CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPBOSKADE6EN7C-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 17 juni 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Boskade 6 en 7c, Hoogmade'.16.387 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Boskade 6 en 7c Hoogmade Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPBOSKADE6EN7C-VAS1

Datum:

2024-06-17

Contactpersoon Buro SRO:

J. van Nuland | T. Ponse

Kenmerk Buro SRO:

SR230212

Opdrachtgever:

Dhr P. Ruiter

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 21

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 22 4.1 Milieueffectenraportage ................................................................................................................................... 22 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 23 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.4 Bedrijf en milieuzonering .................................................................................................................................. 27 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 29 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 30 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

33 4.8 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 35 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 38 4.10 Archeologie ..................................................................................................................................................... 39 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 39

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 41 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 41 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 41 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 41

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 43 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 44 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 44 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 45 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 47

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan ziet op het herbestemmen van de bedrijfslocatie aan de Boskade / Van Klaverweijdeweg te Hoogmade. Voornemen is de bedrijfslocatie geschikt te maken voor een bedrijventerrein met één of meerdere bedrijfsverzamelgebouwen. Daarmee zullen op locatie meer bedrijven zich vestigen dan in de huidige situatie en dan planologisch toegestaan. Hiernaast wordt het bestaande bouwvlak op de bedrijfsfunctie opgedeeld in twee op de bestaande kadastrale grens, waarna er een bebouwingspercentage op komt te liggen. Daarnaast zal een deel van de bedrijfsbestemming herbestemd worden naar wonen. Daarmee wordt het mogelijk op locatie maximaal 8 woningen te realiseren. In april 2023 heeft de gemeente Kaag en Braassem kenbaar gemaakt een positieve grondhouding aan te nemen ten opzichte van het initiatief. Deze positieve grondhouding is aanleiding geweest de planvorming verder vorm te geven. Onderhavig bestemmingsplan is hier de juridische uitwerking van.

5

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het voorliggende plan omvat de percelen rondom de Van Klaverwijdeweg en Boskade 6/7c in de gemeente Kaag en Braassem. Het plangebied is gelegen ten oosten van Leiden en grenst aan de A4 en N446. Daarnaast ligt het plangebied ten noorden van de Does, een kunstmatige watergang. De percelen die dit bestemmingsplan omvat zijn de percelen 2147, 2148, 2233, 2234, 2235, 2238 en 2239. Deze percelen bij elkaar hebben een totaaloppervlakte van circa 9.400 m². Hieronder is de globale ligging en de begrenzing van het plangebied weergeven.

Globale ligging plangebied (Rood omcirkeld, bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Globale begrenzing plangebied (Rood omlijnd, bron Ruimtelijkeplannen.nl) / aanpassen plangrens

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem op 28 mei 2018. Hieronder is een fragment van het geldige bestemmingsplan te zien.

Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In dit bestemmingsplan heeft het merendeel van het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf' met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - sloopbedrijf'. Op deze gronden mogen, generiek, bedrijven zich vestigen uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijven. Daarnaast mag, als gevolg van de aanduiding, een aannemersbedrijf voor sloopwerkzaamheden zich vestigen op locatie met daarbij behorende detailhandel in sloopmaterialen, alsmede ambachtelijke bedrijven, aannemersbedrijven en agrarische hulp- en nevenbedrijven. Aan de westzijde van het plangebied is een klein deel van de gronden bestemd tot 'Groen' en 'Wonen'. Voor het plangebied gelden ook de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde Archeologie 3'. Beide zijn er ter bescherming van de archeologische waarden in de grond. Het plangebied is voor een groot deel ook binnen de molenbiotoop gelegen van de molen die zich aan de oostzijde van het plangebied bevindt.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidend hoofdstuk wordt er in hoofdstuk 2 het beoogde plan beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevant beleid vanuit het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de relevante milieuaspecten waarmee dit plan onderbouwd wordt. De juridische planbeschrijving is opgenomen in hoofdstuk 5, waarna hoofdstukken 6 en 7 in gaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is direct gelegen aan de Van Klaverweijdeweg en de Boskade. Het terrein is op beide wegen ontsloten. Er zijn op dit moment twee bedrijfsloodsen aanwezig in het plangebied die in een matige tot slechte staat verkeren. Beide bestaan uit één bouwlaag en met de nok haaks op de Van Klaverweijdeweg. Het plangebied betreft een oud bedrijfsterrein waarop enkel een sloopbedrijf mogelijk was door middel van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - sloopbedrijf'. In de omgeving van het plangebied is er een mix van woon-, bedrijfs- en agrarische functies aanwezig.

Impressie plangebied gezien vanaf de Van Klaverweijdeweg (noordwest kant van het plangebied, bron: Google Maps)

Impressie plangebied gezien vanaf de Boskade (noordkant van het plangebied, bron: Google Maps)

8

Impressie plangebied gezien vanaf de Bospolderweg (zuidkant van het plangebied, bron: Google Maps)

Impressie Boskade 7c gezien vanaf de Boskade (Bron: Google Maps)

9

2.2 Toekomstige situatie Het beoogde plan voorziet in de transformatie van het bedrijfsterrein naar een combinatie van een bedrijventerrein, ten behoeve van meerdere bedrijfsverzamelgebouwen, en een woongebiedje bestaande uit maximaal 8 woningen. Het woongebied aan de oostzijde van het plangebied sluit aan op de bestaande woningen. Het nieuwe woongebied met de benodigde parkeergelegenheid komt te liggen op de percelen 2233, 2234, 2235 en (deels) 2238. Het bedrijventerrein wordt aan de westzijde van het plangebied gesitueerd op de percelen 2147, 2148, (deels) 2238 en 2239. In lijn met de gangbare planregeling in Kaag en Braassem krijgt een bedrijfslocatie voor meerdere bedrijven de bestemming Bedrijventerrein. Dit bedrijventerrein krijgt twee bouwkavels waarbij de grens hetzelfde is als de kadastrale grens tussen de percelen 2238 en 2239. Het bedrijventerrein wordt in milieucategorieën gezoneerd uitgaande van een gemengd gebied. De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de mogelijke indeling van het beoogde plan voor respectievelijk het oostelijke en westelijke deel van het plangebied.

Mogelijke inpassing voor woningen in het beoogde plan (Woningen ten zuiden en oosten van Boskade 7, Bron: Stili)

10

Mogelijke inpassingen voor het bedrijventerrein in het beoogde plan.

De mogelijkheid bestaat dat de uiteindelijke indeling anders is dan hierboven te zien is.

11

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio's toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de kortetermijnmaatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, apart van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het rijksbeleid. In subparagraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. De NOVI vormt dus hierdoor geen belemmering voor het beoogde plan. 3.1.2 Besluit Algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.

Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De Barro is op 30/12/2011 in werking getreden en op meerdere momenten is deze aangevuld, met de meest recente aanpassing 01/12/2020. Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro worden dan ook geen specifieke randvoorwaarden gesteld aan het plan.

12

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 en 3 Bro als volgt omschreven:

2.

3.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Bij woningbouw ligt de grens voor wat een stedelijke ontwikkeling betreft vanaf 12 woningen en bij een bedrijventerrein bij een ruimtebeslag van minstens 500 m². Het beoogde plan voorziet in meerdere veranderingen van het plangebied. De nieuwe invulling laat 8 woningen toe en 60% aan bedrijfsbebouwing per bouwvlak. In beginsel kan er gesproken van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de behoefte en locatie van het initiatief beschouwd moeten worden. Behoefte naar het initiatief Uit de omgevingsvisie van de gemeente Kaag en Braassem is te herleiden dat binnen de gemeente er een tekort is aan ruimte voor bedrijventerreinen. Deze behoefteonderbouwing komt voort uit de economische visie van de Ondernemersvereniging Kaag en Braassem (OVKB). Als gevolg van het tekort kunnen ondernemers binnen de gemeente geen ruimte vinden om een nieuwe onderneming te starten, de bestaande onderneming te verhuizen of uit te breiden binnen de gemeente.

Het beoogde plan voorziet in deze behoefte door het omzetten en vergroten van een bestaande bedrijfslocatie voor één bedrijf naar een bedrijfslocatie voor meerdere bedrijven op zeer korte afstand van de A4. Uit de omgevingsvisie blijkt ook dat er vraag is naar woningen binnen de gemeente. Het beoogde plan maakt 8 nieuwe woningen mogelijk waardoor een bescheiden deel van de woningvraag binnen de gemeente wordt opgevangen. Locatie van het initiatief Om te bepalen of het plangebied gelegen is binnen stedelijk gebied kan aangesloten worden op gangbare jurisprudentie. Voor het antwoord op de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen, moet uitgegaan worden van de feitelijke aard. Van belang is of sprake is van concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon- of verblijffunctie heeft. Om te bepalen of er hier sprake is van stedelijk gebied geeft de overzichtsuitspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 enige richting. Voor de beantwoording van de vraag of het stedelijk gebied moet in de afweging meegenomen worden welke bestemming de gronden hebben in het geldende (oude) bestemmingsplan, in casu een bedrijfsbestemming, maar dient ook de direct omgeving beschouwd te worden. In deze situatie is het plangebied gelegen naast woningen en de rijksweg A4, allen stedelijke functies. Daarmee ligt het gebied in een samenstel van bebouwing t.b.v.

stedelijke functies.

13

Concluderend kan gesteld worden dat het voorliggende plan betreft de aanleg van nieuwe bedrijfs- en woonfuncties in een buitengebied in aansluiting op de rijksweg A4 waar er reeds een hoge concentratie van woon- en bedrijfsbebouwing aanwezig is. Op basis van de ligging en uitspraken van de Raad van State kan gesteld worden dat het plangebied aangemerkt kan worden als bestaand stedelijk gebied. De treden van de ladder zijn succesvol doorlopen. Het voorliggende initiatief voldoet aan de eisen gesteld in de Ladder voor duurzame verstedelijking.

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie de groene ruimte en de groenblauwe structuur het bodem- en watersysteem energie

Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Klimaatbestendige delta naar een nieuwe economie: the next level naar een levendig meerkernige metropool energievernieuwing best bereikbare provincie gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

▪ ▪

▪

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'

Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).

15

Planspecifiek Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Ambities en sturingen De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. Omgevingskwaliteit De provincie Zuid-Holland heeft voor de gehele provincie gebiedsprofielen opgesteld. Deze bevatten de kern van de lokale waarden en vormen een richtlijn om voor nieuwe ontwikkelingen te volgen. Het plangebied maakt deel uit van het gebied 'Hollands Plassengebied'. Deze kwaliteiten zijn hieronder uitgewerkt: Onderscheidend rivierengebied Een deel van het plangebied maakt deel uit van de lokale komgronden. Dit zijn laag gelegen afzettingen van rivierklei tussen de oeverwallen en later bedekt door een veenpakket. Dit in combinatie met de relatief lage en natte ligging had het gevolg dat deze gronden vooral als weidegebied gebruikt worden en daarmee deel zijn van de grootte openheid die karakteristiek is voor het landschap. De wens vanuit de provincie is dan ook het behouden en versterken van de visuele relatie tussen de rivier en het achterliggende landschap en gestrekte verkaveling.

Het beoogde plan heeft geen effectief raakvlak met deze ambitie, want er is namelijk geen sprake van een grootte openheid in het plangebied die mogelijk aangetast kan worden, noch een ruimtelijke verbinding tussen het water en de verkaveling. Er kan dus gesteld worden dat het beoogde plan deze ambitie noch bevordert, noch schaad. Gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap Het plangebied is aangemerkt als provinciaal landschap. Dit zijn begrensde landelijke gebieden binnen de stedelijke invloedsfeer met zowel een hoge gebruiks- als belevingswaarde. De wens vanuit de provincie is dat nieuwe ontwikkelingen komen te liggen binnen deze gebieden. Het beoogde plan sluit hierop aan, omdat het gehele plangebied binnen het provinciaal landschap ligt. Identiteitsdragers van Zuid-Holland Het plangebied is gelegen binnen de vrije windvang zone van een nabijgelegen molen. De wens vanuit de provincie is dan ook om de zichtbaarheid, samenhang en windvang van molens te behouden. Overeenkomstige provinciale regelgeving is voor de molen en bijbehorende molenbiotoop een beschermingsregel opgenomen. Beleidskeuzes Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de beleidskeuzes en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.

Ondergrond Het plangebied ligt op de grens van twee ondergrondsgebieden, namelijk het Veencomplex - veen en Rivierdeltacomplex - Jonge zeeklei. Het Veencomplex - veen betreft veengronden met een hoge waterstand en geringe draagkracht, met als gevolg dat er vele plassen ontstaan als gevolg. Hierbij is een deel van de plassen drooggemalen en omgezet naar land, zogeheten droogmakerijen. Binnen het plangebied is er sprake van een groot veenpakket, waardoor deze zowel een bijzondere waarde heeft maar ook een ernstige gevoeligheid voor veranderingen in de waterstand en daarmee bodemdaling. Het beoogde plan voorziet niet in het verlagen van de lokale waterstand, waardoor er geen schade aangericht wordt aan het veenpakket. Voor het Rivierdeltacomplex - Jonge zeeklei gaat het voornamelijk over afzetting van klei als gevolg van de Noordzee in het verleden. Hierbij gaat het over voedselrijke en zeer draagkrachtige gronden die zowel binnen- als buitendijks voorkomen. De ambitie is om de dynamische processen en zoet-zoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden te behouden. Het beoogde project heeft geen raakvlak met deze ambitie, zowel in het bevorderen als het schaden hiervan.

16

Cultuur- en natuurlandschappen Binnen het plangebied is er sprake van een veen(weide)landschap. Hierbij zijn de rivieren en veenstromen, samen met de aangelegde weteringen en ontginningsbasissen, karakteristiek voor het landschap. Hierbij staat het verkavelingspatroon loodrecht op deze landschapsonderdelen. Hiernaast zijn de lange zichtlijnen, smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en grasland ook karakteristiek voor deze gronden. Hiernaast blijft het contrast tussen de verschillende landschapsonderdelen, zoals dijken, veenstromen en linten een belangrijk onderdeel van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen dienen rekening te houden met de kenmerkende landschapselementen en met de maatgeving binnen de veen(weide)polders. Hieruit vloeit ook de wens dat nieuwe bebouwing geplaatst wordt waar er al bebouwing is in plaats van in de veenweidepolder zelf. Het beoogde plan gaat mee in deze wensen door middel van het bouwen daar waar er al bouwmogelijkheden zijn en inpassing in de lokale maatgeving en landschapsonderdelen. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan niet belemmerd wordt door de omgevingsvisie van Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen.

De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: 1.

2.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Planspecifiek Voor het voorgenomen plan is in subparagraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het stedelijke gebied met een goede beredenering waarom deze locatie is uitgekozen. Hierdoor hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit Het plangebied maakt deel uit van het buitengebied, waardoor het via de omgevingsverordening de beschermingscategorie 3 heeft gekregen. Hierbij is artikel 6.9a van kracht, waarbij het mogelijk is om te bouwen mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. Het beoogde plan voldoet hieraan wegens het feit dat het plangebied in de huidige situatie al deel uitmaakt van een bestaande bebouwingsconcentratie waarbij de openheid van het landschap al enigzins beperkt is. Het voorliggende plan zal tot een toename aan bebouwing leiden, maar er niet toe leiden dat de openheid van het landschap onevenredig zal verslechteren ten opzichte van de huidige situatie.

Hiernaast was in de huidige situatie het leeuwendeel van het bestaand groen als gevolg van de leegstand en achterstallig onderhoud van slechte kwaliteit en recentelijk (deels) verwijderd. Het beoogde plan

17

voorziet in de aanleg van nieuw groen met meerwaarde waardoor er sprake is van een verbetering van de situatie. In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3 ontwikkelingen mogelijk kan maken die kunnen vallen onder de noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. In dit geval is er sprake van aanpassen, omdat de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wel een wijziging op structuurniveau veroorzaakt. Het perceel heeft immers reeds een bedrijfsbestemming met hoge milieucategorie en er wordt met het toevoegen van acht woningen in het oostelijke deel een logischere aansluiting/scheiding gecreëerd tussen woongebied en bedrijventerrein. De toename aan bedrijfsbebouwing zorgt echter wel voor een wijziging op structuurniveau en dus is er sprake van een aanpassing. Aanpassen was zogezegd mogelijk, mits er voldaan kan worden aan de voorwaarden uit artikel 6.9a. Voorgaande en onderstaande alinea's tonen aan dat dit plan in overeenstemming is met dat artikel uit de provinciale verordening. Het voorliggende plan ligt in wat de provincie ziet als buitengebied. Gezien de afmetingen is er dan ook sprake van een ander gebruik dan eerder voorzien.

Echter sluit het voorliggende plan aan op bestaande bebouwing- en woonclusters, voorziet het van functies die vergelijkbaar zijn met de huidige situatie en voorziet in een bestaande behoefte. Hiernaast volgt het voorliggende plan de identiteit van het omliggende gebied door de inpassing van bebouwing op een verantwoorde wijze. Hieronder valt de nokrichting, materialen, hoogte en het behoud van de slotenstructuur. Hiernaast worden de gebiedskwaliteiten nog verder ondersteunt door de sloop van de vervallen bedrijfsgebouwen. Verder voorziet de omgevingsverordening in artikel 6.9, lid 4. Hierbij zijn ruimtelijke ontwikkelingen die voorzien in aanpassen toegestaan mits de locatiekeuze verantwoord wordt samen met de effecten dat het initiatief heeft op de aanwezige landschappelijke waarden. Het voorliggende initiatief is reeds getoetst aan de landschappelijke waarden in subparagraaf 3.2.1, waardoor de locatie nog verantwoord moet worden. De eerste reden voor het kiezen van deze locatie was het feit dat het toekomstige bedrijventerrein op zeer korte afstand van de A4 komt te liggen. Dit komt zowel de bereikbaarheid en zichtbaarheid vanaf de snelweg ten goede. Verder was het feit dat er reeds een bedrijfsbestemming op het plangebied ligt ook een factor voor het kiezen van de locatie.

Het herbestemmen van de enkelbestemming 'Bedrijf' naar 'Bedrijventerrein' is een aanpassing die gewenst is in plaats van het herbestemmen van 'Agrarisch met waarden - Natuur en landschapswaarden' of 'Wonen'. Geacht wordt dat het voorliggende plan niet belemmerd wordt door de provinciale omgevingsverordening.

18

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De kern Hoogmade maakt onderdeel uit van de regio Holland Rijnland, waarvoor de betrokken gemeentes gezamenlijk een visie hebben ontwikkeld om te werken aan de toekomst van deze regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regio- of landsgrenzen. De Regionale Structuurvisie geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groen-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Bij alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de regio staat het groen-blauwe raamwerk centraal. Rekening zal gehouden moeten worden met de gebruiks- en belevingswaarde van de verschillende landschappen die de regio rijk is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet de recreatieve bereikbaarheid van het landschap minimaal gelijk blijven, dan wel verbeterd worden. Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a, c en d en past binnen deze kernbeslissingen. Met de ontwikkeling worden een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het woningaanbod in het gebied. Daarnaast wordt er acht woningen toegevoegd aan het woningaanbod binnen de regio. Met de ontwikkeling wordt de bestaande groen-blauwe structuur verbeterd. Daarnaast voorziet het voorliggende plan in de uitbreiding van de lokale werkgelegenheid en ondernemerschap wat de regionale economie ten goede komt. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de regionale ambities.

19

3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2023 De Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 (vastgesteld op 28 juni 2023) is er om gemeenten te helpen bij het realiseren van de nieuwe woningbouwopgave en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. In de regionale woonagenda wordt er rekening gehouden met de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingsrichting voor bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio. Met als doel voldoende passende woningen te hebben voor verschillende doelgroepen. Ook een passend aanbod hebben voor de doelgroepen van het huurbeleid. Beleid voor de energietransitie en klimaatadaptatie als gevolg van bodemdaling. Verder gaat de voorkeur uit naar nieuwbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied, georiënteerd op (hoogwaardig) openbaar vervoer. Door het groeiend aantal huishoudens en de gestegen huizenprijzen zal de druk op de woningmarkt alleen maar verder toenemen. Er wordt daarom sterk ingezet naar het realiseren van nieuwe (betaalbare) woningen. In de regio Holland Rijnland is er namelijk een behoefte aan ca. 30.500 woningen. Hiervoor zijn vier thema's opgesteld: 1. 2. 3. 4.

woningbouw versnellen betaalbaar wonen mensen tussen wal en schip langer (en weer) zelfstandig wonen

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van acht rijwoningen in de regio Holland Rijnland. Binnen de regio is een groot tekort aan woningen. Het voorgenomen plan maakt de realisatie van acht woningen mogelijk, wat een positieve invloed heeft op het woningtekort in de regio. De ontwikkeling vindt ook plaats binnen bestaand bebouwingsgebied. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023.

20

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021 De gemeente Kaag een Braassem heeft een omgevingsvisie opgesteld voor de gehele gemeente, genaamd 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021' en vastgesteld op 24 januari 2022. Hierin beschrijft de gemeente de veranderingen, problemen en bijbehorende aanpak voor deze punten voor de komende jaren. Hierbij geeft de gemeente aan wat voor een houding het wil innemen, wat het wil stimuleren en wat de bewoners denken over de problemen en de benodigde aanpak. Planspecifiek Vanuit het programma, werken en wonen, heeft het plan twee raakvlakken met de omgevingsvisie van Kaag en Braassem. Bij de specifieke uitgangspunten van het gebiedstype Bedrijventerreinen wordt deze locatie aan de Boskade specifiek benoemd. In de Omgevingsvisie staat dat er wordt ingezet om deze locatie beschikbaar te stellen als vestigingsplaats voor lokale bedrijven. De planontwikkeling is in lijn met die ambitie. In het kader van de Omgevingsvisie en de Regionale Woonagenda van Holland Rijnland zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Het aantal woningen dat volgens deze raming nog gebouwd kan worden is beperkt. De gemeente Kaag en Braassem houdt zelf de controle over de algehele woningbouwplanning en stuurt meer en meer op de kwaliteit van plannen.

Binnen de gemeente is er dus ruimte voor kleinschalige woningbouwplannen waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Met het voorliggende plan wordt de bedrijfsbestemming verplaatst van het oostelijke deel van de kavel naar het westelijke deel. In aansluiting op het bestaande woonlintje worden 8 woningen toegevoegd waarmee invulling wordt gegeven aan de ruimtelijke ambities vanuit de Omgevingsvisie en wordt de bestaande woonomgeving versterkt. De beoogde woningen liggen boven de grens wat de gemeente beschouwt als betaalbare koop en liggen voor een deel onder de NHG grens. Hieruit vloeit de eis uit de Omgevingsvisie om bij te dragen aan het sociale vereveningsfonds. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie van de gemeente Kaag en Braassem.

21

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectenraportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:

a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen en de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen of 75 hectare of meer. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk de realisatie van 8 nieuwe woningen en een bedrijventerrein van 0,85 hectare.

22

Wanneer de drempelwaarde niet wordt overschreden moet het bevoegd gezag nagaan aan de hand van de criteria: kenmerken van het project, plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten of er mogelijk sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu. Het gaat dan met name om externe effecten. Op basis van de eerste beoordeling neemt het bevoegd gezag een zogenaamd m.e.r.beoordelingsbesluit. Een m.e.r.-beoordelingsbesluit kan genomen worden op grond van een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r.. In deze aanmeldnotitie wordt door de initiatiefnemer inzage gegeven in de beoogde ontwikkeling en de daarmee samenhangende milieugevolgen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze notitie is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Uit deze aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat er geen bijzondere omstandigheden zijn met betrekking tot de kenmerken en locatie van het plan die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op die specifieke locatie. Bovendien blijkt uit de beoordeelde milieuaspecten dat er geen significante negatieve effecten zullen optreden, of dat deze effecten beperkt kunnen worden door mitigatiemaatregelen te nemen en/of de vereiste vergunningen te verkrijgen. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante negatieve milieueffecten.

Het is niet nodig om een m.e.r.-procedure te volgen, aangezien dit niet tot een andere conclusie zou leiden en niet vereist is voor deze ontwikkeling.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde plan. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet er worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming (wbb). Ontwikkelingen kunnen gerealiseerd worden indien de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt zijn of geschikt zijn gemaakt voor het beoogde gebruik. Om de bodemkwaliteit in beeld te brengen zijn op locatie meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd.

Voor het oostelijke plandeel is onderzoek uitgevoerd door Grondslag (Bodem- en asbestonderzoek Boskade 6 en 7C te Hoogmade, 30 maart 2023, Project 37518), zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. Voor het westelijke plandeel is het onderzoek uitgevoerd door Orta Geo (actualiserend en aanvullend bodemonderzoek Boskade (ong.) in Hoogmade, 27 januari 2022, project 216476/R01), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Zie hieronder voor de precieze verbeelding rondom onderzoeksgebieden binnen het plangebied.

23

Verdeling van onderzoeksgebieden binnen het plangebied, grenslijn is aangegeven met paars.

Uit het onderzoek van Grondslag is gebleken dat de oostelijke locatie asbest vervuiling aanwezig is. Deze vervuiling zit boven de interventiewaarde. De aanwezigheid van asbestverontreiniging kan in dit geval worden aangeduid als een 'asbestweg'. Asbestwegen worden gereguleerd door het Besluit asbestwegen van de Wet milieubeheer. Het bevoegde gezag in dit geval is de Inspectie Leefomgeving en Transport van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Overeenkomstig dit besluit moet een asbestweg worden afgedekt of verwijderd om het risico van blootstelling aan asbest te minimaliseren. Onder de bestaande loodsen en op het achterterrein is vervuiling met zware metalen aangetroffen. De verontreiniging is aanwezig over een oppervlakte van circa 1.350 m². De dikte van de verontreinigde laag varieert van 0,2 tot 1,0 m. Gezien de omvang van de verontreiniging is sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Voor een geval van ernstige bodemverontreiniging geldt formeel een saneringsplicht. Deze saneringsplicht wordt echter pas door het bevoegd gezag geëffectueerd, indien sanering van de verontreiniging spoedeisendheid is. Uit de berekeningen blijkt dat, gelet op de huidige en toekomstige bestemming van het terrein, de verontreiniging niet leidt tot onaanvaardbare humaantoxicologische, ecotoxicologische en/of verspreidingsrisico’s.

Gezien de afwezigheid van risico’s, kan de verontreiniging worden aangeduid als een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan de sanering niet spoedeisend is. Op locatie is ook een vervuiling met olie aangetroffen. De globale schatting is dat de verontreiniging aanwezig is over een oppervlakte van circa 300 m² en een gemiddelde laag dikte van 0,7 m. de omvang van de licht tot en met sterk verontreinigde grond bedraagt hiermee circa 210 m³. Aannemelijk is dat sprake is van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond. Voor het oostelijke plandeel geldt dat eerst gesaneerd dient te worden alvorens het bouwplan gerealiseerd kan worden. Het uitgevoerde onderzoek geeft een globale indicatie van de te saneren gronden. Op basis daarvan is in de planontwikkeling een financiële reservering opgenomen t.b.v. de benodigde sanering. Voor de westzijde van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door OrtaGeo. Uit het onderzoek blijkt dat de bovenste laag in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied aan te merken is als puin (met minder dan 50% grond). Een indicatief onderzoek naar de kwaliteit van dit materiaal heeft aangetoond dat het niet voldoet aan de criteria voor een ongevormd bouwmateriaal vanwege de niveaus van PAK, PCB en minerale olie. Asbest is aanwezig, maar de concentraties liggen onder de hergebruiksnorm (maximaal 23,7 mg/kg droge stof).

In de onderliggende kleilaag onder het puin zijn matige verontreinigingen met lood en koper gedetecteerd.

24

In het westelijke deel van de onderzoekslocatie wordt de bovenste laag beschouwd als bodem. Deze zandige grond bevat echter variërende hoeveelheden puin, variërend van licht tot zwaar. De bovengrond vertoont een heterogene verontreiniging met zink, maar overschrijdt uiteindelijk slechts in één afzonderlijk monster de interventiewaarde. Verder bodemonderzoek is nodig om te bepalen of er al dan niet sprake is van ernstige bodemverontreiniging met zink. Er is geen asbest aangetroffen in dit bodemmateriaal. De kleiige ondergrond met puin is licht verontreinigd. Ter plaatse van de voormalig bovengrondse HBO-tank blijkt dat er geen verontreiniging met minerale olie is aangetoond. De resultaten van het in 2012 uitgevoerde onderzoek kunnen worden herbevestigd. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank voor afgewerkte olie is in de bovengrond een lichte verontreiniging aangetoond met minerale olie, hetgeen overeenkomt met het rapport uit 2012. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met naftaleen, minerale olie en zware metalen aangetoond. Ter plaatse van de omvangrijke olieverontreiniging voor de loods is een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. In 2012 is hier een matige verontreiniging aangetoond. Op basis van de bovenstaande bevindingen dienen de volgende punten nog onderzocht te worden voor de aanvang van de aanlegfase van het voorliggende initiatief:

•

Ter plaatse van loods 6 op het oostelijke terreindeel dient onderzocht te worden of sprake is van een asbesthoudende beschoeiing

•

Ter plaatse van loods 6 en loods 7c op het oostelijke terreindeel dient onderzocht te worden of sprake is van een asbesthoudende puinverharding onder de loodsen. Ter plaatse van loods 6 op het oostelijke terreindeel zijn de verontreinigingen met de zware metalen lood en zink nog niet voldoende afgeperkt.

•

In het onderzoek wordt aanbevolen nader onderzoek te doen naar de vervuiling met zink. Dit nadere onderzoek zal vooruitlopend op de realisatie worden uitgevoerd.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien naar akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure.

25

Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De locatie aan de Van Klaverweijde en de Boskade ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Van Klaverweijdeweg, de A4 en de HSL. In overeenkomst met artikel 77, lid 1 van de wet Geluidshinder moet er dus een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Deze is uitgevoerd door Adviesburo Van Der Boom BV (Geluidsbelasting wegverkeer en railverkeer Boskade 7C te Hoogmade, 23-209, d.d. 16 november 2023), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Van Klaverweijdeweg en de A4 . Deze liggen op een afstand van respectievelijk 0 en 97 meter van het plangebied. Deze wegen zijn hieronder besproken samen met vervolgstappen. Geluidshinder Van Klaverweijdeweg De geluidsbelasting als gevolg van de Van Klaverweijdeweg bedraagt maximaal 50 dB. Hierbij wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden, maar wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Een ontheffing hogere waarden kan worden afgegeven. Geluidshinder A4 De geluidsbelasting als gevolg van de A4 bedraagt maximaal 53 dB. Hierbij wordt de voorkeurswaarde van 48 dB ook overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde niet. Ook hiervoor kunnen ook een hogere waarden worden afgegeven.

Geluidshinder 30 km/u-wegen De geluidsbelasting als gevolg van de naastgelegen 30 km/u-wegen komt neer op maximaal 29 dB na aftrek. Hierbij wordt er geacht dat er sprake is van een zeer goede akoestische situatie vanwege de 30 km/u-wegen. Geluidsbeperkende maatregelen Om het beoogde plan geluidstechnisch gewenst te maken moeten geluidsbeperkende maatregelen uitgevoerd worden. Geluidsbeperkende maatregelen aan de bron blijken niet mogelijk, alle mogelijke maatregelen zijn al reeds geïmplementeerd voor de A4. Hiernaast is het aanleggen van een geluidsmuur mogelijk, maar deze stuiten op significante stedenbouwkundige bezwaren waardoor deze maatregelen niet toereikend zijn. Geluidsbeperkende maatregelen moeten dus aangebracht worden binnen het plangebied zelf. Hierbij moet er gedacht worden aan het aanbrengen van maatregelen aan de gevel. Indien deze maatregelen niet toereikend zijn kan er gewerkt worden met een dove gevel. Spoorweglawaai Het plangebied ligt op zeer korte afstand van de HSL. Uit het akoestisch onderzoek is er bleken dat de maximumgevelwaarde 54 dB bedraagt, waardoor de voorkeurswaarde niet overschreden wordt. Geluidswerende maatregelen voor de HSL zijn dus niet nodig. Verlenen hogere waarden Voor het voorliggende plan dienen in ieder geval een hogere waarden aangevraagd te worden voor de A4 en de Van Klaverweijdeweg.

Omdat een aantal woningen zowel aan de noord- en zuidkant geluidsbeleast zijn kan er niet voldaan worden aan het streefdoel naar een stille gevel met een geluidsbelasting minder van 48 dB te realiseren. Hierbij kan en moet dan voldaan worden aan de eis dat de buitemruimte niet aan de buitenmuur gesitueerd wordt waar de geluidsbelasting het hoogste is, waardoor deze in beginsel aan de zuidkant gerealiseerd moeten worden. Om een hogere waarden voor de drie noordelijke woningen te verkrijgen moet er akoestische compensatie worden toegepast. Bij verdere planuitwerkingen moeten de geluidsbeperkende maatregelen exact uitgewerkt worden. Geconcludeerd dient te worden dat er een hogere ontheffingswaarde aangevraagd moet worden voor het realiseren van het voorliggende plan. Hiervoor dienen geluidswerende maatregelen verder uitgewerkt te worden om deze hogere waarden aan te kunnen vragen.

26

4.4 Bedrijf en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

▪ ▪

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het beoogde plan betreft zowel de realisatie van woningen als de realisatie van bedrijfsverzamelgebouwen, waardoor er zowel een gevoelige functie wordt toegevoegd als een mogelijke bron van hinder. Om te toetsen of het plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening is het initiatief getoetst aan de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'. Om te kunnen garanderen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor alle omwonenden wordt het plangebied getoetst als een gemend gebied op basis van de bestaande functiemenging en nabijheid van de ontsluiting met de A4. Hierbij worden alle richtafstanden zoals normaal gehanteerd. Ten eerste worden de nieuwe woningen beschouwd. Hiervoor is aan de hand van het vigerende bestemmingsplan in kaart gebracht welke bedrijfsactiviteiten er aanwezig zijn in de nabije omgeving van de beoogde woningen. Hieronder zijn de aanwezige activiteiten in kaart gebracht en is inzichtelijk gemaakt of voldaan wordt aan de richtafstanden.

27

Naam Jeroen de Vlieger Vleeshandel Verbij Bouw-en Molenmakersbedrijf B.V. Positios - Boetiek denktank Nieuw bedrijventerrein Nieuw bedrijventerrein Nieuw bedrijventerrein Grondgebonden veehouderij Rundvee Grondgebonden veehouderij Rundvee

Adres Boskade 10, 2355 CD Hoogmade Van Klaverweijdeweg 25, 2355 AA Hoogmade Van Klaverweijdeweg 23, 2355 AA Hoogmade Boskade 7C, 2355 CC Hoogmade Boskade 7C, 2355 CC Hoogmade Boskade 7C, 2355 CC Hoogmade Boskade 9A, 2355 CD Hoogmade

Milieuzonering 3.1 3.1

Richtafstand 30 meter 30 meter

Minimumafstand circa 91 meter circa 86 meter

1

0 meter

circa 124 meter

2* 3.1 3.2 3.2

10 meter 30 meter 50 meter 100 meter

0 meter 30 meter 50 meter circa 42 meter

Van Klaverweijdeweg 10, 2355 AA Hoogmade

3.2

100 meter

circa 102 meter

* Milieucategorie 2 wordt als standaard gehanteerd, wanneer hogere categorieën mogelijk zijn worden de bijbehorende richtafstanden gehanteerd

Voor alle bedrijven met uitzondering van de veehouderij aan de Boskade 9A en het nieuwe bedrijventerrein voldoen aan de richtafstanden. Hieronder wordt beargumenteerd waarom er alsnog sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor het bedrijf aan de Boskade 9A wordt er geacht dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, omdat er reeds al een maatgevende woning aanwezig is aan de Boskade 9 op een afstand van circa 11 meter. Deze woning bepaalt de maximale hinder die het bedrijf mag produceren. De minimumafstand tussen het plangebied en het agrarische bedrijf is 42 meter, waardoor er geconcludeerd kan worden op basis van de bestaande maatgevende woning dat er alsnog sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het voornemen is om binnen het nieuwe bedrijventerrein de milieucategorie 2 te hanteren waar er niet kan worden voldaan aan de richtafstand voor de hogere categorieën. In planologisch opzicht treedt er hierdoor geen verandering op. Waar er voldaan kan worden aan de hogere richtafstanden wordt er zwaarder gezoneerd, waardoor er geen hinder zal ontstaan als gevolg van deze activiteiten. Bij de verdere planuitwerking heeft het de voorkeur wanneer tussen de woningen en de beoogde bedrijfsgebouwen een minimale afstand van 10 meter wordt aangehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=658a0a67-0e19-495e-ba15-cb2a33a65d45