NL.IMRO.1884.BPBODHOSANGWEG118A-VAS1 toelichting
Tekst van het document
Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
25
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een berging/schuur gerealiseerd. Het voorgenomen plan bevat geen nieuwe risicobronnen. De bunkerboot is geen risicovolle inrichting die onder het Bevi valt. De inrichting behoort tot categorie C en is vergunningplichtig.
De risicocontour van de bunkerboot reikt niet tot (beperkt) kwetsbare objecten. De afstand van de risicobronnen op de bunkerboot tot de woonboot is 25 m. Het toekomstige gasflessendepot heeft een omvang van circa 25 m². Volgens artikel 4.1 onder 5 van het Activiteitenbesluit geldt voor een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening meer dan 1.000 l brandbare gassen in gasflessen een minimaal aan te houden afstand van 15 m tussen de opslagvoorziening en de dichtstbijzijnde woning van derden. De huidige vergunning staat de opslag van maximaal 333 kg aan gas toe. Dat betekent dat artikel 4.1 onder 5 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is. Daarnaast is de afstand tussen het gasflessendepot en (beperkt) kwetsbare objecten groter dan 15 m. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt voor de afstand tussen gevoelige bestemmingen en de bunkerboot, die in planologische zin als een woning van een derde beschouwd dient te worden, aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (zie toelichting paragraaf 4.5). Op basis van de bevindingen in deze paragraaf kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De berging/schuur is geen (beperkt) kwetsbaar object. Desondanks is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede hiervan.
26
Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte cirkel)
Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van de locatie geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen of buisleidingen aanwezig zijn. Op 470 m ten zuidwesten van het plangebied is wel een bovengrondse propaantank aanwezig. Gezien de grote afstand tot het plangebied vormt deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft een advies uitgebracht. Om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten te beperken en/of de zelfredzaamheid van de aanwezigen en het optreden van de hulpdiensten te verbeteren adviseert de veiligheidsregio aanvullend bluswater nabij het plangebied te realiseren en dit ook aandacht te geven in de milieuvergunning. Het aspect externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een belangrijk weidevogelgebied en de strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (De Wilck) ligt op een ruime afstand van 8,5 km. Gezien de omvang van het plan en de afstand tot Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve effecten op de
27
instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Er is geen AERIUS-berekening benodigd. Het plangebied ligt binnen het Natuurnetwerk Nederland en is aangewezen als ecologische verbinding. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde 'nee, tenzij'-regime. Dat betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is een ontheffing van de verordening van Gedeputeerde Staten vereist. Een verzoek om ontheffing op basis van het 'nee, tenzij'-regime dient vergezeld te gaan van een compensatieplan waaruit blijkt hoe, waar en wanneer de mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden getroffen, wat de begrenzing van het compensatiegebied is en op welke wijze de compensatie duurzaam verzekerd is. In de notitie van Blom Ecologie (nr.
BE/2019/604/n, 21 april 2022) zijn het streefbeeld voor de ecologische verbinding, de gewenste beheertypen en de beoogde doelsoorten opgenomen. De bedrijfsactiviteiten zullen aan de noordelijke zijde van het perceel geclusterd worden. Het bestaande gebouw zal hierbij uitgebouwd worden. De woonboot zal op de plek van de bunkerboot komen te liggen en vice versa. De drijvende steiger ten zuiden van de huidige woonboot zal verwijderd worden. Hierdoor kan het zuidelijk gelegen gedeelte gebruikt worden voor het inrichtingsplan ten behoeve van de ecologische verbinding. Dit betreft een gebied van circa 480 m². De toekomstige inrichting van het plangebied wordt nader toegelicht en gevisualiseerd in het landschappelijk inpassingsplan (Buro SRO, 14 april 2022). In het NNN zijn voor de ecologische verbinding meerdere beoogde doelsoorten vastgesteld. In het inrichtingsplan is voor de uitwerking voor twee soorten gekozen, namelijk kleine marterachtigen en de argusvlinder. In het plangebied wordt een bloemrijk grasland ingezaaid en wordt een haag aangeplant. Het bloemrijk grasland wordt bezaaid met plantensoorten die van groot belang zijn voor de argusvlinder. Om kleine marterachtigen een onderkomen te bieden wordt er een stapelmuurtje aangelegd.
Met restanten van stenen afkomstig van bouwwerken of natuurstenen die uit de grond zijn gekomen kan een kunstburcht voor kleine marterachtigen, zoals wezel, hermelijn en bunzing, worden gemaakt. Gezien het voorgaande levert het voorgenomen plan een positieve bijdrage aan het streefbeeld voor de ecologische verbinding, de gewenste beheertypen en de beoogde doelsoorten. Het voorgenomen plan beperkt de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet significant. Tevens leidt het plan niet tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er wordt voldaan aan artikel 6.24 lid 1 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit bebouwing, verharding en grasland. Met de beoogde ontwikkeling vinden geen sloopwerkzaamheden plaats. Het verwisselen van de woonboot en de bunkerboot heeft geen invloed op eventueel aanwezig beschermde diersoorten of planten. Het grasland heeft ook geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Daarnaast wordt het gras goed onderhouden (grasmaaien) en worden de gronden gebruikt voor buitenopslag. Er worden geen bomen gekapt en er wordt geen groen verwijderd.
Activiteiten die verstorend zijn voor broedende vogels dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen opgestart te worden. Indien binnen de broedperiode wordt gestart met verstorende activiteiten, moet voorafgaand aan de activiteiten aantoonbaar worden vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Met inachtneming van voorgenoemde kan er redelijkerwijs worden aangenomen dat er geen sprake is van vestiging van beschermde soorten. Houtopstanden Er zijn geen houtopstanden in het plangebied aanwezig.
28
Conclusie Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit de aspecten gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Om juridisch-planologisch te borgen dat het plangebied ingericht wordt zoals dat opgenomen is in het landschappelijk inpassingsplan (Buro SRO, 14 april 2022), is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In of nabij het plangebied zijn geen rijksmonumenten of karakteristieke panden aanwezig. Bovendien is het plangebied gelegen in een welstandsluw gebied. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan. 4.8.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt.
De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont een uitsnede uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Kaag en Braassem (plangebied: zwart omcirkeld)
29
Uit de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Kaag en Braassem volgt dat het plangebied een middelhoge verwachting heeft voor archeologische waarden. Wanneer er bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld worden uitgevoerd dient er archeologisch onderzoek plaats te vinden. Er wordt verwacht dat werkzaamheden dieper zullen reiken dan 30 cm. Echter is de oppervlakte van de uitbreiding van de berging ca. 25 m². Daarmee wordt de grenswaarde van 2.500 m² niet overschreden. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. In het voorliggende bestemmingsplan is, gelijk aan het geldende bestemmingsplan en conform de archeologische beleidsadvieskaart, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Gesteld wordt dat het beoogde plan uitvoerbaar is vanuit het aspect archeologie.
4.9 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
30
Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. 2. 3. 4.
5. 6. 7.
Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar.
Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt. Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur 2020 en Uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
het onttrekken en lozen van grondwater; het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Hemelwater Indien een toename van het verhard oppervlak plaatsvindt, dient de initiatiefnemer een verhard oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water (bij een toename aan verhard oppervlak: vanaf 500 m² tot 5.000 m²). Het nieuwe open water moet
31
aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
• • •
duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage;
•
het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
•
adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
• •
het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
•
het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het hoogheemraadschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
32
Planspecifiek Het beoogde plan ziet toe op herinrichting van het plangebied. In de huidige situatie bestaat het plangebied deels uit verharding en bebouwing en deels uit grasland. Daarnaast is een klein gedeelte verhard met betonplaten. Met de beoogde ontwikkeling zal de verharding afnemen met ca. 100 m². Watercompenserende maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De riolering van het beoogde toilet zal worden aangesloten op het bestaande riool. Het afvalwatersysteem van de ontwikkeling wordt zodanig vormgegeven dat het hemelwater gescheiden afgevoerd wordt en afgevoerd wordt naar het oppervlaktewater. Het plangebied is gelegen in een gebied dat binnen de beschermingszone van een regionale waterkering ligt. Derhalve is het gebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming, primair bestemd voor de waterkering. Op deze gronden mag middels een vrijstellingsbevoegdheid worden gebouwd, indien het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad. Aangezien met voorliggend planvoornemen in de waterkering gebouwd gaat worden zal schriftelijk advies van het hoogheemraadschap gevraagd worden. Gezien het voorgaande is het plan uitvoerbaar vanuit het aspect waterhuishouding.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied heringericht. Dit heeft geen invloed op de parkeerbehoefte of de verkeersgeneratie. Het aantal voertuigbewegingen zal met de beoogde ontwikkeling niet toenemen. De parkeersituatie blijft met de ontwikkeling ongewijzigd. Aan de voorzijde is het mogelijk om te parkeren. Planspecifiek Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
33
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
34
•
omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen, die ontleend zijn aan het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Bedrijf De beoogde locatie van de bunkerboot, die verplaatst wordt, krijgt de bestemming 'Bedrijf'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, een verkooppunt voor brandstoffen en bijbehorende voorzieningen. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Natuur Aan de gronden die ingericht worden ten behoeve van de ecologische verbinding, is de bestemming 'Natuur' toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor behoud, bescherming en beheer van aanwezige natuur- en landschapswaarden in de vorm van waardevolle sloot- en oevervegetaties en weidevogels; water, plassen en oevers; (recreatie)vaart; bruggen en dammen; recreatieve wandelpaden binnen het gemeentelijk wandelpadennetwerk en tuinen behorende bij aangrenzende woonbestemmingen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Recreatie - Dagrecreatie De gronden waar het maritiem verhuurbedrijf en het voetveer gevestigd zijn, zijn voorzien van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'.
Binnen deze bestemming zijn het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie, een voetveer, een kiosk, een sloepverhuur en bijbehorende voorzieningen mogelijk. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Er mag maximaal 90 m² aan gebouwen en overkappingen worden gebouwd, wat op de verbeelding is aangeduid. Dit oppervlak bestaat uit de bestaande berging (ca. 46 m²), de uitbreiding (ca. 25 m²) en de te formaliseren portacabin (ca. 15 m²). In de bestemmingsregels van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierin is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken uitsluitend wordt verleend, indien het inrichtingsplan zoals dat opgenomen is in het landschappelijk inpassingsplan aangelegd en in stand gehouden wordt. Water De gronden die thans behoren tot het oppervlaktewater maar in het geldende bestemmingsplan niet de bestemming 'Water' hebben, zijn in het voorliggende bestemmingsplan alsnog als 'Water' bestemd.
Deze gronden zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, (recreatie)verkeer te water, behoud, herstel en ontwikkeling van natuur, ondergeschikt groen, bruggen, dammen en duikers ten behoeve van (langzaam) verkeer, beschoeiingen, steigers, beroepsvisserij en het aanleggen van veerponten. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Binnen de bestemming is één woonschip toegelaten. Waarde - Archeologie 3 De gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Dit geldt voor het gehele plangebied.
35
Waterstaat - Waterkering De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor waterkeringen. Dit geldt voor het gehele plangebied. Vrijwaringszone - vaarweg In verband met de ligging van de gronden in het plangebied nabij een vaarweg is de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' toegekend, welke gronden mede zijn bestemd voor bescherming van de vaarweg. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk als er rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor de vaarweg. Hierbij moet advies gevraagd worden aan de vaarwegbeheerder.
36
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het onderhavige plan heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het plan en de daarbij behorende risico's worden door middel van het ondertekenen van een overeenkomst volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
37
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende zes weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking zes weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg Het plan is voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland, het hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Het plan is tot stand gekomen na intensief overleg met de provincie Zuid-Holland. De provincie gaat akkoord met het voorliggende plan. Naar aanleiding van de eerste reactie van het hoogheemraadschap van Rijnland is er overleg geweest. Na dit overleg heeft het hoogheemraadschap de reactie in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 gegeven. Hierin geeft het hoogheemraadschap aan dat het geen bezwaar heeft tegen de planontwikkeling. In toelichting paragraaf 4.6 komt het advies van de Veiligheidsregio Hollands Midden aan bod.
7.3 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 september 2022 tot en met 2 november 2022 ter inzage gelegen. In de Nota van beantwoording zienswijzen (gemeente Kaag en Braassem, december 2022) zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord.
38