CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPKARPERHOF-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Karperhof, Woubrugge’.15.955 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Karperhof, Woubrugge Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPKARPERHOF-VAS1

Datum:

2024-06-17

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. T.J. Oostrom | dhr. T. Ponse

Kenmerk Buro SRO:

SR230124

Opdrachtgever:

Jobo de Bouwers

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie .................................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 9

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ..............................................................................................................................................13 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................15 3.3 Regionaal beleid ..............................................................................................................................................19 3.4 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................20

4 Milieuaspecten ...................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................22 4.2 Bodem ..............................................................................................................................................................24 4.3 Geluid ...............................................................................................................................................................25 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................26 4.5 Luchtkwaliteit...................................................................................................................................................29 4.6 Externe veiligheid ............................................................................................................................................30 4.7 Ecologie ............................................................................................................................................................32 4.8 Waterhuishouding

...........................................................................................................................................33 4.9 Archeologie en cultuurhistorie ........................................................................................................................37 4.10 Verkeer en parkeren .....................................................................................................................................38

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................40 5.2 Toelichting ........................................................................................................................................................40 5.3 Verbeelding ......................................................................................................................................................40 5.4 Planregels ........................................................................................................................................................40 5.5 Wijze van bestemmen .....................................................................................................................................41

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 43 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 44 7.1 Algemeen .........................................................................................................................................................44 7.2 Vooroverleg ......................................................................................................................................................44 7.3 Zienswijze.........................................................................................................................................................45

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens een gedeelte van de oostelijke gronden van Nolina Kwekerijen BV te herontwikkelen naar een nieuwe woonwijk, bekend onder de naam Karperhof. In de huidige situatie is de locatie, die zich bevindt in het westelijke deel van Woubrugge, onbebouwd. Op hoofdlijnen bestaat de woningbouwontwikkeling uit de realisatie van 66 woningen die variëren in woningtype en omvang. Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost', vastgesteld op 28 mei 2018, en voor enkele delen aan de noord- en zuidkant van het plangebied het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade', vastsgesteld op 23 november 2020. Het plangebied is grotendeels voorzien van de enkelbestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' met de functieaanduiding 'sierteelt'. Het realiseren van een woonwijk bestaande uit 66 woningen past niet binnen deze bestemming. Om de beoogde herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan vereist. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende plan is onderdeel van de percelen gelegen aan de Oudendijkseweg 11 - 15a te Woubrugge. Het plangebied is gelegen aan de westelijke dorpsgrens van Woubrugge en ligt direct naast een veldsportcomplex van de voetbalvereniging Woubrugge. Aan de noordkant wordt het plangebied begrensd door het dorpsgebied van Woubrugge. De locatie is kadastraal bekend onder de gemeente Woubrugge, sectie B, percelen 4627 en 4470. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van ca. 2 ha. Hieronder is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergeven.

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld, bron: Google Earth)

5

Globale begrenzing van het plangebied (rood omlijnd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van de bestemmingsplannen 'Buitengebied Oost', vastgesteld op 28 mei 2018, en 'Kernen Woubrugge-Hoogmade', vastgesteld op 23 november 2020. De navolgende afbeeldingen tonen het plangebied in relatie tot de geldende bestemmingsplannen.

Fragment geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

Fragment geldend bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' zijn de gronden binnen het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw', zonder bouwvlak. Deze gronden zijn bestemd voor glastuinbouwbedrijven met ondergeschikte wandel-, fiets- en ruiterpaden, kleinschalige natuurontwikkeling en teeltondersteunende voorzieningen zoals wegen, nutsvoorzieningen en water(berging). Het realiseren van 66 woningen past niet binnen deze bestemming. Daarnaast beschikt het bestemmingsplan niet over relevante uitwerkings- en wijzigingsregels of andere afwijkingsmogelijkheden. De ontsluiting van het beoogde woongebied valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade'. De gronden aan de noordzijde zijn binnen dit bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Groen', de gronden aan de zuidzijde van de bestemming 'Sport'. Binnen beide bestemmingen is het niet mogelijk de ontsluiting van het beoogde woongebied te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is gezien het voorgaande een herziening van het bestemmingsplan vereist. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daar in.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevant beleid vanuit het rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de relevante milieuaspecten waarmee dit plan onderbouwd wordt. De juridische planbeschrijving wordt opgenomen in hoofdstuk 5, waarna hoofdstukken 6 en 7 in gaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen op een gedeelte van het achterterrein van Nolina Kwekerijen B.V. aan de Oudendijkseweg. Het terrein is momenteel in gebruik als sierteeltgrond en is afgedekt met worteldoek en stelconplaten. Het plangebied is afgebakend door de slotenstructuur die het plangebied scheidt van de woonbuurt in het noorden en de sportcomplexen in het oosten en het zuiden. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van het plangebied weergegeven.

Impressie plangebied, zicht op woonwijk (bron: Jobo de Bouwers, d.d. april 2022)

Impressie plangebied, zicht op veldsportcomplex (bron: Jobo de Bouwers, d.d. april 2022)

8

Vanaf de jaren '50 is Woubrugge sterk gegroeid. Zo is er een groot aantal woningen gerealiseerd en zijn er langs de Tuindersweg en Oudendijkseweg verschillende glastuinbouwcomplexen ontstaan. Over de jaren is het dorp steeds verder uitgebreid richting de Leidse Slootweg en Oudendijkseweg. Op navolgende afbeelding is de historische groei van de bebouwing in Woubrugge weergegeven.

Historische groei bebouwing Woubrugge (bron: LAP Landscape & Urban Design)

2.2 Toekomstige situatie Het plangebied wordt getransformeerd naar een aantrekkelijke woonbuurt bestaande uit 66 woningen. Daarbij is aandacht voor de bestaande structuren en de relatie met de omgeving. Voor de ontwikkelingen is een plantekening vervaardigd, die een beeld geeft van de toekomstige invulling. Omdat nog onzeker is of dit de definitieve verkaveling is biedt voorliggend bestemmingsplan flexibiliteit om de situering van de woningen binnen aangewezen woonvelden te verplaatsen. Wel zal in ieder geval voorzien worden in voldoende sociale huurwoningen conform het gemeentelijke beleid. Op navolgende afbeelding is de plantekening weergegeven.

9

Plantekening Karperhof (bron: LAP Landscape & Urban Design)

Navolgend wordt kort op de verschillende planonderdelen ingegaan. Woonprogramma Er worden in het plangebied maximaal 66 woningen gerealiseerd, bestaande uit in ieder geval 21 sociale huurwoningen en voorlopig 14 sociale koopwoningen, 9 seniorenwoningen, 14 rijwoningen, 4 twee-ondereen-kapwoningen en 4 vrijstaande woningen. Op navolgende afbeelding is weergegeven hoe deze woningtypen over het plan verdeeld zijn.

10

Programma in relatie tot plangebied (bron: LAP Landscape & Urban Design)

De bebouwing staat evenwichtig verspreid over het plangebied, waarbij het appartementengebouw/beneden-bovenwoninggebouw centraal in het gebied komt te staan. In het gebouw worden 21 sociale huurappartementen/beneden-bovenwoningen gerealiseerd. De 7 woningen op de begane grond zijn levensloopbestendig, doordat de bewoners geen trap hoeven te lopen. Daarnaast beschikken deze woningen over een kleine tuin met berging. De overige appartementen beschikken allen over een eigen berging, die uitpandig ten oosten van het woongebouw komen te staan. Aan de zuidzijde van het plangebied zijn rug-aan-rug woningen beoogd, die uitgevoerd worden als betaalbare koopwoningen. Het basisidee voor deze starterswoningen is: iedereen een betaalbare grondgebonden woning met parkeren en tuin op eigen erf. Aan de oostzijde van het plangebied komen twee rijen met seniorenwoningen te staan. De seniorenwoningen worden uitgevoerd als grondgebonden levensloopbestendige woningen. Deze woningen hebben één bouwlaag en een kapconstructie. Aan de zuidwestkant en noordoostkant staan twee rijen met traditionele rijwoningen (twee bouwlagen met een kapconstructie). Dit zijn 14 woningen in het middeldure segment. Aan de westkant worden vier twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Deze woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap (zadeldak of dwarskap). De garage wordt geschakeld aan de woningen gerealiseerd.

Als afsluiting van het plan richting de Turfeiker worden vier vrijstaande woningen gerealiseerd; afwisselende woningen die aansluiten op de bestaande woningen aan de Turfeiker. Water, openbare ruimte en groen Voor de inrichting en de materialisering van de openbare ruimte is aansluiting gezocht bij de LIOR 7.0 van de gemeente Kaag en Braassem. Zo worden de straatprofielen conform de LIOR ontworpen. Het parkeren wordt op een groene wijze ingevuld door gebruik te maken van halfverharding. Deze halfverharding zorgt voor waterinfiltratie, beplanting voor biodiversiteit en een gezondere bodemgesteldheid. In het plangebied worden langs de hoofdontsluitingsweg en aan de waterkant diverse bomen aangeplant. Dit draagt positief bij aan de biodiversiteit en het terugdringen van hittestress. Bovendien heeft het een afschermende werking tussen de woonbuurt en het veldsportcomplex ten oosten van het plangebied. In de

11

openbare ruimte worden verder bloemen- en kruidenmengsels ingezaaid om zo de diversiteit in flora te vergroten. Materialen voor de speelvelden worden zo natuurlijk mogelijk uitgevoerd met natuurlijke speelelementen. Ten behoeve van voorliggend plan wordt de waterstructuur aangepast. De oost-west georiënteerde watergang die in de huidige situatie het plangebied doorkruist wordt gedempt. Langs de westzijde van het plangebied wordt een nieuwe watergang gegraven die de watergangen ten noorden en ten zuiden van het plangebied met elkaar verbindt. Deze watergang wordt voorzien van natuurvriendelijke oevers. Hemelwater wordt zoveel mogelijk afgevoerd naar de verlaagde grasstroken. Voordat het water naar de openbare ruimte stroomt is de ambitie zoveel mogelijk water op te vangen op de kavels zelf. Daarbij wordt ingezet op duurzaam gebruik van afstromend hemelwater in de private tuinen door geïntegreerde architectonische watertonnen, waar water hergebruikt kan worden. Verkeer en parkeren Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten vanaf de Turfeiker. Deze aansluiting is voorzien op de braakliggende kavel tussen Turfeiker 38 en Turfeiker 40. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt een voetgangers- en fietsverbinding gerealiseerd die tevens gebruikt kan worden als calamiteitenroute. Verder zijn daar geen ontsluitingen voor autoverkeer voorzien.

Deze aansluiting voor langzaam verkeer komt ten oosten van de tennisvereniging te liggen en wordt aangesloten op de Vingerhoedtstraat. Binnen het plangebied worden de wegen die geschikt zijn voor al het verkeer ingericht als wegen waar auto's een maximum snelheid van 30 km/u mogen rijden. Het aantal wegen dat geschikt is voor auto's is beperkt om zo fietsgebruik en voetgangers te stimuleren. In de nieuwe wijk wordt zowel geparkeerd in de openbare ruimte als op eigen terrein. In totaal bevinden zich 72 parkeerplaatsen in de openbare ruimte langs de straat. Deze zullen zoveel mogelijk in groen worden ingepakt. Aan de binnenzijde van de woonblokken zijn nog 47 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan 17 parkeerplaatsen in het zuidelijke hof openbaar toegankelijk zijn. De overige 30 parkeerplaatsen bevinden zich op eigen terrein. Parkeren komt nader aan bod in toelichting paragraaf 4.10.2.

12

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio's toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de kortetermijnmaatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het plan is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het ontwikkelen van woningen, wat bijdraagt aan de prioriteit sterke en gezonde steden en regio's.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro worden dan ook geen specifieke randvoorwaarden gesteld aan het plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

13

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Vanuit jurisprudentie kan worden opgemaakt dat de ondergrens voor stedelijke ontwikkeling voor woningbouw ligt vanaf 12 woningen. Het beoogde plan voorziet in de realisatie van 66 woningen, waarmee er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden worden navolgend de 'stappen van de ladder' doorlopen. Behoefte woningbouwontwikkeling In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 beschrijft de gemeente dat er een tekort is aan seniorenwoningen waardoor deze groep niet kan doorstromen. Hierdoor komt de koopwoningmarkt op slot te zitten en kunnen starters geen geschikte woning vinden en blijven langer in de sociale (huur)woningsector hangen, waardoor mensen die een sociale (huur)woning nodig hebben deze niet kunnen verkrijgen. Om dit probleem op te lossen heeft de gemeente extra aandacht voor projecten die zich richten op jongeren, starters en senioren. Voorliggend plan speelt in op deze vraag door hoofdzakelijk woningen in het bereikbare segment te realiseren. Dit draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt.

Bestaand stedelijk gebied De beoogde ontwikkeling vindt plaats direct ten westen van het stedelijk gebied van Woubrugge. Volgens artikel 1.1,1, eerste lid, onder h van het Bro is bestaand stedelijk gebied 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Uitgaande van deze definitie kunnen de gronden in het plangebied niet aangemerkt worden als bestaand stedelijk gebied. Het is in de huidige situatie immers onderdeel van een agrarisch perceel dat onderdeel uitmaakt van een agrarisch lint. Als een woningbouwontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In het bestaand stedelijk gebied van de Woubrugge zijn weinig locaties meer beschikbaar waar grotere woningbouwontwikkelingen plaats kunnen vinden. Dit is door de gemeente bevestigd in de Omgevingsvisie Kaag en Braassem, waarin mogelijke ontwikkellocaties aan de rand van de kernen lichtrood gearceerd zijn. Vanwege de behoefte aan woningen zijn er wel grotere ontwikkelingen benodigd.

Het plangebied kan, vanwege zijn ligging direct naast het dorpsgebied van Woubrugge, gezien worden als de meest geschikte locatie voor een dergelijke ontwikkeling.

14

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

15

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Ambities en sturingen De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmeringen voor de herontwikkeling. Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Het plangebied ligt in een gebied dat is aangewezen als oude stroomgordel en geulafzettingen. Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Dit zijn de zogenaamde stroomgordels. In het plangebied en omgeving zijn geen hoogteverschillen meer herkenbaar. Hier doet voorliggend plan dan ook geen afbreuk aan. - Laag van de stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' staat het plangebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.

Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tevens dragen ze bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Met het voorliggende plan wordt het front aan de rand van Woubrugge versterkt. De ontwikkeling zal zoveel als mogelijk aansluiten op de identiteit van het dorp. De beoogde woningtypen zijn passend in het dorpse karakter. Er wordt een duidelijke rand van het dorp gecreëerd met een overgang tussen bebouwd gebied en landschap. Beleidskeuzes De volgende beleidskeuzes uit de omgevingsvisie zijn relevant voor voorliggend plan: 'Toekomstbestendig bouwen', 'Naar een klimaatbestendig Zuid-Holland', 'Wonen', 'Ruimtelijke kwaliteit' en 'Verstedelijking'. Het beoogde plan gaat mee in de twee eerstgenoemde beleidskeuzes door de inzet van zowel klimaatbestendige als energieneutrale maatregelen waardoor de woonbuurt toekomstbestendig is. De drie overige beleidskeuzes komen navolgend aan bod. - Wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeente, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van woningcorporaties. Met de beoogde ontwikkeling worden er 66 nieuwe woningen gerealiseerd.

Dit versterkt het doel om te voorzien in voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen.

16

- Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Zoals reeds aan bod kwam in toelichting paragraaf 2.2 wordt de beoogde woonbuurt zorgvuldig ingericht en krijgt het een goede ruimtelijke kwaliteit. - Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie wil zoveel mogelijk bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De planlocatie ligt in het gebied dat is aangemerkt als landelijk gebied. Desalniettemin bevindt het zich wel in de stads- en dorpsrand. Omdat het plangebied direct ten zuiden van een bestaande woonbuurt ligt en door de gemeente is aangemerkt als potentiële ontwikkellocatie is het een logische locatie voor verstedelijking. Conclusie Er volgen geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie van Zuid-Holland voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland en in lijn is met de provinciale ambities.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, zoals aan bod is gekomen in toelichting paragraaf 3.2.1, maar een wijziging op structuurniveau veroorzaakt. In de huidige situatie zijn de gronden immers onbebouwd en bestemd als agrarisch gebied. Door de woningen zorgvuldig in te passen, in lijn met de naastgelegen woningen, blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk. Daarmee is het plan in lijn met artikel 6.9 lid 5 en kan voorzien worden in de ruimtelijke ontwikkeling.

17

Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de Omgevingsverordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.'

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Beschermingscategorie 3 buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor beschermingscategorie 3 geldt. In artikel 6.9a van de omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied in een ruimtelijke ontwikkeling kan voorzien, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: a. b. c. d.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het verwijderen van sierteeltgronden en het realiseren van een woonbuurt bestaande uit 66 woningen. De historische verkavelingsstructuren zijn ter plaatse al weinig herkenbaar meer. Het plangebied ligt in de dorpsrand van Woubrugge geflankeerd door diverse stedelijke functies, waaronder sport, onderwijs, buitenschoolse opvang en een supermarkt. Het onderscheid tussen stad en buitengebied wordt niet aangetast, omdat het plangebied in het verlengde van de bestaande woonomgeving komt te staan. Het plangebied gaat dan ook onderdeel uitmaken van het stedelijke gebied van Woubrugge. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling in lijn is met artikel 6.9a van de omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

18

- Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van de provincie blijkt dat op de beoogde locatie van de ontwikkeling geen sprake is van overlast bij extreme neerslag. - Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van Alphen aan den Rijn blijkt dat ter plaatse van het plangebied bij een overstroming een diepte van 0 m geldt. Het gebied is niet overstromingsgevoelig. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden niet nodig geacht. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is sprake van een hogere gevoelstemperatuur. De hittestress zal mogelijk toenemen wanneer de nieuwe woningen gerealiseerd worden. Tegelijkertijd wordt er nieuw groen gerealiseerd en ligt het plan aan meerdere watergangen. Hierdoor wordt de invloed van hittestress beperkt. - Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van droogte. In de bestaande situatie is het plangebied deels onverhard. In de toekomstige situatie zal het effect van droogte beperkt worden door infiltratievoorzieningen. Daarnaast is er in de toekomstige situatie ook voldoende oppervlaktewater aanwezig nabij het plangebied. Uit de droogtestress kaart van de Atlas van de Regio blijkt dat ter plaatse van het plangebied een laag risico op droogtestress bestaat.

Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Omgevingsagenda 2040 Op 11 juni 2021 hebben de gemeenten Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Voorschoten, Teylingen en Zoeterwoude gezamenlijk de eindversie van de Regionale Omgevingsagenda gepresenteerd. De omgevingsagenda van de regio Holland-Rijnland bespreekt hoe op integrale wijze alle ruimte-vragende functies een plek kunnen krijgen in de regio of waar keuzes gemaakt moeten worden. Dat leidt tot de integrale hoofdopgave: zoeken naar balans. Deze omgevingsagenda helpt bij het maken van richtinggevende keuzes voor de toekomst. In ieder geval stelt de regio zichzelf de volgende doelen: 1. 2. 3. 4. 5.

versterken kenniseconomie en complementaire bedrijvigheid; realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting; investeren in infrastructuur voor mobiliteit en energievoorziening; creëren van voldoende plekken voor het opwekken van duurzame energie; bieden van een toekomstperspectief voor het landschap.

Met de Regionale Omgevingsagenda zet de regio een stip op de horizon. Zo levert Holland Rijnland een bijdrage aan nationaal en provinciaal beleid en bestaande afspraken over verstedelijking, economie en mobiliteit. Planspecifiek Met het beoogde initiatief worden 66 nieuwe woningen gerealiseerd aan de westzijde van Woubrugge. Hiermee wordt aangesloten op de tweede doelstelling 'realiseren van flinke woningaantallen voor een passende huisvesting'. Primair zet de regio in op beperkte extra woningbouw voor de lokale behoefte in of nabij de kernen. Voorliggend plan is aan te merken als een dergelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de Regionale Omgevingsagenda 2040.

19

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de actualisatie van de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Planspecifiek Met voorliggend plan worden 66 nieuwe woningen aan het stedelijk gebied van Woubrugge toegevoegd. Hiermee wordt aangesloten op het thema 'wonen in Kaag en Braassem'. De afgelopen jaren heeft de gemeente onder andere de focus gelegd op het versterken van de bestaande woonmilieus. Echter sluit de gemeente grootschalige woningbouw bij kernen waar voorzieningen aanwezig zijn, waaronder Woubrugge, niet uit. Omdat het aantal geschikte inbreidingslocaties beperkt is heeft de gemeente een tweede contour opgenomen waarmee logische uitbreidingsruimte bij de verschillende dorpen geïllustreerd wordt. Op navolgende afbeelding is deze contour deels weergegeven.

20

Kaart uitbreidingslocaties, plangebied zwart omlijnd (bron: Omgevingsvisie Kaag en Braassem)

Omdat de ontwikkeling aan de dorpsrand ligt is een goede landschappelijke inpassing van belang. Zoals reeds in toelichting paragraaf 2.2 beschreven worden er verschillende maatregelen op het gebied van groen, water en biodiversiteit voorgesteld. De randen van het plangebied blijven vrij van bebouwing. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de gemeentelijke omgevingsvisie.

21

4 Milieuaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Sinds 1 januari 2021 geldt voor gevallen onder de drempelwaarden (kolom 2) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (informele mer-beoordeling) dat niet al bij de aanvraag om het merbeoordelingsplichtige besluit een mer-beoordelingsbesluit hoeft te worden gevoegd. De mer-beoordeling kan worden uitgevoerd, nadat de aanvraag is gedaan. De aanvraag moet worden afgewezen als uit de merbeoordeling blijkt dat een m.e.r. nodig is. De beslissing over de mer-beoordeling kan worden gemotiveerd bij het mer-beoordelingsplichtige besluit (een afzonderlijke mer-beoordelingsbesluit is derhalve niet nodig). Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan onder mogelijkheid c valt. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk de realisatie van 66 nieuwe woningen. Tevens wordt met

22

voorliggend plan sierteeltgrond weggenomen, wat valt onder kolom 1 D 9 (een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan). Ook hierbij wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde (functiewijziging van 125 ha landbouwgrond). Er kan daarmee volstaan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er is een m.e.r. noodzakelijk.

Er dient te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten, zo vereist artikel 7.19 van de Wet milieubeheer. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. In het plangebied vinden diverse ingrepen plaats in het kader van de herontwikkeling. Allereerst worden de bestaande verharding en sierteeltvoorzieningen verwijderd. Om vervolgens de nieuwbouw te kunnen realiseren zijn er verschillende ruimtelijke ingrepen nodig, waaronder ontgravingen, het bouwrijp maken van de gronden en het aanleggen van voorzieningen. Dit wordt navolgend meegenomen in de toetsing aan de beoordelingscriteria. Kenmerken van het project Onderhavige ontwikkeling is een opzichzelfstaande ontwikkeling over een oppervlakte van ca. 2 ha. Ten gevolge van de ontwikkeling van het project kan er sprake zijn van cumulatie van effecten met andere projecten. In de omgeving spelen echter geen andere significante ontwikkelingen, waardoor cumulatieeffecten uit te sluiten zijn. De meest significante effecten van het project zijn te verwachten bij de verkeersafwikkeling tijdens de aanlegfase. Bij onderhavig project zal voor de verkeersafwikkeling in de aanlegfase gebruik worden gemaakt van de Turfeiker. Het bouwverkeer komt uit op de Bateweg.

Deze weg beschikt na herinrichting hoogstwaarschijnlijk over voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen. Belangrijke effecten in de aanlegfase zijn dan ook niet te verwachten. Naar verwachting neemt de aanlegfase 18 à 24 maanden in beslag. Naast een verkeerstoename door bouwverkeer vinden er in deze periode werkzaamheden plaats. De belangrijkste effecten hierbij zijn geluidsproductie en luchtverontreiniging. Met het project worden maximaal 66 woningen gerealiseerd. Deze woningen verbruiken elektriciteit en brengen in totaal 385 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee. De ontsluiting van het gebied komt uit op de Turfeiker. Plaats van het project Het project vindt niet plaats in een kwetsbaar gebied. Uit de quickscan Wet natuurbescherming (toelichting paragraaf toelichting paragraaf 4.7) blijkt dat er geen externe effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Bovendien blijkt uit de AERIUS-berekening dat een significant negatief effect voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie uit te sluiten is. Kenmerken van het potentiële effect Voorliggende planontwikkeling is van relatief onaanzienlijke schaal, waardoor productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt is.

Doordat de ontwikkeling slechts gebouwen en bijbehorende voorzieningen mogelijk maakt zijn de aard en de complexiteit van het project klein en zijn de effecten omkeerbaar. Desalniettemin worden de potentiële effecten van het project navolgend beschouwd. Door het gebruik van modern materieel zijn de effecten voor de luchtkwaliteit beperkt. Omwonenden kunnen hinder ondervinden door de geluidsproductie en hun gezondheid kan hieronder leiden. De geluidsproductie zal tijdens de gehele aanlegfase variëren in intensiteit en veelal doordeweeks tijdens werktijden plaatsvinden. Doordat er daarnaast slechts aan de noord- en zuidoostkant van het plangebied woningen tegen het plangebied aan liggen is de hinder door geluidsproductie voor omwonenden beperkt. Doordat de werkzaamheden niet 's nachts plaatsvinden zijn de gevolgen voor de gezondheid (door verstoring van slaap) nihil.

23

Tevens kunnen er bij de aanlegfase cultuurhistorische en archeologische waarden aangetast worden. In het plangebied is echter sprake van een lage archeologische verwachtingswaarde. Daarnaast zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Doordat de woningen voldoen aan de BENG-eisen en daardoor geen uitstoot met zich meebrengen zijn de permanente effecten beperkt. Ook de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval leidt tot een beperkter effect van de huishoudelijke afvalproductie. Per saldo zijn de effecten van het gebruik beperkt en komt de kwaliteit van de omgeving van het plangebied niet in het geding. Conclusie Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerpplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r. niet vereist is.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde plan. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het plangebied heeft op dit moment de enkelbestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Met voorliggend plan wordt deze deels omgezet naar de enkelbestemming 'Wonen', waardoor er sprake is van een gevoeliger bodemgebruik. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (IDDS, A2579-06/PBE/rap1, d.d. zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt het volgende:

• •

• • •

In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft zwakke bijmengingen met baksteen welke zich beperken tot de bovengrond. Ter plaatse van de gedempte sloten zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de voormalige waterbodem dan wel afwijkend dempingsmateriaal. Ter plaatse van de landbouwdam is geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen ten opzichte van het overige deel van de locatie. Vermoedelijk is bij de demping van de voormalige sloot en de realisatie van de landbouwdam gebiedseigen grond gebruikt. De bovengrond is niet tot licht verontreinigd met lood en/of kwik. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen realisatie van een woonwijk en het hierop volgende gebruik.

24

In het kader van de beoogde slootdemping is er ook een waterbodemonderzoek uitgevoerd (IDDS, A257906/PBE/rap2, d.d. 17 april 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat de vaste waterbodem altijd toepasbaar is. Het vrijkomende slib kan worden toegepast als klasse B in oppervlaktewater. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied ligt op ruime afstand van geluidgezoneerde wegen, met de dichtstbijzijnde weg met een geluidszone, namelijk de Tuindersweg, op een afstand van ongeveer 220 meter.

Uit de geluidbelastingskaart wegverkeer van de Atlas Leefomgeving blijkt dat de geluidniveaus in het plangebied ruimschoots lager liggen dan de voorkeursgrenswaarde.

25

Uitsnede kaart geluidbelasting wegverkeer (plangebied zwart omlijnd, bron: Atlas Leefomgeving)

De overige geluidbronnen uit de Wet geluidhinder, namelijk geluidgezoneerde industrieterreinen en spoorwegen liggen niet in de omgeving van het plangebied. Wel is geluid van bedrijven relevant in het kader van milieuzonering. Dit komt in toelichting paragraaf 4.4. Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de Wet geluidhinder geen belemmering vormen voor voorliggend plan.

4.4 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

26

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=19e994b5-c73e-452b-b0cb-83d73eea3dd2