NL.IMRO.1884.BPIRENELAAN3A‐VAS1 toelichting
Tekst van het document
De vrijstaande woningen hebben een lage goot van 4,5 m, maar kunnen wel een nok van ca. 10 meter hebben. Routing De autotoegang blijft vanaf de Beatrixlaan. Aan de westkant van het terrein, ter plaatse van de huidige weg, kunnen parkeerplaatsen komen. Afhankelijk van wat wordt afgesproken met de bewoners zal de autoweg al eerder worden afgewaardeerd tot wandelpad. Het park is voor voetgangers ook toegankelijk vanaf de doorsteken vanaf de Irenelaan. 22
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Ruimtelijke opzet van het plan principeverzoek 2018
4.3 Programmatische invulling Het plan bestaat uit de realisatie van 6 waterwoningen en 5 vrijstaande woningen. Op het terrein wordt de bestaande watergang uitgebreid met minimaal 700 m 2 open water. Daarnaast wordt een park gerealiseerd van circa 7.500 m2. De inrichting van het park zal in overleg met de omwonenden plaatsvinden, waarbij eventueel ook ruimte is voor speelvoorzieningen. Tijdens de inloopbijeenkomst voor de bewoners zijn twee varianten gepresenteerd. Variant 1 (woningen naast een openbaar park) is een letterlijke vertaling van het principeverzoek. Hierbij worden 9 waterwoningen gerealiseerd en 6 vrijstaande woningen. Variant 2 (woningen rondom een openbaar park) is een lossere opzet van het programma, waarbij park, water en woningen geleidelijk in elkaar overgaan. Hierbij worden ook 9 waterwoningen en 3 vrijstaande woningen en 2 2^1 kapwoningen gerealiseerd. Na overleg met de provincie, de gemeente en direct omwonenden is variant 1 verder uitgewerkt in een stedenbouwkundig ontwerp. Deze vormt de basis voor het bestemmingsplan. Het ontwerp wordt hieronder verder toegelicht. Uitwerking variant 1 De noordelijke strook wordt onderverdeeld in 5 vrije kavels van ruim 500 m2. De vrijstaande woningen komen minimaal 5 meter vanaf de sloot te staan, zodat een lage oever mogelijk is. De vrijstaande woningen hebben een footprint van ca.
100 m 2, lage goten (4,5 m) en een nok van ca. 10 meter, wat vertrekken op de tweede verdieping mogelijk maakt. Ten zuiden van de ontsluitingsweg zijn de 6 waterwoningen geprojecteerd. Deze woningen profiteren optimaal van het uitzicht en de ligging aan het park en hebben minder grote privé kavels. De woningen zijn vrijstaand maar twee-aan-twee geclusterd, om zodoende grotere tussenruimtes open te houden ten behoeve van de transparantie van het gebied. Deze 23
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
woningen hebben een footprint van ca. 120 m2, zijn twee laags (bouwhoogte van 6 m), met een bijzondere kapvorm die efficiënt kan worden gebruikt. De wegen en parkeergebieden in het gebied worden vormgegeven als erf, zonder hoogteverschillen en afzonderlijke trottoirs. Er zal ter hoogte van de grens tussen woongebied en recreatiegebied voldoende ruimte worden gecreëerd om te keren. De woningen zullen na vaststelling van het bestemmingsplan, in overleg met omwonenden, exact gepositioneerd en ontworpen worden. Uitgangspunt is een architectuur die aansluit op het dorpse karakter met gebruik van materialen met een natuurlijke uitstraling. Zowel in de bebouwing als de inrichting van de kavels en het park wordt zoveel mogelijk ingezet op natuur inclusieve toepassingen. In de bijlage is de beeldkwaliteit van de woningen nader omschreven. Het beeldkwaliteitsplan vormt de basis voor de verdere uitwerking van het plan.
Voorbeeld uitwerking variant 1
Referentiebeelden
24
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
4.4 Parkeren De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 15 maart 2018 de Beleidsregel parkeernormen Kaag en Braasem 2018 vastgesteld. Hierin staan minimale en maximale parkeernormen per woningtype. Het plangebied valt onder rest bebouwde kom. Hiervoor gelden de onderstaande parkeernormen. • • • •
vrijstaand: 2^1 kap: rijwoningen: recreatiewoningen
1,9 - 2,7 parkeerplaats per w. (= incl. 0,3 bezoekers); 1,8 - 2,6 parkeerplaats per w. (= incl. 0,3 bezoekers); 1,6 - 2,4 parkeerplaats per w. (= incl. 0,3 bezoekers); 1,6 - 1,8 parkeerplaats per w. (= incl. 0,91 bezoekers);
In het plan worden 11 woningen gerealiseerd. Deze bestaan uit 5 vrijstaande woningen en 6 waterwoningen. Daarnaast blijven de bestaande recreatiewoningen op het terrein gehandhaafd. In overleg met de gemeente is uitgegaan van een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning voor zowel de vrijstaande woningen als de waterwoningen. Deze ligt nog ruim boven de minimum parkeernorm van 1,9 parkeerplaats per woning op basis van de Beleidsregel parkeernormen Kaag en Braassem 2018. De benodigde parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen zullen grotendeels op eigen terrein worden gerealiseerd (2 parkeerplaatsen per woning). Voor de waterwoningen is gerekend met 1 parkeerplaats op eigen terrein. De overige parkeerplaatsen voor de woningen zullen op openbaar terrein worden gerealiseerd. In totaal zullen 32 parkeerplaatsen op openbaar terrein worden gerealiseerd, waarvan 10 parkeerplaatsen voor de woningen en 22 parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeernormbeleid. Bij de verdere uitwerking van het plan zal het precieze aantal parkeerplaatsen bepaald worden. Hieronder is een voorstel voor de parkeeroplossing weergegeven.
Parkeervoorzieningen
25
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
4.5 Verkeersgeneratie en verkeerssituatie pont en eiland Het plan heeft effect op de restcapaciteit van de pont tussen Buitenkaag en Kaag, en effect op de restcapaciteit op de Julianalaan op Kaageiland. Om het effect op de pont en de Julianalaan te bepalen is een verkeersonderzoek inclusief een aantal tellingen bij de pont uitgevoerd door het verkeerbureau Goudappel Coffeng (zie bijlage). De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De recente tellingen laten een vergelijkbaar beeld zien als het eerder uitgevoerde onderzoek. Hierbij dient te worden opgemerkt dat bij het verkeersonderzoek is uitgegaan van 15 woningen. Inmiddels is het plan bijgesteld naar 11 woningen, waardoor de berekening kan worden beschouwd als een worst-case scenario. Restcapaciteit Julianalaan Op de Julianalaan blijkt na ontwikkeling van het plan nog sprake te zijn van een restcapaciteit van 27 motorvoertuigen. De ontwikkeling genereert 124 motorvoertuigen gedurende een werkdag etmaal, en de Julianalaan beschikte nog over een restcapaciteit van 151 motorvoertuigen gedurende een werkdag etmaal. Aangezien de Julianalaan nog beschikt over restcapaciteit levert de ontwikkeling van het plan geen problemen op omtrent de verkeersbelasting op de Julianalaan.
Restcapaciteit pont Na ontwikkeling van het plan blijkt de pont gedurende de ochtendspits nog te beschikken over een restcapaciteit van 18 auto’s in de richting van Buitenkaag en over een restcapaciteit van 45 auto’s in de richting van Kaag. Voor de avondspits geldt dat de pont na de ontwikkeling van het plan nog beschikt over een restcapaciteit van 6 auto’s in de richting van Buitenkaag en over een restcapaciteit van 7 auto’s in de richting van Kaag. Gedurende het daluur is sprake van een restcapaciteit van 13 auto’s per uur in de richting van Buitenkaag en sprake van een restcapaciteit van 8 auto’s in de richting van Kaag. Ook na ontwikkeling van het plan beschikt de pont nog over de nodige restcapaciteit. Gedurende het drukste moment is er sprake van een restcapaciteit van 7 auto’s per 2 uur (avondspits in de richting van Kaag). De pont kan het extra verkeer gegenereerd door de toekomstige ontwikkeling dus afwikkelen. Conclusie Het plan levert een toename op van het verkeer op de Julianalaan en het verkeer dat via de pont moet worden afgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat op de Julialaan en de pont voldoende restcapaciteit beschikbaar is om het extra verkeer aan te kunnen.
26
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5
Onderzoek en beperkingen
Voor het plangebied zijn er diverse onderzoeken gedaan om de haalbaarheid van de plannen te toetsen. Daarnaast geven deze onderzoeken de randvoorwaarden waar de planontwikkeling in het plangebied aan moet voldoen.
5.1 Water 5.1.1 Wet- en regelgeving en beleid Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese wateren in 2015 een 'goede toestand' hebben en dat heel Europa duurzaam omgaat met water. Waterwet De Waterwet (2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet helpt het Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Waterbeheerplan 2010-2015 In dit waterbeheersplan van het hoogheemraadschap van Rijnland is het beleid vastgelegd voor het beheer van het watersysteem waarvoor het hoogheemraadschap verantwoordelijk is. Doel van het waterplan is dat het water, de waterbodem en de oevers in hun onderlinge samenhang worden bekeken en benaderd. Het betekent ook dat via een gebiedsgerichte benadering de belangen worden meegewogen van alle functies die in het gebied aanwezig zijn. De Keur 2009 In dit beleidsdocument staan de regels voor het beheer, gebruik en onderhoud van waterstaatswerken.
Particulieren, bedrijven en andere overheden zijn verplicht zich aan de Keur te houden. Indien er niet aan de Keur 2009 wordt gehouden, zal het waterschap genoodzaakt zijn maatregelen te nemen. Keur en uitvoeringsregels Rijnland zorgt voor droge voeten, veiligheid en gezond water. Een belangrijk onderdeel hierbij is het reguleren van initiatieven van burgers en bedrijven die het watersysteem kunnen beïnvloeden. Om ervoor te zorgen dat deze initiatieven geen problemen veroorzaken, stelt Rijnland regels hiervoor. Deze staan in de Keur en de daarbij behorende uitvoeringsregels. Op 11 maart 2015 heeft het bestuur van Rijnland een nieuwe Keur en daarbij behorende uitvoeringsregels vastgesteld. Deze regels zijn op 1 juli 2015 in werking getreden. Bij het opstellen van deze nieuwe Keur heeft Rijnland een nieuwe aanpak gebruikt. Niet langer zijn de regels gebaseerd op de gebruikelijke ‘nee, tenzij’ aanpak, maar gaat Rijnland uit van ‘ja, tenzij’. Hierbij geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan en stelt Rijnland regels waar dat moet. De uitvoeringsregels zijn een nadere uitwerking van de nieuwe Keur die eveneens per genoemde datum in werking zijn getreden. De Keur en uitvoeringsregels maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
27
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen.
5.1.2 Onderzoek water Oppervlaktewater In het plangebied bevindt zich oppervlaktewater. Grondwater Ten aanzien van het grondwater worden geen problemen verwacht. Waterketen Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, te voorkomen wordt het regenwater niet direct naar de riolering afgevoerd maar volgens de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ behandeld. Binnen het plangebied is een gemengd stelsel aanwezig waarbij zowel het hemelwater als vuilwater op wordt afgevoerd. Het vuilwater (dwa) van de recreatiewoning wordt aangesloten op dit rioolstelsel. Aangezien het gaat om een bestaande dwa-aansluiting hoeven geen maatregelen aan het bestaande stelsel uitgevoerd te worden. Bij realisatie van de woningen wordt gebruik gemaakt van duurzame bouwmaterialen (dus geen zink, koper, lood en PAK’s-houdende materialen) die niet uitlogen, of worden de bouwmaterialen voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Op deze manier wordt diffuse verontreiniging van water (en bodem) voorkomen. Waterberging Door 11 nieuwe woningen neemt het verhard oppervlak circa 2.420 m 2 toe. • waterwoningen á 120 m2 plus 50 m2 verharding • 5 vrijstaande woningen á 100 m2 plus 100 m2 verharding en bijgebouwen • extra verharding door verbreding toegangsweg
= 1.020 m2 = 1.000 m2 = 400 m2
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de verharding van de parkeerplaatsen overeen komt met bestaande parkeervlakken, maar uitgevoerd worden met grasklinkers. Ook is de oppervlakte van de wandelpaden is gelijk aan de oppervlakte van de huidige weg. Hierbij zullen de paden in het park half verhard worden aangelegd. In de huidige situatie zijn deze uitgevoerd met betonbestrating. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het verhard oppervlak toe met 2420 m 2 . Hierdoor moet minimaal 15% aan verhard oppervlak gecompenseerd worden. Dit komt neer op circa 363 m2. In het plan wordt minimaal 700 m2 extra water gecreëerd door verbreding van de bestaande watergang. Deze watergang is opgenomen in de inrichtingstekening van de nieuwe situatie. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de eisen van Rijnland ten aanzien van de watercompensatie. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in het kader van de bouwaanvraag een Watervergunning zal worden aangevraagd waar de exacte toename van het aantal m 2 verhard oppervlak en het aantal m2 te graven open water zal worden bepaald. Watertoets In het kader van de watertoets wordt het plan voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat alle verhardingen dienen te worden meegenomen en aangegeven moet worden waar de watercompensatie plaatsvindt. Op basis hiervan is de paragraaf aangepast. 28
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5.1.3 Conclusie water Ten aanzien van het oppervlaktewater, grondwater en de waterketen worden geen problemen verwacht. Aangezien het verhard oppervlak toeneemt wordt extra oppervlaktewater in het plan gecreëerd (circa 700 m2) als compensatiemaatregel. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de eisen van Rijnland ten aanzien van de watercompensatie. De realisatie van de woningen heeft daardoor geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in (de nabijheid van) het plangebied.
5.2 Bodem 5.2.1 Wet- en regelgeving en beleid Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming (1996) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Voor ruimtelijke plannen moet ten minste een historisch onderzoek worden verricht (conform NEN 5725). Als uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, moet een verkennend bodemonderzoek worden verricht (conform NEN 5740).
5.2.2 Bodemonderzoek Voor het plan is door Terras Scan een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn en er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor het plan zijn.
5.2.3 Conclusie bodemonderzoek Er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen voor het plan.
5.3 Flora en fauna 5.3.1 Wet- en regelgeving en beleid Natuurbescherming in Nederland De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en 29
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS) en het Programma Groen zijn ruimtelijk vastgelegd in de Agenda Groen. Het Natuurnetwerk ZuidHolland is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones bestaand uit het Natuurbeheerplan Zuid-Holland en de Structuurvisie. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt nabij een provinciaal beschermd weidevogelgebied. Vanwege dit gebied mogen geen activiteiten ondernomen worden die schade toebrengen aan de weidevogels. Het weidevogelleefgebied kent geen externe werking.
5.3.2 Onderzoek flora en fauna In het kader van het plan is door het bureau Els & Linde B.V. op 6 maart 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage). Hieronder zijn de belangrijke conclusies uit de quickscan opgenomen. Beschermde soorten Uit de resultaten van de quickscan ecologie van 6 maart 2020 is gebleken dat de aanwezigheid van vleermuizen zijn uit te sluiten. De kleine marters zijn in Zuid-Holland wel beschermd, maar hiervoor geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen op grond van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Daarom is hiervoor geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Er is een kans op een jachtgebied voor vleermuizen, gelet op de omgeving is het geen essentieel jachtgebied (er zijn veel gelijke gebieden aanwezig waar dieren kunnen jagen). Geadviseerd wordt om bij het plaatsen van de openbare verlichting rekening te houden met vleermuizen en amberkleurige verlichting te plaatsen (vleermuizen worden door deze kleur lampen niet gehinderd). Ook een eventueel aanwezige vliegroute wordt dan niet gehinderd. Binnen de locatie is een mogelijkheid voor het aantreffen van overwinterende amfibieën, zowel in de waterpartijen als ingegraven in de oevers. Werkzaamheden dienen buiten deze kwetsbare periode uitgevoerd te worden. Bij omlegging van waterpartijen zijn maatregelen nodig ter bescherming van amfibieën.
Voor de werkzaamheden aan de waterpartijen wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol te hanteren. Er is een grote kans op het broeden van algemeen voorkomende vogels binnen het terrein. De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen te starten. Er mag geen verlichting toenemen op het weidevogelleefgebied. Zorgbeginsel Binnen de gebieden is kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf de werkgebieden kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten de werkgebieden te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten de werkterreinen intact te worden gelaten. Eventueel noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (winter) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen.
30
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat voor het plan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
5.4 Cultuurhistorie en archeologie 5.4.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet op de archeologische monumentenzorg In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.
Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In het plangebied bevinden zich geen gemeentelijke monumenten. De aanwezige bebouwing is van eenvoudige architectuur.’
5.4.2 Onderzoek cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied geen trefkans is op archeologische sporen. Archeologiebeleid gemeente Kaag en Braassem (2013) In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn bij raadsbesluit van 13 mei 2013 de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Daarbij is de nieuwe archeologische beleidsadvieskaart opgenomen. Op de beleidskaart heeft het gebied een middelhoge verwachting en voor een klein deel ontginningassen. Voor het deel met een middelhoge verwachting geldt dat bij plannen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld aanvullend archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Een klein deel valt zogezegd in ontginningsassen. Hiervoor geldt dat bij 31
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
plannen groter dan 150 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld aanvullend archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Planspecifiek In overleg met de gemeente is bepaald of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien het deel dat in de ontginningsas ligt kleiner is dan 150 m 2, is geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Melding toevalsvondst In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van het bepaalde in artikel 5.10 van de Erfgoedwet te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de afdeling archeologie van Omgevingsdienst West-Holland, tel. 071-4083100. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.
5.4.3 Conclusie cultuurhistorie en archeologie Het plan tast cultuurhistorische waarden niet aan. In overleg met de gemeente is bepaald of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien het deel dat in de ontginningsas ligt kleiner is dan 150 m2 is geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk.
32
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5.5 Geluid 5.5.1 Wet- en regelgeving en beleid Wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalt dat het bevoegd gezag bij vaststelling van omgevingsvergunning de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Uitzondering hierop betreft de toetsing bij rijkswegen. Als meerdere rijkswegen in de directe nabijheid van een plan zijn gelegen dient het gecumuleerde geluidsniveau van deze wegen te worden gehanteerd bij de toetsing aan de Wet geluidhinder (SWUNG1). Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een weg voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB. Als dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde ‘Hogere waarde’. De Hogere waarde mag alleen worden verleend als uit akoestisch onderzoek blijkt dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting brengen niet mogelijk is. Aan de ‘Hogere waarde’ is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buitenstedelijke situaties is dit 53 dB.
Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder 1. Voor de aanleg van een weg geldt een maximale geluidsbelasting van resp. 53 en 58 dB op bestaande woningen in buitenstedelijk respectievelijk stedelijk gebied. Voor de nieuwbouw van agrarische woningen geldt een maximale geluidsbelasting van 58 dB. Railverkeerslawaai Het geluidsniveau ten gevolge van het railverkeer moet op de gevels van nieuwe (of te wijzigen) woningen in de geluidszone van een spoorwegtraject voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 55 dB. De maximale hogere waarde voor nieuwe woningen in de zone van een spoorwegtraject bedraagt 68 dB. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde ‘zware lawaaimakers’ als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.
De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde) op woningen in de geluidszone van een industrieterrein bedraagt 50 dB(A). De maximaal toelaatbare geluidsbelasting op nieuwe woningen bedraagt 55 dB(A), voor bestaande woningen bedraagt deze 60 dB(A). De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden.
1Conform artikel 110g mag een correctie worden toegepast op het berekende geluidsniveau ten gevolge van het
wegverkeer. Voor wegen waar 70 km/uur of harder gereden mag worden is de aftrek 2 dB en voor de overige wegen 5 dB. De wettelijk toegestane snelheid is hier van belang. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt geen aftrek aangezien deze wegen geen zone hebben en hierdoor niet onder de werkingssfeer van de Wet geluidhinder vallen. Enkel bij toetsing in het kader van het aspect "goede ruimtelijke ordening" wordt ten behoeve van een goede beoordeling de aftrek wel toegepast. 33
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Cumulatie Bij de vaststelling van hogere grenswaarden verplicht de Wet geluidhinder het inzichtelijk maken van het gecumuleerde geluidsniveau. Dit betreft het gezamenlijk geluidsniveau van alle relevante geluidsbronnen (weg, rail, industrie). Een bron is relevant indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De gemeente kan een hoger grenswaarde vaststellen als er sprake is van een aanvaardbare gecumuleerde geluidsbelasting.
5.5.2 Onderzoek geluid Relevante bronnen zijn wegverkeerslawaai van de omliggende wegen en industrielawaai vanwege Royal Van Lent Shipyard. Wegverkeerslawaai Alle omliggende wegen zijn 30 km/uur. In het kader van de Wetgeluidhinder hoeven deze wegen niet onderzocht te worden. Ook wordt vanwege lage verkeersintensiteiten op deze wegen verwacht dat deze geen belemmering vormen wat betreft geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Industrielawaai Op circa 400 m van het plangebied ligt Royal Van Lent Shipyard. Het bedrijf heeft een geluidscontour. Het plangebied ligt ruim buiten de geluidszone van het bedrijf. Daarom worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van industrielawaai ten gevolge van dit bedrijf.
5.5.3 Conclusie geluid Geconcludeerd wordt dat er vanuit geluid geen belemmeringen zijn voor het plan.
5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Wet- en regelgeving en beleid Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit legt de belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit vast. De hoofdlijnen van deze wet zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. De luchtregelgeving is uitgewerkt in een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriele Regelingen. Wet Milieubeheer In bijlage II van de Wet milieubeheer staan voor de volgende stoffen grenswaarden voor de concentratie in de buitenlucht: stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), koolmonoxide (CO). In de Nederlandse situatie leveren alleen de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) problemen op in relatie tot de wettelijke normen. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit in acht genomen dient te worden bij planvorming is geregeld in artikel 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: - grenswaarden uit bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of; - per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of; - het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM 10 en NO2), of;
34
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
-
het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)2.
In aanvulling op het bovenstaande toetsingskader stelt de AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’ dat bij de voorgenomen realisering van gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, verzorgingshuizen ed. op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen, moet worden onderzocht of op die locaties sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en/of NO2. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo’n (dreigende) overschrijding, dan mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. Het maakt voor de vestiging van gevoelige bestemmingen niet uit of het deel uitmaakt van ‘niet in betekenende mate’ projecten of ‘in betekenende mate’ projecten. De AMvB ‘Gevoelige Bestemmingen’ moet in beide gevallen worden nageleefd.
5.6.2 Onderzoek luchtkwaliteit Voor het plan is onderzoek gedaan naar luchtkwaliteit. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) en de NIBM-rekentool. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
5.6.3 Onderzoek stikstof In het kader van het plan is door het bureau Els & Linde B.V. een stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage). Hieruit blijkt dat het plan niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er geen ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
5.6.4 Conclusie luchtkwaliteit Vanuit luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor het plan. Ook levert het plan geen bijdrage aan de stikstofdepositie. Hierdoor is er geen ontheffing nodig van de Wet natuurbescherming.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Wet- en regelgeving en beleid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer - over weg, water en spoor en door buisleidingen - van gevaarlijke stoffen. Ook de risico’s van het gebruik van luchthavens en de mogelijke aanwezigheid van explosieven vallen onder externe veiligheid. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico.
2Sinds 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht. Met het NSL is
in 2005 gestart omdat Nederland niet tijdig aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit kon voldoen. Nederland heeft een plan gemaakt waaruit duidelijk wordt hoe de grenswaarden wel worden bereikt. In het NSL zijn allerlei grote projecten opgenomen die men wil uitvoeren samen met maatregelen die worden uitgevoerd om de concentratiebijdrages van deze grote projecten te compenseren. De concentratiebijdrage van NIBM-projecten wordt tevens gecompenseerd door deze maatregelen. Voor de projecten die in het NSL zijn opgenomen, hoeft geen luchtkwaliteitonderzoek te worden uitgevoerd. Ook is toetsing aan de normen niet nodig. 35
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (Revi II) bevat de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen. Denk hierbij aan risico’s van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)-opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) (2006). De nota heeft geen wettelijk bindende werking maar is niet vrijblijvend. Een voorstel voor een wettelijke regeling voor vervoer van gevaarlijke stoffen is in voorbereiding. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
5.7.2 Onderzoek externe veiligheid Voor de woning is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. Hiervoor is gebruik gemaakt van de risicokaart.nl. De mogelijke risicobronnen rond het plangebied zijn hierbij in kaart gebracht. Risicovolle inrichtingen De woningen zijn kwetsbare objecten. Er zijn geen risicovolle inrichtingen in de nabijheid van plangebied aanwezig. Propaantank Voor propaantanks gelden op grond van het Activiteitenbesluit veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn van ruimtelijk belang als ze strekken tot buiten de perceelsgrens van de milieuinrichting (bedrijf). Propaantanks kennen veiligheidszones van 10 meter. Nabij of in het plangebied zijn geen propaantanks aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen door leidingen In of nabij het plangebied liggen geen gasleidingen. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Nabij het plangebied ligt de A4 waarover transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 plaats. Deze weg heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Omdat de afstand van het plangebied tot de A4 circa 3,85 kilometer (verblijfsrecreatie) en 3,95 kilometer (woningen) bedraagt, is de conclusie dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A4 ligt.
Het plan heeft vanwege de afstand tot de A4 echter geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals zelfredzaamheid, bereikbaarheid of capaciteit hulpverleningsdiensten. Ook zijn bij een incident met toxische stoffen geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. In een gebouw schuilen is in principe voldoende. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er vanuit externe veiligheid geen belemmeringen zijn ten aanzien van het plan. Toetsing Veiligheidsregio Hollands-Midden Het plan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Hollands-Midden (zie paragraaf 6.2.1). De Veiligheidsregio geeft aan dat geen primaire bluswatervoorziening nabij de planlocatie aanwezig is en adviseert om voor de primaire bluswatervoorziening een onbeperkte hoeveelheid bluswater aan te leggen met een minimale opbrengst van 30 m³ per uur. Dit advies wordt overgenomen waarbij de blusvoorziening bij de bouwaanvraag verder worden uitgewerkt. Daarnaast worden primaire blusvoorzieningen in de regels mogelijk gemaakt. 36
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5.7.3 Conclusie externe veiligheid Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.8 Bedrijven en milieuzoneringen 5.8.1 Wet- en regelgeving en beleid Bij het opstellen van een ruimtelijk plan is milieuzonering een standaardinstrument voor de ruimtelijke ordening. Milieuzonering is bedoeld om indicatief te beoordelen in hoeverre de woon, werk en recreatieve functies, of (indirect) verkeer, belemmeringen voor elkaar opleveren. Het doel is deze eventuele hinder of belemmeringen te voorkomen in nieuwe situaties en te verhelpen of te beperken in bestaande situaties. Bedrijven en Milieuzonering De VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/ milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het ruimtelijk plan mogelijk is. Van belang bij milieuzonering is dat: - bij woningen en andere gevoelige functies hinder en gevaar zoveel mogelijk voorkomen of beperkt wordt; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
5.8.2 Onderzoek bedrijven en milieuzoneringen De aard van de bedrijvigheid en daaraan gekoppeld de milieubelasting maken het gewenst binnen de bedrijvenbestemmingen een onderscheid aan te brengen op basis van milieucriteria. Dit geldt ook voor andersoortige bestemmingen, als niet uit de bestemmingsplanomschrijving (al) blijkt welke (milieu)categorie bedrijfsactiviteiten het betreft. Als uitgangspunt zijn de activiteiten zoals genoemd bijlage 1 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 genomen. In de nabijheid van het plan zijn de volgende bedrijven aanwezig: •
Op de locatie Julianalaan 29 is een veehouderij met kaasmakerij en bed & breakfast gevestigd. De dierenverblijven van dit bedrijf bevinden zich op een afstand van ca. 70 meter van hetplangebied. Dit bedrijf heeft recent een melding gedaan voor het mobiel houden van kippen. Het gaat om circa 250 kippen die wekelijks in de weilanden worden verplaatst. Op de luchtfoto is op een afstand van ongeveer 75 meter van het plangebied een mestvaalt zichtbaar. Op grond van het Activiteitenbesluit moet vaste mest op minimaal 100 meter van geurgevoelige objecten zijn gelegen. De opslag mag dichterbij liggen als verplaatsen onredelijk of te kostbaar zou zijn. In de huidige situatie liggen bestaande woningen op ongeveer 30 en 40 meter van de vaste mestopslag. Verplaatsing lijkt in dit geval inderdaad onredelijk. Voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van Irenelaan 3a zal de mestopslag gezien de omvang en de afstand geen negatieve invloed hebben.
•
Aan de Wilhelminalaan 18 ligt ten zuidwesten van het plangebied Restaurant Quattro. Gelet op de afstand van ca. 80 meter tot het plangebied zal dit niet leiden tot belemmeringen.
37
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5.8.3 Conclusie bedrijven en milieuzoneringen Er zijn vanuit bedrijven en milieuzoneringen geen belemmeringen voor het plan.
5.9 Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden.
5.9.1 Conclusies en aanbevelingen Er zijn geen kabels en leidingen dan wel telecommunicatie installaties in het plangebied aanwezig die met een contour beschermd moeten worden. Daarom vormt dit aspect geen belemmering voor het plan.
5.10 Milieueffectrapportage / M.e.r.-(beoordelings)plicht 5.10.1 Wet- en regelgeving en beleid Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat voor welke plannen en besluiten in welke gevallen een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D- lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Bij een (directe) m.e.r.plicht dient hoe dan ook een MER opgesteld te worden. Bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient te worden beoordeeld of de activiteit vanwege bijzondere omstandigheden toch belangrijke milieugevolgen kan hebben. Indien dat het geval is dan ligt een m.e.r.-procedure in de rede. Zo niet, dan dient het bevoegd gezag expliciet te besluiten dat geen m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Een derde situatie die zich kan voordoen betreft de situatie waarbij de betreffende activiteit qua omvang beneden de drempelwaarde voor m.e.r.-beoordeling blijft. Ook in dat geval is, op grond van art. 2 lid 5 van het Besluit m.e.r., nog een beoordeling nodig, zij het dat dit een vormvrije beoordeling betreft.
De conclusie van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden verwerkt in de toelichting op het ‘moederbesluit’.
5.10.2 Onderzoek M.e.r.-(beoordelings)plicht Het plan van 11 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. In eerste instantie is dan ook slechts een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Voor het plan is daarom een aanmeldnotitie opgesteld (zie bijlage). Uit de m.e.r. aanmeldnotitie blijkt dat, gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee dit ingepast en gerealiseerd wordt, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. De milieugevolgen zijn in deze aanmeldnotitie voldoende in beeld gebracht.
5.10.3 Conclusie M.e.r.-(beoordelings)plicht Uit de aanmeldnotitie blijkt dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu.
38
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
5.11 Luchthavenindelingbesluit 5.11.1 Wettelijk kader Het rijksbeleid voor Schiphol is geformuleerd in het Luchthavenindelingbesluit (LIB), zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2018. In dit besluit is een beperkingengebied opgenomen waarbinnen beperkingen worden gesteld ten aanzien van het gebruik en de bestemming van de grond voor zover deze noodzakelijk zijn met het oog op veiligheid en geluidsbelasting.
5.11.2 Onderzoek Beperkingen bebouwing Het plangebied ligt in het 'beperkingengebied' LIB 5 (voorheen 20 Ke-contour), zoals opgenomen in artikel 2.2.1 onder d en e, maar buiten het ‘beperkingengebied’ LIB 4. Artikel 2.2.1 onder e lid 1 Voor het LIB 5 gebied geldt dat op grond van artikel 2.2.1 onder e lid 1 alleen binnen bestaand stedelijk gebied woningbouw is toegestaan. De locatie maakt valt binnen het bestaand stedelijk gebied, zoals verwoord is in artikel 1.1.1 onder h van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze term wordt gedefinieerd als “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. Planspecifiek Het plangebied wordt geheel omsloten door stedelijke voorzieningen, namelijk aan drie lange zijden door woonbebouwing en aan één korte zijde door chalets. Daarmee maakt het nog onbebouwde (camping)terrein in samenhang met het omringende gebied onderdeel uit van het “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing” en is het zodoende onlosmakelijk verbonden met het bestaand stedelijk gebied van Kaag. Daarnaast kan de huidige functie (een campingterrein met chalets) ook op zichzelf worden aangemerkt als een stedelijke functie.
In de bestaande situatie zijn op het terrein diverse ontsluitingswegen, verhardingen, bomen, grasvelden en meer dan tien chalets aanwezig. Daarnaast wordt het campingterrein gebruikt als stedelijke groenvoorziening (wandelgebied) voor de omwonenden. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 11.4 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 20 mei 2015 nr. 201403208/1/R4. Ten slotte maakt het vigerend bestemmingsplan ook een stedelijke functie mogelijk, te weten een recreatieterrein. Het campingterrein met bouwmogelijkheden en extra planologische ruimte voor 18 nieuwe chalets worden gezien als een stedelijke functie zo blijkt uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie o.a. 201703737/1/R6, 201408996/1/R6 en 201403208/1/R4). Hierbij maakt het niet uit dat de bebouwing van het voorgaande plan nog niet is gerealiseerd (201303578/1/R4). Artikel 2.2.1 onder e lid Voor het LIB 5 gebied geldt dat op grond van artikel 2.2.1 onder e lid 2 gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning moeten motiveren op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. In aanvulling hierop is uitzondering op de regel mogelijk via een verklaring van geen bezwaar.
39
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Planspecifiek De kans op een vliegtuigongeval binnen het plangebied is zeer klein te noemen. Het is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de LIB 3 zone. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar wordt in het algemeen (bij andere risicobronnen) al zo gering gezien dat het risico als aanvaardbaar wordt geacht. In de omgeving zijn verder geen gevaarlijke of ontplofbare objecten aanwezig waardoor een vervolgschade (kettingreactie of domino-effect) zou kunnen ontstaan. Er wordt uiteraard alles aan gedaan om het vliegverkeer zo veilig mogelijk te laten lopen. De (Rijks)overheid stelt strenge eisen aan luchthavens, de verkeersleiding en luchtvaartmaatschappijen. De eisen zijn zowel ten aanzien van vliegtuigen (technische veiligheid), maar ook voor persoonlijke veiligheid. Er zijn regels voor bemanningen, voor mensen die op of in de buurt van de luchthaven werken en voor reizigers. De overheid controleert of de organisaties aan de gestelde eisen voldoen. Bovendien levert de woningbouwontwikkeling ten opzichte de reeds toegestane planologische mogelijkheden (de ontwikkeling van 19 extra recreatiewoningen) geen verhoging van het groepsrisico voor wat betreft het aspect externe veiligheid. De gemeente kan overigens ook geen maatregelen treffen om ongelukken met vliegverkeer te voorkomen (bronmaatregel).
De mogelijkheden voor het treffen van effectmaatregelen om de gevolgen te beperken, zijn ook nihil. De enige maatregel is bouwen met minder intensief gebruik, echter gezien de grote woningbouwbehoefte is dat niet wenselijk. De woningen zijn wel zodanig gesitueerd dat ze goed bereikbaar zijn voor hulpdiensten. Ook is bij de opzet van het plan rekening gehouden met voldoende vluchtroutes uit het gebied. Tenslotte zullen in lijn met de informatieplicht voor nieuwe bewoners, in een vroegtijdig stadium alle nieuwe bewoners goed geïnformeerd worden over geluidsbelasting en mogelijke hinder door vliegtuiggeluid (of uitstoot en kerosinegeur) door de aanwezigheid van de luchthaven Schiphol. Beleidsregel wonen en vliegen LIB5 (voorheen 20 Ke) contour Schiphol Uitgangspunt is dat in de toelichting bij een plan dat woningbouw in de LIB 5-contour maar buiten de LIB 4-contour mogelijk maakt, de relevantie van de betreffende woningbouw in de LIB 5-contour wordt beschreven, waarbij afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval de volgende aspecten worden afgewogen: - de regionale woningbouwmarkt en regionale woningbouwopgave; - de kwaliteit van de locatie; - elementen van lokale leefbaarheid en vitaliteit.
Planspecifiek De locatie is aan te merken als bestaand stedelijk gebied aangezien reeds sprake is van een stedelijke functie (campingterrein met mogelijkheden voor recreatiewoningen) die volledig is ingeklemd in de bestaande woonbebouwing van Kaag. Door de nieuwe invulling wordt verpaupering voorkomen. Het plan levert door de nieuwe invulling van het terrein een waardevolle bijdrage aan de regionale woningbouwopgave en voegt kwaliteit toe aan het bestaande aanbod en de leefbaarheid en vitaliteit van Kaageiland (zie o.a. hoofdstuk 4). Ook zijn op Kaag geen andere locaties binnen het bestaand stedelijk gebied aanwezig waar woningbouw ontwikkeld kan worden. Daarnaast is gebleken dat geen behoefte is aan een verdere uitbreiding van de camping. Hierdoor is planologische reservering al meer dan 10 jaar onbenut bleven. Tenslotte neemt het aantal geluidgehinderden af ten opzichte van de bestaande planologische situatie. Dit aangezien op basis van het vigerend bestemmingsplan 19 extra recreatiewoningen waren toegestaan. Het plan is daarmee in overeenstemming met het LIB en de beleidsregels wonen en vliegen. 40
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Vogelaantrekkende werking Het plangebied valt buiten het beperkingengebied voor het aantrekken vogels, zoals opgenomen in artikel 2.2.4. Vanuit het LIB zijn geen belemmeringen ten aanzien van dit aspect voor het plan. Hoogtebeperkingen De hoogtebeperkingen zoals opgenomen artikel 2.2.2 van het LIB zijn van toepassing voor het plangebied, maar vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. De beperkende hoogte volgens het LIB bedraagt voor het plangebied 146 m. De te realiseren bebouwing zal namelijk niet hoger worden dan circa 10 m. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het Luchthavenindelingbesluit Schiphol geen belemmering oplevert voor de uitvoerbaarheid van de in dit plan besloten ontwikkeling, omdat de beoogde bebouwing ruimschoots lager is dan de maximale bouwhoogte, toetshoogten van het LIB en het beperkingenbeleid ten aanzien van de bebouwing, zodat de aanwezigheid van Schiphol en het LIB geen invloed heeft voor dit bestemmingsplan.
41
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
6
Uitvoerbaarheid
6.1 Exploitatie Het bestemmingsplan bevat een bouwplan waar ook gemeentelijke kosten mee gemoeid kunnen zijn voor de aanpassing van infrastructuur of (mogelijke) planschade. Met de invoering van de Grondexploitatiewet als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is het verhaal van kosten verplicht. De wetgever acht het wenselijk dat de gemeente en ontwikkelaar het onderling eens worden over het kostenverhaal (zoals bepaalt in artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening). Dit kan middels een exploitatieplan dan wel een anterieure overeenkomst. Voor vaststelling van het – daarvoor in aanmerking komende – planologische besluit dient vast te liggen op welke wijze het kostenverhaal wordt gedekt. Hiervoor wordt een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemers vastgesteld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee zijn de plankosten anderszins verzekerd.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Overleg In het kader van de onderzoeksfase ex artikel 3.1.1 Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de wettelijke overlegpartners: 1. Hoogheemraadschap van Rijnland 2. Provincie Zuid-Holland 3. Veiligheidsregio Hollands-Midden Hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 6 juli 2020 laten weten dat in paragraaf 5.1.2. bij de toename van het verhard oppervlak ook de toegangswegen, parkeerplaatsen en een reële inschatting van de tuinverharding dient te worden meegenomen. Op basis hiervan in de paragraaf aangepast. Provincie Zuid-Holland De provincie heeft op 15 februari 2021 laten weten dat op basis van de omgevingsverordening een nadere motivering in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is. Dit aangezien het plan vanwege het aantal woningen (minder dan 12) geen stedelijke ontwikkeling betreft. Wel vraagt de provincie op basis van artikel 6.14 lid 3 van de omgevingsverordening in de toelichting rekenschap te gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en de redenen te vermelden die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen. Op basis hiervan is in paragraaf 3.2.2 van deze toelichting een nadere motivering opgenomen.
Veiligheidsregio Hollands-Midden De veiligheidsregio Hollands-Midden heeft op 9 september 2020 gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. Hierbij geeft zij aan dat de opkomsttijd van de brandweer naar het plangebied met 1 minuut wordt overschreden, maar deze geringe overschrijding te accepteren mede gezien de realisatie van bouwkundige en installatietechnische voorzieningen welke (behoren te) voldoen aan het nieuwbouwniveau van het Bouwbesluit. Daarnaast merkt zij op dat geen primaire bluswatervoorziening nabij de planlocatie aanwezig is. Zij adviseren op basis 42
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
van de Praktijkrichtlijn Bluswatervoorziening om voor de primaire bluswatervoorziening een onbeperkte hoeveelheid bluswater aan te leggen met een minimale opbrengst van 30 m³ per uur. Het advies wordt overgenomen en de blusvoorziening zal bij de bouwaanvraag verder worden uitgewerkt. Ook zullen primaire blusvoorzieningen mogelijk worden gemaakt binnen de regels van het bestemmingsplan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de vanuit de Veiligheidsregio Holland-Midden geen bezwaren meer zijn tegen het plan.
6.2.2 Participatie Om de omwonenden te informeren is een inloopavond gehouden. Hierbij zijn alle inwoners van Kaag uitgenodigd. Een verslag van de inloopavond is toegevoegd als bijlage. De opmerkingen van omwonenden zijn zoveel mogelijk meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Op basis hiervan is het plan ook op enkele punten aangepast, zoals het verlagen van het aantal woningen van 15 naar 11. Daarnaast is regelmatig overleg geweest met het bestuur van de VVE van de recreatiewoningen op het terrein.
6.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Irenelaan 3a, Kaag’ heeft van 2 september t/m 13 oktober 2021 ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal vijftien zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan op enkele punten aangepast. De aanpassingen zijn opgenomen in de Nota van beantwoording zienswijzen.
43
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
7
Juridische aspecten
In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald.
7.1 Planmethodiek Het bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag bestaat uit een verbeelding, voorzien van nummer NL.IMRO.1884.BPIRENELAAN3A‐VAS1, waarop het plangebied en de bestemmingen zijn weergegeven en bijbehorende planregels. Ter plaatse van het plangebied wordt de bestemming ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie’ deels gewijzigd naar de bestemming ‘Groen’, ‘Verkeer’, ‘Water’ en ‘Wonen-1’.
7.2 Toelichting op de regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels In dit hoofdstuk wordt een aantal begrippen verklaard die in de regels zijn gebruikt. Hiermee wordt voorkomen dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "wijze van meten” opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingen In deze paragraaf zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welke gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden. Tevens zijn waar nodig flexibiliteitbepalingen opgenomen. Het bestemmingsplan heeft vijf bestemmingen: ‘Groen’, ‘Verkeer’, ‘Water’, ‘Wonen-1’ en ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie’. Bestemming ‘Groen’ De op de verbeelding voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder anderen bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, wegen en paden, steigers en voorzieningen ten behoeve van het park, met daaraan ondergeschikt: waterlopen en waterpartijen, parkeervoorzieningen en evenementen. Bestemming ‘Recreatie-Verblijfsrecreatie’ De op de verbeelding voor 'Recreatie-Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn onder anderen bestemd voor verblijfsrecreatieve onderkomens.
Binnen de aanduiding 'maximum aantal verblijfsrecreatieve onderkomens' zijn in het oostelijk deel van het plangebied 12 recreatiewoningen mogelijk. Dit komt overeen met het bestaande aantal kavels voor recreatiewoningen binnen het plangebied. Daarnaast is voor de bestaande recreatiewoning aan de zuidzijde van het plangebied een aparte aanduiding 'maximum aantal verblijfsrecreatieve onderkomens' waarbinnen maximaal één recreatiewoning is toegestaan. Bestemming ‘Verkeer’ De bestemming ‘Verkeer’ is opgenomen voor de wegen, paden en parkeervoorzieningen in het plangebied. Ondergeschikt groen is ook ondergebracht in de bestemming ‘Verkeer’. Bestemming ‘Water’ De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterpartijen. 44
Bestemmingsplan Irenelaan 3a, Kaag
Bestemming ‘Wonen-1’ De voor ‘Wonen -1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, waarbij binnen het bouwvlak het maximale aantal woningen is vastgelegd. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', zijn alleen vrijstaande woningen en ter plaatse van de aanduiding ‘geschakeld’ zijn zowel geschakelde woningen als vrijstaande woningen toegestaan. De maximum goot- en bouwhoogte wordt van de woningen wordt geregeld met een maatvoeringsvlak. Binnen de bestemming Wonen-1 zijn tevens tuinen, erven, wegen, paden en bermen en waterlopen toegestaan. Hoofdstuk 3 Algemene regels In deze paragraaf worden in aanvulling op de bestemmingsbepalingen aanvullende regels gesteld. Antidubbeltelregel Dit artikel bevat bepalingen om te voorkomen dat met het wijzigingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwbepalingen geregeld die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals een erkers of een balkon. Algemene gebruiksregel Deze regel regelt het verbod om gronden te bebouwen of te gebruiken in strijd met de bestemming. Algemene afwijkingsregels In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsbepalingen in de bestemming nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.