NL.IMRO.1884.BPKARPERHOF-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Planspecifiek Woningen worden gezien als een gevoelige bestemming. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse functies, waaronder wonen, sport, agrarisch en maatschappelijk. Daarmee kan gesteld worden dat de planlocatie in een gebied ligt met het omgevingstype 'gemengd gebied'. De volgende bedrijven en milieubelastende activiteiten zijn gevestigd rond het plangebied. Naam Nolina Kwekerijen B.V. Voetbalvereniging Woubrugge Tennisvereniging Woubrugge Sporthal Oudendijk
Bedrijf/activiteit Tuinbouwkassen Veldsportcomplex
Milieucategorie 2 3.1
Richtafstand 10 meter 30 meter
Afstand ca. 60 m ca. 20 m
Tennisbanen
3.1
30 meter
ca. 24 m
Sporthal
3.1
30 meter
ca. 140 m
In de bovenstaande tabel is af te lezen dat er voor de verschillende inrichtingen niet wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Dit wordt navolgend beschouwd. Nolina Kwekerijen Uit de tabel is af te lezen dat voldaan wordt aan de vereiste afstand tot de kassen. Echter geldt voor open teelten dat er rekening gehouden moet worden met drift van gewasbeschermingsmiddelen. Bij de Nolina Kwekerijen vinden op verschillende percelen, waaronder het perceel direct ten westen van het plangebied, open teelten plaats. Op de velden tussen de kassen en de beoogde woningen worden door Nolina uitsluitend planten in pot en container gekweekt. Daarbij worden geen natuurlijke mest of anderszins geurende stoffen gebruikt, waardoor geurhinder uitgesloten kan worden. Ook geluidoverlast is uit te sluiten, omdat er voor aan- en afvoer en snoeihandeling gebruik gemaakt wordt van elektrisch aangedreven voertuigen en machines. Verder kunnen bij tuinbouw gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De woningen liggen binnen de spuitzone van omliggende teeltgronden (vuistregel uit jurisprudentie betreft 50 m), wat mogelijk ten koste van een goed woon- en leefklimaat en. Dit dient beschouwd te worden. De afstand tussen de woningen en de open teelten bedraagt ca. 25 m. Hiermee wordt niet voldaan aan de vuistregel.
De afstand van de vuistregel kan verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. De vuistregel van 50 m is primair bepaald voor fruitteelt (boomgaarden) als maatgevende teeltvorm. Bij sierteelt worden, in tegenstelling tot fruitteelt, relatief lage gewassen geteeld en een neerwaartse spuittechniek toegepast. Sierteelt veroorzaakt door de neerwaartse spuittechniek minder drift van gewasbeschermingsmiddelen, waarmee het minder hinder en gevaar voor gevoelige functies met zich meebrengt. Bovendien wordt er slechts gespoten gedurende het seizoen en het vroege voorjaar, wanneer het te behandelen gewas nog klein is en lage spuithoogten met minimaal risico op drift te verwachten zijn. Nolina gebruikt ook nog nauwelijks chemische middelen. Om het risico verder te beperken zal op de erfgrens van het terrein van Nolina Kwekerijen een driftwerende haag worden aangeplant, kort op de teeltgronden. Op verschillende plaatsen op hun terrein is al een dergelijke haag aanwezig. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat bij de woningen gewaarborgd.
27
Voetbalvereniging Woubrugge Op ca. 20 m ten oosten van de eerste rij woningen ligt de perceelsgrens van het voetbalcomplex Woubrugge. Het eerste veld ligt op een afstand van ca. 25 m. Omdat geluidsoverlast door trainingen en wedstrijden niet is uit te sluiten, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesburo VanderBoom, 23-108, d.d. 9 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Hierin is ook de tennisvereniging betrokken. Het sporten overdag (tennis/voetbal) leidt tot geluidbelastingen op de nieuwe woningen van hooguit 40 dB(A). Deze waarden voldoen daarmee aan de richtwaarden. In de avond ligt de geluidbelasting ten gevolge van zowel het tennissen als de voetbaltrainingen op hooguit respectievelijk 44 en 42 dB(A), een overschrijding van de richtwaarden met hooguit 4 dB(A). De piekniveaus liggen op het bouwplan op hooguit 70 dB(A) overdag en 66 dB(A) in de avond, d.w.z. 5 respectievelijk 6 dB(A) boven de richtwaarde. In stap 3 (met 5 dB(A) hogere richtwaarden) kan dan nog net niet aan de eisen worden voldaan (1 dB(A) overschrijding t.g.v. voetbaltrainingen in de avond). Uitgaande van stap 3, uitgaande van rustig woongebied, kan aan de richtwaarden worden voldaan. Er is dan sprake van een goed woon- en leefklimaat.
De voetbal- en tennisvereniging worden niet belemmerd in hun ‘bedrijfsvoering', ook al omdat stemgeluid niet wordt meegenomen in de toetsing aan het Activiteitenbesluit. De geluidbelasting is zodanig laag dat de binnenniveaus zonder extra maatregelen aan de eisen zullen voldoen. Ondanks dat niet voldaan wordt aan de richtwaarden voor een rustige woonwijk kan het bevoegd gezag toch van oordeel zijn dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bij onderhavige situatie kan geoordeeld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat vanwege het volgende:
• • •
In de huidige situatie liggen er ook al woningen op korte afstand van de sportverenigingen.
•
Bij de oriëntatie van de nieuwe woningen kan rekening gehouden worden met de situering van een buitenruimte aan de van de sportvelden afgekeerde zijde.
•
Het treffen van geluidreducerende maatregelen is, gelet op de omgeving en het gebruik van de sportvelden niet realistisch. Bij geluidreducerende maatregelen kan gedacht worden aan het plaatsen van een geluidscherm tussen sportvelden en nieuwe woningen of het beperken van het gebruik van de sportvelden.
De scheidsrechtersfluit is alleen van toepassing bij de voetbalvelden. Van de voetbalvelden is op dit moment alleen het noordoostelijke veld van verlichting voorzien. Dit bevindt zich op grotere afstand van de nieuwe woningen dan de beide andere velden. Na zonsondergang zullen trainingen dan ook op grotere afstand van de nieuwe woningen plaatsvinden dan waarvan in het akoestisch rapport van uit is gegaan.
Naast geluidsoverlast kunnen de lichtmasten van het veldsportcomplex ook leiden tot lichthinder bij de beoogde woningen. In dit kader is een lichthinderonderzoek uitgevoerd (QM Lighting Design, d.d. 6 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). De in dit onderzoek berekende verlichtingssterktes op de gevels van de beoogde woningen vallen allen binnen de norm zoals gesteld in de lichthinderrichtlijnen van de NSVV voor zone E3 gedurende de dag en avond tussen 07:00 en 23:00. Daarbij dient vermeld te worden dat dit onderzoek deels berust op aannames, waarbij worst case uitgangspunten gehanteerd zijn. Tennisvereniging Woubrugge Op ca. 24 m ten zuiden van de eerste rij woningen ligt de perceelsgrens van de tennisvereniging Woubrugge. Bij een dergelijke inrichting is geluid maatgevend. Zoals hiervoor beschreven leidt dit niet tot een te hoge geluidbelasting op de beoogde woningen. Bij tennisverenigingen dient ook de mogelijkheid tot het aanleggen van padelbanen in relatie tot overlast voor de omgeving te worden beschouwd. Een padelbaan is met wanden omsloten, maar heeft geen dak, waardoor het geen gebouw maar een bouwwerk is. Omdat op het terrein bouwwerken tot een maximale bouwhoogte van 2,5 m zijn toegestaan en een padelbaan een hoogte van 3 m nodig heeft, zijn padelbanen op dit terrein niet mogelijk. De tennisvereniging wordt dan ook niet in zijn mogelijkheden beperkt.
28
Net als bij de voetbalvereniging worden bij de tennisvereniging ook lichtmasten gebruikt. Ook deze lichtmasten zijn onderzocht in het lichthinderonderzoek. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat omliggende inrichtingen niet gehinderd worden in hun bedrijfsvoering en bij de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 66 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate.
Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied zijn als volgt: Fijnstof en stikstofdioxide PM10 PM2,5 NO2
Achtergrondconcentratie 16,1 μg/m³ 8,6 μg/m³ 13,7 μg/m³
29
Grenswaarde 40 μg/m³ 25 µg/m³ 40 μg/m³
Uit bovenstaande tabel blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de boogde ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.
Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Planspecifiek Voor de beoordeling of er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes aanwezig zijn is de risicokaart externe veiligheid en basisnet geraadpleegd. Hieronder is een fragment van de kaart weergegeven.
30
Fragment risicokaart (plangebied rood omlijnd, bron: Atlas Leefomgeving)
Uit de risicokaart is op te maken dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. In de wijdere omgeving heeft alleen de A4 een invloedsgebied dat tot in het plangebied reikt. Dit wordt navolgend beschouwd. Het plangebied ligt op ca. 2,5 km van de rijksweg A4. Hierover worden toxische vloeistoffen van categorie LT3 vervoerd, waardoor er een effectengebied van meer dan 4 km geldt. Gelet op de ruime afstand tussen het plangebied en de A4 kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Daarbij moeten de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid worden beschouwd vanuit een gifwolkscenario. Bij een ongeval met een tank-/ketelwagen met gevaarlijke stoffen is het mogelijk dat er een toxische wolk ontstaat en deze over het plangebied trekt. Het effectgebied waarbinnen onherstelbare of ernstige gezondheidsklachten bij blootstelling kunnen optreden is bij stabiel weer tot voorbij de 1,5 km. - Bestrijdbaarheid Het plangebied is zowel vanuit de noord- als zuidzijde voor de hulpdiensten goed bereikbaar. Voor de woningen kunnen bouwtechnische maatregelen worden genomen, zoals afschakelbare (mechanische) ventilatie.
- Zelfredzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend voor het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in de woning te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
31
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Vanuit ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. Omdat er gronddoek wordt verwijderd en er mogelijk ingrepen aan oevers en watergangen plaatsvinden, is er in het kader van soortenen gebiedsbescherming een quickscan flora en fauna uitgevoerd (IDDS, A2579-03/DME/qs2, d.d. 6 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven. Soortenbescherming Het plangebied is onderzocht op mogelijke sporen en verblijven van beschermde soorten. Er is hierbij gekeken naar amfibieën, broedvogels, libellen, vleermuizen en andere mogelijk aanwezige soorten. Hieruit werd geconcludeerd dat enkel algemene broedvogels verwacht worden in het plangebied, waardoor vervolgonderzoek naar specifieke soorten niet relevant is en dat er enkel een zorgplicht geldt voor het beoogde plan. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Effecten van stikstof op het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck zijn op voorhand niet uitgesloten. In dit kader is een berekening met de AERIUS Calculator uitgevoerd (Buro SRO, d.d.
7 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Hieruit is gebleken dat het plan geen significante negatieve effecten op Natura 2000gebieden veroorzaakt. Houtopstanden Er zijn in het plangebied geen houtopstanden aanwezig waarvoor een kapvergunning nodig is. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het mogelijk maken van de woningen. Wel dient tijdens de werkzaamheden voorzichtig gehandeld te worden met alle aanwezige flora en fauna (zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal wordt gefaseerd verwijderd. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Verder worden de volgende maatregelen voorgesteld om handelen in strijd met de zorgplicht te voorkomen:
•
Start de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg 15 februari tot 15 augustus). Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een
32
broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.
•
Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden.
•
Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang, zodat vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord worden.
•
Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Hierdoor worden vleermuizen en andere nacht actieve dieren niet verstoord. Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten.
• • •
Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten. Om te voldoen aan de zorgplicht voor de vissen en amfibieën die in de watergangen aanwezig kunnen zijn, dient rekening gehouden te worden met onderstaande: o De watertemperatuur mag niet onder de 0° of boven de 25° Celsius zijn. o De werkzaamheden zijn niet gebonden aan een speciale periode, aangezien geen strikt beschermde vis- of amfibiesoorten verwacht worden in de watergang.
4.8 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning.
33
Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 hoogheemraadschap van Rijnland Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.
5. 6. 7.
Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.
Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open
34
water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Planspecifiek Bij voorliggend initiatief is sprake van de herontwikkeling van gronden die grotendeels onverhard zijn. In het kader van de watertoets dienen de verschillende wateraspecten beschouwd te worden. Navolgende paragraaf voorziet in deze beschouwing. Watercompensatie De verharding in het gebied wordt verwijderd. Het gaat hierbij om de paden van stelconplaten. In totaal komt de verharding van de bestaande situatie uit op ca. 3.250 m². Hier komen 66 woningen met bijbehorende voorzieningen voor in de plaats, wat uitkomt op de navolgende verhardingsbalans. Het gaat hierbij om indicatieve getallen. Verharding bebouwing tuin openbare verharding en halfverharding totaal totale toename
percentage verhard 100% 75% 100%
oppervlakte 3.150 m² 2.950 m² 5.100 m² 11.200 m² 11.200 - 3.250 = 7.950m²
Dit betekent dat met onderhavig plan een toename aan verharding gepaard gaat, waardoor watercompensatie vereist is. Conform de Handreiking Watertoets van het hoogheemraadschap van Rijnland dient 15% van de verhardingstoename gecompenseerd in de vorm van open water. Dit komt in onderhavig geval uit op 7.950 * 0,15 = 1.193 m². Daarnaast bestaat de verplichting om gedempt water een-op-een te compenseren. Ten behoeve van voorliggend plan wordt een bestaande watergang van 506 m², de oost-west georiënteerde watergang in het midden van het plangebied, gedempt. Daarom is er nog 506 m² aan extra watercompensatie nodig. Dit komt uit op een totaal van 1.699 m² aan water dat met het plan gecompenseerd moet worden. Het voorliggende plan voorziet in de aanleg van 1.487 m² aan oppervlaktewater, waarna een compensatietekort van 212 m² resteert. Op navolgende afbeelding is deze watergang weergegeven.
35
Beoogde situatie, nieuwe watergang langs westzijde plangebied (bron: LAP Landscape & Urban Design)
Het restant wordt opgevangen in 239 m² aan wadi's langs de toegangsweg en in het midden van het plangebied. Daarmee voldoet de waterbalans. Waterkeringen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Er vinden dan ook geen ingrepen plaats in een beschermingszone. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstort van ongezuiverd rioolwater zal optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
•
schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
36
Bij voorliggend plan is het hoofddoel het hemelwater zo duurzaam mogelijk af te voeren in het plangebied. Dit wordt bewerkstelligd door hemelwater op het dak op te vangen en via hemelwaterafvoer af te koppelen naar de verlaagde grasstroken. Daarnaast worden parkeerplaatsen voorzien van een volledig open verharding middels KAP stenen. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Er is een vergunning van het waterschap vereist voor het dempen van de bestaande watergang en het graven van de nieuwe watergang. Het plan is in lijn met de overige wateraspecten.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Archeologiebeleid gemeente Kaag en Braassem In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd.
Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en is de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze beleidsherziening vastgesteld. Planspecifiek Het plangebied heeft binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' geen archeologische dubbelbestemming. Er kan daarom aangenomen worden dat de archeologische verwachtingswaarde laag is. Een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven. Het aspect archeologie vormt voor het beoogde plan geen belemmering.
4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Daarnaast zijn er in de directe omgeving eveneens geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast en vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen bij de voorliggende ontwikkeling.
37
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om inzichtelijk te maken of het verkeer dat op gang komt door onderhavig initiatief geen hinder voor de omgeving veroorzaakt is een verkeersstudie uitgevoerd (HGCA, d.d. 7 december 2023, bijlagen bij toelichting bijlage 7). Uit dit onderzoek volgt dat ontsluiting via de Turfeiker en Bateweg verkeerskundig acceptabel is en de verkeersveiligheid niet in het geding komt.
De beperkte toename van de verkeersdruk en de leefbaarheidseffecten worden gemitigeerd met de voorgenomen herinrichting van de Bateweg. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk parkeerbeleid De gemeente Kaag en Braassem heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018).
Bovengenoemde CROW-kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen. Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek Bij een ontwikkeling dient sprake te zijn van een sluitende parkeerbalans. In navolgende tabel is de parkeereis conform de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 berekend. Hierbij zijn voor de woningen in het sociale segment de normen voor 'huurwoning (sociale huur)' aangehouden. Bij de seniorenwoningen is daarbij de onderkant van de bandbreedte (1,2 parkeerplaatsen) aangehouden. Dit is aanvaardbaar, omdat het autobezit onder senioren in de praktijk laag is.
38
Woningtype
Aantal woningen
Parkeernorm
Vrijstaand Twee-onder-een-kap Tussenwoning/hoekwoning Huurwoning (sociale huur) Seniorenwoning Totaal
4 4 28 21 9
2,4 2,2 2 1,6 1,2
Parkeerplaatsen Waarvan bezoekers 9,6 1,2 8,8 1,2 56 8,4 33,6 6,3 10,8 2,7 118,8 (=119) 19,8 (=20)
Uit de tabel blijkt dat er 119 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. In de nieuwe wijk wordt zowel geparkeerd in de openbare ruimte als op eigen terrein. In totaal bevinden zich 72 parkeerplaatsen in de openbare ruimte langs de straat. Aan de binnenzijde van de woonblokken zijn nog 47 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan 17 parkeerplaatsen in het zuidelijke hof openbaar toegankelijk zijn. De overige 30 parkeerplaatsen bevinden zich op eigen terrein. Het parkeeraanbod komt uit op 119 parkeerplaatsen, waarmee sprake is van een sluitende parkeerbalans. Op navolgende afbeelding is de parkeersituatie weergegeven.
Beoogde situatie parkeren (bron: LAP Landscape & Urban Design)
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de gemeentelijke parkeernormen.
39
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
40
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voor is de planregels is zo veel mogelijk aangesloten op de standaard die binnen de gemeente Kaag en Braassem gangbaar is, in het bijzonder bij het geldende bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' (2022). Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de hoogtematen, inhoud en oppervlakte die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald moeten worden. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. Bestemmingen Artikel 3 Groen Aan de openbare groenstructuren in het plangebied is de bestemming 'Groen' toegekend. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Wel mogen bij de bestemming behorende andere bouwwerken worden gebouwd. Artikel 4 Verkeer De verkeerstructuur in het plangebied is voorzien van de bestemming 'Verkeer' Dit zijn de openbare gronden zoals wegen en parkeerplaatsen.
Deze gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, verblijfsdoeleinden, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en openbare nutsvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen. Artikel 5 Water De bestaande en aan te leggen watergangen hebben de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, ondergeschikt groen, nutsvoorzieningen en infiltratievoorzieningen. Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Verder zijn verschillende zaken als strijdig gebruik aangemerkt. Artikel 6 Woongebied Het plangebied is grotendeels voorzien van de bestemming 'Woongebied'. Binnen die bestemming zijn de ruimtelijke kaders vastgelegd waarbinnen de woningbouw kan worden gerealiseerd. Er is uitgegaan van een wijze van bestemmen waarbij de situering van de woningen vrij vorm te geven is binnen twee woonvelden. Deze keuze komt voort uit de huidige onzekerheid op de woningmarkt. Dit geeft de ontwikkelaar de vrijheid om wijzigingen door te voeren in de verkaveling. Alleen de positie van de gestapelde, sociale huurwoningen is vastgelegd, centraal in het plan.
Daarnaast is voor de woningen wel een maximale goot- en bouwhoogte vastgelegd alsmede een maximum bebouwingspercentage. Per woonveld is het maximum aantal wooneenheden aangeduid. Daarnaast is voor de woningen een maximale goot- en bouwhoogte vastgelegd. Bijbehorende bouwwerken mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. Bij het appartementengebouw/beneden-bovenwoningen mogen bergingen worden gebouwd.
41
Verder is in de regels vastgelegd dat 31% van de woningen uitgevoerd dient te worden als sociale huurwoning. Daarnaast moeten de woningen voorzien worden van afschakelbare ventilatie. Algemene regels Artikel 7 Antidubbelregel Deze regel wordt in elk bestemmingsplan opgenomen om te voorkomen dat in feite meer kan worden gebouwd dan in het bestemmingsplan bedoeld is. Dit kan zich voordoen bij woningbouw wanneer (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaar wisselen. In een dergelijk geval worden de nieuw verworven gronden niet meegeteld bij de berekening van de bouwmogelijkheden als dat al voor een in het verleden verleende omgevingsvergunning gebeurd is. Artikel 8 Algemene bouwregels In deze regel is een bepaling opgenomen die er op toeziet dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en dakkapellen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit bestemmingsplan is een algemene gebruiksregeling opgenomen die expliciet beschrijft welk gebruik strijdig is met het gestelde in het bestemmingsplan. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit bestemmingsplan is een algemene afwijkingsregeling opgenomen die voorziet in algemeen voorkomende bouwwerken en afwijkingen van het bestemmingsplan.
Omdat het bij voorliggend plan gaat om nieuwbouw is in tegenstelling tot het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' een afwijkingsmogelijkheid voor het afwijken van maten met ten hoogste 10% opgenomen. Daarnaast zijn er afwijkingsregels opgenomen ten behoeve van de realisatie van openbare recreatieve voorzieningen en bed & breakfasts. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In de overige regels is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders de bestemmingen kunnen wijzigingen indien dit nodig is voor een technisch betere realisatie van bestemmingen of bouwwerken of voor de verkeersveiligheid. Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Regels, die betrekking hebben op het overgangsrecht: bouwwerken die op het moment van tervisielegging van het plan bestaan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels. Artikel 13 Slotregel Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.
42
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkelingen van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Een planschadeovereenkomst is hier onderdeel van. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure worden via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer doorberekend.
43
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Nadat overeenstemming is bereikt met de gemeente Kaag en Braassem over de opzet van het plan worden alle omwonenden en belanghebbenden geïnformeerd. Tijdens een bijeenkomst worden de vragen, opmerkingen en eventuele zorgen van de omgeving geïnventariseerd.
7.2 Vooroverleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd aan de vooroverlegpartners, namelijk de provincie Zuid-Holland, Hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Navolgend zijn deze reacties samengevat.
•
•
•
Provincie Zuid-Holland: de provincie geeft aan dat het plan regionaal afgestemd dient te worden, omdat het nog niet opgenomen is in een door Gedeputeerde Staten vastgesteld regionaal woningbouwprogramma. o Reactie: de gemeente Kaag en Braassem heeft het plan opgevoerd als kansrijk initiatief in de planregistratie wonen voor de aankomende actualisering van het regionale woningbouwprogramma. Hier wordt op zijn vroegst in februari 2024 een besluit op genomen. Hoogheemraadschap van Rijnland: het hoogheemraadschap geeft een positief wateradvies. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding als wateroverlast wordt voorkomen, rekening wordt gehouden met klimaatadaptatie en het kwetsbare kwelgebied, er water wordt gecompenseerd en het onttrekken van grondwater wordt gemeld. Daarnaast is een watervergunning nodig. o Reactie: zoals beschreven in toelichting paragraaf 4.8 wordt er in het plan rekening gehouden met de waterhuishoudkundige belangen. Te zijner tijd wordt een watervergunning aangevraagd. Veiligheidsregio Hollands Midden: er heeft geen goede beoordeling van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand kunnen plaatsvinden. Dit komt vanwege de onduidelijkheid over de maatvoering/bochtstralen binnen het plangebied als ook de verwachtte wijzigingen in de ligging
44
van de drinkwaterleidingen. Om die reden adviseer ik u de ontbrekende gegevens aan te vullen en ons voor deze onderdelen om advies te vragen. o Reactie: op het moment dat het plan verder uitgewerkt is wordt het ter beoordeling aan de veiligheidsregio voorgelegd.
7.3 Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan Karperhof heeft van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode zijn 34 zienswijzen ontvangen. In de Nota van beantwoording zienswijzen (zie bijlagen bij toelichting bijlage 8) worden deze zienswijzen verwoord en beantwoord. De zienswijzen hebben geleid tot enkele tekstuele wijzigingen in de paragrafen toelichting paragraaf 1.1 en toelichting paragraaf 1.3 van de toelichting. Daarnaast is het rapport 'Verkeersstudie Karperhof Woubrugge’ (HGCA, d.d. 24 oktober 2023) toegevoegd aan de bijlagen bij toelichting. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen in de regels en verbeelding.
45