NL.IMRO.1884.BPEUROPAPLANTSOEN-VAS1 toelichting
Tekst van het document
26
4 Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk zal, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat geen activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder mogelijkheid d: het plan wordt niet genoemd in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
27
Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd van een bedrijfs- en recreatiebestemming naar een woonbestemming, waarbij zes nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd worden. Gelet op de omvang van het plangebied, de omvang van de te slopen bebouwing en de realisatie van slechts zes woningen, wijzigt het totale bouwvolume niet substantieel.
Tevens is de ontwikkeling te zien als een vorm van kleinschalige opvulling in bestaand stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een (vormvrij) m.e.r.beoordelingsbesluit is niet noodzakelijk.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik, of geschikt gemaakt kan worden voor het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Omdat sprake is van een functiewijziging naar een gevoeliger gebruik zal een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek Verkennend bodemonderzoek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik van de gronden voor wonen, is een verkennend bodemonderzoek (Hopman en Peters, d.d. 5 juli 2022, versie 2, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) en een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Hopman en Peters, d.d. 7 september 2022). Op basis van deze onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de locatie als verdacht aangemerkt kan worden. De locatie is ook als zodanig onderzocht conform paragraaf 5.6 (VED-HE) van de NEN 5740 en indicatief, met paragraaf 6.4.5 van de NEN 5707 als leidraad.
Zintuiglijk zijn in de opgeboorde grond afwijkingen gevonden die wijzen op het voorkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie. Zintuiglijk is er géén asbest aangetoond. In de grond zijn analytisch licht verhoogde gehalten aan (enkele) zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB vastgesteld. Lokaal zijn er verhoogde concentraties koper, nikkel en PAK aangetroffen. De licht verhoogde gehalten aan (enkele) zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB in de grondmonsters zijn niet eenduidig te verklaren. Voor de matig verhoogde gehalten aan koper, nikkel en/of PAK dient nader onderzoek verricht te worden. Er is zowel zintuiglijk als analytisch (indicatief) géén asbest op of in de bodem aangetroffen boven de interventiewaarde. Het licht verhoogde gehalte aan molybdeen in het grondwater is niet eenduidig te verklaren. Voor het verhoogde gehalte aan barium wordt ook aanvullend onderzoek geadviseerd.
28
Aanvullend bodemonderzoek In het verkennend bodemonderzoek werd geconcludeerd dat een nader bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Derhalve is door Hopman en Peters een nader onderzoek uitgevoerd naar PAK, nikkel en koper (Hopman en Peters, d.d. 11 november 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In dit onderzoek is geconcludeerd dat er op locatie verschillende verontreinigingen aanwezig zijn. Nader onderzoek en sanering zal noodzakelijk zijn. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek is in de exploitatie rekening gehouden met kosten voor nader onderzoek en sanering. Met inachtneming van deze kosten is het plan alsnog uitvoerbaar. Aanwezigheid tanks Op de locatie zijn zes tanks bekend. Drie van deze tanks zijn KIWA-gecertificeerd gesaneerd (gereinigd en afgevuld) maar nog wel aanwezig. De andere drie tanks zijn niet KIWA gecertificeerd gesaneerd. Alle tanks worden voorafgaand aan de ontwikkeling verwijderd. Hiervoor is het nog nodig de exacte ligging van de tanks vast te stellen. Als de ligging vastgesteld is dient de locatie van de tanks aanvullend onderzocht te worden volgens de NEN5740. De werkwijze omtrent dit aspect wordt, evenals het aanvullend onderzoek, nog afgestemd met het bevoegd gezag.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Wonen is een geluidgevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder. De planlocatie ligt binnen de onderzoekszone van het Noordeinde. Nabij de planlocatie geldt voor deze weg gedeeltelijk een snelheidsregime van 60 km/uur. Daarnaast ligt het plangebied op de grens van de geluidzone van de A4. Om die reden is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai uitgevoerd (17 maart 2022, Adviesburo Van der Boom, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit dit onderzoek zijn de volgende resultaten naar voren gekomen. De geluidbelasting door wegverkeer op het 60 km-deel van het Noordeinde bedraagt ten hoogste 35 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de woningen niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de A4 bedraagt op de gevels van de woningen ten hoogste 49 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op drie woningen overschreden op de derde woonlaag. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden.
Het verlagen van de geluidbelasting door de A4 met het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk. Afscherming van alle woonlagen is stedenbouwkundig ongewenst. Voor drie woningen dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 49 dB door wegverkeer op de A4 conform tabel III.3.
29
De hoogste geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt 52 dB zonder aftrek. Voor de gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek zijn geen voorzieningen noodzakelijk. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor drie woningen moet een hogere waarde worden aangevraagd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van zes nieuwe woningen. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16 μg/m³, 8 μg/m³ en 15 µg/m³.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
30
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van zes nieuwe woningen aan het Europaplantsoen. Hiermee is sprake van het toevoegen van een gevoelige bestemming. Er dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot bedrijven en milieuzonering. Daarnaast dient inzichtelijk gemaakt te worden of bedrijven in de omgeving in de mogelijkheden beperkt worden. Volgens de VNG-publicatie is het plangebied aan te merken, na planwijziging, als rustige woonwijk. Het plangebied bevindt zich nabij een bestaande woonwijk, maar kent zelf nog een bedrijfsbestemming. Daarnaast ligt ter plaatse van de jachthaven een recreatiebestemming waar ook horeca mogelijk is. Bovendien zijn ten noorden van de planlocatie en ten oosten aan de overzijde van het water agrarische bedrijven gevestigd. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' beschikken de gronden van de planlocatie over een bedrijfsbestemming. Hier is een bedrijfsvoering voor bedrijven met een maximale milieucategorie 4.2 toegestaan. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 200 m. Dit bedrijf wordt geheel wegbestemd en zal daarom geen invloed hebben op de woningen. Jachthaven Noord Aa Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich jachthaven de Noord Aa.
Voor een jachthaven geldt volgens de VNG richtafstandenlijst milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 50 meter. Deze jachthaven ligt gedeeltelijk binnen het plangebied en daarmee op 0 m afstand. In de toekomstige situatie zal de afstand van de jachthaven tot de woningen ca. 6 m bedragen. Er wordt daarmee niet voldaan aan de richtafstand voor de jachthaven.
31
Er is sprake van een inrichting op grond van het Bor artikel 19.1.h: jachthaven met 10 of meer ligplaatsen voor pleziervaartuigen. De (geluid-)regels van het Activiteitenbesluit zijn daarmee van toepassing. In de huidige situatie zijn rondom de haven al meerdere woningen aanwezig. Hierbij bedraagt de kortste afstand van de bestaande woningen tot aan de jachthaven circa 6 tot 7 meter. In de bedrijfsvoering moet reeds rekening gehouden worden met deze woningen. In de jachthaven zijn geen specifieke voorzieningen aanwezig met milieueffecten, maar de activiteiten kunnen ter plaatse van de nieuwe woningen wel effect hebben op het woon- en leefklimaat. Hierbij kan gedacht worden aan het geluid van buitenboordmotoren, kleine werkzaamheden en klapperende stagen en zeilen. Gelet op de korte afstand van de ligplaatsen tot de nieuwe woningen zullen deze geluiden zeker hoorbaar zijn ter plaatse van de nieuwe woningen en mogelijk aanleiding vormen voor hinder voor de nieuwe bewoners. Dit zal niet anders zijn dan het 'lawaai' dat de huidige bewoners al ervaren van de jachthaven. Om deze overlast te voorkomen is het gangbaar dat vanuit de jachthaven aan de gebruikers wordt voorgeschreven dat stagen en vallen zo vastgezet moeten worden dat deze niet klapperen. Dit zal opgenomen worden in het reglement van de jachthaven.
De verantwoordelijk beheerder zal op naleving toezien en waar nodig ook instructies geven aan watersporters om er voor te zorgen dat het klapperen van vallen en stagen zoveel mogelijk wordt voorkomen. De in de huidige situatie aanwezige horecavoorziening blijft niet bestaan. De gemeente heeft aangegeven dat de horecavoorziening wegbestemd dient te worden. Als gevolg van de ontwikkeling komt de (reparatie)werf te vervallen. Daarmee zullen de onderhoudsactiviteiten op locatie afnemen waarmee de 'overlast' in vergelijking tot de huidige situatie af zal nemen. In huidige situatie zijn geen klachten vanuit de omgeving bekend. In de nieuwe situatie worden enkel boten afgemeerd. Wanneer het hard waait kan er geluidsemissie optreden vanwege de wind die langs de mast en het want van de boten waait. Deze emissie is sterk afhankelijk van de windsterkte, de windrichting, de vormgeving van de mast, de situering van het want ten opzichte van de mast en mogelijk nog diverse andere factoren. Uit onderzoeken elders van vergelijkbare inrichtingen is vastgesteld dat deze geluidsemissie gedurende 10% van de tijd kan plaatsvinden. Daarmee is het de vraag op deze geluidsbron tot de representatieve bedrijfssituatie gerekend kan worden, omdat dit een natuurverschijnsel betreft waarbij de jachthaven geen invloed op heeft.
Hoewel de nieuwe bewoners zeker de aanwezigheid van de jachthaven zullen ervaren leidt dit niet tot de conclusie dat er geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Camping Jachthaven De Freek Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een camping behorende bij een jachthaven. Door de VNG wordt voor een camping (kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)) milieucategorie 3.1 gehanteerd met een richtafstand van 30 m in gemengd gebied. De afstand van de camping tot aan de woningen bedraagt minstens 100 m. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Agrarisch bedrijf Oude Kerkweg 1 Aan de Oude Kerkweg 1, ten noorden van het plangebied, bevindt zich een agrarisch bedrijf. Dit agrarisch bedrijf kent in het geldende bestemmingsplan twee bouwvlakken. Het agrarisch bedrijf aan de Oude Kerkweg 1 ligt op de grens van het buitengebied en de bebouwde kom. Het is daarmee zowel letterlijk als figuurlijk een grensgeval. Het bedrijf aan de Oude Kerkweg is onderdeel van een maatschap waarbij het 'hoofdbedrijf' aan de Frederikskade gelegen is. Op termijn zullen alle bedrijfsactivteiten verhuizen naar de andere locatie. Overleg is er geweest of deze locatie ook aan de ontwikkeling kan worden 'toegevoegd'. Dit is vooralsnog (financieel) niet haalbaar gebleken. Aan de Frederikskade 1a en 2a zijn twee mestsilo's aanwezig.
De mestsilo van Frederikskade 2a ligt op ongeveer 100 meter van de planlocatie. De mestsilo van Frederikskade 1a ligt op ongeveer 115 meter van de planlocatie. Deze afstanden voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit.
32
De veehouderij aan de Oude Kerkweg 1 heeft een opslag voor dunne mest in een gesloten kunststof zak. Deze mestzak ligt op ongeveer 52 meter van de nieuw te bouwen woning 6. Deze woning is een woning binnen de bebouwde kom. De afstand van de mestopslag tot een gevoelig gebouw binnen de bebouwde kom moet ten minste 50 meter bedragen. Aan deze afstand wordt voldaan. In artikel 4 van de 'Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem' zijn de aan te houden afstanden voor het buitengebied en bebouwde kom weergegeven. In afwijking van artikel 3, tweede lid onder a en artikel 4, eerste lid onder a van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf respectievelijk ten minste 25 en 50 meter tot een geurgevoelig object. De afstand van de buitenzijde van het betreffende dierenverblijf tot de nieuw te bouwen noordelijkste woning bedraagt ca. 28 m. Hierbij wordt de schuur in het zuidelijk bouwvlak buiten beschouwing gelaten. Zoals op onderstaande afbeelding zichtbaar is betreft dit een wagenschuur en geen dierenverblijf.
De wagenschuur aan de Oude Kerkweg (bron: Google Streetview)
De woning ten oosten van het agrarisch bedrijf, op nummer 2A, is al maatgevend voor de agrarische bedrijfsvoering, dus het bedrijf wordt door de voorgenomen ontwikkeling niet verder beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. Wel dient beargumenteerd te worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het plangebied is in de bestaande situatie een bedrijf gevestigd. Hiertoe geeft de afstand van de meest noordelijk te realiseren woning tot aan het dichtsbijzijnde dierenverblijf al een eerste indicatie. Uitgaande van de situatie buiten de bebouwde kom wordt voldaan aan de richtafstand en kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Wanneer de situatie beschouwd wordt vanuit binnen de bebouwde kom, dan staat de meest noordelijke woning 22 meter te dicht bij het dierenverblijf. Om een beter inzicht te krijgen van de geursituatie is op basis van de bestaande milieuvergunning met Vstacks een aanvullende berekening gemaakt. Hierbij is uitgegaan van de vergunning van 1981. Op basis van die vergunning mochten 60 melkkoeien en 20 zeugen op locatie aanwezig zijn. Strikt genomen kan er niet 'gerekend' worden aan melkkoeien, omdat dit zogenaamde vaste afstand dieren zijn. Daarmee is er gerekend met vleesstieren. De geurbelasting die berekend is bedraagt 7,7 ouE/m3.
Dit is hoger dan binnen de bebouwde kom is toegestaan, maar passend binnen hetgeen in het buitengebied al acceptabel wordt geacht. Zowel op basis van de afstanden als uit de berekening blijkt dat voldaan kan worden aan de normen voor het buitengebied maar niet voor de normen zoals deze gelden binnen de bebouwde kom. Omdat de planlocatie gelegen is op de overgang van de bebouwde kom naar het buitengebied en er mogelijk zicht is op het stoppen van het agrarisch gebruik, wordt de geursituatie als acceptabel geacht. De bedrijfsvoering
33
is reeds verplaatst naar de Frederikskade, het pand staat te koop en met de gemeente Kaag en Braasem zijn gesprekken gevoerd over sloop van de agrarische bebouwing en het realiseren van enkele RvRwoningen op het perceel. Hierbij speelt mee dat het agrarisch bedrijf niet verder in zijn bedrijfsvoering wordt gehinderd en er vanuit de directe omgeving geen klachten bekend zijn voor wat betreft geuroverlast.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling van woningen is er sprake van het toevoegen van kwetsbare objecten. Daarom dienen de veiligheidsrisico’s voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart (Atlas Leefomgeving) ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving)
Transportroutes gevaarlijke stoffen Ten noorden van het plangebied is een transportroute voor gevaarlijke stoffen gelegen. Het gaat om de snelweg A4 welke op 610 m afstand gelegen is. De planlocatie is daarmee gelegen binnen het invloedsgebied. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico opgenomen te worden. Bij een dergelijke verantwoording dient uitgegaan te worden van de relevante calamiteitscenario’s.
34
Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4.000 m. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig, omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en het zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen liggen op meer dan 1 km afstand en vormen daarmee geen belemmering. Ook worden er met onderhavig initiatief geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.
Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied enkele buisleidingen zijn gelegen. Op circa 800 m ten oosten van het plangebied bevinden zich twee gasleidingen en een defensieleiding. Gezien de grote afstand tussen buisleiding en plangebied vormt deze geen belemmering. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek In de huidige situatie bestaat het plangebied vrijwel volledig uit verharding en is bedrijfsbebouwing aanwezig. Met de herontwikkeling van het terrein wordt de bestaande bebouwing gesloopt. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep. Hiertoe is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, 11 maart 2022/21 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4).
35
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De naastgelegen watergang kan mogelijk dienen als vliegroute voor soorten als water- en meervleermuis. Lichtuitstraling richting een vliegroute is niet toegestaan. Tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie dient lichtuitstraling richting de watergang derhalve vermeden te worden. In de verdere planuitwerking en realisatie wordt hiermee rekening gehouden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking, anders dan eventueel depositie van stikstof, op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Voor de beoogde planontwikkeling is de bouwfase, qua emissie van stikstof, maatgevend.
In de gebruiksfase beperkt de uitstoot zich tot het autoverkeer. Omdat de woningen gasloos zullen zijn is er verder geen emissie. De bouwfase is doorgerekend op basis van een eerste opgave van de aannemer qua inzet van materieel. Uit deze berekening blijkt dat er geen berekenbaar effect optreedt. Nu een significant effect op voorhand is uit te sluiten is een voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets niet noodzakelijk. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De te treffen maatregelen zijn opgenomen in de rapportage. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
36
4.8 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
37
De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.
Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
38
Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie bestaat het plangebied vrijwel volledig uit verhard oppervlak. Zo is er veel bebouwing aanwezig en rondom de bebouwing asfalt. Daarnaast is ook een groot deel verhard met grind, wat als halfverharding meegerekend dient te worden. Het oppervlak aan verharding zal als gevolg van het voorgenomen plan verminderen. Er wordt veel verharding verwijderd en naast nieuwe bebouwing zullen ook tuinen gerealiseerd worden. Daarmee is er sprake van een verbetering van het waterbergend vermogen. Dit is weergegeven in onderstaande tabel. Hieruit blijkt dat er sprake is van een afname van 875 m². Er is geen sprake van een toename van meer dan 500 m² verharding. Watercompensatie is derhalve niet vereist voor onderhavig initiatief.
Verharding Halfverharding (50%) Totaal
Huidige verharding (m²) 1.830 350 (700) 2.180
Toekomstige verharding (m²) 1.305 1.305
Waterkeringen Aan de oost- en zuidgrens van het plangebied bevindt zich een waterkering, namelijk een boezemkade (regionaal). Delen van het plangebied bevinden zich achtereenvolgens in de kernzone, profiel van vrije ruimte, beschermingszone en buitenbeschermingszone van deze waterkering. Er heeft reeds afstemming plaatsgevonden met het hoogheemraadschap. De fundering van de te realiseren woningen blijft buiten het profiel van vrije ruimte. Voor het maken van de fundering moet er tijdelijk in het profiel van vrije ruimte worden gegraven. Voor het bouwen binnen deze zones is daarom een watervergunning van het hoogheemraadschap van Rijnland benodigd. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd wordt en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:
• • •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Voor de woningen geldt dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en het vuilwater aangesloten wordt op het bestaande rioolstelsel. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen vormt voor het beoogde initiatief.
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
39
Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft een archeologische beleidskaart op laten stellen. Conform deze archeologische beleidskaart ligt het plangebied in het gebied aangeduid als 'middelhoge verwachting'. Hierbij geldt dat bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Om die reden is door Transect een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 12 april 2022, versie 2, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied buiten het historisch ontginningslint van Hoogmade ligt. Voor wat betreft resten uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog. De reden hiervoor is de ligging van het plangebied in een weiland ten zuiden van een (verhoogde) woonplaats, die is ingetekend op de historische kaarten. In het plangebied ontbreekt de bebouwing, waardoor er geen aanleiding is om bewoningsresten uit deze tijd in het plangebied te verwachten. Erfgerelateerde sporen en sporen van landgebruik zijn wel te verwachten. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat er recente puinlagen in het plangebied aanwezig zijn, evenals recente ophogingslagen die elkaar afwisselen. Deze lagen reiken tot een diepte van 85 – 210 cm -Mv (1,55 – 3,10 m -NAP).
De top van het veen, zoals die is aangetroffen in boring 4, is onveraard en hoogstwaarschijnlijk verstoord door de vroegere werkzaamheden in het gebied. Daarnaast is er het effect van verdrukking, waardoor veen en puin met elkaar zijn vermengd, waardoor op grote diepte nog steeds modern puin aangetroffen wordt. Het kleiig veen is afkomstig van de veenrivier, Kromme Does, en is daar waarschijnlijk beland door overstromingen. Zodoende zijn er geen intacte archeologische niveaus aangetroffen en kan de middelhoge verwachting uit het bureauonderzoek voor de perioden Bronstijd – Nieuwe Tijd worden bijgesteld naar laag. Door de verwachte diepteligging (dieper dan 5 m -Mv) van de afzettingen die relevant zijn voor de periode Laat Paleolithicum – Mesolithicum is de trefkans op archeologische resten hierop eveneens laag, waardoor voor dit niveau ook een lage verwachting geldt. Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Transect adviseert het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Indien er heipalen benodigd zijn voor de toekomstige bebouwing zullen deze, gezien de minieme omvang van het bouwvlak, tot slechts geringe verstoringen leiden van het archeologisch relevant niveau voor de periode Laat Paleolithicum – Neolithicum.
De archeologische dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan is daarom niet opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Kaag en Braassem). Bovenstaande vormt een advies van Transect. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Kaag en Braassem) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
40
Planspecifiek De planlocatie maakt geen deel uit van een karakteristiek gebied en de bestaande bebouwing betreft geen rijksmonument of karakteristiek pand. Ook zijn er geen andere cultuurhistorische elementen aanwezig binnen het plangebied. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontwikkeling van zes vrijstaande woningen brengt verkeersbewegingen met zich mee. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROW-publicatie 381 weergegeven. Soort woning Koop, huis, vrijstaand Totaal
Aantal 6 6
CROW verkeersgeneratie 8,2
Totale verkeersgeneratie 49,2 49,2
De totale verkeersgeneratie die zes vrijstaande woningen met zich meebrengen bedraagt 49,2 verkeersbewegingen per etmaal. De planlocatie wordt ontsloten met de bestaande inrit aan het Europaplantsoen. Daarnaast vervalt een deel van de huidige verkeersgeneratie als gevolg van het afschalen van de huidige jachthaven-activiteiten en het beëindigen van het scheepsbouw- en reparatiebedrijf. Er vervallen 26 ligplaatsen met de ontwikkeling. De verkeersgeneratie per 100 ligplaatsen betreft 26,6 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie die komt te vervallen als gevolg van het verwijderen van de ligplaatsen betreft daarmee 6,9 verkeersbewegingen per etmaal. Het bedrijf dat in de huidige situatie aanwezig is kent een verkeersgeneratie van gemiddeld 10 verkeersbewegingen per 100 m² bvo. Voor de ca. 800 m² bvo van het gebouw betreft dit 80 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal vervallen er daarmee met de herinrichting op papier 86,9 verkeersbewegingen per etmaal. Gezien het beperkte aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie en de afname ten opzichte van de huidige situatie kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie opgevangen kan worden met de huidige ontsluiting. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
41
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen.
Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem heeft de Nota parkeernormen 2018 vastgesteld om voor de gehele gemeente de parkeernormen voor de komende jaren vast te leggen. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom'. Soort woning Vrijstaand Totaal
Aantal 6 6
Gemiddelde parkeernorm 2,3
Totaal aantal parkeerplaatsen 13,8 13,8
Zoals in bovenstaande tabel staat aangegeven moeten er met de ontwikkeling 13,8 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt worden. Met het plan worden bij elke woning 2 parkeerplaatsen achter elkaar voor een garage gerealiseerd. Deze kunnen in totaal worden gerekend als 7,8 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 10 parkeerplaatsen in het openbaar gebied gerealiseerd. Daarmee worden in totaal 17,8 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. In de huidige situatie is de omgeving van de jachthaven er op berekend dat slechts enkele booteigenaren kunnen parkeren in de wijk. Tijdens de informatieavond van 3 oktober 2022 zijn door de buurt de nodige zorgen geuit omtrent de aanwezige parkeerdruk. Op dit moment zijn er 129 ligplaatsen in de haven. Uitgaande van een piekmoment waar circa 50% van de boten gaat varen leidt dit tot een parkeervraag van circa 65 benodigde parkeerplaatsen. Op eigen terrein is er nu plaats voor 30 parkeerplaatsen. Daarmee is er een extra parkeerdruk in de openbare ruimte van 35 benodigde parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie verdwijnen er 26 boten van het vaste land en komt de eerste steiger, met daaraan 29 boten, te vervallen. In totaal kunnen er daarmee 55 boten minder worden neergelegd in de haven. In de nieuwe situatie kunnen er daarmee maximaal 74 boten liggen in de haven.
Uitgaande van eenzelfde piekmoment waarbij 50% van de boten het water op gaan is er een parkeerbehoefte van circa 37 parkeerplaatsen. Voor de woningen zijn er 14 parkeerplaatsen benodigd. De totale behoefte bedraagt daarmee 51 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie worden 18 parkeerplaatsen aangelegd. Bij een piekmoment wijken circa 33 auto's uit naar de openbare ruimte. Dit is vergelijkbaar aan de huidige situatie. Het is vaste jurisprudentie dat bij nieuwe planontwikkelingen een bestaande parkeerdruk niet opgelost hoeft te worden. Een toename van parkeerdruk is toegestaan mits wel ruimtelijk goed gemotiveerd. In casu is aangetoond dat de parkeerdruk bij piekmomenten vergelijkbaar zal zijn dan wel iets zal afnemen (2 auto's). Bovenstaande is ook opgenomen in de onderstaande tabel.
42
aantal ligplaatsen
parkeervraag haven
parkeervraag woningen
aantal parkeerplaatsen eigen terrein
parkeervraag openbare ruimte
huidig
129
65
0
30
35
nieuw
74
37
14
18
33
Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
43
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de 'Bestemmingsregels', staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
44
5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, waarbij is aangesloten bij het bestemminsplan ‘Kernen Woubrugge-Hoogmade’: 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' Ter plaatse van een deel van de huidige bedrijfsbestemming in het noorden van het plangebied wordt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor een volwaardig agrarisch bedrijf en behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden. Er mogen geen gebouwen gebouwd worden. Uitsluitend erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan. 'Tuin' De voorzijde van de percelen van de woningen zijn voorzien van de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen, paden, nutsvoorzieningen en water. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. 'Verkeer' De bestemming 'Verkeer' is opgenomen voor het westelijk deel van het plangebied met daarbinnen de ontsluitingsweg, de openbare parkeerplaatsen en het direct aangrenzende groen. Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie of verblijfsfunctie, parkeervoorzieningen en ondergeschikte groenvoorzieningen en bermen.
'Wonen' De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor het deel van het plangebied waar de woningen beoogd zijn. Woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Niet meer dan 50% van het bouwperceel mag worden bebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' is uitsluitend een vrijstaande woning toegestaan. De goot- en bouwhoogte en het maximum aantal wooneenheden zijn op de verbeelding weergegeven. Parkeren is mogelijk binnen de woonbestemming. 'Waterstaat - Waterkering' De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor waterkeringen. Dit geldt voor de oostelijke helft van het plangebied, zoals op de verbeelding weergegeven. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop' Overeenkomstig het geldend bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Hiermee wordt de bouwhoogte beperkt en wordt gezorgd voor bescherming en behoud van vrije windvang en het zicht op de molen.