CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPKERKLAAN51-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 18 september 2023, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Kerklaan 51-51a, Leimuiden’.16.616 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Kerklaan 51 en 51a, Leimuiden Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

Vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPKERKLAAN51-VAS1

Datum:

2023-06-14

Kenmerk Buro SRO:

SR2200224

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 24 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

30 4.8 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 31 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 32 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 35

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 5.2 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 38

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 41 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 41 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 42

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van percelen gelegen aan de Kerklaan 51/51a in Leimuiden. Hier bevindt zich een sierteeltbedrijf met bedrijfswoning, een erf met enkele loodsen en sierteeltpercelen met enkele tunnelkassen. Het voornemen is om het sierteeltbedrijf op termijn te beëindigen en om op het perceel een vrijstaande woning te realiseren, gebruik makend van de ruimte-voor-ruimteregeling. Tevens is het voornemen om de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning, om in beperkte mate bedrijfsactiviteiten in de bestaande loodsen toe te blijven staan en om de bestaande logies voor arbeidsmigranten in de loods voort te zetten. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. De planlocatie is hier in voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', met de functieaanduiding 'sierteelt'. Op 28 april 2022 is door de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente Kaag en Braassem. In beginsel acht de gemeente het een wenselijke ontwikkeling, maar stelt daaraan wel enkele voorwaarden. Om het voorliggende initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient er een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden voor het plangebied waarbij twee delen de bestemming 'Wonen' toegedeeld krijgen.

Voor de twee woningen en de loodsen wordt de bestemming 'Wonen' opgenomen. Voor het terrein tussen de twee percelen en ten oosten van de beoogde nieuwe woning blijft de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' behouden, maar dan zonder de functieaanduiding ‘sierteelt’ en zonder agrarisch bouwvlak. Ook van het perceel aan de zuidzijde van de Kerklaan komt de functieaanduiding 'sierteelt' te vervallen. Onderhavig plan voorziet in een actueel planologisch kader die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt, waarbij rekening wordt gehouden met de aandachtspunten die het college heeft benoemd.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Kerklaan 51/51a te Leimuiden en ligt ten westen van de kern Leimuiden en ten noorden van het Braassemermeer. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Leimuiden, sectie A, perceelnummer 1617, 3457, 3521 (gedeeltelijk) en 3608. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2,2 ha.

4

De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en globale begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem op 28 mei 2018. De gronden van het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' met het plangebied in het rood omkaderd.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf en het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap. Ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt' is tevens de uitoefening van een sierteeltbedrijf toegestaan. Het meest westelijke deel van het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. In artikel 4.7.5 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' is een ruimte-voor-ruimteregeling opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' ten behoeve van de bouw van een extra woning in ruil voor het verwijderen van de aanduiding 'sierteelt' op de gronden van het plangebied. Voor de sloop op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m² gebouwen, 5.000 m² kassen of iedere 2,25 ha boom- en sierteelt, of een combinatie naar rato daarvan, mag één compensatiewoning worden gebouwd. Met de beoogde ontwikkeling zal er ca. 2.2 ha met de aanduiding 'sierteelt' worden verwijderd. Tevens wordt er 1.000 m² aan kassen verwijderd. Drie van de vier tunnelkassen binnen het plangebied zijn na de voorjaarsstorm gesloopt en worden niet herbouwd.

De vierde kas wordt waarschijnlijk in de loop van 2023 gesloopt. Dit bedraagt naar rato voldoende om de compensatiewoning te kunnen realiseren. De realisatie van één vrijstaande woning en het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan. Om het beoogde plan juridischplanologisch mogelijk te maken is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan nodig. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

7

2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Kerklaan in het buitengebied van Leimuiden (gemeente Kaag en Braassem). De omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden met sierteelt en enkele kassen ten noorden van het plangebied. Deels betreft het (restanten van) kassen met onder andere caravanstalling. Het plangebied maakt onderdeel uit van een kleine polder gelegen tussen de gekanaliseerde rivier de Drecht en de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich momenteel nog de afvalwaterzuiveringsinstallatie Leimuiden. De Kerklaan is een rustige weg die in het westen uitkomt op de Oude Wetering en in het oosten op Leimuiden. De navolgende afbeelding toont een impressie van het plangebied.

Impressie huidige situatie Kerklaan vanuit vogelvluchtperspectief (bron: opdrachtgever)

Het plangebied is gelegen ten noorden en ten zuiden van de Kerklaan. Aan de noordkant van de Kerklaan staan een vrijstaande woning en twee loodsen. De loodsen hebben een omvang van circa 350 en 100 m². De loodsen worden deels gebruikt ten behoeve van opslag. Een deel van de grotere loods wordt regulier gebruikt ten behoeve van de huisvesting van 4 - 5 arbeidsmigranten die elders werkzaam zijn (niet ten dienste van de sierteeltactiviteiten op de planlocatie). Hiervoor zijn op 16 juni 2022 (kenmerk W2021/126) en op 14 april 2022 (kenmerk W2021/384) vergunningen voor verleend. Naast de woning, verscholen achter de westelijk gelegen loods, is een afdak met lessenaarsdak met een oppervlakte van ca. 117 m² aanwezig. Dit gebouw wordt door initiatiefnemer gebruikt als berging voor fietsen, de stalling van een auto en dergelijke. De woning en de loodsen zijn ontsloten middels een in-/uitrit die aangesloten is op de Kerklaan.

8

Het deel ten oosten van de loodsen en het perceel aan de zuidzijde van de Kerklaan worden door initiatiefnemer gebruikt ten behoeve van de sierteelt. Aan de randen van de percelen liggen watergangen. De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de woning en de twee loodsen vanaf de Kerklaan en van de sierteeltpercelen.

Impressie plangebied gezien vanaf de Kerklaan (bron: Google Streetview, juni 2019)

Impressie sierteeltgebied met links de bestaande tunnelkas en rechts het sierteeltperceel ten zuiden van de Kerklaan (bron: opdrachtgever, oktober 2022)

9

2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande (bedrijfs)woning Kerklaan 51a omgezet naar een reguliere woning. Ook de bestaande twee loodsen op Kerklaan 51 blijven behouden. Deze loodsen zullen voornamelijk worden gebruikt ten behoeve van de opslag van materieel. In totaal zal ca. 450 m² van de bestaande loodsen gebruikt worden ten behoeve van de opslag. Wat zal worden opgeslagen in de twee loodsen zal afhankelijk zijn van de specifieke vraag. Het afdak gelegen achter de loods zal gebruikt worden als berging/garage bij de woning. In de oostelijke loods wordt de huisvesting van 4- 5 arbeidsmigranten, die elders werkzaam zijn, voortgezet. Initiatiefnemer is voorts voornemens om op het perceel één vrijstaande woning toe te voegen. Deze woning wordt mogelijk gemaakt door gebruik te maken van de ruimte-voor-ruimteregeling. In de huidige situatie wordt het perceel gebruikt ten behoeve van de sierteelt en het voornemen is om dat gebruik nog enkele jaren voort te zetten. Het gebruik van de nieuwe woning is enkel toegestaan als de sierteelt volledig is beëindigd. Met de beoogde ontwikkeling wordt het sierteeltbedrijf op termijn in zijn geheel beëindigd. Wanneer het bedrijf wordt beëindigd zal een melding Activiteitenbesluit worden ingediend via aimonline.nl.

De navolgende afbeelding toont een situatietekening met de mogelijke toekomstige indeling van het plangebied.

Tekening van de beoogde situatie van het noordelijke deel van het plangebied (bron: Buro SRO, d.d. 19-09-2022)

De nieuwe woning wordt in dezelfde bebouwingslijn voorgesteld als de bestaande woning Kerklaan 51a. Deze woning krijgt een perceel met een oppervlakte van circa 725 m² en met een eigen toerit vanaf de Kerklaan. Voor wat betreft de bouwmassa wordt aangesloten bij de geldende mogelijkheden van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'; een maximum goot- en bouwhoogte van resp. 6 en 10 m en een maximum inhoudsmaat van 750 m³. Om de nieuwe woning heen wordt een haag voorgesteld. Deze haag zal aansluiten op de bestaande haag op het perceel en zal er voor zorgen dat de woningen en de loodsen één herkenbare eenheid in het landelijke gebied vormen. Voor het nieuwe woonperceel zal aan de noordzijde een windhaag worden gerealiseerd in verband met eventuele spuit van gewassen. Er wordt een afstand van circa 20 m aangehouden tussen de bestaande loods en het nieuwe woonperceel. Dat betreft een perceel met een oppervlakte van ca. 600 m². Hier wordt een landschappelijke inpassing voorgesteld met bomen, die een fysieke en visuele afscheiding vormt tussen de twee percelen. De rest van het plangebied behoudt het open agrarische karakter (geen sierteelt).

10

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Nationale omgevingsvisie (NOVI) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het plangebied raakt niet aan een van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen. Daarmee vormt de Barro geen belemmering vormt voor voorliggende planontwikkeling.

11

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. 4.

Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende initiatief maakt slechts één nieuwe vrijstaande woning mogelijk. De beoogde ontwikkeling wordt dan ook niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. 2.

het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid).

De beperkingen hebben geen consequenties voor bestaand gebruik of al vóór inwerkingtreding vergunde objecten en gebruiksfuncties, uitgezonderd bestaande woningen binnen de zogenaamde sloopzones LIB 1 en LIB 2. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich niet binnen de LIB-4 of LIB-5 contour van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB). Wel geldt er een maximale toetshoogte van 146 meter NAP ter plaatse van het plangebied. Deze hoogte wordt met de beoogde ontwikkeling niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat het 'Luchthavenindelingbesluit Schiphol' geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling veroorzaakt.

12

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 15 maart 2022. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

Naar een klimaatbestendige delta

3.

Omgevingskwaliteit

Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.

•

Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit.

13

•

Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land zijn nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand en waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd op grond dat momenteel wordt gebruikt ten behoeve van de sierteelt. De groen-blauwe structuur van het plangebied wordt met de beoogde ontwikkeling behouden. De sloten zullen met de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Waar mogelijk wordt het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand gehouden. Op de kaart van de 'Laag van ondergrond' is het plangebied tevens aangekaart als 'Veencomplex - Oude zeeklei'.

Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van venig tot (oude zee)klei. Ontwikkelingen in droogmakerijen dienen een bijdrage te leveren aan een duurzame waterhuishouding. Gezien de aard en omvang van het project zal deze weinig invloed hebben op de droogmakerijen. Er wordt rekening gehouden met een duurzame waterhuishouding binnen het plangebied zelf. De tunnelkassen (ca 1.000 m²) zullen definitief verwijderd worden, en het gebruik van de percelen ten behoeve van sierteelt zal eveneens definitief worden beëindigd. Dit draagt bij aan de waterhuishouding en het landschap. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in een droogmakerijenlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek.

Deze typerende opbouw is bepalend voor de manier van inpassing van

14

nieuwe ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. Met de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de karakteristieken van de bestaande woningen aan de Kerklaan. Daarbij wordt aangesloten op de bestaande bebouwingslijn met de naastgelegen woning binnen het plangebied. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Passengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Droogmakerij als herkenbare eenheid De droogmakerijen Wassenaarsche Polder en de Griet- en Vriesekoopsche Polder hebben een grote maat en schaal door het vrijwel ontbreken van bebouwing en opgaande beplanting. Hierdoor zijn er lange zichtlijnen. Het contrast met de gerafelde oeverlijn van de Langeraarsche Plassen en het natuurlijk gevormde Braassemermeer geeft het gebied haar onderscheidende karakter. De verkaveling is bijzonder lang en smal. Ontwikkelingen respecteren en versterken de samenhang tussen alle onderdelen van het droogmakerijlandschap.

De ontwikkeling van één vrijstaande woning op een terrein dat ingericht is voor sierteelt is kleinschalig en passend bij de maat en opzet van de droogmakerij. Het perceel krijgt een groene uitstraling. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 15 maart 2022 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling

15

is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op perceelniveau en past bij de aard en de schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet. Beschermingscategorie Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: 1. 2. 3. 4.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Het plangebied is gelegen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Er dient gemotiveerd te worden waarom er gekozen is om de woning buiten bestaande stads- en dorpsgebied te realiseren. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er één nieuwe woning gerealiseerd en wordt de bedrijfswoning herbestemd tot een reguliere woning. Het gebruik van het plangebied ten behoeve van de sierteelt komt ten einde. Bij het realiseren van de woning wordt gebruik gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling. Er is gekozen om de woning te realiseren aan de Kerklaan, omdat initiatiefnemer enkel beschikt over deze gronden en niet over gronden gelegen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. De structuur van het landschap zal met de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Het verwijderen van ca. 1.000 m² aan tunnelkas komt ten goede van de openheid van het landschap. Het plangebied zal zijn landschappelijke karakter behouden, met een haag als verbindend element. Tevens wordt er een landschappelijke inpassing voorgesteld met bomen, die een fysieke en visuele afscheiding vormt tussen de twee percelen. De herinrichting van het plangebied zorgt voor een blijvend groen karakter van het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.

16

Risico's van klimaatverandering In artikel 6.35a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Wateroverlast door overvloedige neerslag Rondom het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Wel zullen de tunnelkassen met de beoogde ontwikkeling verdwijnen. Weliswaar wordt een woning toegevoegd, maar per saldo is sprake van een afname in verharding, wat gunstig is bij overvloedige neerslag. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een zeer kleine kans op overstromingen van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het landelijk gebied speelt het thema hittestress meestal geen rol. Door de ligging in een groene omgeving kan gesteld worden dat dit voor het plangebied ook geldt. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress.

Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rondom het plangebied. Daarnaast levert de omzetting van sierteeltgronden naar reguliere agrarische gronden ruimere mogelijkheden op om water vast te houden. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De kern Leimuiden maakt onderdeel uit van de regio Holland Rijnland, waarvoor de betrokken gemeentes gezamenlijk een visie hebben ontwikkeld om te werken aan de toekomst van deze regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regioof landsgrenzen. De Regionale Structuurvisie geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad.

17

In deze Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groen-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Bij alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de regio staat het groen-blauwe raamwerk centraal. Rekening zal gehouden moeten worden met de gebruiks- en belevingswaarde van de verschillende landschappen die de regio rijk is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet de recreatieve bereikbaarheid van het landschap minimaal gelijk blijven, dan wel verbeterd worden. Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a en d en past binnen deze kernbeslissingen. Met de ontwikkeling wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het woningaanbod in het gebied. Daarnaast wordt er een woning toegevoegd aan het woningaanbod binnen de regio. Met de ontwikkeling wordt de bestaande groen-blauwe structuur gerespecteerd. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de regionale ambities. 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

Planspecifiek Het voorliggende plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 4 en 5. Er is een grote vraag naar nieuwe woningen in de regio Holland Rijnland. De ontwikkeling van de woning levert een positieve bijdrage aan de woningbehoefte. De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. De karakteristieken van het gebied blijven echter zoveel mogelijk behouden.

18

In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017-2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps/landelijk'. Het beoogde plan betreft een 'dorps/landelijk' woonmilieu, gezien zijn kleinschaligheid en ligging in het buitengebied. Het onderhavige initiatief levert hieraan een bescheiden bijdrage en voorziet daarmee in een aantoonbare behoefte. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem is opgenomen dat de gemeente kiest voor een leefbaar en toekomstbestendig Kaag en Braassem. Grootschalige woningbouw concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn: Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. Om de bouw te laten aansluiten bij de vraag is differentiatie in woningtypen en prijssegmenten van belang. In de overige kernen wordt kleinschalige nieuwbouw ontwikkeld als er behoefte is aan toevoeging van een woningsegment. Dit betekent dat de gemeente in die kernen alleen meewerkt aan initiatieven die kwaliteit

19

aan de bestaande woonkern toevoegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine herstructurering of het toevoegen van een ontbrekend type woning. Bij alle nieuwbouwplannen is een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van het bouwprogramma verplicht, ook in verband met regionaal en provinciaal beleid. Het onderhavige initiatief voorziet in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps/landelijk'. Zoals ook gesteld in toelichting paragraaf 3.3.2 is er een aannemelijke behoefte aan dergelijke woningen. Er wordt met het onderhavige initiatief niet voorzien in 30% sociale woningbouw. Om die reden is een bijdrage verschuldigd aan het fonds voor sociale woningbouw (bestemmingsplanreserves). Met de ontwikkeling van de vrijstaande woning wordt rekening gehouden met het landschap. Door bij de nieuwe woning hagen toe te passen, aansluitend op de bestaande hagen, zal de beoogde woning één geheel vormen met de bestaande bebouwing binnen het plangebied. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsvisie Kaag en Braassem voor de onderhavige ontwikkeling. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld.

De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied ligt volgens de welstandsnota van de gemeente Kaag en Braassem in welstandsluw gebied. Binnen het plangebied zijn geen karakteristieke panden of rijksmonumenten aanwezig. Tevens is het plangebied geen onderdeel van een karakteristiek gebied. Derhalve vormt de welstandsnota geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan valt onder mogelijkheid d. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Aangezien het plangebied zich in het landelijk gebied bevindt en er slechts één vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt, is de beoogde ontwikkeling niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

21

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het plangebied beschikt in het geldende bestemmingsplan over de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden'. Met het beoogde initiatief wordt het plangebied deels herbestemd naar de bestemming 'Wonen'. Dit betreft een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Om die reden dient er een bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Omdat de beoogde woning nog niet direct gerealiseerd zal worden, is er − met het oog op een eventuele verjaring van een bodemonderzoek − voor gekozen het bodemonderzoek (voorlopig) niet uit te voeren. Wel is er voor gekozen om alvast een vooronderzoek uit te laten voeren (Almad Eco, d.d.

11 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Op basis van het vooronderzoek kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit onverdacht is op het aantreffen van een bodemverontreiniging voor de stoffen in het standaard NEN-pakket. Echter is onduidelijk of het gebruik van bestrijdingsmiddelen hebben geleid tot een bodemverontreiniging hiermee. Geadviseerd wordt de toplaag (bovenste 30 centimeter) te onderzoeken waarbij het aantal boringen gelijk wordt gesteld aan strategie VED-HE-NL. Hierbij wordt geadviseerd om één grondmengmonster samen te stellen op de aanwezigheid van OCB. Zo wordt met een beperkte onderzoeksinspanning, gebaseerd op bekende NEN-normen, geacht inzicht te verkrijgen over de aanwezigheid van OCB. Het wordt pas zinvol geacht om het grondwater te onderzoeken op de aanwezigheid van OCB bij het aantreffen van licht verhoogde waarden (of meer) van OCB in de grond. Het bodemonderzoek zal uitgevoerd worden tijdens de vergunningsaanvraag van de woning. Dit is in het voorliggende bestemmingsplan, met een voorwaardelijke verplichting in de regels, gewaarborgd. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

22

De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarde is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een procedure hogere voorkeursgrenswaarde. Planspecifiek Een woning wordt gezien als een geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder. De Kerklaan valt als 30 km-weg niet onder de bepalingen van de Wet geluidhinder en dat geldt ook voor het Westeinde. Het initiatief valt ook niet binnen de wettelijke onderzoekszone van de Huigsloterdijk/Leimuiderdijk, waardoor geen akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nodig is in het kader van het bestemmingsplan.

Daarnaast is, gelet op de ligging van het plangebied en gezien dat de Kerklaan een doodlopende weg is met een lage verkeersintensiteit, ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen verdere aandacht nodig voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren, sloot het Rijk in 2020 het zogeheten Schone Lucht Akkoord (SLA) met provincies en tientallen gemeenten. Gestreefd wordt naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023 gepubliceerd, waarin staat welke maatregelen, pilots en activiteiten de deelnemers uitvoeren om de afspraken in praktijk te brengen. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=e5959c8f-11df-4360-815b-e6090eb7b136