CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPBOSKADE6EN7C-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Boskade 6 en 7c, Hoogmade'.16.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Daarnaast is het wenselijk wanneer de westgevel van de meest westelijk gelegen nieuwbouw woning uitgevoerd wordt als een zogenaamde 'dove gevel'. Met inachtneming van deze maatregelen kan gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstand. Voor de omliggende bestaande woningen geldt dat in ruimtelijk en planlogisch opzicht er een verbetering optreedt. Voor de oostelijk gelegen woningen geldt dat in de nieuwe situatie voldaan gaat worden aan de richtafstanden tussen de bedrijvigheid en de woningen. Voor de woning aan de Boskade 7 geldt dat de bedrijvigheid ten oosten van de woning komt te vervallen. Ten westen van de woning blijft de bedrijvigheid aanwezig, maar door middel van milieuzonering wordt er voorkomen dat de hinder meer wordt dan tot heden vergund. Hiernaast is deze beredenering ook toepasbaar voor de woning aan de Boskade 7A. Geconcludeerd kan worden dat het plan voor het aspect bedrijven en milieuzonering voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovengenoemde kan er geconcludeerd worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

28

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijnstof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagd naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Planspecifiek Het beoogde plan voorziet de ontwikkeling van 8 woningen en de transformatie van bedrijfslocatie naar een kleinschalig bedrijventerrein voor verschillende bedrijven. Als gevolg van de beoogde planontwikkeling ontstaat er een verkeersgeneratie van circa 320 mvt/e. Met gebruikmaking van de NIBM rekentool is bepaald of het plan aan te merken is als 'niet-in-betekende-mate'. Uit de berekening blijkt dat het project aan te merken is als een zogenaamd NIBM project.

Naast de boordeling of het project aan te merken is als een NIBM project dient ook beschouwd te worden of de huidige luchtkwaliteit de beoogde functies toelaat. Daarvoor is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de huidige concentraties van fijnstof en stikstofdioxide. Uit de raadpleging blijkt dat de concentratie van fijnstof en stikstofdioxide respectievelijk 16,27μg/m³ PM 10, 8,57 μg/m³ PM2,5 en 17,94 μg/m³ NO2 bedragen.

29

Er wordt hiermee voldaan aan de wettelijke eisen, maar niet aan de advieswaarden van het WHO. Hierbij moet opgemerkt worden dat deze advieswaarden nog nergens in Nederland behaald worden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde plan.

4.6 Externe veiligheid Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

30

Planspecifiek Het beoogde plan voorziet in de bouw van 8 woningen en de transformatie van een bestaande bedrijfskavel. Hierbij worden zowel gevoelige als beperkt gevoelige bestemmingen toegevoegd aan de bestaande situatie. Om na te gaan of er risicovolle inrichtingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart externe veiligheid en het basisnet geraadpleegd. Zie hieronder voor een fragment van de risicokaart.

Fragment kaart externe veiligheid (plangebied omcirkeld in het rood, bron: Atlas leefomgeving)

Transport van gevaarlijke stoffen via buisleiding Op een afstand van circa 115 meter van het plangebied ligt een aardgasleiding. Deze leiding beschikt niet over een PR-contour en ligt op genoeg afstand om geen gevaar te vormen voor het voorliggende plan. Geacht wordt dat buisleidingen geen belemmering vormen voor het voorliggende plan. Transportroute van gevaarlijke stoffen via spoor, water en weg Het plangebied is gelegen op een afstand van minimaal 95 meter van de A4 waarbij deze gebruikt wordt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De planlocatie ligt buiten de PR-contour van de A4. Een deel van het plangebied ligt binnen het explosie aandachtsgebied van de A4. Het beoogde plan voorziet enkel dat er een bedrijventerrein wordt aangelegd binnen dit aandachtsgebied. Om een indicatie te krijgen voor het groepsrisico is er gekeken naar de omgeving van het plangebied en de beoogde ingreep. In de huidige situatie is er sprake van een significante hoeveelheid aan zowel woning- en bedrijfsbestemmingen. Het voorliggende plan voorziet in de aanleg van 8 burgerwoningen en schept de mogelijkheid voor de aanleg van één of meerdere bedrijfsverzamelgebouwen. Het gevolg hiervan is dat er meer mensen over het algemeen in het gebied rondom de A4 zal zijn, maar deze toename is dermate klein dat de verwachting is dat er geen sprake is van een rekenbare toename van het groepsrisico.

Voor het vaststellen benodigde maatregelen en voorzieningen moet er gekeken worden naar het maatgevende scenario. Om het invloedsgebied van deze weg te bepalen is het noodzakelijk om de getransporteerde stofcategorieën per jaar te analyseren. In het rapport 'Rapport toetsing realisatiecijfers vervoer gevaarlijke stoffen over de weg aan de risicoplafonds Basisnet' zijn de intensiteiten opgenomen, deze zijn weergeven in de tabel hieronder.

31

Stofcategorie LF1 LF2 LT1 LT2 LT3 GF1 GF2 GF3

Omschrijving Brandbare vloeistoffen Brandbare vloeistoffen Toxische vloeistoffen Toxische vloeistoffen Toxische vloeistoffen Brandbare gassen Brandbare gassen Brandbare gassen

Jaarintensiteit 11335 39828 82 620 189 0 0 4000*

Jaarintensiteit gevaarlijke stoffen over de A4 (Bron: Basisnet Weg), * Aandeel LPG = ~24%

Het invloedsgebied van LPG bedraagt 355 meter en overlapt het plangebied. Het invloedsgebied voor toxische stoffen van de A4 wordt bepaald door de stofgroep LT3 (toxische vloeistoffen). De stofgroep LT3 heeft een invloedsgebied van >4.000 meter. Dit invloedsgebied overlapt het gehele plangebied. Daarom dient een beschrijving gegeven te worden van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied bevinden zich functies die specifiek als gevoelig en beperkt gevoelig beschouwd kunnen worden. Deze functies bevinden zich buiten de 200 meter-zone van de A4 en buiten de groepsrisicocontouren van de hierboven beschreven inrichtingen. Het is natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen in het oostelijke deel van het plangebied zullen gaan wonen of aanwezig zijn. Maatgevende scenario BLEVE Het maatgevende scenario voor de rijksweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij het tankstation een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand. Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Scenario toxische gassen Door een incident met een tank(wagen) waarin toxische stoffen vervoerd/bewaard worden, kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak.

Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De woningen in het plangebied zijn gemakkelijk te ontvluchten. Er bevinden zich wel doodlopende straten binnen de gevarenzone, maar de verwachting is dat gevaar alsnog gemakkelijk te ontvluchten is via de N446 of de Van Klaverweijdeweg. Hierdoor kunnen aanwezigen wegvluchten van het gevaar.

32

Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding van rampen Om de bestrijdbaarheid te vergroten dient het plangebied over voldoende bluswatervoorzieningen te beschikken. Bij toekomstige nieuwbouwprojecten dient de bluswatervoorziening (offensief en defensief) en de bereikbaarheid van een specifiek plangebied ter advisering bij VRHM voorgelegd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij nieuwbouwprojecten vast te stellen dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop afgeschakeld kan worden in geval van een toxische wolk. In het toekomstige Bbl is in artikel 4.126, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Hiermee kan worden voorkomen dat toxische gassen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop-huurcontract of indiensttreding kunnen bewoners/werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden.

Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Inrichting Op een afstand van minimaal 280 meter is er sprake van een risicovolle inrichting, namelijk een propaan opslagtank. Vanuit de kaart externe veiligheid kan worden bevestigd dat het plangebied ver genoeg van deze risicovolle inrichting bevindt. Aanzet tot verantwoording De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de A4 verandert niet als gevolg van het onderhavige initiatief. De A4 is goed bereikbaar voor hulpdiensten. In het geval van en calamiteit kan men inpandig veilig schuilen. Daarvoor is het van belang tijdig te worden gealarmeerd. Het plangebied ligt nabij het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS-palen).

De beoogde woningen worden buiten het risicocontour van de A4 gebouwd waarmee acuut gevaar niet verwacht wordt. Rekening houden met het kleine risico en de mogelijkheid om inpandig te schuilen en de ventilatie uit te schakelen, worden geen aanvullende maatregelen gesteld. De gemeente Kaag en Braassem kan deze aanzet overnemen, waarbij advies wordt ingewonnen bij de Veiligheidsregio Hollands Midden. Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is

33

opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het beoogde plan heeft een mogelijk negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermd natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Derhalve geldt de wettelijke verplichting om onderzoek uit te voeren. Deze is uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming Boskade ong. te Hoogmade, rapportnummer 2023-0777, d.d. 14 augustus '23), zie bijlagen bij toelichting bijlage 5. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, strategische reservering natuur of weidevogelgebied. Op een afstand van ca.

5,0 km ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'De Wilck’. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep en die van invloed zijn op nabijgelegen NNN gebieden. Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (zie bijlagen bij toelichting bijlage 6, Buro SRO, 24 november 2023) uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in het worst-case scenario de gebruiksfase een NOx-emissie heeft van 38,7 kg/j en een NH3 emissie van 1,7 kg/j. Voor de aanlegfase is er een NOx-emissie van 122,1 kg/j en een NH3 emissie van 4,7 kg/j. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is de ontwikkeling uitvoerbaar.

Soortenbescherming Door Blom ecologie is op basis van bureau- en locatieonderzoek gebleken dat binnen het plan gebied er geen beschermde plantsoorten aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen aanwijzingen gevonden van (beschermde) zoogdieren. De planlocatie lijkt voornamelijk geschikt voor algemene soorten, zoals de bosmuis, egel, huisspitsmuis en konijn. Deze soorten zijn zo flexibel dat in de nabije omgeving vergelijkbare leefgebieden aanwezig zijn waar ze zich tijdelijk kunnen vestigen. Bovendien zijn dergelijke algemene soorten vrijgesteld van bepaalde beperkingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn geen holen, nesten of sporen gevonden op en rondom de locatie die wijzen op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die niet onder de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). De locatie van het plan kan echter mogelijk dienen als leefgebied voor soorten die geen beschermde status hebben (met inachtneming van de algemene zorgplicht) en/of waarvoor vrijstellingen gelden. Het is belangrijk op te merken dat gedurende het broedseizoen (doorgaans van 15 maart tot 15 juli) alle nesten van broedvogels beschermd zijn, ongeacht de soort. Indien het nest in gebruik is, is deze ook automatisch beschermd. Hiernaast moet altijd de algemene zorgplicht in acht worden genomen bij het uitvoeren van werkzaamheden.

34

Houtopstanden Het beoogde plangebied heeft geen houtopstanden waarbij een meldingsplicht, in het kader van de Wet natuurbescherming, zou gelden indien er overgegaan wordt tot kap van deze bomen. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering zal vormen voor het beoogde plan.

4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op rijks- en europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

▪

▪

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete

35

watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnlandrioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022 - 2026 is het waterbeheerplan 'Water wijst de weg, WBP6' van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Hiermee maakt het hoogheemraadschap van Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan de wettelijke taken en ambities.

Het WBP6 legt meer dan voorheen accent op klimaatuitdagingen, waarbij het hoogheemraadschap een positieve bijdrage wil leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit. Dát is zorgen voor een gezonde en duurzame leefomgeving. Er is een interactieve Visiekaart opgesteld met vier landschapstypen. Onderhavig gebied maakt deel uit van het landschapstype 'zand'. Het Rijnlands zandlandschap aan de Noordzeekust bestaat uit duingebied en bollenstreek. Toerisme, recreatie en agrarische productie zijn de belangrijkste functies. De belangrijkste waterontwikkelingen zijn:

•

kwelwater van hoge kwaliteit uit de duinen stroomt af en raakt vervuild als het in contact komt met het oppervlaktewatersysteem;

•

de hoge ecologische kwaliteit van het duingebied staat onder druk, ook door gewasbeschermingsmiddelen uit de bollenteelt waarvan de restanten in het grondwater terechtkomen;

•

de vraag naar ruimte voor drinkwaterwinning wordt groter.

De Blauwe Lens De gevolgen, kansen en oplossingen van klimaatverandering voor het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland zijn onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek is het rapport 'De Blauwe Lens, transitieopgaven verbonden door water' (januari 2021). De Blauwe Lens geeft aan dat het gebied en het watersysteemveerkrachtiger en flexibeler moeten worden. Een belangrijk inzicht is dat problemen niet afgewenteld moeten worden op de omgeving, maar dat water juist moet worden ingezet als ordenende kracht in ruimtelijke ontwikkeling. Met deze constatering bevestigt De Blauwe Lens de noodzaak om water leidend te maken. Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

▪ ▪ ▪ ▪

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan:

▪ ▪

onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak.

36

De Keur van Rijnland 2020 gaat uit van een 'ja, tenzij'-benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het hoogheemraadschap van Rijnland geeft aan dat bij een toename vanaf 500 m² aan verharding binnen het plangebied deze gecompenseerd moet worden met 15% aan nieuw oppervlakte water.

Het beoogde plan heeft tijdens het opstellen van het bestemmingsplan nog geen definitieve opzet van het bedrijventerrein gekregen, waardoor er nog geen benodigde watercompensatie opgesteld kan worden per perceel. In de regels wordt gegarandeerd dat de benodigde watercompensatie aangelegd wordt wanneer de invulling van het bedrijventerrein bekend is. Bij het berekenen van de benodigde watercompensatie zal rekening worden gehouden met de bestaande verharding. Oppervlaktewater Het voorliggende initiatief voorziet in beginsel niet in de demping van oppervlaktewater. Indien dit onverhoopt tocht gebeurt zal deze gecompenseerd moeten worden. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Het plangebied valt, volgens de legger van het hoogheemraadschap, niet binnen een beschermingszone van een waterkering, zodat geen planologische bescherming nodig is in de vorm van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Binnen het plangebied is geen beschermingsgebied voor grondwater opgenomen. Wel is er sprake van meerdere duikers op zeer korte afstand tot het plangebied, zie onderstaande verbeelding.

Hierbij dient rekening te worden gehouden met de uitvoeringsregels van de Keur van het hoogheemraadschap.

37

Hemel- en vuilwater De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

▪ ▪ ▪

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstort van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. Hierbij wordt hemelwater van de daken opgevangen in watertonnen en hemelwater in de openbare ruimte geïnfiltreerd via permeabele verharding op de parkeerplaatsen. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het beoogde plan maakt geen deel uit van een karakteristiek gebied. Hiernaast zijn er geen rijksmonumenten of karakteristieke panden binnen of rondom het plangebied aanwezig. Wat er wel aanwezig is, is een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400m'. Met deze aanduiding worden historische molens beschermd tegen te hoge bebouwing die anders de molen zou aantasten. De aanduiding stelt een maximumhoogte op vanaf 100 meter tussen de molen en het gebouw in kwestie, waarbij normaliter voor elke 100 meter afstand het gebouw één meter hoger mag zijn. Indien de zone gestoord wordt door bebouwing wordt deze regel omgezet naar de regel dat per 30 meter afstand de bouwhoogte één meter hoger mag zijn.

Volgens het geldende bestemmingsplan is de Doesmolen de maatgevende molen, maar na overleg met de gemeente Kaag en Braassem is gebleken dat het naastgelegen Dekkermolentje per abuis niet voorzien is van deze gebiedsaanduiding. Om te voorkomen dat deze molen gehinderd wordt worden er berekeningen uitgevoerd waarmee de maximum bouwhoogte voor het voorliggende plan wordt berekend. Deze bouwhoogte heeft voorrang over elders gestelde bouwhoogten. Hierdoor wordt er gegarandeerd dat het voorliggende plan geen belemmering veroorzaakt voor omliggende monumentale molens. Hierdoor vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het beoogde plan.

38

4.10 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toeval)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 1' gekregen. In het geval van deze dubbelbestemmingen ligt de drempelwaarde voor een archeologisch onderzoek onder 0,3 meter onder maaiveld. Voor oppervlak verschilt het tussen 150 m² bij 'Waarde - Archeologie 1' en 2.500 m² bij 'Waarde - Archeologie 3'.

Gezien de afmetingen van het voorliggende plan is er door Transect een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IV) Hoogmade, Boskade 7, d.d. 30 augustus 2023, 23070002), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 8. Uit dit onderzoek bleek dat het gehele plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft, waarbij er geacht wordt dat de kans op het treffen of verstoren van archeologische vondsten zeer laag is. Geacht wordt dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De beoogde planontwikkeling ziet op de realisatie van 8 woningen en circa 4.490 m² aan bedrijfsbebouwing. Op basis van de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' is de verkeersgeneratie berekend. Voor de berekeningen is ervan uitgegaan van de kenmerken 'buitengebied' en 'weinig stedelijk'. De verkeersgeneratie voor de 8 woningen komt daarmee op 8 * 7,8 mvt/e = 62,4 mvt/e.

Voor de bedrijfsverzamelgebouwen komt de verkeersgeneratie op 4.490 m2 * 7,0 / 100 m² = 314,3 mvt/e. De totale verkeersgeneratie komt daarmee op 377 mvt/e. In de bestaande situatie zijn er circa 82 mvt/e (2.105 m2 * 3,9/100 m2). Daarmee is er sprake van een toename van circa 295 mvt/e. De verwachting is dat het leeuwendeel van het verkeer zich direct zal begeven richting de N446 en de A4 waardoor het verkeer niet door het dorp rijdt. Daarmee is de belasting

39

van het onderliggende wegennetwerk beperkt en is de eventuele hinder voor bestaande woningen eveneens beperkt. Geacht wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor het voorliggende initiatief. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek Wegens het feit dat tot en met het opstellen van dit bestemmingsplan nog geen invulling van het bedrijventerrein is vastgesteld kan het beoogde plan nog niet volledig getoetst worden op de parkeernormen zoals deze gehanteerd worden volgens de gemeente Kaag en Braassem. Hierbij wordt de normen zoals opgenomen in de beleidsregel 'Parkeernormen Kaag en Braassem 2018' gehanteerd voor de toekomstige berekening van de parkeernormen. Hierbij worden de kenmerken 'Buitengebied' en 'weinig stedelijk'. Functie

Eenheid

Tussenwoning/hoekwoning Bedrijfsverzamelgebouw

Per woning Per 100 m² b.v.o.

Minimum parkeernorm 1,6 1,7

Maximum parkeernorm 2,4 2,2

Aandeel bezoekers 0,3 -

Voor de beoogde woningen kan er al wel berekend worden. Hieruit vloeit de berekening 2 * 8 = 16 parkeerplekken. Het beoogde plan voorziet in de aanleg van 17 parkeerplekken op zeer korte afstand van de woningen, waarmee er voldaan wordt aan de parkeernormen voor de woningen. Om alsnog te kunnen garanderen dat er sprake zal zijn van voldoende parkeergelegenheid is er in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor de toekomstige invulling van het plangebied moet voldoen aan de beleidsregel 'Parkeernormen Kaag en Braassem 2018'. De verwachting is dat zolang deze parkeernormen gehanteerd worden, het aspect parkeren geen belemmering zal vormen voor het beoogde plan.

40

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Basisregistratie Grootschalige Topografie en/of kadastrale kaart).

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Bedrijventerrein De gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn bestemd voor het vestigen van bedrijfsunits samen met de bijbehorende toegangswegen, groen-, parkeer-, nuts-, en watervoorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak worden gebouwd. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor het wonen met samenhang voor de uitoefening van aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Hierbij is de mogelijkheid tot het aanleggen van de bijbehorende voorzieningen, zoals toegangswegen, groen-, water-, parkeer-, en nutsvoorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluiten gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak worden gebouwd. Hiernaast is het maximum aantal toegestane woningen per bestemmingsvlak één, tenzij met de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden' anders is aangeduid. Waarde - Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

41

Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

42

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

▪ ▪ ▪

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Voorliggend initiatief is aan te merken als een bouwplan zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Daarmee kan alleen afgezien worden van het opstellen van een exploitatieplan indien op een andere wijze is voorzien in het verhaal van gemeentelijke kosten. Hierin is voorzien door het sluiten van een anterieure overeenkomst.

43

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hieraan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie Naar aanleiding van het advies dat de gemeente Kaag en Braassem heeft uitgebracht over het principeverzoek op 19 april 2023 heeft de initiatiefnemer een brief opgesteld richting de omwonende van het plangebied. In deze brief is uitgelegd wat het plan inhoud, wie eraan mee doen en wat de vervolgstappen zijn voor de initiatiefnemer en omwonende zijn. Hierbij heeft de initiatiefnemer de omwonende uitgenodigd om vroegtijdig te reageren op het voorliggend plan. Naar aanleiding van de brief zijn er meerdere reacties op het plan ingestuurd, deze reacties zijn hieronder samengevat:

•

Één reactie betreft een van de omwonende die geïnteresseerd was in het kopen van een deel van het plangebied. Hierover zijn de gesprekken van de mogelijke verkoop nog gaande tijdens het opstellen van het voorliggende plan.

•

Drie reacties waren vragen voor nadere toelichting en kennismaking met het plan, deze zijn volledig beantwoord.

•

De laatste reactie zag op mogelijke schade als gevolg van de realisatie van het voorliggende plan. Om mogelijke schade te voorkomen is er een nul-meting uitgevoerd voor de aanvang van de saneringswerkzaamheden.

44

Verder is er nog meerdere malen overleg geweest met de dorpsraad van Hoogmade. Deze zijn positief over het feit dat het voorliggende plan voorziet in de aanleg van meerdere woningen. Hiernaast wordt de dorpsraad actief betrokken bij de aanstaande bewonersbijeenkomst in medio 2024. Deze bijeenkomst is bedoeld om een gesprek tussen de initiatiefnemers, architect, aannemer, dorpsraad, gemeente en omwonende te faciliteren en verdere toelichting te geven over het voorliggende plan.

7.3 Vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro op 14 juli 2023 gestuurd naar de volgende vooroverlegpartners: Veiligheidsregio Hollands Midden, provincie Zuid-Holland, Omgevingsdienst West-Holland en Hoogheemraadschap van Rijnland. Hieronder worden de ingekomen reacties samengevat, met de reactie van het buro in cursief. Reactie Veiligheidsregio Hollands Midden Reactie d.d. 10 oktober 2023 De veiligheidsregio geeft aan dat in het huidige bestemmingsplan geen offensieve bluswatervoorziening is opgenomen binnen het plangebied. Hiernaast is er ook geen gereserveerde opstelplaats opgenomen voor de brandweervoertuigen. Deze opmerking geeft in beginsel geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. Deze procedure kan namelijk los van de procedure voor het bestemmingsplan lopen. De veiligheidsregio kaart aan dat er voldoende ruimte is opgenomen voor open water, dat in geval van nood dienst kan doen als defensief bluswater. Hierbij is wel de kanttekening dat het water moet voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in het regionaal vastgestelde beleid. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan.

De veiligheidsregio geeft aan dat door de afwezigheid van een definitieve invulling onduidelijkheid is over de keermogelijkheden, belastbaarheid en draaicirkels van de wegen in het beoogde plangebied. Er wordt geadviseerd om advies in te winnen en het plan hierop aan te passen. Deze opmerking geeft aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. De veiligheidsregio kaart aan dat het plangebied niet past binnen de categorie 3 'Verspreid liggende woningen / Verspreid liggende gebouwen voor zelfredzame personen'. Geacht wordt dat het past binnen categorie 2 'Woningen / Gebouwen voor zelfredzame personen' waarbij er een maximum opkomsttijd van 10 minuten heerst. Het beoogde plan voldoet hieraan. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. De omgevingsdienst geeft aan dat wegens de ligging naast de A4 dat de bijbehorende scenario's relevant zijn voor het beoogde plan. De omgevingsdienst is hierbij van mening dat deze al reeds correct uitgewerkt is. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggende bestemmingsplan.

45

Reactie provincie Zuid-Holland Reactie 1 d.d. 10 oktober 2023 De provincie geeft aan dat de molenbiotoop voor de molen aan de Van Klaverweijdeweg 25 te Hoogmade niet opgenomen is in de huidige verbeelding. Deze opmerking geeft aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. Reactie 2 d.d. 7 november 2023 De provincie geeft aan vanuit de huidige bedrijfsbestemming verder geen belemmering voor deze ruimtelijke ontwikkeling te voorzien. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggende bestemmingsplan. Reactie Hoogheemraadschap van Rijnland Reactie d.d. 23 oktober 2023 Het Hoogheemraadschap geeft aan dat alle watergangen binnen het plangebied overige watergangen zijn. De perceeleigenaren zijn daarmee verantwoordelijk voor het onderhoud van zijn of haar watergang. De onderhoudsverplichting en minimale breedte van watergang(en) dienen conform de Legger oppervlaktewater te zijn. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. Het Hoogheemraadschap geeft aan voorkeur te hebben aan doorlopend of stromend oppervlaktewater. Indien dit niet mogelijk is, is het verzoek om hemelwaterafvoer in te zetten voor de doorspoeling van het oppervlaktewater. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan.

Het Hoogheemraadschap geeft aan dat het voorliggende plan voorziet in een toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied. Indien deze toename meer dan 5.000 m² is moet het plangebied een bui van 90 milimeter in 24 uur kunnen opvangen. Deze verplichting gaat samen met de 15% open water compensatie eis. Hiernaast komen er eisen voor natuurinclusieve sloten waaraan het voorliggende plan moet voldoen. Ten slotte attendeert het Hoogheemraadschap dat er geen overgangsregeling opgenomen is voor de nieuwe regels. Deze opmerking geeft aanleiding tot het veranderen van het voorliggende bestemmingsplan. Er is een voorwaardelijke regeling opgenomen waarmee de watercompensatieplichting is vastgelegd. Het Hoogheemraadschap geeft aan dat mogelijke dempingen en graven van oppervlaktewateren gemeld moeten worden. Indien deze meer dan 100 m² bedragen is er sprake van een vergunningsplicht. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. Het Hoogheemraadschap geeft aan dat voor de beoogde werkzaamheden een watervergunning mogelijk nodig is. Hierbij is het verzoek om de procedure zo snel mogelijk te starten in verband met mogelijke indieningsvereisten. Deze opmerking geeft geen aanleiding tot het veranderen van het voorliggend bestemmingsplan. Reactie Omgevingsdienst West-Holland Reactie 1 d.d.

13 november 2023 De Omgevingsdienst merkt op dat een deel van het woongebied overlapt met het perceel 2238 terwijl dit niet vernoemd was in paragraaf 2.2. Deze opmerking geeft aanleiding tot het aanpassen van het voorliggend bestemmingsplan. Het perceel is nu benoemd in paragraaf 2.2. De Omgevingsdienst merkt op dat de naastgelegen agrarische bedrijven op dit moment niet beschouwd worden. Verzocht wordt om deze op te nemen en te beoordelen. Deze opmerking geeft aanleiding tot het aanpassen van het voorliggend bestemmingsplan. De naastgelegen agrarische bedrijven zijn nu opgenomen en beschouwd.

46

De Omgevingsdienst heeft verzocht om de afstandentabel aan te passen door het opnemen van de verschillende milieucategoriëen binnen het nieuwe bedrijventerrein en de bijbehorende beschouwingen. Deze opmerking geeft aanleiding tot het aanpassen van het voorliggend bestemmingsplan. De verschillende milieucategoriëen zijn opgenomen en getoetst aan de richtafstanden. De Omgevingsdienst heeft aangegeven dat in de getoetste versie van het plan de aanduiding 'rustig buitengebied' gehanteerd werd, waardoor er niet voldaan werd aan bepaalde richtafstanden. Hierdoor kan de milieucategorie 3.2 in beginsel ook niet gerealiseerd worden. Deze opmerking geeft aanleiding tot het aanpassen van het voorliggend bestemmingsplan. De toelichting en beredenering is aangepast waardoor er gerekend wordt met een 'gemengd gebied' waardoor er wel voldaan wordt aan de richtafstanden. De Omgevingsdienst geeft aan dat in de getoetste versie van het plan er nog op een aantal punten vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden en deze op te nemen. Deze opmerking geeft aanleiding tot het aanpassen van het voorliggend bestemmingsplan. De toelichting is aangepast om deze punten op te nemen. Gezien de mate en omvang van de beoogde ontwikkeling verzoekt de Omgevingsdienst dat er een stikstofberekening en onderzoek wordt uitgevoerd.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Boskade 6 en 7c, Hoogmade’ heeft van 21 december 2023 t/m 31 januari 2024 ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal vier zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen. De nota is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=658a0a67-0e19-495e-ba15-cb2a33a65d45