CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1884.BPBODHOSANGWEG118A-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Boddens Hosangweg 118a, Woubrugge’13.641 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Boddens Hosangweg 118a, Woubrugge Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPBODHOSANWEG118A-VAS1

Datum:

2022-11-15

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made | dhr. F. Polderman

Kenmerk Buro SRO:

SR190052

Opdrachtgever:

Van Leersum

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 21 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 21 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 22 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 23 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 25 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

27 4.8 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 29 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 30 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 34 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 34 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 34 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 34 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 35

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 37 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 38 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 38 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 38

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om het terrein aan de Boddens Hosangweg 118a en 118w te Woubrugge opnieuw in te richten. De initiatiefnemer wenst de berging op de locatie uit te breiden. Hierdoor kunnen de bedrijfsactiviteiten, zoals het opslaan/stallen van diverse materialen, meer overdekt en uit het zicht plaatsvinden. Met de beoogde ontwikkeling worden de woonboot en de bunkerboot van locatie gewisseld. Op deze manier worden de bedrijfsactiviteiten geclusterd aan de noordzijde van het terrein. Verder wordt het terrein dusdanig ingericht dat een bijdrage wordt geleverd aan de ecologische verbinding van het Natuurnetwerk Nederland. Het voorgenomen plan is niet mogelijk volgens het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. De gemeente Kaag en Braassem heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief. Om de beoogde ontwikkeling te kunnen realiseren is een bestemmingswijziging noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern Woubrugge, aan de Boddens Hosangweg 118a en 118w. De locatie ligt nabij het Paddegat en de veerpont. De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (rood omcirkeld, bron: Google Earth)

5

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: Google Earth)

1.3 Geldend bestemmingsplan De gronden vallen binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2018 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. De volgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost' (plangebied rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen 'Natuur', 'Recreatie Dagrecreatie', 'Wonen', 'Water' en 'Bedrijf'. Binnen de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' zijn ter plaatse een voetveer, een kiosk en sloepverhuur toegestaan. Er mag maximaal 35 m² aan gebouwen worden gebouwd. De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud, bescherming en beheer van aanwezige natuur- en landschapswaarden in de vorm van waardevolle sloot- en oevervegetaties en weidevogels; waterplassen, plassen en oevers; (recreatie)vaart; bruggen en dammen en recreatieve wandelpaden binnen het gemeentelijk wandelpadennetwerk. Binnen deze bestemming zijn geen gebouwen toegestaan.

6

Ter plaatse van de woonboot geldt de bestemming 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor wonen en voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Ter plaatse geldt de aanduiding 'woonschepenligplaats'. Enkele delen van het plangebied hebben de bestemming 'Water'. Deze gronden zijn mede bestemd ten behoeve van waterhuishouding, verkeer te water, etc. In het zuiden van het plangebied is een deel bestemd als 'Bedrijf', met de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de uitoefening van een bedrijf uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Tevens gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waterstaat - Waterkering'. Het plangebied beschikt daarnaast ook over de gebiedsaanduidingen 'overige zone - natuurwaarden' en 'vrijwaringszone - vaarweg'. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen tussen de Boddens Hosangweg en het Paddegat, dat een verbinding is tussen de Wijde Aa en het Braassemermeer. Aan de overzijde van het Paddegat, ten noorden van het plangebied ligt de kern Roelofarendsveen, ten zuiden van het plangebied ligt de kern Woubrugge en aan de oostzijde van het plangebied bevinden zich agrarische gronden. Aan de Boddens Hosangweg 118a is een maritiem verhuurbedrijf gevestigd. Tevens is hier de veerdienst Van Leersum gevestigd voor passagiersvaart en veerdiensten. Op het bunkerschip, behorende bij het betreffende bedrijf, zijn brandstoffen, scheepsbenodigdheden en watersportartikelen verkrijgbaar. Echter is er in de huidige situatie geen ruimte voor opslag van voorraden. Deze worden nu opgeslagen in de portacabin of gesloten aanhangwagens op aangrenzende gronden. Door de toenemende groei van watersportrecreatie is de vraag om scheepsbenodigdheden behoorlijk gestegen. Tevens bevindt zich centraal in het plangebied een woonboot. De woonboot ligt tussen de bunkerboot en de aanlegsteigers. Door de mix aan functies heeft het plangebied een rommelige uitstraling.

8

De onderstaande afbeelding toont de huidige situatie van het plangebied.

Huidige situatie plangebied (bron: Buro SRO, 14 april 2022)

Aan de oostzijde grenst het plangebied direct aan de Boddens Hosangweg en aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door een hekwerk waarachter zich een kleinschalig natuurgebied bevindt. Aan de westzijde bevindt zich het Paddegat.

9

2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling wordt het plangebied opnieuw ingericht. De woonboot en de bunkerboot zullen van plek wisselen en de berging wordt uitgebreid. Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de beoogde situatie.

Situatietekening beoogde ontwikkeling (bron: Buro SRO, 14 april 2022)

10

Met de beoogde ontwikkeling worden de bedrijfsactiviteiten geclusterd aan de noordzijde van het plangebied. De bunkerboot zal verplaatst worden naar het noordelijk deel en de woonboot wordt verplaatst naar het zuidelijk deel. Hierdoor worden het wonen en de bedrijfsactiviteiten beter van elkaar gescheiden. De berging zal uitgebreid worden met 25 m² en zal gebruikt worden ten behoeve van opslag en voorraadruimte van het bedrijf Van Leersum Maritiem. De portacabin gelegen ten noorden van de berging blijft behouden. In de huidige situatie is het terrein voor de huidige woonboot vrijwel geheel verhard. Dit blijft met de ontwikkeling behouden. Hier is het mede mogelijk om te parkeren. In het plangebied wordt geen nieuwe verharding aangelegd. Met de ontwikkeling wordt er aan de zuidzijde, ter hoogte van nieuwe locatie van de woonboot, ca. 100 m² aan verharding verwijderd. De woonboot aan de zuidzijde van het plangebied krijgt een entree aan de Boddens Hosangweg. Het terrein gelegen tussen de woonboot en de weg zal als 'Natuur' bestemd worden. Hier komt een natuurtuin waarbij aandacht zal worden geschonken aan marterachtingen en argusvlinders. De zijdes van de natuurtuin worden afgeschermd met een inheemse haag. Aan de wegzijde komen enkele leibomen met een stapelmuurtje te staan.

Het landschappelijk inpassingsplan (Buro SRO, 14 april 2022), waarin uitgebreider aandacht is voor de omgeving, het initiatief, de kaders en de uitgangspunten en het ontwerp met een toelichting, is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maken dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en het Barro is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Met de beoogde ontwikkeling wordt geen extra woning gerealiseerd. De berging wordt met 25 m² uitgebreid en de portacabin van 15 m² wordt geformaliseerd. Gezien de kleinschaligheid wordt dit niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meest recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 15 maart 2022. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

• • • • • • •

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

13

2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het veencomplex. De kwaliteitskaart en de

14

bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen hiervan. Laag van de ondergrond Het plangebied bevindt zich in een veencomplex. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand. Het veen kent een geringe draagkracht. Daarnaast vinden we hier een groot aantal bestaande en voormalige plassen. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling zal deze geen afbreuk doen aan de kwaliteiten van het veencomplex. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is gelegen in het droogmakerijenlandschap. Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, gemaal en een regelmatige basisverkaveling. De beoogde ontwikkeling ziet toe op het herstructureren van het plangebied. Een groot deel van het plangebied is al bebouwd of verhard. Kenmerkende landschapselementen worden niet aangetast. Laag van beleving Het plangebied is gelegen in een natuurgebied.

Natuurgebieden in Zuid-Holland zijn te onderscheiden naar hun ligging in het landschap. Ontwikkelingen dienen de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied te behouden of herstellen. Daarnaast dient de toegankelijkheid en gebruik in evenwicht te zijn met de ecologische draagkracht ter plaatse. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen afbreuk gedaan aan de natuur ter plaatse. Het plangebied is al grotendeels verhard of bebouwd. Met de herinrichting wordt een deel van het plangebied specifiek ingericht voor marterachtigen en argusvlinder. Door het aanleggen van een stapelmuurtje en door het zaaien van specifieke plantsoorten ziet de ontwikkeling toe op een verbetering van de natuurwaarden ter plaatse. 4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante aspecten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart. Water als structuurdrager Kenmerkend voor de Hollandse Plassen zijn de vele oude vaarwegen in dit gebied, die ook nu nog een belangrijke functie voor de beroepsvaart en recreatieve vaart kennen. Een aantal hoofdvaarroutes is onderdeel van het netwerk van provinciale vaarwegen. Als ontwikkelingen plaatsvinden aan kanalen en vaarten buiten het stedelijk gebied, dan dragen deze bij aan versterking van hun rustige en voorname karakter. Met de beoogde ontwikkeling vindt een herinrichting van het plangebied plaats.

Het rustige en voorname karakter wordt met de beoogde ontwikkeling versterkt door de bedrijvigheid aan de noordzijde te clusteren en de woonboot afzijdig te houden van de rest van het plangebied. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de provinciale omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de provinciale omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.

15

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 15 maart 2022 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en de locatie is kleiner dan 3 ha. Daarmee is artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening niet van toepassing. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Provinciale vaarwegen Het plangebied is gelegen in de vrijwaringszone van een provinciale vaarweg. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden waarop een vrijwaringszone van een vaarweg geldt, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mits rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: a.

de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;

16

b. c. d.

het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten vanaf de wal; en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.

Met de beoogde ontwikkeling worden de woonboot en de bunkerboot verwisseld van locatie. De zichtlijnen blijven met de ontwikkeling behouden. Het contact zal niet belemmerd worden, net als het beheer en onderhoud van de provinciale vaarweg. De toegankelijkheid van de vaarweg zal niet verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is gelegen in het Natuurnetwerk Nederland en is aangewezen als een ecologische verbinding. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Voor de beoogde ontwikkeling is in een notitie uitgewerkt wat het streefbeeld voor de ecologische verbinding, de gewenste beheertypen en de beoogde doelsoorten zijn. De beoogde ontwikkeling is gericht op de verbetering van de kenmerken en waarden van de planlocatie voor kleine marterachtigen en argusvlinders. Hiermee neemt de kwaliteit van de locatie ten opzichte van de huidige situatie voor deze soorten toe. Dit is in toelichting paragraaf 4.7 nader toegelicht.

Klimaatverandering In artikel 6.35a 'risico's van klimaatverandering' wordt gesteld dat er in een bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de risico's van klimaatverandering. Hierbij dienen onderwerpen zoals wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte behandeld te worden. Met de beoogde ontwikkeling vindt enkel de herstructurering van het plangebied plaats. Overstroming Uit het raadplegen van de klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied sprake is van een kleine overstromingskans. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Wateroverlast De planlocatie is gelegen aan het Paddegat waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond en in het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Daarnaast wordt op de planlocatie per saldo ca. 100 m² aan verharding verwijderd. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt groen ingericht. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.

Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. Door het plangebied groen in te richten wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland voor de onderhavige ontwikkeling.

17

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is de Regionale Structuurvisie niet specifiek van toepassing. Desalniettemin draagt de ontwikkeling bij aan de groen-blauwe kwaliteit van het gebied, omdat de ruimtelijk kwaliteit en de natuurwaarden met de ontwikkeling worden verbeterd. De Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De herziening van de omgevingsvisie is op 24 januari 2022 vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen.

In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:

• • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem;

18

•

veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek Met de beoogde bestemmingswijziging wordt de herinrichting van het plangebied mogelijk gemaakt. Met het verwisselen van de woonboot en de bunkerboot worden het wonen en de bedrijvigheid meer geclusterd. Tevens maakt de ontwikkeling het mogelijk de huidige buitenopslag naar binnen te verplaatsen door de berging te vergroten. Door de opslag in een berging te voorzien en door het wonen en de bedrijvigheid te clusteren wordt er meer rust gecreëerd en is er meer aandacht voor de natuurwaarden. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een beter en passender gebruik van de ruimte ten behoeve van bedrijvigheid die gericht is op recreatie. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een karakteristiek gebied zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen deel uit van een karakteristiek gebied. Er worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.

19

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde is, moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2) in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De realisatie van de schuur/berging en de herinrichting van het terrein betreft een wijziging die naar aard en omvang beperkt is. De bebouwings- en gebruiksmogelijkheden nemen met de bestemmingswijziging naar aard en omvang beperkt toe. Daarnaast ligt de locatie in het buitengebied.

Om deze redenen kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. De activiteiten die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt kunnen in beginsel vallen onder onderdeel D 25.4, de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen. Gelet op de aard en de omvang van de wijzigingen, de verplaatsing van de bunkerboot en van de woonboot is er geen sprake is van een dergelijke m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit.

20

Gezien het voorgaande hoeft er geen (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten, waaronder luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid, in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft een bestemmingswijziging. De wijziging van de bestemming betreft geen wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. Tevens zijn de gronden reeds in gebruik ten behoeve van het betreffende bedrijf. De beoogde berging betreft geen bouwwerk waarin langdurig (meer dan 2 uur per (werk)dag) mensen verblijven. De woonboot wordt verplaatst, maar blijft een bouwwerk waarbij er geen direct contact met de bodem is. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve voor de gewenste bestemmingswijziging niet noodzakelijk.

Op de locatie hebben in het verleden geen bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden die een verhoogd risico op bodemverontreiniging met zich mee brengen. Er zijn geen slootdempingen aanwezig. De gronden zijn nooit bebouwd geweest. Daarmee is de locatie niet verdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

21

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een woonboot verplaatst. Een woonboot is een geluidsgevoelig object. Derhalve moet in kaart worden gebracht of het plangebied is gelegen in de nabijheid van geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld. Het plangebied is niet gelegen in de onderzoekszone van geluidsgezoneerde industriegebieden of spoorwegen. Wel zijn de Boddens Hosangweg en de Groenewoudskade (aan de overzijde van het Paddegat) geluidsgezoneerde wegen. Ter hoogte van de twee woningen aan de Boddens Hosangweg 118 en 120 eindigt de Boddens Hosangweg. Er dus alleen sprake van bestemmingsverkeer voor de woningen aan de Boddens Hosangweg 118 en 120 en de plaatselijke bedrijvigheid. Het aantal voertuigbewegingen zal hier erg beperkt zijn, waarmee de Boddens Hosangweg akoestisch gezien niet relevant is. Ditzelfde geldt voor de Groenewoudskade, gezien de ruime afstand van ca. 105 m tussen de woonboot en de Groenewoudskade. Daarmee is het aannemelijk dat de voorkeurgrenswaarde vanwege wegverkeer op zowel de Groenewoudskade als de Boddens Hosangweg op de woonboot niet wordt overschreden. Er kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit het aspect geluid.

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal

22

mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet enkel in het herinrichten van het plangebied en het uitbreiden van de berging. Gezien de beperkte omvang kan er worden gesteld dat het project 'niet in betekenende mate' invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de achtergrondconcentraties over 2020 blijkt dat de concentraties fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en NO2 respectievelijk 15,9 μg/m³, 8,4 µg/m³ en 13,4 µg/m³ bedragen.

Daarmee liggen de concentraties ruim onder de grenswaarden van 40 μg/m³ (N02, fijnstof PM10) en 25 μg/m³ (fijnstof PM2,5) en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening met betrekking tot de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

23

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herinrichting het plangebied. Daarbij worden de woonbestemming (woonboot) en de bedrijfsbestemming (bunkerboot) met elkaar gewisseld van locatie. Derhalve moet getoetst worden of ter plaatse van de woonboot, die in planologische zin als een woning van een derde beschouwd dient te worden, en de noordelijk gelegen woningen (Boddens Hosangweg 118 en 120) sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied is gelegen in 'gemengd gebied'. Rondom het plangebied komen bedrijfsactiviteiten en woningen voor. Derhalve kan de richtstafstand met één afstandstap worden verlaagd. De bunkerboot krijgt met de beoogde ontwikkeling een bedrijfsbestemming. Ter plaatse van de woonboot wordt een woonbestemming opgenomen. De bunkerboot kan voor wat betreft de aflevering van diesel en benzine aan vaartuigen gelijk gesteld worden met een verkooppunt van motorbrandstoffen (SBI 473(3)), waar milieucategorie 2 en een richtafstand van 10 m in gemengd gebied voor geldt. De afstand van de bedrijfsbestemming tot aan de woonbestemming bedraagt ca. 17 m. De afstand van de woonboot tot risicobronnen op de bunkerboot is 25 m. De afstand van de bedrijfsbestemming tot aan de noordelijk gelegen woonbestemming bedraagt ruim 20 m.

De afstand tussen de woonboot en de veerdienst (bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie') wordt met de beoogde ontwikkeling groter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient, in aanvulling op het feit dat aan de richtafstand wordt voldaan beschouwd te worden of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij is met name een vergelijking met de huidige (planologische) situatie relevant. De afstand tussen de woonboot en de bunkerboot wordt met het voorliggende bestemmingsplan vergroot van 10 m naar 17 m. Er wordt niet voldaan aan de veiligheidsafstand van 20 m uit paragraaf 4.6.3 van het Activiteitenbesluit, die niet van toepassing is bij een vergunningplichtige inrichting waarvan in het onderhavige geval sprake is. Er treedt een verbetering ten opzichte van de huidige situatie op door de grotere afstand. In de huidige situatie wordt er geen geluidhinder ervaren. (Geluid)hinder en gevaar vanwege de bunkerboot zijn daarmee niet aan de orde. Voor de overige woningen wordt wel voldaan de veiligheidsafstand van 20 m. Daarnaast is een gasdepot, net als in de huidige situatie, onderdeel van de bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van het gasdepot bevinden zich kleine gasflessen in stuk goederen voor consumenten en geen grote bulktanks met gas. Als er brand zou uitbreken bij een gasfles, dan volgt er een drukgolf met een beperkte omvang.

De betontegels waar de gasflessen op staan, zullen als gevolg van falen van een gasfles niet breken. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van de berging met 25 m² mogelijk binnen de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. Binnen deze bestemming zijn het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie, een voetveer, een kiosk en sloepverhuur mogelijk. De berging zal voor de opslag van niet-milieubelastende stoffen en materialen bij de recreatieve functies gebruikt worden. Dergelijke activiteiten zijn vergelijkbaar met ten hoogste milieucategorie 2, waarvoor in een gemengd gebied een richtafstand van 10 m geldt. De afstand tot woningen in de omgeving (net als in de huidige (planologische) situatie) en de woonboot is groter dan 10 m. Gezien het voorgaande is er bij de woonboot binnen het plangebied en de woningen in de omgeving sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden bedrijven niet beperkt in hun mogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt en dat er ter plaatse van de woonboot sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

24

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=dab54d3f-06e5-4ede-ae2a-79adeed263c7