CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPKERKLAAN51-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 18 september 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Kerklaan 51-51a, Leimuiden’.16.616 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.

Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Het voorgenomen plan maakt de ontwikkeling van één vrijstaande woning mogelijk. Hiermee is het project aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,0 μg/m³, 18,4 μg/m³ en 14,7 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof in 2030. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de

24

publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingplan wordt een gevoelige bestemming (woning) mogelijk gemaakt. Tevens wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet tot een burgerwoning. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of bedrijvigheid in de omgeving niet wordt belemmerd als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering' en het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' is gekeken of er voldaan wordt aan de richtafstanden. In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt, gezien de ligging in het buitengebied met voornamelijk agrarische gronden, aangemerkt als 'rustig buitengebied'. Agrarische activiteiten Ten noorden en ten westen van het plangebied bevinden zich meerdere agrarische percelen. Aan de Westeinde 3 (perceel A144) bevindt zich een voormalige kwekerij die niet meer in gebruik is. Aan de Westeinde 53a (perceel 4545) bevindt zich tevens een voormalige agrarische bestemming. Direct ten oosten van het plangebied, aan de Kerklaan 53, bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf. Hier zal de functieaanduiding ‘glastuinbouw’ worden ingezet voor een ruimte-voor-ruimte ontwikkeling.

Onderstaand is ingegaan op nabijgelegen kassen, geluid van landbouwmachine en op spuitzones. Kassen Ten noordwesten van het plangebied bevinden zich meerdere kassen. In artikel 32.5 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' is een minimale afstand aangegeven voor kassen tot gevoelige objecten. De afstand is afhankelijk of het bedrijf voor of na 30 april 1996 is opgericht. Met behulp van de kaarttool van Topotijdreis is gekeken naar de aanwezigheid van kassen. Ook voor 1996 waren er kassen op deze locatie aanwezig. Dit betekent dat kan worden uitgegaan van categorie II en een richtafstand van 10 meter. De afstand van de bestaande bedrijfswoning/toekomstige burgerwoning tot aan de kassen bedraagt ongeveer 11 meter. De afstand van de beoogde nieuwe woning tot aan de kassen bedraagt meer dan 30 meter. Derhalve vormen de kassen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor nieuwe kassen geldt dat er aan artikel 32.5 van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' moet worden voldaan. Landbouwmachines Op de gronden met een agrarische bestemming kunnen werkzaamheden plaatsvinden met landbouwmachines. Onderstaand is ingegaan op de effecten vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Naast dit aspect is het aspect geluid relevant bij de inzet van landbouwmachines.

Gelet op de bodemkwaliteit en het waterpeil ligt afgezien van eventuele maisteelt de teelt van akkerbouwgewassen niet voor de hand. Sierteelt en bollenteelt zijn überhaupt niet toegestaan op deze gronden, met uitzondering van een- en tweejarige sierteeltgewassen op open grond, zoals zonnebloem, asters en papavers. Het meest waarschijnlijk is het gebruik als grasland voor beweiding en of maaien voor ruwvoederwinning. De frequentie en de omvang van de landbouwmachines die ingezet worden zal relatief beperkt en incidenteel zijn. Daarmee kan geluidhinder vanwege landbouwmachines redelijkerwijs uitgesloten worden en vormt dit aspect geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

25

Spuitzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is drift van gewasbeschermingsmiddelen van belang. Het neerkomen van een deel van de gewasbeschermingsmiddelen door wind heeft namelijk mogelijk effect op de gezondheid van de mensen in de omgeving. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Deze afstand is echter indicatief. Hier kan gemotiveerd van afgeweken worden. Hierbij dient de afstand en situatie dusdanig te zijn, zodat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige functie. De ABRvS geeft in haar uitspraak van 31 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2373) aan dat het mogelijk is om bij vollegrondsteelt van gewassen, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, af te wijken van de vuistregel van 50 m. Bij dergelijke vollegrondsteelt worden gewasbeschermingsmiddelen, in tegenstelling tot boom- en fruitteelt, op een zodanige wijze gebruikt dat daarbij nauwelijks een spuitnevel ontstaat die de omgeving negatief kan beïnvloeden.

Bij de betreffende uitspraak wordt een afstand van 9,5 m als voldoende geacht, mede omdat in dat geval het erf van de nieuwe woning wordt afgeschermd door een haag, die eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen zal tegenhouden. Tevens wordt bij de afstand van 50 m uitgegaan van gewasbespuiting zonder enige vorm van driftreductie. Op grond van artikel 3.78a van het Activiteitenbesluit geldt dat er verplicht ten minste 75% driftreducerend gespoten moet worden. Daarmee gelden strengere normen dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken is uitgegaan. Bovendien geldt dat er volgens de regelgeving geen gewasbeschermingsmiddel in oppervlaktewater terecht mogen komen. Dat houdt in dat, als er een watergang aanwezig is, sprake is van een spuitvrije zone. De gronden met de aanduiding 'sierteelt' bevinden zich ten noorden van de woonbestemming op een afstand van 50 meter, waarmee voldaan wordt aan de bovengenoemde vuistregel. De sierteelt binnen het voorliggende plangebied wordt beëindigd. De betreffende aanduiding wordt met dit bestemmingsplan verwijderd. Bovendien is hiervoor een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen, het in gebruik nemen van de nieuw te bouwen woning pas mogelijk is als de sierteelt blijvend is beëindigd. Teelt van fruitbomen of bollenteelt is op basis van de planregels niet toegestaan.

Voor de percelen zowel binnen het plangebied als daarbuiten met de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ is het theoretisch mogelijk dat gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, met name in relatie tot het gebruik voor een- en tweejarige sierteeltgewassen op open grond. Voor wat betreft de bestaande bedrijfswoning, leidt de omzetting naar een burgerwoning niet tot een nieuwe situatie. Dat geldt ook voor de bestaande logiesfuncties. Daarbij vormt die bestaande woonfunctie geen extra belemmering voor de agrarische activiteiten. Met dit bestemmingsplan worden voor de gronden binnen het plangebied een- en tweejarige sierteeltgewassen op open grond uitgesloten. Voor wat betreft de nieuwe woning geldt dat er aan de noordzijde voorzien zal worden in een afschermende haag. Dit groen zal ervoor zorgen dat eventuele resten van gewasbeschermingsmiddelen vanuit de aangrenzende agrarische gronden tegengehouden zullen worden. Hiervoor wordt ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit geldt niet voor de andere zijden. Hiervoor is van belang dat binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' de begripsbepaling van 'agrarisch bedrijf' is aangepast ten aanzien van een- en tweejarige sierteeltgewassen, waardoor gewasbeschermingsmiddelen aspect hier geen rol meer spelen.

Afvalwaterzuiveringsinstallatie Leimuiden Ten oosten van het plangebied, aan de Kerklaan 3, is Afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Leimuiden gevestigd. Een AWZI valt onder de milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 200 meter. Het maatgevende aspect hierbij is geur. De afstand van de geprojecteerde woning tot aan de AWZI is ca. 180 meter. Daarmee wordt net niet aan de richtafstand voldaan. Echter zal AWZI Leimuiden in de nabije toekomst worden opgeheven. Dat gebeurt in samenhang met het renoveren en uitbreiden van de AWZI in de Nieuwe Wetering. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee het gebruik van de beoogde woning pas is toegestaan op het moment dat de AWZI blijvend buiten bedrijf is gesteld, of als is aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woonen leefklimaat. Op het moment dat AWZI Leimuiden is opgeheven resteert daar een reguliere

26

bedrijfsbestemming voor ten hoogste categorie 2-bedrijven. Aan de hiermee verband houdende richtafstand van 30 m wordt ruimschoots voldaan. Voormalig agrarisch bedrijf De huidige bedrijfswoning en de twee loodsen krijgen in de beoogde situatie een woonbestemming. Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf' worden enkele nevenfuncties toegestaan. Op een kleinschalige wijze worden de agrarische activiteiten voortgezet. Het gaat hierbij voornamelijk om de stalling en opslag van materieel. Dit is van dermate kleinschaligheid dat dit niet ten koste zal gaan van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de twee woningen en de logiesfunctie binnen het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van de woningen en de loodsen zal sprake zijn van een aanvaardbaard woon- en leefklimaat. Bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied worden niet in hun uitvoering belemmerd.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de

27

risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest.

Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn.

Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.

28

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (born: risicokaart.nl)

Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied is gelegen op ongeveer 1 kilometer afstand van de A4. De A4 is onderdeel van het landelijke basisnet en heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer als gevolg van het transport van toxische vloeistoffen van de categorie LT3. Dit houdt voor dit plan in dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij een calamiteit met het transport van deze stoffen op de A4 een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken. Derhalve dient een beperkte verantwoording van de groepsrisico te worden opgenomen. Beperkte verantwoording groepsrisico Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Het is mogelijk om via de Kerklaan te vluchten. De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Ter beperking van de effecten van een gifwolk zijn goedkope en voor de hand liggende maatregelen mogelijk, zoals het centraal en eenvoudig uitschakelbaar en afsluitbaar maken van ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. In de planregels is hiervoor voor de nieuwe woning een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Risicovolle inrichtingen Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat ongeveer 275 meter ten noorden van het plangebieden een risicovolle inrichting aanwezig is. Gezien de ruime afstand tot de inrichting en het beperkte invloedsgebied van de inrichting zal deze geen risico vormen voor de beoogde ontwikkeling. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Luchthaven Schiphol Het plangebied is gelegen binnen het beperkingsgebied van het Luchthavenindelingsbesluit. In toelichting paragraaf 3.1.4 is hier nader op in gegaan. Het plangebied is niet gelegen binnen de LIB-4 of LIB-5 contour. Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

29

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Soortenbescherming In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een woning, twee schuren en landbouwgrond dat wordt gebruikt ten behoeve van de sierteelt. Tevens beschikte het plangebied over vier tunnelkassen. Drie van de vier tunnelkassen binnen het plangebied zijn na een voorjaarsstorm gesloopt en worden niet herbouwd. De vierde kas wordt waarschijnlijk in de loop van 2023 gesloopt. De kassen zijn niet geschikt voor beschermde soorten. Met de ontwikkeling wordt verder dan ook geen bebouwing gesloopt waar mogelijk beschermde soorten kunnen verblijven. Tevens staat er geen opgaande beplanting die kan dienen als schuilplek/foerageergebied en waarvoor geen alternatieven in de omgeving aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande worden geen negatieve effecten op beschermde soorten verwacht. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Tevens zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die verwijderd worden. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bedraagt ruim 11 km. Gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, worden geen effecten met betrekking tot stikstof verwacht.

De beoogde nieuwe woning zal gasloos worden gerealiseerd en de toename in de verkeersgeneratie als gevolg van de planontwikkeling zal beperkt zijn. Derhalve wordt het uitvoeren van een AERIUS-berekening niet nodig geacht. Houtopstanden De aanwezige bomen binnen het plangebied blijven behouden. Er worden geen houtopstanden verwijderd waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Algemene zorgplicht Er dient rekening te gehouden worden met de zorgplicht:

•

Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

• • •

Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. In gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Broedende vogels mogen niet worden verstoord. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

30

Conclusie Het aspect ecologie vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen karakteristieke panden en/of rijksmonumenten aanwezig. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van een karakteristiek gebied en zijn er geen andere cultuurhistorische elementen te vinden. Daarmee dient te worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.8.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld. Op navolgende afbeelding staat een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem met het plangebied zwart omkaderd weergegeven.

31

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Kaag en Braassem, plangebied zwart omkaderd

Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem blijkt dat het plangebied beschikt over een lage verwachting. Hierbij geldt geen onderzoeksplicht. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. Desondanks dienen (toevals)vondsten op grond van artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen vormt voor het initiatief.

4.9 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water,

32

grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing.

Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.

5. 6. 7.

Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.

Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

33

Maar ook aan:

• •

het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen.

Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:

• • •

duurzaam bouwen;

•

het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;

•

adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;

• • •

het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;

de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

34

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP. Planspecifiek Watercompensatie Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied waarbij de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m² bedraagt is watercompensatie vereist. De verharding die met het voorliggende plan wordt toegevoegd bestaat uit de nieuwe woning. In de huidige situatie zijn de woning, twee schuren en erfverharding (beton) aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling wordt o.a. 1.000 m² aan kas verwijdert. Er zal met de beoogde ontwikkeling sprake zijn van een afname in verharding. Derhalve is watercompensatie niet noodzakelijk. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt met de beoogde ontwikkeling afgekoppeld. Het afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande rioleringsstelsel. Waterkeringen Uitgaande van de meest recente legger van het hoogheemraadschap van Rijnland is het plangebied niet gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering. Wel zijn aan de randen van de percelen watergangen aanwezig. Deze watergangen worden met de beoogde ontwikkeling gehandhaafd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling van de vrijstaande woning aan te tonen, is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Hierbij wordt

35

uitgegaan van een vrijstaande woning in 'niet stedelijk'-gebied in het 'buitengebied'. De gemiddelde verkeersgeneratie die hiervoor geldt is 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Deze zeer beperkte toename van de verkeersgeneratie kan opgevangen worden in het huidige wegennet in de omgeving. Daarnaast betekent het beëindigen van de sierteelt ook een daling in het aantal voertuigbewegingen. Voor wat betreft de bestaande woning en de bestaande loodsen zijn geen wijzigingen voorzien. Er zal geen sprake zal zijn van een andere verkeersgeneratie dan de huidige verkeersgeneratie. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek De 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Kaag en Braassem vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. Eén van de uitgangspunten uit deze nota is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht.

In lijn met de 'Nota Parkeernormen 2018' van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorie 'buitengebied'. Met de beoogde ontwikkeling wordt één vrijstaande woning toegevoegd. Voor een dergelijke woning in het buitengebied geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Op het nieuwe woonperceel is voldoende ruimte om het benodigde aantal parkeerplaatsen te realiseren. Voor de overige onderdelen van het onderhavige plangebied (de bestaande woning en bestaande loodsen) worden geen veranderingen in het parkeren voorzien. Met daarbij de kanttekening dat op de betreffende percelen voldoende ruimte aanwezig is om de parkeerbehoefte op te vangen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

36

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

37

5.2 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, die ontleend zijn aan het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Agrarisch met waarden - Landschapswaarden De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' is opgenomen voor de gronden die bestemd zijn voor het uitoefenen van een grondgebonden veehouderij en als (mede)bestemming voor akker- en vollegrondstuinbouw en voor het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap, dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders. Verder zijn het hobbymatig houden van vee en ondergeschikte en bijbehorende functies toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en windmolens ten behoeve van de waterhuishouding worden gebouwd. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op het onderhavige plangebied, waarin geen bouwvlak voorkomt. Om die reden zijn bijvoorbeeld geen mogelijkheden voor nevenfuncties opgenomen. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, waarbij aangesloten wordt op de mogelijkheden van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'.

Zo is het gehele bestemmingsvlak aangeduid als bouwvlak en bedragen de maximum goot- en bouwhoogte van het hoofgebouw respectievelijk 6 en 10 m. De maximum inhoudsmaat van het hoofdgebouw is 750 m³ (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen). Er is per bouwvlak ten hoogste één woning toegelaten. Voor wat betreft het gebruik van de loodsen wordt aangesloten bij de regeling uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', waar binnen de woonbestemming vervolgfuncties mogelijk worden gemaakt. Hiertoe is op het betreffende bestemmingsvlak de aanduiding 'specifieke vorm van wonen voormalig agrarisch bedrijf' opgenomen. Er wordt verwezen naar de tabel van 'Toegestane nevenfuncties bij voormalig agrarisch bedrijf'. Deze lijst is aangepast aan de voorliggende situatie. Ten hoogste een oppervlak van 450 m² mag voor opslag gebruikt worden. Voorts is een regeling opgenomen voor de bestaande huisvesting van ten hoogste vijf arbeidsmigranten. Voor wat betreft de gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen wordt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf' uitgegaan van de bestaande situatie. Voorwaardelijke verplichtingen

•

•

Aangezien het voornemen is om de sierteeltactiviteiten binnen het plangebied nog enige jaren voort te zetten, is binnen de woonbestemming een 'voorwaardelijke verplichting beëindiging sierteelt' opgenomen. Geregeld is dat het in gebruik nemen van de nieuwe woning uitsluitend is toegestaan indien alle sierteeltactiviteiten binnen het plangebied blijvend zijn beëindigd. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot de ingebruikname van de nieuwe woning in verband met de Afvalwaterzuiveringsinstallatie Leimuiden. Vast moet staan dat die functie blijvend beëindigd is, of dat met een onderzoek is aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

•

Ook is een 'voorwaardelijke verplichting bodem' opgenomen die er op toeziet dat wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woning geschikt is voor de beoogde woonfunctie.

•

De 'Voorwaardelijke verplichting mechanische ventilatie' regelt dat het in gebruik nemen van de nieuwe woning uitsluitend is toegestaan indien de woning wordt voorzien van een uitschakelbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten. Verder regelt de 'Voorwaardelijke verplichting vanggewas' dat het in gebruik nemen van de nieuwe woning niet eerder is toegestaan dan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen -

•

38

•

afscherming drift’ een vanggewas aangebracht, in stand gehouden en onderhouden wordt, met een hoogte van minimaal 1,5 m en een breedte van minimaal 1 m. Tot slot is in de Overige regels een 'Voorwaardelijke verplichting parkeren' opgenomen, gericht op het voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeren moet voorts binnen het bouwvlak plaatsvinden.

39

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt de benodigde bijdrage aan het fonds voor sociale woningbouw (bestemmingsplanreserves) geregeld. Gesteld kan worden dat het bestemmingsplan hiermee financieel uitvoerbaar is.

40

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In het kader van het principeverzoek is met omwonenden en grondeigenaren contact gelegd. In alle gevallen is met instemming van het voornemen kennis genomen.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Bro is het voorontwerpbestemmingsplan op 13 januari 2023 gestuurd naar hoogheemraadschap van Rijnland en Veiligheidsregio Hollands Midden. Voor wat betreft provincie Zuid-Holland bleek uit het invullen van het e-formulier dat het bestemmingsplan niet strijdig is met provinciale belangen en dat het om die reden niet opgestuurd hoefde te worden. Hieronder zijn de ingekomen reacties weergegeven, met de gemeentelijke reactie in cursief. Hoogheemraadschap van Rijnland (mail d.d. 17 januari 2023) Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft in een mail van 17 januari 2023 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Voor de werkzaamheden is geen watervergunning nodig. Reactie: deze vooroverlegreactie geeft geen aanleiding tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Veiligheidsregio Hollands Midden (mail d.d. 16 januari 2023) Veiligheidsregio Hollands Midden heeft de belangrijkste zaken ten aanzien van de fysieke veiligheid op een rijtje gezet. Dat betreft:

• •

Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Ten aanzien van de bluswaterwinning is er nabij het plangebied geen brandkraan aanwezig en de open water voorziening beperkt (sloot aan zuidzijde Kerklaan is niet het gehele jaar beschikbaar door begroeiing / droogte/beperkte diepte). Geadviseerd wordt de sloot beschikbaar te maken voor bluswaterwinning.

41

•

De zorgnormtijd bedraagt acht minuten voor woonfuncties, de daadwerkelijke tijd is twaalf minuten. Met het aanbrengen van extra rookmelders in de verblijfsruimten van de woning krijgen bewoners meer gelegenheid de woning veilig te verlaten indien zich een woningbrand voordoet.

•

Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ is ook het scenario overstroming vanuit een regionale kering van toepassing. Het overstromingsbeeld kan oplopen tot een diepte van ruim 4 meter. Een droge verdieping is in de bestaande woning niet aanwezig. Geadviseerd wordt de nieuwbouwwoning te voorzien van een verblijfsruimte op de tweede verdieping zodat verticale evacuatie mogelijk is. Horizontale evacuatie is het beste mogelijk door op de Kerklaan in westelijke richting te vluchten (polderdijk bij het Westeinde).

•

Voor een incident met gevaarlijke stoffen vanaf de Rijksweg A4 wordt geadviseerd de mechanische ventilatie eenvoudig afschakelbaar te maken. Op deze wijze kan geschuild worden in de woning.

Reactie: deze vooroverlegreactie geeft aanleiding tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot mechanische ventilatie. Bij de verdere uitwerkingen zal, waar nodig, rekening worden gehouden met de overige opmerkingen en adviezen van de Veiligheidsregio.

7.3 Verslag zienswijzen Het bestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft met ingang van 13 april 2023 voor een periode van 6 weken inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=e5959c8f-11df-4360-815b-e6090eb7b136