NL.IMRO.1884.BPEUROPAPLANTSOEN-VAS1 toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Europaplantsoen 58 Hoogmade Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPEUROPAPLANTSOEN-VAS1
Datum:
2023-02-01
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J. J. van Nuland | dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR220041
Opdrachtgever:
Bolton Ontwikkeling B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 9
2 Planbeschrijving .................................................................................................................................... 10 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................. 10 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 12 2.3 Stedenbouwkundige inpassing en molenbiotoop ............................................................................................. 13
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 14 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 23 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 25
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 27 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 27 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 28 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 29 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 30 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 31 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 34 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................
35 4.8 Water ................................................................................................................................................................ 37 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 39 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 41
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 44 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 44 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 44 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 45
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 46 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 47 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 47 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 47 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 47
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de planlocatie aan het Europaplantsoen 58 te Hoogmade te herontwikkelen. Daarbij is het voornemen om de bedrijfsactiviteiten van de scheepswerf en jachthaven te beëindigen en de bedrijfsbebouwing te slopen. Hiervoor in de plaats wordt beoogd zes vrijstaande woningen te realiseren. Daarnaast wordt voorzien in een parkeervoorziening voor de ligplaatsen in de haven. De ontwikkelingen vinden alleen plaats op het vaste land, op het water zijn geen ontwikkelingen voorzien. Op 31 januari 2022 is voor onderhavig initiatief een principeverzoek ingediend. De gemeente Kaag en Braassem heeft op 29 maart 2022 kenbaar gemaakt dit een wenselijke ontwikkeling te vinden en onder voorwaarden te willen meewerken. Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade', vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem op 23 november 2020. De gronden beschikken over een bedrijfsbestemming met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw en reparatiebedrijf' en een recreatiebestemming met de aanduiding 'jachthaven' en 'horeca'. De ontwikkeling van de woningen is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
Met dit bestemmingsplan komen de bedrijfsbestemming en recreatiebestemming (inclusief horeca aanduiding) te vervallen en wordt onder meer de bestemming 'Wonen' opgenomen.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van onderhavig initiatief is gelegen aan het Europaplantsoen in het noordoostelijke gedeelte van de kern Hoogmade. Dit gedeelte ligt ten westen van de rivier Noord Aa en ten noorden van de rivier Kromme Does. Het plangebied is kadastraal bekend onder de gemeente Woubrugge, sectie D, perceel 275, 1686, 1687 (deels), 1814 (deels) en 2315 (deels). Op de randen van perceel 1814, grenzend aan perceel 275, ligt de bedrijfsbestemming. Deze bedrijfsbestemming wordt wegbestemd, waardoor deze gronden binnen het plangebied vallen. Het plangebied is gelegen ter plaatse van het scheepsbouw- en reparatiebedrijf en de jachtwerf. Rondom het plangebied bevinden zich hoofdzakelijk woningen, water, de jachtwerf en agrarische gronden. Op de navolgende afbeeldingen staan de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade', vastgesteld door de raad van de gemeente Kaag en Braassem op 23 november 2020. In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw en reparatiebedrijf' en de bestemming 'Recreatie' met de functieaanduidingen 'jachthaven' en 'horeca'. Daarnaast hebben enkele kleine stroken in het noorden van het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' en de bestemming 'Verkeer'. Binnen de bedrijfsbestemming is het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Tevens is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - scheepsbouw en reparatiebedrijf' een scheepsbouw- en reparatiebedrijf c.q. jachtwerf vallende onder categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Bedrijfsgebouwen mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 9 m en een maximale goothoogte van 6 m. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Recreatie' zijn bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie, dierenweiden, zon- en ligweiden en jongerenontmoetingsplaatsen.
Tevens is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'jachthaven' een jachthaven met bijbehorende voorzieningen, waaronder voorzieningen ten behoeve van de watersport toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is een horecabedrijf als bedoeld in lid 1.38 onder 2, 3, 5 en 6 van het bestemmingsplan toegestaan (restaurant, dagzaak, koffie-/theehuis, cafetaria/snackbar). Op deze gronden mag uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en zijn woningen niet toegestaan. De bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'horeca' mag gebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 4 m en een maximale goothoogte van 3 m. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan 'Kernen WoubruggeHoogmade'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Ook beschikt het gehele plangebied over de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en gedeeltelijk 'Waterstaat - Waterkering'. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor waterkeringen. Hier mag, met inachtneming van de voor de bestemming geldende (bouw)regels,
7
uitsluitend worden gebouwd conform een schriftelijke toestemming dan wel een watervergunning van het hoogheemraadschap van Rijnland. Molenbiotoop Tot slot is het gehele plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m'. De gronden voorzien van deze gebiedsaanduiding zijn bedoeld voor bescherming en behoud van vrije windvang en het zicht op de molen. In artikel 27.2 lid a wordt het volgende gesteld: a.
b.
c.
binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a en b, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2; het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a en/of b is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: 1.
een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of 2. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.
Omdat de beoogde woningbouw binnen 400 m afstand van de Hoogmadese molen ligt dient berekend te worden of er beperkingen aan de maximum bouwhoogte worden gesteld. Voor de molen geldt de formule weergegeven in de navolgende afbeelding, ervan uitgaande dat het gebied valt onder een stedelijk gebied. Deze methode is opgenomen in de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland. De totale afstand van de beoogde woningen tot het hart van de molen dient opgedeeld te worden. Voor de afstand buiten bestaand stads- en dorpsgebied dient met 1/100ste gerekend te worden en binnen bestaand stads- en dorpsgebied met 1/30ste.
Formule molenbiotoop (bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland)
8
Voor de berekening zijn de volgende gegevens relevant:
•
Maaiveldhoogtes: De maaiveldhoogte ter plaatse van de molen bedraagt 1 m, de maaiveldhoogte ter plaatse van de kavel bedraagt -0,56 m (Het verschil is daarmee 1,56 m).
• • •
Afstand middelpunt molen tot bestaand stads- en dorpsgebied: 210 m. Afstand binnen bestaand stads- en dorpsgebied tot bouwvlak: 65 m. Hoogte onderste punt verticaal staande wiek: ca. 0,5 m.
Uit de voornoemde gegevens komt de volgende berekening voort voor de noordelijkste woning: (210 m/100) + (65 m/30) + 1,56 m + 0,5 m = 6,33 m. Hieruit blijkt dat conform artikel 27.2 van het geldende bestemmingsplan de bouwhoogte maximaal 6,33 m mag bedragen. In voorliggend bestemmingsplan is een maximum bouwhoogte van 10,5 m vastgelegd. Daarmee wordt niet aan deze eis voldaan. Zoals in lid c wordt aangegeven kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder a en b. In de huidige situatie is het bedrijfsgebouw met een maximale bouwhoogte van 9 m en een maximale goothoogte van 6 m toegestaan. Dit is een zeer groot gebouw, iets meer dan 800 m² oppervlakte. Hierdoor wordt de vrije windvang en het zicht op de molen reeds sterk beperkt door bebouwing. Het gebouw is oost-west georiënteerd en houdt daardoor veel zicht en wind tegen. Het grote gebouw wordt gesloopt en er worden zes vrijstaande woningen gerealiseerd. De hoogte van de beoogde woningen (10,5 m) is groter dan nu mogelijk is in het geldende bestemmingsplan (9 m), maar het totale bebouwd oppervlak zal met 500 m² kleiner zijn dan het bestaande bedrijfsgebouw. Dit wordt nader onderbouwd in toelichting paragraaf 2.3, waar ook op de stedenbouwkundige inpassing ingegaan wordt. Het geheel is stedenbouwkundig goed inpasbaar.
Daarnaast wordt het volume opgedeeld in zes woningen waardoor de vrije windvang en het zicht minder worden beperkt dan bij één groot massief gebouw. Het bebouwingsvolume neemt af van 6.000 m³ tot 4.500 m³. Tevens staan de woningen naast elkaar en niet over de gehele breedte van het perceel verspreid. Ten slotte is de hoogte berekend voor de meest noordelijk gelegen woning. De overige woningen liggen op een grotere afstand, waardoor de maximum toegestane bouwhoogte in relatie tot de molen hier hoger is. Gezien het bovenstaande en de stedenbouwkundige onderbouwing in toelichting paragraaf 2.3, kan van de maximale bouwhoogte als gevolg van de molenbiotoop afgeweken worden. Binnen de bedrijfsbestemming en de recreatiebestemming is het realiseren van zes vrijstaande woningen niet toegestaan. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. In hoofdstuk 2 wordt het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planopzet. Hoofdstuk 6 beschrijft de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan beschreven, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
9
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de rivier Noord Aa, in het noordoosten van Hoogmade. In de huidige situatie is het plangebied ingericht ten behoeve van de jachthaven en het scheepsbouw- en reparatiebedrijf. In het noordelijk deel staat een groot bedrijfsgebouw van circa 9 m hoog dat gebruikt wordt voor de bedrijfsactiviteiten. Verder wordt het bedrijf gebruikt voor opslag en zijn er langs de oost- en zuidzijde ligplaatsen voor schepen. In het zuidelijk deel van het plangebied is een horecavoorziening aanwezig. Het grootste deel van het plangebied is verhard met asfalt of grind. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en enkele agrarische bedrijven te vinden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijf en enkele woningen. Ten oosten van het plangebied ligt de watergang met enkele ligplaatsen. Daarachter bevinden zich een aantal agrarische bedrijven en een camping. Zowel de bebouwing ten noorden als oosten van de locatie heeft een bouwhoogte van één bouwlaag met kap. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich de jachthaven de Noord Aa. Ten westen zijn de woningen van de kern Hoogmade gelegen. Deze woningen hebben een bouwhoogte van twee bouwlagen met kap. Binnen het plangebied is sprake van hoogteverschil.
Vanwege de ligging van de waterkering in het plangebied is het oostelijk deel hoger gelegen dan het westelijk deel. Navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie in het plangebied gezien vanaf het Europaplantsoen.
Aanzicht vanaf het Europaplantsoen richting het noordoosten (bron: Google Streetview)
10
Aanzicht vanaf het Europaplantsoen richting het zuidoosten (bron: Google Streetview)
11
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om de planlocatie aan het Europaplantsoen te Hoogmade te herontwikkelen. Daarbij is het voornemen om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen en de bedrijfsbebouwing te slopen. De jachthavenactiviteiten zullen afgeschaald worden. De stalling en mogelijkheden om boten uit het water te halen zullen verwijderd worden. De horecavoorziening in het zuiden van het plangebied komt daarbij ook te vervallen. Hiervoor in de plaats wordt beoogd zes vrijstaande woningen te realiseren. Vier van deze woningen staan aan de oostrand van de locatie in een speelse verspringende rooilijn. De twee andere woningen staan aan de zuidzijde, met de bouw- en nokrichting haaks op de overige vier. De woonbebouwing omsluit zodoende aan twee zijden een korte toegangsweg. De woningen worden georiënteerd met de voorkant op deze toegangsweg en de achterkant en achtertuin op het water. Het voornemen is de ligplaatsen aan de oostzijde van het plangebied uit te geven aan de kopers van de woningen. De woningen krijgen allen een garage en bestaan uit twee lagen en een kap. Daarnaast is in het noordwesten van het plangebied een parkeervoorziening ten behoeve van de jachthaven voorzien. Verkeer en parkeren Het gebied wordt ontsloten via een gezamenlijke ontsluiting op het Europaplantsoen.
Met de ontwikkeling worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018. Op de aspecten verkeer en parkeren wordt in toelichting paragraaf 4.10 nader ingegaan. Op navolgende afbeelding wordt een plattegrond van het perceel weergegeven.
Plattegrond beoogde situatie (bron: H.W. van der Laan b.v., 11 oktober 2022)
12
2.3 Stedenbouwkundige inpassing en molenbiotoop De bouwhoogte van twee lagen met kap past niet binnen de hoogte die er op basis van de molenbiotoop toegestaan is. Het bevoegd gezag kan echter afwijken van die maximale hoogte. Hiervoor zijn in toelichting paragraaf 1.3 argumenten met betrekking tot de windvang aangegeven. Het is echter ook van belang dat de hogere bouwhoogte stedenbouwkundig verantwoord en passend is in de omgeving. Dit wordt in deze paragraaf gemotiveerd. Ten eerste staan de woningen op afstand van omliggende bebouwing doordat er aan alle zijden sprake is van een buffer naar de omgeving. Het water aan de oostzijde, het water, groen en de Oude Kerkweg aan de noordzijde, de haven aan de zuidzijde en de toegangsweg aan de westzijde zorgen hiervoor. Er is hierdoor voldoende afstand om met een goothoogte van 6 meter en een nokhoogte van 10,5 meter te spreken van een passende aansluiting op omliggende bebouwing. Ten tweede hebben de woningen aan de westzijde eveneens een bouwhoogte van twee lagen met kap. Het realiseren van zes vrijstaande woningen van twee lagen met kap sluit dus goed aan op de bestaande context. Weliswaar hebben de woningen aan de westzijde met 9 meter een lagere nokhoogte dan de woningen in het plangebied. Deze woningen zijn echter ouder.
De huidige duurzaamheidsambities en bouwtechnische eisen, denk aan dikke isolatiepakketten op de daken en grotere verdiepingshoogten, zorgen ervoor dat een woning van twee lagen met kap tegenwoordig hoger is dan vroeger. Een nokhoogte van 10,5 meter is daarom alleszins redelijk. Ten derde zijn de woningen ten westen van de locatie allemaal met de kop naar het plangebied gericht. Deze woningen zijn dus op de woonstraten gericht en kijken niet op het plangebied uit. Hierdoor is de impact van de zes woningen op deze aangrenzende woonbebouwing beperkt. Ook in dit licht bezien zijn woningen van twee lagen met kap en een goot- en nokhoogte van 6 en 10,5 meter stedenbouwkundig verantwoord. Ten vierde betreft het hier zes losse volumes die op speelse wijze en op afstand van elkaar staan gepositioneerd. Geen aaneengesloten bebouwingsfront dus en ook geen groot totaalvolume zoals in de huidige situatie het geval is. Hierdoor hebben de woningen ruimte om zich heen die zich goed verhoudt tot een bouwmassa van twee lagen met kap en een goot- en nokhoogte van 6 en 10,5 meter. Tot slot is de hoeveelheid bebouwing die er met het plan ontstaat aanmerkelijk minder dan in de huidige situatie het geval is. Zowel in bebouwingsoppervlakte als in bebouwingsvolume. Het huidige pand heeft een bebouwd oppervlak van iets meer dan 800 m².
De hoofdvolumes van de zes woningen hebben samen een oppervlakte van circa 500 m². Ook het bouwvolume van de zes woningen neemt af ten opzichte van de huidige situatie. Het huidige volume van 800 m² met een goot en nokhoogte van 6 en 9 meter leidt tot een volume van 800 x 6 + 3 x 800 x 0,5 = 6.000 m³. De hoofdvolumes van de nieuwe woningen zijn ieder 750 m³, wat neerkomt op 4.500 m³ voor de zes hoofdvolumes samen. Ondanks de grotere nokhoogte neemt het bouwvolume dus af. Gezien bovenstaande uiteenzetting kan geconcludeerd worden dat het plan met zes woningen en een goot- en nokhoogte van 6 en 10,5 meter stedenbouwkundig passend is in zijn omgeving en een verbetering betekent ten opzichte van de huidige situatie.
13
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit en het realiseren van woningen. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en het Barro is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
14
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
•
Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
•
Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, op twaalf nieuwe woningen ligt. In het onderhavige geval worden zes nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft het plan niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Onder bestaand stedelijk gebied wordt conform artikel 1.1.1 eerste lid onder h van het Bro verstaan: het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom van de kern Hoogmade ligt, dient het plangebied aangemerkt te worden als bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
15
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• • • • • •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
16
3.
Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
•
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' staat aangegeven dat het plangebied in een Veencomplex Veen gelegen is. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. Binnen het veengebied is een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn met name bij de diepe veenpakketten gericht op het beperken van de bodemdaling. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard en bebouwd. De ontwikkeling zal dan ook geen invloed hebben op het veencomplex en de diepe veenpakketten. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in het 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen.
Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het
17
gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De meeste kenmerken zijn hier dan ook niet van belang. Wel worden de dijken en kades beter beleefbaar en wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd met de voorgenomen ontwikkeling. Het 'veen(weide)landschap' wordt niet aangetast. Laag van stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' is het plangebied aangegeven als gelegen in de 'stadsen dorpsranden'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tevens dragen ze bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. De nieuwe woningen zijn passend binnen de karakteristieke kenmerken en identiteit van Hoogmade en sluiten aan op de omgeving. De materialen en het groen dat bij de ontwikkeling wordt toegevoegd zorgen voor een goede overgang van dorp naar het landschap. De bedrijfsbebouwing, die momenteel afsteekt tegen de rest van de omgeving, wordt gesloopt.
De beoogde woningen passen beter in de omgeving, waardoor een kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Er wordt aangesloten bij de ruimtelijke kwaliteiten van de dorpsrand, die verbeteren als gevolg van het initiatief. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Passengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Water als structuurdrager Het plangebied ligt aan een watergang welke op de kaart 'plassen en vaarten in het boezemstelsel' genoemd wordt. Opvallend kenmerk is de combinatie van de hoge ligging van het boezemwater ten opzichte van het lagere ommeland (met een groot hoogteverschil in de droogmakerijen en een kleiner verschil in het veengebied), het hoge waterpeil en de verre zichten over het water en omringend landschap. Het water wordt vooral in de zomer volop bevaren met zeilboten, sloepen en andere vaartuigen. Vooral rond de grote plassen zijn dan ook tal van jachthavens te vinden. Woonboten liggen vooral langs brede boezemwateren.
Omdat het aantal bruggen en veerponten in het landelijk gebied beperkt is, vormen deze waterwegen een barrière voor overige gebruikers van het gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling gaan geen zichtlijnen verloren. De voor iedereen zichtbare, toegankelijke en beleefbare waterstructuur als dragende identiteit van het gebied blijft behouden. Kwaliteit van stads- en dorpsrand Op deze kaart is het onderwerp landschappelijke verweving van toepassing op het plangebied. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De stedenbouwkundige opzet is geënt op het oorspronkelijke landschappelijke patroon. Bij voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de bestaande structuren en de stad-landverbindingen worden versterkt. Identiteitsdragers van Zuid-Holland Bij deze kaartlaag worden de vele behouden molens benoemd. De molens zijn van ver af te zien en vormen herkenningspunten waarop men zich kan oriënteren. Zij zijn daarmee typisch voor de streek. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de zichtbaarheid van molens en hun onderlinge samenhang. De molenbiotoop is in toelichting paragraaf 1.3 verder behandeld.
18
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). De ontwikkeling maakt slechts zes woningen mogelijk op een perceel dat nu voornamelijk als bedrijfsterrein in gebruik is. De ruimtelijke ontwikkeling is beperkt in omvang en past bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet.
19
Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat bij onderhavig initiatief geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is sub b niet van toepassing. Bovendien betreft het hier geen locatie groter dan 3 hectare. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Bescherming recreatietoervaartnet In artikel 6.20 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden waarbinnen een recreatieve vaarverbinding ligt, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. b.
de ontwikkeling geen beperking oplevert van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg rekening houdend met het huidig gebruik; of de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.
De recreatieve vaarverbinding bevindt zich niet binnen het plangebied, maar ligt hier wel bij in de buurt (Wijde Aa). De ontwikkeling levert geen beperking op van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg. Er zijn geen aanpassingen voorzien aan de vaarweg. Regionale waterkeringen In artikel 6.22 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat: 1. 2. 3. 4.
5.
Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.
Op de gronden van onderhavige ontwikkeling bevindt zich een regionale waterkering en beschermingszone. Deze worden opgenomen in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Bij de verwezenlijking van de voorgenomen ontwikkeling ontstaan geen belemmeringen voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. De woningen worden op voldoende afstand van de waterkering en buiten het profiel van vrije ruimte gebouwd. Hierover is reeds afstemming geweest met het hoogheemraadschap van Rijnland.
20
Bescherming molenbiotoop In artikel 6.25 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a.
b.
binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a.
b.
een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen een molenbiotoop. In toelichting paragraaf 1.3 is uitgebreid getoetst aan deze molenbiotoop. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van wateroverlast bij extreme neerslag. Er wordt met het plan voldaan aan de richtlijnen met betrekking tot waterberging en er zal meer ruimte zijn voor water om te infiltreren. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een kleine kans (1/300 tot 1/3000 per jaar) is op overstroming in het plangebied als gevolg van de regionale waterkering. De kans op een overstroming van de primaire waterkeringen is extreem klein (1/30.000 per jaar). Het aspect overstroming is niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
21
Hitte Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat de temperatuur in het plangebied lager is dan in de omgeving. Dit is mogelijk een gevolg van het open karakter van het plangebied en de ligging nabij water. Door de vergroening en nabijheid van water zal naar verwachting de hittestress in het plangebied geen belemmering vormen. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. Vanwege de ligging en de vergroening in het plangebied wordt verwacht dat droogte geen grote risico's oplevert voor het plangebied. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
22
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Voorliggend plan is voornamelijk gerelateerd aan de punten 1 en 4 van de kernbeslissingen. Met de ontwikkeling van in totaal zes vrijstaande woningen wordt voorzien in woningen in een duur segment. Het initiatief levert een bijdrage aan de woonbehoefte binnen de regio en kan doorstroming teweeg brengen. Tevens wordt de groen-blauwe structuur niet uit het oog verloren. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit op de Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020. 3.3.2 Regionale Woon Agenda 2017 Holland Rijnland Op 14 maart 2018 heeft het algemeen bestuur van de regio Holland Rijnland de nieuwe Regionale woonagenda (Woonagenda) vastgesteld. Het aantal inwoners en huishoudens in Holland Rijnland neemt nog steeds toe. Daarnaast verandert de leeftijd en samenstelling van de bevolking door vergrijzing en steeds kleinere gezinnen. Met de woonagenda willen de gemeenten het woningaanbod de komende jaren beter laten aansluiten op de behoefte in de regio Holland Rijnland en in de subregio’s Duin- en Bollenstreek, Leidse regio en Rijn- en Veenstreek. Op de eerste plaats gaat het om de ontwikkeling van kansrijke bouwlocaties (woonmilieus). Andere belangrijke opgaven zijn het voorzien in voldoende sociale huurwoningen en passende woonruimten voor bijzondere doelgroepen, waarvoor aanvullende zorg noodzakelijk is.
Met de vernieuwde Regionale Woonagenda zijn gemeenten in staat hun woningbouwplannen onderling beter af te stemmen, qua bouwjaar en woonmilieu. Kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte Bij de beoordeling van de vraag of behoefte bestaat aan een bepaalde woningbouwontwikkeling wordt zowel gekeken naar kwantiteit als naar kwaliteit. De kwantitatieve behoefte gaat in op het aantal te realiseren woningen, terwijl de kwalitatieve behoefte ziet op het type woning/woonmilieu. Kwantitatieve behoefte De kwantitatieve behoefte wordt in de Regionale Woonagenda Holland Rijnland nog berekend op basis van een actuele Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) en de daaruit voortvloeiende bandbreedte, waarbij in het onderliggend beleidsstuk de onderkant van de bandbreedte wordt gebruikt voor het aantonen van de behoefte. De getoonde cijfers tonen daarom de minimale behoefte.
23
Uit de Woonagenda blijkt dat de harde plancapaciteit (zoals plannen op basis van (onherroepelijke) bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen of anderszins, concrete afspraken tussen verschillende overheden) de kwantitatieve behoefte tot 2019 overstijgt. Dit betekent dat er meer plannen op de stapel liggen dan strikt noodzakelijk is. Dit is echter een normale ontwikkeling bij het programmeren van woningbouw, omdat altijd sprake zal zijn van enige planuitval of vertraging. De plancapaciteit voor de behoefte op korte termijn is voldoende. Bij vertraging ontstaat er echter een tekort. Voor de behoefte op de lange termijn (na 2022) zijn er nog ruim onvoldoende plannen vastgesteld. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de subregio Oost. Voor de subregio Oost is er in de periode 2017 tot 2022 een woningbehoefte van 3.480 woningen. In de periode van 2022 tot 2030 is er in subregio Oost een woningbehoefte van 3.080 woningen. Voor de lange termijn (tot 2030) is de planvoorraad onvoldoende. Er zijn dan ook aanvullende plannen nodig om aan de behoefte te voldoen. De ontwikkeling van zes woningen levert hier een bijdrage aan. Ook op gemeentelijk niveau is er sprake van een woningbehoefte. In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen.
De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017-2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps/landelijk'. Het beoogde plan betreft een 'dorps/landelijk' woonmilieu, gezien zijn kleinschaligheid en ligging aan de rand van het dorp. De ontwikkeling van zes vrijstaande woningen levert een bijdrage aan de woningbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. In de regio Holland Rijnland bestaat een grote behoefte aan woningen in het topsegment. In de gehele regio en ook in subregio Oost liggen de prijzen voor vrijstaande woningen hoger dan het landelijk gemiddelde. Binnen subregio Oost liggen de prijzen hoger en zijn de verkooptijden korter dan in de andere gemeenten in deze subregio. Hieruit valt af te leiden dat de druk op dit deel van de markt hoog is en er een behoefte aan vrijstaande woningen bestaat. Daarnaast wordt aangesloten bij de doelgroep welke behoefte heeft aan vrijstaande woningen en wordt doorstroming op gang gebracht. In deze behoefte wordt met de voorgenomen zes vrijstaande woningen voorzien. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Regionale Woon Agenda 2017 van Holland Rijnland.
24
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Kernen'. De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 kernen. De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor winkels, horeca, sport en wonen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Voor het bouwen van nieuwe woningen ligt de voorkeur bij inbreiding. Echter betekent dit niet dat uitbreiding geen mogelijkheid is. Het opwekken van energie op een duurzame manier is een aandachtspunt van de gemeente, bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen op daken. Daarnaast is klimaatadaptatie een belangrijk thema binnen dit gebiedstype. Het toevoegen van verharding kan overlast veroorzaken bij extreem weer.
Er dient dan ook nagedacht te worden over de te nemen maatregelen. De kern Hoogmade valt net als Rijpwetering, Oud Ade, Kaag, Nieuwe Wetering, Rijnsaterwoude en Bilderdam onder het sub-gebiedstype landelijk dorps. Deze kernen zijn qua oppervlak, inwonersaantal en voorzieningenniveau minder omvangrijk dan de kernen die binnen het sub-gebiedstype centrum dorps vallen. De gemeente wil hier een passende woning voor iedereen en ontwikkelingen omtrent woningbouw en voorzieningen zullen moeten passen binnen de aard en schaal van de omgeving. Deze zullen dus
25
kleinschaliger zijn dan de ontwikkelingen binnen het sub-gebiedstype centrum dorps. Dit betekent niet dat er geen ontwikkelingen mogelijk zijn binnen deze kernen. Er is binnen Hoogmade een grote wens voor uitbreiding van het aantal woningen. In het dorpsperspectief van Hoogmade wordt aangegeven dat het wenselijk wordt geacht om de laatste (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw. Onderhavige ontwikkeling sluit hier op aan door een bedrijfslocatie te vervangen met woningbouw. In of nabij het plangebied zijn geen karakteristieke gebieden gelegen. Het voorliggende initiatief maakt zes woningen mogelijk door middel van inbreiding. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaande bedrijfslocatie. De nieuwe woningen leveren een bijdrage aan de woningbehoefte in de gemeente, specifiek aan de behoefte aan vrijstaande woningen. De kern Hoogmade wordt verder versterkt. Wat betreft klimaatadaptatie verbetert de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied bestaat grotendeels uit verharding. Het initiatief zorgt voor een vermindering van het verhard oppervlak, waardoor minder overlast door water wordt veroorzaakt en water gemakkelijker kan infiltreren in de bodem. Daarnaast verdwijnt de milieubelastende bedrijfsbestemming.
Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Welstandsnota De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de karakteristieke gebieden, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de Welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Planspecifiek Uit raadpleging van de welstandskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in welstandsluw gebied. Een welstandstoets voor de beoogde ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Tevens bevindt er zich geen monumentale bebouwing binnen het plangebied. Gesteld kan worden dat de Welstandsnota geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.