de planlocatie is de volgende informatie bekend:
• • • •
Verkennend bodemonderzoek (Anteagroup, kenmerk 271776-10, d.d. 30 oktober 2014). BUS-melding (Anteagroup, d.d. 12 november 2014). BUS-evaluatie (Anteagroup, d.d. 21 maart 2017). Instemming BUS sanering (brief met kenmerk 2017041846, d.d. 7 april 2017).
Van het westelijke deel van de planlocatie is de volgende informatie bekend:
•
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek (Van der Poel Milieu Advies, kenmerk 2015.040, d.d. 1 februari 2015)
• • •
Nader onderzoek (Van der Poel Milieu Advies, kenmerk 2015(ao).040, d.d. 22 april 2015). Aanvullend onderzoek (APS Milieu, kenmerk R16-B208, d.d. 1 maart 2016) Nader- en aanvullend bodemonderzoek (APS Milieu BV, kenmerk R16-B485, d.d. 1 juni 2016).
Bodemonderzoeken 2022 Er is recent nog onderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied: 'Verkennend bodemonderzoek' (Mol Ingenieursbureau, kenmerk A7784-VBO, d.d. 5 september 2022). Uit dit onderzoek blijkt het volgende:
•
De bovengrond ter plaatse van boring 3 is sterk verontreinigd met lood. De omvang van de verontreiniging is nog niet voldoende vastgesteld.
• • •
De ondergrond is niet tot licht verontreinigd met de onderzochte stoffen. Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In dit onderzoek zijn de resultaten van de onderzoeken uit 2014 niet meegenomen. Met het onderzoek uit 2014 is een verontreiniging met zink in de bovengrond aangetroffen, waarvan de omvang nog niet was vastgesteld. Ter plaatse van deze verontreiniging is met het onderzoek d.d. 5 september 2022 geen aanvullend onderzoek uitgevoerd.
Vervolgens is 'Nader onderzoek' (Mol Ingenieursbureau, kenmerk A7784-NBO, d.d. 6 september 2022) uitgevoerd. Met dit onderzoek is de mate van verontreiniging met lood in de bovengrond rondom boring 3 voldoende vastgesteld. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met een omvang van circa 80 m³. Naar aanleiding hiervan is 'Nader onderzoek asbest in bodem' (Mol- Ingenieursbureau, kenmerk A7784-NAIG, d.d. 9 september 2022) uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem maximaal licht verontreinigd is met asbest (de gemeten gehalten overschrijden de interventiewaarden niet). Op 21 november 2022 heeft de Omgevingsdienst West-Holland per brief (kenmerk D2022-125392) ingestemd met de BUS-melding d.d. 17 november 2022 voor het verwijderen van de verontreiniging met lood in de bovengrond rondom boring 3.