Concept Regionale Woonagenda Holland Rijnland
Tekst van het document
Woonagenda – Concept Holland Rijnland 6 december 2022
DATUM
6 december 2022
TITEL
Woonagenda – Holland Rijnland
OPDRACHTGEVER
Regio Holland Rijnland
AUTEUR(S)
Sander Reith Jan van Deursen
PROJECTNUMMER
7647.105
3
Inhoud 1
Inleiding 1.1 Waarom een nieuwe Woonagenda? 1.2 Proces 1.3 Status Regionale Woonagenda 1.4 Leeswijzer
1 1 2 2 3
2
Richting voor 2030: Wat willen we bereiken? 2.1 De Regionale Omgevingsagenda 2040 als vertrekpunt 2.2 Woningbouwproductie doorzetten en verder opvoeren 2.3 Meer ruimte voor betaalbare en kleinere woningen 2.4 Meer ruimte voor aandachtsgroepen 2.5 Voldoende woningen voor mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag
4 4 5 9 14 19
Bijlage 1: Behoefte sociale huur en inhaalvraag
22
Bijlage 2: Verdeling contingenten naar inwoners
24
Bijlage 3: Wat speelt er – Het verhaal van de regio
25
1 Inleiding Het is dringen op de woningmarkt in Holland Rijnland. Net als in andere delen van Nederland stapelen de vraagstukken zich op. De tekorten zijn groot, met name in het betaalbare koop, sociale huur- en middeldurehuursegment. De koopprijzen zijn hard gestegen en de wachttijden voor sociale huurwoningen zijn langer. Een grote diversiteit aan doelgroepen wacht met smart op een geschikte woning, waaronder een groeiende groep die tussen wal en schip valt. Kortom, tijd voor een actualisatie van het regionale woonbeleid. Het werk aan deze agenda is in 2021 gestart tegelijktertijd met een herijking van de woonruimteverdeling. De update van het woonruimteverdeelsysteem wordt verwerkt in een geactualiseerde huisvestingsverordening die parallel aan deze agenda is opgesteld.
1.1 Waarom een nieuwe Woonagenda? De Regionale Woonagenda (RWA) is een uitwerking van de Omgevingsagenda. Het doel van de Woonagenda is het wonen in de regio te versterken. Dit doen we enerzijds door meer te sturen op een goed evenwicht tussen vraag en aanbod op de regionale woningmarkt. Anderzijds maken we keuzes die de kwaliteit van wonen in de regio versterken. Daarbij agenderen we specifieke opgaven, zoals het bouwen van voldoende sociale huurwoningen, het huisvesten van de vergrijzende bevolking en bijzondere doelgroepen als gevolg van de extramuralisering en de huisvestingsopgave voor groepen die tussen wal en schip vallen. Een nieuwe RWA helpt de gemeenten door het geven van kaders en richting bij het realiseren van deze opgaven.
Schuivend speelveld: Nationale Woonagenda trekt de teugels aan Sinds het vaststellen van de huidige Woonagenda begin 2018 is er veel veranderd. Het nieuwe kabinet heeft in het voorjaar van 2022 de Nationale Woon- en Bouwagenda opgesteld. Daarin heeft de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de prioriteiten vanuit de rijksoverheid voor de komende jaren uiteen gezet. Met als kern: een steviger regie van de rijksoverheid op de belangrijkste thema’s (versnellen woningproductie, betaalbaarheid, focus op kwetsbare doelgroepen, leefbaarheid en veiligheid, verduurzaming en Wonen en zorg). Met de actualisatie van onze Regionale Woonagenda (RWA) geven we als regio gezamenlijk aan hoe wij de opgaven zien en gaan invullen: zo geven we onze bijdrage aan de nationale woon- en bouwagenda vorm.
Traditie van samenwerking De gemeenten in Holland Rijnland kennen een traditie van samenwerking. De regio ambieert met de RWA een actueel kader te schetsen voor een goed functionerende woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau. De afgelopen jaren zijn gezamenlijk duidelijke keuzes gemaakt, die invloed hebben op het wonen in de regio. Uit een evaluatie van de vorige agenda in 2020 blijkt dat de agenda in de huidige vorm niet meer actueel is. Ook laat de evaluatie zien dat ondanks de inzet van de gemeenten de druk op de woningmarkt blijft toenemen en meer of andere inzet nodig is om deze druk te verlichten. De laatste provinciale prognose laat zien dat er een naar boven bijgestelde behoefte is om 30.500 extra huishoudens te huisvesten in de regio van 2021 t/m 2030. Met het actualiseren van de RWA herijken we onze prioriteiten en zoeken we aansluiting bij het rijksbeleid uit de Nationale Woon- en Bouwagenda. Zo bouwen we als regio samen verder.
1
1.2 Proces Deze geactualiseerde RWA is in een aantal stappen tot stand gekomen: • Verdieping: Uitvoeren van een woningmarktanalyse om de behoefte te duiden. • Eerste contouren: contouren van de agenda zijn opgesteld in een verhaal van de regio. Deze is scherp gesteld in ambtelijke en bestuurlijke overleggen met vertegenwoordigers van alle gemeenten. • Dialoog: in een serie van interviews met corporaties, ambtenaren, ontwikkelaars, welzijnsorganisaties, zorgpartners en de urgentiecommissie zijn de opgaves die uit het onderzoek naar voren kwamen besproken. Ook is op 3 november 2021 een Themacafé georganiseerd. • Rapportage: Er is een concept-analyse opgesteld. Deze is besproken tijdens diverse overleggen op ambtelijk en bestuurlijk niveau met vertegenwoordigers van alle gemeenten. • Opstellen agenda: Op basis van de besprekingen van de concept analyse is deze RWA opgesteld. Ten tijde van schrijven wordt op Rijksniveau gewerkt aan wetgeving die van invloed is op de inhoud van deze RWA. Het betreft bijvoorbeeld de definities van sociale en middeldure huur en de wetswijziging op gebied van lokaal maatwerk. Indien nodig en/of gewenst kan de RWA nog aangepast worden op basis van deze wetgeving.
Betrokken partijen Bij het opstellen van deze notitie zijn veel partijen betrokken geweest. Ten eerste is een kerngroep met ambtelijke vertegenwoordiging vanuit de regio Holland Rijnland samengesteld (de subregio’s waren hierin vertegenwoordigd). Deze groep is gedurende het proces nauw betrokken geweest bij het uitvoeren van de analyse en het opstellen van de concepten. Daarnaast zijn beleidsadviseurs op het gebied van wonen vanuit alle gemeenten in de regio tijdens het ambtelijk overleg (AO) meegenomen in de voortgang. Naast ambtelijke overleggen hebben ook de portefeuillehouders op het gebied van wonen vanuit de 13 gemeenten, het Algemeen Bestuur (AB) en het Dagelijks Bestuur (DB) van de regio verschillende malen de mogelijkheid gekregen input te leveren op het proces en de concepten. Daarnaast hebben gesprekken plaatsgevonden met (de koepel van) woningcorporaties, ontwikkelaars, zorgpartijen, welzijnsorganisaties, huurdersorganisaties, de urgentiecommissie en uitvoerders van de contingentregeling. Tijdens deze gesprekken is vooral gesproken over de thema’s die zij belangrijk vinden en die spelen in de regio. Tot slot is op 3 november 2021 een Themacafé georganiseerd. Hieraan deden ruim 100 vertegenwoordigers mee (waaronder wethouders, raadsleden en het maatschappelijk middenveld).
Wie hebben we gesproken • vertegenwoordiging Contingentregeling; • vertegenwoordiging Urgentiecommissie; • directeur-bestuurders corporaties Meerwonen, Woonforte, Meerwonen, Stek Wonen; • marktpartijen (BPD, Bouwinvest); • zorginstellingen (Topaz, ’s Heeren Loo, De Haardstee, GGD Hollands Midden, Zorg en veiligheidshuis Hollands Midden, Binnenvest); • vertegenwoordiging decentralisatie Maatschappelijke Zorg en Tom in de Buurt; • vertegenwoordiging huurdersorganisaties.
1.3 Status Regionale Woonagenda De Regionale Woonagenda (RWA) is een verdieping van de Regionale Omgevingsagenda en is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de regio Holland Rijnland. De RWA helpt gemeenten bij het realiseren van de nieuwe woningbouwopgave, bij de juiste woning op de juiste plek en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Daarmee biedt dit een onderbouwing voor plannen, in het
2
kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Zo zorgen we dat we voor de inwoners van Holland Rijnland de juiste woningen bouwen en borgen we een goede ruimtelijke ordening. Deze Woonagenda speelt in op de verwachtingen die de provincie in het kader van haar verantwoordelijkheid heeft van regionaal woonbeleid. Kort samengevat betekent dit dat we in deze agenda rekening houden met: • De gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio. Met als doel voldoende passende woningen te hebben voor verschillende doelgroepen. Dit is het kader en onderbouwing van het regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie. De Woonagenda is voor de provincie de basis voor toetsing van nieuwe initiatieven en bestemmings/omgevingsplannen. • Een passend aanbod voor de doelgroepen van het huurbeleid. • Beleid voor de energietransitie en klimaatadaptatie als gevolg van bodemdaling; • Voorkeur voor nieuwbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied, georiënteerd op (hoogwaardig) openbaar vervoer.
1.4 Leeswijzer In de Woonagenda geven we de richting aan voor de komende jaren. Dit doen we op basis van de opgaven die we hebben geïdentificeerd. Dit “verhaal van de regio” staat samengevat in bijlage 3. Voor elke opgave beschrijven we eerst de belangrijkste afspraken. Deze lichten we kort toe gevolgd door (mogelijk) enkele uitvoerende afspraken. Zo maken we duidelijk welke ontwikkelingen we ondersteunen, waar we sturen en waar we elkaar vrij laten om de eigen richting te bepalen. In de agenda wordt verschillende malen verwezen naar de subregio’s in Holland Rijnland, omdat deze een redelijk samenhangende woningmarkt hebben. De onderstaande afbeelding geeft een overzicht welke gemeenten tot welke subregio behoren. Figuur 1: Gemeenten in Holland Rijnland verdeeld over de subregio's
3
2 Richting voor 2030: Wat willen we bereiken? De gemakkelijkste oplossingen en wegen voor het beter functioneren van de woningmarkt zijn inmiddels genomen en bewandeld. Zo is hard gewerkt aan het opvoeren van de productie in de nieuwbouw en transformatie. Ook is vaart gemaakt met het verhogen van het aandeel sociale huurwoningen bij nieuwbouw. Dit is echter niet afdoende gebleken. De acties die zijn genomen hebben ook tijd nodig. De woningproductie is een tanker die bijgestuurd kan worden, maar waarvan de effecten pas op termijn zichtbaar zijn. Door het groeiend aantal huishoudens en de gestegen huizenprijzen versterkt door inflatie en stijgende rentestanden zal de druk op de woningmarkt alleen maar verder toenemen. Zeker in het betaalbare segment. Daarom moeten we nu stevig inzetten op het realiseren van nieuwe (betaalbare) woningen. Dit vraagt om doorpakken op de volgende thema’s: Figuur 2: Thema's van de woonagenda
Woningbouw
Betaalbaar
Mensen tussen wal en
Langer (en weer)
versnellen
wonen
schip
zelfstandig wonen
Afspraken tot 2030:
1.
De gemeenten verankeren de afspraken uit deze RWA uiterlijk in 2025 in hun eigen beleid.
2.1 De Regionale Omgevingsagenda 2040 als vertrekpunt In de Regionale omgevingsagenda zijn gezamenlijk afspraken gemaakt die een relatie hebben met het wonen. We zien dat als staande afspraken waar we in deze agenda op voortbouwen. Afspraken met betrekking op woningbouw uit de Regionale omgevingsagenda: In de Omgevingsagenda hebben we de volgende kaders en afspraken over woningbouw vastgelegd: • Primair doorzetten van de ontwikkeling langs de verstedelijkingsas Oost-West van Katwijk tot Zoeterwoude tot 2030. De stedelijke as wordt vanaf het einde van dit decennium doorgetrokken tot Alphen aan den Rijn. Secundair richten op lopende kleinschaligere woningbouwlocaties in middelgrote kernen; • Buiten de verstedelijkingsas zorgen voor veelkleurige en vitale kernen zodat deze leefbaar blijven en meegaan in de ontwikkeling.
Beperkt woningen toevoegen in en direct langs de randen van de kernen blijft dus mogelijk, met name gericht op de lokale behoefte; • Realiseren van een prettig woon- en leefklimaat met diverse woon- en leefmilieus; • Woningen aanbieden voor diverse doelgroepen en woonwensen, in zowel grote als kleinere kernen, met elk een eigen identiteit en woningaanbod; • Diverse woonmilieus in een compacte setting realiseren met gezonde vergroening van de bebouwde omgeving als uitgangspunt; • We kiezen voor geconcentreerde verstedelijking om het landschap en de dorpsranden te sparen. De woningbehoefte is alleen binnenstedelijk in subregio’s noord en oost niet altijd meer op te lossen. Daar waar het binnenstedelijk of binnen de kern niet meer past, benutten we daarom de kansen die 4
er liggen om de kwaliteit van de stads- en dorpsranden te versterken via landschappelijke verstedelijking. Door middel van “landschapsplannen”1 kunnen harde overgangen tussen kern en landschap verbeterd worden. Afspraken over thema’s die gerelateerd zijn aan de woningbouw Naast de uitgangspunten voor het wonen zijn er aanpalende thema’s die invloed hebben op de woningbouw. Vanzelfsprekend zijn de Regionale Energie Strategie (RES 1.0) en de Regionale Strategie Mobiliteit (RSM) belangrijke kaders met consequenties voor het wonen. Deze twee documenten gaan ook gelijk op met de verduurzaamheidsopgave en de transitie naar een klimaatadaptieve omgeving die de regio in de Omgevingsagenda heeft ingezet. Tot slot is er een grote verwevenheid met de Haagse en Amsterdamse agglomeraties. Hierover zijn de volgende afspraken gemaakt: • We zien bereikbaarheid als een cruciale randvoorwaarde bij ontwikkelingen (eerst bewegen, dan bouwen). Ruimtelijke (grootschalige) ontwikkelingen moeten samengaan met investeringen in de infrastructuur; • We zien capaciteit op het elektriciteitsnet als randvoorwaardelijk voor (woning)bouw. We trekken als regio en gemeenten gezamenlijk op met netbeheerders om te zorgen voor voldoende netcapaciteit.
• Vanuit afspraken in het Klimaatakkoord en de daaruit volgende Regionale Energiestrategie zorgen we naast locaties voor woningbouw ook voor voldoende plekken om duurzaam energie op te wekken; • We omarmen duurzame mobiliteit in de regio door woningbouw zo veel mogelijk nabij (hoogwaardig) openbaar vervoer te concentreren; • Woningbouw mag de energietransitie en verduurzamingsopgave niet vertragen. Daarom verstedelijken we duurzaam. Dit betekent aandacht voor duurzaam bouwen, de gebouwde omgeving aanpassen op klimaatverandering (bijv. bodemdaling, hittestress etc.) en inzetten op circulariteit; • Het open groene en gevarieerde landschap is één van onze grootste troeven. Om het landschap te beschermen houden we bij woningbouw beter rekening met stikstofdepositie, natuurinclusief, klimaatadaptatie, veenoxidatie, wateropgave (inclusief drinkwater) en bodemdaling.
2.2 Woningbouwproductie doorzetten en verder opvoeren Opgave 1: Woningbouw versnellen tot 2030 en daarna Afspraken tot en met 2030: 1. We voegen netto 30.500 woningen toe van 2021 tot en met 2030. Dit betekent dat we circa 3.000 woningen netto toevoegen per jaar (was circa 2.500); 2. We sturen op 130% harde plannen en verhogen de programmeerruimte naar circa 4.000 woningen per jaar (was circa 3.000 per jaar); 3. Om te voorkomen dat we op voorhand minder bouwen dan de behoefte bespreken we een verhoging van de harde plancapaciteit boven 130% met de provincie als uit onderzoek, monitoring of de realitycheck van de plancapaciteit blijkt dat planuitval hoger is als gevolg van bijvoorbeeld geluid, stikstof of bouwkosten en de opgave in gevaar komt.
Sinds de vorige Woonagenda zijn we erin geslaagd goede stappen te zetten in de woningproductie. In de periode van 2015 tot 2020 zijn 14.384 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad (inclusief sloop). De provinciale Woningbehoefteraming uit 2021 valt echter aanzienlijk hoger uit dan de laatste raming uit 2019. Dit betekent dat we verder moeten versnellen. De woningbehoefte komt uit op 30.500 nieuwe 1 Een landschapsplan bevat - op basis van een analyse - een omschrijving van het landschap waarin aspecten zoals de
ontstaansgeschiedenis, kenmerken, patronen, structuren, karakteristieke beplantingsvormen, de ruimtelijke opbouw van de bebouwing etc. in kaart gebracht worden.
5
woningen vergeleken met 22.800 in de vorige prognose. Voor de periode 2021-2030 zijn plannen voor circa 36.500 woningen (direct uitvoerbaar, passende kansen en plannen op basis van afspraken). Dat is hoopgevend, maar met de verhoogde prognose wordt daarmee de programmeerruimte niet gehaald. Als plannen uitvallen of vertragen halen we onze doelstellingen mogelijk niet. Houden we rekening met planuitval en -vertraging (30%), dan is de ruimte om plannen te programmeren 39.650 woningen. Zachte plannen hard maken Een groot deel van de plancapaciteit is nog zacht (% noemen PM). Op de korte termijn (3-5 jaar) zal de focus op het realiseren van harde plannen en het hard maken van zachte plannen liggen. Dit is een hele opgave. In de eerste plaats speelt stikstof een grote rol in onze regio. De intensieve veeteelt in het oosten van de regio in combinatie met nabije Natura2000-gebieden in het westen van de regio zoals de Katwijkse en Noordwijkse duinen zijn een obstakel. Hier vragen we met name actie vanuit de rijksoverheid om via de nieuwe minister voor Stikstof ruimte te creëren voor woningbouw. Ook is er beperkte capaciteit op het electriciteitsnet waardoor aansluiting niet altijd op tijd gerealiseerd kan worden of bedrijfsverplaatsingen op geschikte locaties onmogelijk zijn.
Verder is er de bereikbaarheid van de regio die in de knel komt door de extra ververvoersbewegingen die de woningbouw met zich meebrengt. Knooppunt Leiden Centraal zal doorontwikkeld moeten worden, alsmede de HOV-verbindingen. Daarnaast is een groot deel van de regio afhankelijk van bereikbaarheid met de auto. Woningbouw in en rond de kleine kernen zal daarom een grote belasting geven op het N-wegennet. Waar de knelpunten liggen en wat we precies van de rijksoverheid en de provincie nodig hebben werken uit in de Woondeal2. Tot slot is er niet altijd voldoende ambtelijke capaciteit om plannen te begeleiden en te versnellen. Zelf kunnen we hier een rol spelen door waar mogelijk procedures efficiënter te doorlopen en duidelijker te communiceren met initiatiefnemers wat we als gemeenten van hen nodig hebben. Anderzijds vragen we hulp vanuit de rijksoverheid door gebruik te maken van de provinciale Flexpools (Vliegende Brigade) en het Expertteam van de rijksoverheid. Nieuwe plannen toevoegen Voor de langere termijn voegen we nieuwe plannen toe om de woningbouw op peil te houden. Op subregionaal niveau zien we dat er in West in theorie voldoende plannen zijn om de ambitie te halen, ook als er sprake is van maximaal 30% planuitval. In Noord en Oost ligt dat anders. Daar komt de planvoorraad tot 2030 in de buurt van de ambitie als rekening gehouden wordt met 130% planning.
Een paar tegenvallers kunnen er dus al voor zorgen dat de opgave niet wordt gehaald. Juist in deze subregio’s geven meerdere gemeenten aan dat het lastig is voldoende nieuwe plannen te ontwikkelen doordat de binnenstedelijke locaties beperkt zijn. Ook geven gemeenten aan dat zelfs als rekening wordt gehouden met 30% planuitval er een risico is op vertraging als gevolg van van bijvoorbeeld geluid, stikstof of bouwkosten waardoor de beoogde woningbouwproductie niet gehaald wordt. Dit speelt met name bij complexe binnenstedelijke locaties waar het risico op planuitval groter is. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bracht dit in beeld3. Hieruit komt naar voren dat slechts 60% van de ruimte voor woningbouw binnen bestaand gebied daadwerkelijk realiseerbaar is. Dit betekent dat een plancapaciteit van meer dan 130% nodig is om de woningbouwopgave te realiseren. Het is dus van belang dat de regio goed monitort wat de daadwerkelijke planuitval is in elke subregio. We spreken af op basis van de daadwerkelijke planuitval plannen toe te voegen zodat we de woningbouwopgave tot 2030 kunnen blijven garanderen. Ook als dit betekent dat de plancapaciteit boven de 130% uitkomt. Gezien het bovenstaande maken we enkele uitvoeringsafspraken: 2 Als onderdeel van de Nationale Woon- en Bouwagenda worden er in 2022 Woondeals afgesloten met de provincie
en de rijksoverheid. 3 Brink 2018
6
Uitvoeringsafspraken Primair
Afspraak a.
b.
c.
verantwoordelijk
Ondersteunend
Uitvoeringstermijn
We programmeren 130% plancapaciteit van de daadwerkelijke behoefte op basis van de Provinciale raming.
Gemeenten
Regio
2021-2025
We nemen het daadwerkelijke percentage planuitval op in de planmonitor en gaan het gesprek aan met de provincie om de plancapaciteit te verhogen als o.b.v. monitoring en de reality check 20224 de planuitval hoger blijkt dan 30% waardoor het realiseren van de woningbouwopgave in gevaar komt.
Regio
Gemeenten
Constant
Gemeenten programmeren adaptief en prioriteren/deprioriteren plannen op basis van realisatiemogelijkheid en gewenstheid. De regio monitort op realisatie en prijsklasse van het kwalitatieve programma in de RWA. Mocht blijken dat plannen niet tot realisatie komen, maken we gezamenlijk afspraken over hoe we bijsturen. In overleg en met wederzijdse overeenstemming kunnen plannen bijvoorbeeld uitgeruild worden tussen gemeenten of subregio’s.
Gemeenten
Regio
Constant
Opgave 2: Verdelen van de woningbouw over de subregio’s Afspraken tot en met 2030: 4. We verdelen het aantal te bouwen woningen op basis van de Provinciale prognose (2021). We gaan daarbij uit van de volgende bandbreedte: Subregio Noord: 6.500 – 7.500 woningen Subregio Oost: 9.500 – 11.000 woningen Subregio West: 12.000 – 15.500 woningen
We beschouwen de woningbouwopgave als vertrekpunt van onze programmering en nadrukkelijk niet als contingent. Het is het richtsnoer voor het ontwikkelen en realiseren van plannen, met focus op de juiste kwaliteiten en de juiste locaties. Dat geeft een kader. Voor de definitieve verdeling hebben we de doorvertaling van de provinciale prognose over de subregio’s als basis genomen. Vervolgens hebben we deze vergeleken met een verdeling gebaseerd op gemiddelden van vorige prognoses5. Zo zijn we tot een bandbreedte gekomen voor de woningbouwopgave in elke subregio. Deze is in de onderstaande tabel weergegeven. Hiervoor zijn we uitgegaan van de daadwerkelijke woningbehoefteraming inclusief het tekort van 4.000 woningen die de provincie nog niet heeft toebedeeld aan de subregio’s.
4 De realitycheck op de planlijst is in 2022 in alle regio’s in Nederland uitgevoerd als onderdeel van de Nationale
Woon- en Bouwagenda. 5 CBS prognose, WBR 2016 en WBR 2019.
7
Tabel 1: Woningbehoefteraming naar subregio
Subregio Noord Oost West Totaal Holland Rijnland*
Bandbreedte 6.500 – 7.500 9.500 – 11.000 12.000 – 15.500 ca 30.500
* Dit betreft een netto uitbreiding van de woningvoorraad (som van nieuwbouw minus sloop en onttrekkingen) Let op: Verdeling is conform de provinciale woningbehoefteraming 2021, bewerking Companen
Opgave 3: Voldoende plannen na 2030 Afspraken tot en met 2030: 5. We zorgen ook tot 2040 voor voldoende plancapaciteit. We voegen daarom vóór 2025 extra capaciteit toe voor het toevoegen van 20.000 woningen na 2030. 6. Bij toevoeging van nieuwe plannen houden we specifiek rekening met deze uitgangspunten uit de ROA: I. We realiseren diverse woonwijken in een compacte setting met gezonde vergroening van de bebouwde omgeving als uitgangspunt; II. Daar waar het binnenstedelijk of binnen de kern niet meer past, benutten we de kansen die er liggen om de kwaliteit van de stads- en kernranden te versterken via landschappelijke verstedelijking; III. We werken aan veelkleurige en vitale kernen ook buiten de verstedelijkingsas. Met het oog op de leefbaarheid voegen we buiten de as beperkt woningen toe primair gericht op de behoefte van de lokale bewoners en de vitaliteit van de kern. Gemeenten geven hier via lokaal beleid invulling aan met oog voor de Ladder duurzame verstedelijking; IV. We betrekken het belang van de energietransitie, klimaatadaptief bouwen, circulariteit, bereikbaarheid en netcapaciteit bij verdere keuzes en planontwikkeling.
Voor de 10 jaar na 2030 zijn er nog weinig plannen, terwijl ook dan nog een behoefte aan extra woningen is. De provincie kijkt in haar prognose niet naar die langere termijn. Voor een indicatie hanteren we de prognoses van het CBS. Die duiden op een benodigde groei van circa 20.000 extra woningen tot 2040. Terwijl er in de plannen vooralsnog circa 2.700 woningen zijn voorzien. Willen we op die termijn voldoende perspectief op bouwmogelijkheden hebben, dan moet dat in de komende jaren al op de agenda geplaatst worden. Mogelijk biedt de bestaande bebouwde omgeving ruimte voor extra woningen, bijvoorbeeld door woningsplitsing of verdichting van naoorlogse wijken (zie impressies Bron: KAW boven). In de na-oorlogse wijken is vernieuwing noodzakelijk in het kader van verduurzaming en de energietransitie. Deze oplossingen kosten vaak wel veel tijd om goed in te passen. Dit gaat dus relatief traag. Ook levert het niet altijd per definitie meer woningen op als bestaande complexen worden afgebroken bij herstructurering. Wel kunnen meerdere slagen gemaakt worden: verduurzaming, verdichting, met oog voor kwaliteiten als groen, hittestress, klimaatadapatie en voorkómen van wateroverlast (“stedelijke verlandschapping” als tegenhanger van “landschappelijke verstedelijking” uit de Regionale Omgevingsagenda). Niet elke locatie is hier geschikt voor.
Gemeenten zullen daarom op lokaal niveau moeten bepalen waar dit het beste 8
ingepast kan worden. Op regionaal niveau screenen we de lijst met reserveplannen op potentie en haalbaarheid bij het opstellen van het woningbouwprogramma, binnen de in de Omgevingsagenda en Woonagenda gestelde afspraken en randvoorwaarden. Zo krijgen we de totale woningbouwproductie ook na 2030 scherper in beeld.
2.3 Meer ruimte voor betaalbare en kleinere woningen Uit het woningmarktonderzoek komt een duidelijke opgave naar voren om sterker in te zetten op betaalbaarheid. We vinden het daarbij van belang om doelgroepen met lage- en middeninkomens die in de huidige woningmarkt nauwelijks aan bod komen perspectief te bieden. Deze wens sluit ook goed aan bij de prioriteiten van de rijksoverheid zoals beschreven in de Nationale Woon- en Bouwagenda.
Opgave 1: Van 45% naar 65% netto betaalbaar toevoegen Afspraken tot en met 2030: 1. Van de nieuwbouw is minimaal 30% sociale huur (netto toevoeging) in elke gemeente. We monitoren de realisatie hiervan op het niveau van het totale programma in de gemeente, dus niet op het niveau van afzonderlijke projecten; 2. Van het aandeel sociale huur is minimaal 20% geschikt voor uitstromers uit intramurale voorzieningen en spoedzoekers (zie afspraak 6 en 7 p.11); 3. Van de nieuwbouw is minimaal 35% van de netto toevoeging bereikbaar voor middeninkomens (op gemeenteniveau). De verdeling over prijscategoriën binnen dit segment wordt door de gemeenten zelf bepaald; 4. Flexwoningen, tijdelijke concepten en nieuwe woningen gerealiseerd vanuit de bestaande voorraad (bijv. via splitsen) rekenen we mee bij het realiseren van de gewenste procentuele verdeling;
Opgave sociale huur De gemeenten hebben in 2018 op regionaal niveau afgesproken om minimaal 25% van het nieuwbouwprogramma als sociale huur te realiseren. Alle gemeenten hebben minimaal dit percentage (of hoger) opgenomen in hun woonbeleid. In de planvorming gaat dit goed. De daadwerkelijke realisatie loopt daarentegen achter. Het woningmarktonderzoek laat zien dat de huidige percentages niet voldoende zijn om aan de vraag te voldoen, laat staan de achterstanden in te lopen. Hier is een hoger percentage nodig. Voor sociale huur gaat het om minimaal 30% van het nieuwbouwprogramma (zie bijlage 1). Deze behoefte verschilt enigszins tussen de subregio’s, maar vanuit een leefbaarheidsoogpunt waarbij spreiding van de doelgroepen over de regio centraal staat spreken we af met één percentage (30% netto sociale huur toevoegen) te werken. Met een lager percentage is de huisvesting van specifieke doelgroepen namelijk niet te garanderen op de langere termijn. Ook is het belangrijk dat sociale huurwoningen toegankelijk zijn voor de gehele doelgroep. Ook als deze door particulieren wordt verhuurd. Dit beschrijven meer in detail in paragraaf 2.4. De Nationale Woon- en Bouwagenda spreekt van een streven om richting 2030 toe te groeien naar 30% sociale huur in de gehele voorraad in alle gemeenten. Momenteel is ongeveer 28% van de woningvoorraad in Holland Rijnland een sociale huurwoning.
Als we dit via nieuwbouw willen laten groeien naar 30% zal 42% van het nieuwbouwprogramma uit sociale huur moeten bestaan. Voor sommige gemeenten betekent dit zelfs dat zij meer dan 100% van de nieuwbouw als sociaal moeten realiseren. Dit is niet realistisch. Daarom zetten we hier in deze agenda (nog) niet op in. Wel kijken we naar oplossingen binnen de bestaande voorraad om ook daar de sociale voorraad uit te breiden. En we hebben het voornemen de groei van de sociale huursector ook na 2030 door te zetten. Hierover zullen nader afspraken worden gemaakt.
9
Opgave middeninkomens Naast een groeiende behoefte aan sociale huur zien we een tekort aan woningen voor middeninkomens. Vooral de groep met een inkomen tussen de €40.765 - €71.000 p.j. zit in de knel. Ze komen namelijk niet in aanmerking voor een sociale huurwoning en kan door gestegen huizenprijzen steeds moeilijker aan een koopwoning komen. Uit het woningmarktonderzoek komt een behoefte naar voren van ongeveer 35%. Het gaat hier om woningen in de volgende prijsklassen: • Middenhuur: huur tot €1.000 p/m (prijspeil 2020)6; • Goedkope koop: vrij-op-naamprijs tot €255.000; • Betaalbare koop: vrij-op-naamprijs tot €355.000 (NHG-grens; prijspeil 2022). Ook bij woningen voor middeninkomens gaan we uit van één percentage van 35% netto toevoegen van het nieuwbouwprogramma. We zien hier wel verschillen tussen gemeenten. In stedelijke gebieden is een grotere vraag naar middenhuur. In kleinere (meer Figuur 3: Programma netto toevoegen naar prijsklassen landelijke) gemeenten is juist behoefte aan goedkope koopwoningen. Dit vraagt vrijheid voor gemeenten om hier binnen dit percentage invulling aan te geven. Wel vragen we gemeenten om een percentage voor elke prijscategorie in het middensegment op te nemen in hun Woonbeleid.
Wanneer werken we volgens de nieuwe programmering en hoe spreken we elkaar aan Veel plannen zitten al in een besluitvormingsproces, of er zijn anterieure overeenkomsten gesloten met een ontwikkelaar. Voor deze plannen is het niet reëel om in dit stadium de programmering aan te passen. Voor zachte of nieuwe plannen is dit anders. Hierbij streven we ernaar om vanaf vaststelling van de woonagenda te werken met de nieuwe kwalitatieve verdeling. In 2025 moet de totale nieuwbouw per gemeente op programmaniveau 7 aansluiten op deze Woonagenda. Als gemeenten de opgaven uit het kwalitatieve programma niet halen spreken we elkaar daar in eerste instantie op aan. Als dit niet leidt tot verbetering, kan de regio besluiten om nieuwe plannen uit de gemeente niet op te nemen in de regionale planmonitor totdat het regionale kwalitatieve programma beter geborgd is. Indexeren prijsgrenzen We indexeren de grenzen voor middenhuur en goedkope koop. Voor middenhuur nemen we hier de Uitvoeringswet Huurprijzen artikel 10 lid 2 & 3 als uitgangspunt. Voor goedkope- en betaalbare koop indexeren we aan de hand van de gemiddelde CAO loonstijging tenzij een andere manier van indexatie wordt aangegeven vanuit het Rijk. Dan houden we de Rijksmethode aan. De liberalisatiegrens wordt jaarlijks door de rijksoverheid geïndexeerd. Uitvoeringsafspraken Primair
Afspraak
verantwoordelijk
Ondersteunend
Uitvoerings-
6 Dit staat gelijk aan 187 punten in het woningwaardestelsel 7 Dit betekent dat individuele projecten waar reeds anterieure afspraken gemaakt zijn mogen afwijken.
10
termijn
a.
b.
c.
d.
e.
f.
Gemeenten programmeren 35% van de nieuwbouw voor middeninkomens en maken daarbij onderscheid in goedkope koop, betaalbare koop en middeldure huur.
Gemeenten
Regio
2023 – 2030
We voeren de nieuwe percentages stapsgewijs in. Op programmaniveau moet alle nieuwbouw in elke gemeente vanaf 2025 conform de percentages uit de RWA worden gerealiseerd.
Gemeenten
Regio
2023-2025
De regio stelt jaarlijks een regionaal woningbouwprogramma op en borgt de voortgang van de afspraken in de Woonmonitor die jaarlijks wordt opgesteld op basis van het woningbouwprogramma.
Regio
Gemeenten
Constant
De regio stelt een lijst op met vastgestelde plannen of plannen met anterieure afspraken waar niet meer mogelijk is de kwalitatieve programmering aan te passen.
Regio
Gemeenten
2023
De regio indexeert jaarlijks de grenzen voor goedkope koop en middenhuur8. Voor middenhuur nemen we hier de Uitvoeringswet Huurprijzen als uitgangspunt. Voor goedkope koop indexeren we aan de hand van de CPI-index.
Regio
Gemeenten
Jaarlijks
We spreken elkaar aan op het niet aanhouden van het kwalitatieve programma uit deze RWA. Als dit bij een gemeente na twee jaar na het invoeren van de nieuwe percentages (zie afspraak b) niet leidt tot verbetering, kan het dagelijks bestuur van de regio Holland Rijnland besluiten om nieuwe plannen uit de betreffende gemeente niet op te nemen in de regionale planmonitor totdat het regionale kwalitatieve programma wordt geborgd.
Regio
Gemeenten
Constant
Opgave 2: Meer goedkope woningen toevoegen in de sociale voorraad Afspraken tot en met 2030: 6. In de sociale huur realiseren we minimaal 20% van het sociale-huurprogramma op gemeenteniveau als goedkope woningen tot de eerste aftoppingsgrens (€633,25 in 2022) geschikt voor bijvoorbeeld spoedzoekers; 7. Van deze woningen realiseren we minimaal 45% (800 woningen) als zeer goedkoop tot de kwaliteitskortingsgrens (€422,46 in 2022) met name gericht op uitstromers uit intramurale voorzieningen zoals de Maatschappelijke Opvang, Beschermd wonen en de Jeugdzorg. 8. De opgave hoeft niet enkel via nieuwbouw gerealiseerd te worden maar kan ook via transformatie van bestaande woningen/gebouwen worden vormgegeven.
Vooral het aantal kleine huishoudens (1-2 personen) en specifiek het aandeel alleenstaanden groeit de komende jaren snel. Daar ligt een grote uitdaging. Met name in de sociale huur. Ongeveer 43% van de huishoudens in Holland Rijnland valt onder de doelgroep van de corporaties 9, terwijl ongeveer 28% van de woningen in de regio een sociale huurwoning is. Van deze corporatie doelgroep is nu al meer dan 80% een klein huishouden. Als we naar woningen kijken zien we juist het omgekeerde. Ongeveer 40% van het corporatiebezit is een ééngezinswoning. Er is dus een mismatch tussen behoefte en aanbod. Momenteel
8 De liberalisatiegrens en de NHG grens worden jaarlijks op landelijk niveau aangepast. 9 Regionaal woningmarktonderzoek 2021
11
wordt er met het oog op de verwachte groei van het aandeel kleine huishoudens nog te weinig in deze behoefte voorzien. Corporaties zijn ook voorzichtig om in deze markt te stappen omdat een kleinere woning in de toekomst wellicht minder goed in de markt ligt. Het is echter de verwachting dat het aandeel kleine huishoudens ook in de komende jaren verder gaat toenemen. Het vraagt om meer sturing en anders bouwen om een ruimere variatie aan goedkope woningen te realiseren. Dit geldt met name voor spoedzoekers (zie 2.4 Opgave 1) en uitstromers uit intramurale voorzieningen (zie 2.5 Opgave 2). Voor de tweede groep is een kleine, overzichtelijke en goedkope woning vaak gewenst met een huur tot of net boven de kwaliteitskortingsgrens (€ 422,46 in 2022). Voor de groep spoedzoekers gaat het ook om iets grotere woningen, met één of maximaal twee slaapkamers zodat kinderen bij de ouder kunnen wonen of logeren. Deze groep kan vaak ook een net iets hogere huur betalen (tot de eerste aftoppingsgrens € 633,25 in 2022). Uitvoeringsafspraken Primair
Afspraak g.
h.
verantwoordelijk
Ondersteunend
Uitvoeringstermijn
Gemeenten nemen afzonderlijk in het sociale huursegment 20% (+- 1.800 woningen) als goedkope woningen op tot de eerste aftoppingsgrens geschikt voor doelgroepen zoals spoedzoekers, waarvan 45% (800 woningen) tot de kwaliteitskortingsgrens met name gericht op uitstromers uit intramurale voorzieningen zoals de Maatschappelijke Opvang, Beschermd wonen en de Jeugdzorg.
Gemeenten
Regio
2023 – 2030
We voeren de nieuwe percentages stapsgewijs in. Op programmaniveau moet alle nieuwbouw in elke gemeente vanaf 2025 conform de percentages uit de RWA worden gerealiseerd.
Gemeenten
Regio
2023-2025
Opgave 3: Betaalbaarheid van de voorraad borgen Afspraken tot en met 2030: 9. Om de betaalbare woningvoorraad zo lang mogelijk voor de doelgroep te behouden hanteren we de volgende instandhoudingstermijnen: I. sociale huurwoningen: minimaal 30 jaar; II. middenhuurwoningen minimaal 20 jaar. Zo voorkomen we uitpondingscenario’s en speculatie zoveel als mogelijk. 10. Bij goedkope en betaalbare koop voorkomen we speculatief gedrag zoveel mogelijk door de maximale instandhoudingstermijn van 10 jaar te hanteren en maatregelen in te zetten die speculatie voorkomen.
Naast het bouwen van betaalbare woningen is het belangrijk om nieuwe en bestaande betaalbare woningen zo lang mogelijk voor de voorraad te behouden. Voor sociale- en middenhuur kan de gemeente hier goed op sturen via een huisvestingsverordening, doelgroepenverordening en het bestemmings/omgevingsplan10. Voor goedkope- en betaalbare koop ligt dit anders. Vaak vallen betaalbare koopwoningen na verkoop door de eerste koper niet langer in het segment betaalbaar. Ook kopen beleggers in sommige gemeenten betaalbare koopwoningen op voor de verhuur. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen waar we als gemeenten gezamenlijk aan willen werken. We spreken daarom af dat alle gemeenten een minimum/maximum termijn opnemen in hun doelgroepenverordening voor
10 De doelgroepenverordening wordt onderdeel van het Omgevingsplan na het invoeren van de Omgevingswet
12
betaalbare woningen. Daarnaast nemen gemeenten naar behoefte aanvullende maatregelen om betaalbare woningen voor de voorraad te behouden. Denk aan opkoopbescherming, zelfbewoningsplicht en antispeculatiebedingen etc. Uitvoeringsafspraken Afspraak a.
Primair verantwoordelijk
Alle gemeenten hebben in 2024 een doelgroepenverordening waarin de volgende instandhoudingstermijnen voor betaalbare woningen zijn opgenomen: I. Sociale huur: Minimaal 30 jaar II. Middeldure huur: Minimaal 20 jaar III. Goedkope/betaalbare koop: Maximaal 10 jaar
Gemeenten
Ondersteunend
Regio
Uitvoeringstermijn
2024
Opgave 4: Plannen moeten haalbaar blijven Afspraken tot en met 2030: 11. Waar de haalbaarheid van het programma in het geding komt, prioriteren we op planniveau het toevoegen van sociale huurwoningen ten opzichte van het middeldure segment.
Bij het in werking treden van deze Woonagenda verhogen we als regio en gemeenten onze ambitie om betaalbare woningen te bouwen, in lijn met de Nationale Woon- en Bouwagenda. Dit doen we in een tijd waarin we te kampen hebben met grote arbeidstekorten en sterk oplopende inflatie. Op de korte termijn kan dit impact hebben op de haalbaarheid van lopende projecten. Zeker als we rekening houden met andere doelen uit de ROA zoals klimaatadaptief, circulair bouwen en de kwaliteit van de openbare ruimte. Ook zijn er uitdagingen met betrekking tot de capaciteit van het electriciteitsnetwerk en de de druk op het wegennet. Aan de ene kant zoeken we hierin zelf naar oplossingen en creativiteit, bijvoorbeeld door zelfstandige flexwoningen en tijdelijke concepten mee te rekenen in onze afgesproken percentages betaalbaar in de nieuwbouw (en bij sloop). Aan de andere kant vragen we de provincie en de rijksoverheid hieraan hun bijdragen te leveren als randvoorwaarden voor het realiseren van onze ambities. Dit werken we uit in de Regionale woondeal in samenwerking met de provincie Zuid-Holland. Uitvoeringsafspraken Afspraak a.
b.
Primair verantwoordelijk
Gerealiseerde zelfstandige flexwoningen, toevoegingen door splitsing of tijdelijke woonconcepten rekent de Regio mee in de hiervoor genoemde percentages om de haalbaarheid van de opgave te vergroten. De gemeenten leveren de cijfers hiervoor aan. We werken samen om voldoende bijdragen vanuit provincie en rijksoverheid te genereren om de extra ambities wat betreft betaalbaarheid te realiseren, Dit werken we onder andere uit in de regionale woondeal in samenwerking met de
Regio
Ondersteunend
Uitvoeringstermijn
Gemeenten
2023-2030
Gemeenten
2023-2025
Regio (in samenwerking met de provincie ZuidHolland)
13
provincie. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan leggen we prioriteit bij de opgaven voor sociale huur.
2.4 Meer ruimte voor aandachtsgroepen Naast de reguliere woningzoekende, hebben we een aantal aandachtsgroepen geïdentificeerd waar we extra ruimte voor willen creëren op de woningmarkt. Denk bijvoorbeeld aan spoedzoekers, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners. Voor deze groepen ligt er een belangrijke opgave de komende jaren. Daarbij is het van belang dat we de reguliere woningzoekende niet uit het oog verliezen. Momenteel wordt tussen de 15-20% van het beschikbaar komende aanbod jaarlijks toegewezen aan aandachtsgroepen11. Met de voorgestelde afspraken zal het aantal woningen dat direct wordt toegewezen aan aandachtsgroepen licht stijgen naar 25%. De bovenmatige druk die deze aandachtsgroepen ervaren als gevolg van de krapte op de woningmarkt, en het verhoogde risico op dakloosheid en de aanverwante maatschappelijke kosten die hiermee gepaard gaan verantwoorden deze stijging. Wel zetten we ons in om ten minste 75% van het vrijgekomen aantal woningen aan reguliere woningzoekenden toe te blijven wijzen.
Opgave 1: Spoedzoekers versneld aan een woning helpen Afspraken tot en met 2030: 1. We maken werk van het creëren van een flexibele schil die het gat tussen permanente woningbouw en de behoefte zo goed mogelijk vult; 2. We sturen op het verhogen van het aantal verleende urgenties van ongeveer 150 naar 200 per jaar. Dit doen we door in afstemming met de urgentiecommissie vaker gebruik te maken van de hardheidsclausule in de huisvestingsverordening. Dit voorkomt dat schreinende gevallen die buiten de bestaande regelingen vallen niet ongewenst urgentie wordt geweigerd.
Regelmatig zien we de verhalen in de krant van mensen die met spoed een woning nodig hebben en buiten hun eigen schuld dakloos dreigen te worden. Dit komt omdat ze te weinig inschrijfduur hebben of niet vallen binnen de criteria van de urgentie- of contingentregeling. Kenmerkend is dat deze groep weinig middelen tot hun beschikking heeft zoals een netwerk of een inkomen dat hoog genoeg is voor een koop of particuliere huurwoning. Het gaat hier bijvoorbeeld om mensen die pas gescheiden zijn of uitstromers uit een intramurale instelling die een aantal weken op een bank in een andere regio hebben geslapen waardoor zij hun regionale binding verloren zijn en niet meer in aanmerking komen voor urgentie. Deze mensen voelen de druk op de woningmarkt het zwaarst en hebben de minste mogelijkheden om dit op te lossen. We schatten de opgave voor deze groep mensen op circa 1.150 – 2.300 (zie bijlage 3 het verhaal van de Regio). De eerste knop waar we aan draaien is meer kleine woningen realiseren (zie 2.3 Opgave 2). Echter ook binnen de huidige voorraad kan veel bereikt worden. Bijvoorbeeld door het splitsen van bestaande woningen. Dit kan ook een gunstig effect hebben voor andere doelgroepen zoals starters en senioren. Een tweede knop is het sneller realiseren van (tijdelijke) woningen. De bedoeling is om hier in korte tijd slagen te slaan voor de groepen die het meest in de knel zitten.
Mogelijk werken we voor een deel van deze woningen met tijdelijke contracten om doorstroom uit deze woningen te garanderen.
11 Dit betreft urgenten, statushouders, contingentregeling en lokaal maatwerk.
14
Dit kan door tijdelijke woningen te bouwen of bestaand vastgoed te transformeren. Met bestaande locaties en vastgoed, compact/gestapelde bouw en kleine oppervlaktes is ook veel te bereiken. Daar Figuur 4: Voorbeelden van conceptuele woningen
Bron: Conceptenboulevard.nl
moeten we de inspiratie zoeken, met aandacht voor aspecten als beheer en doorstroming. Tot slot werken we aan het realiseren van conceptuele bouw door met de corporaties een bouwstroom op gang te brengen volgens Eindhovens model. De eerste stappen hierin zijn inmiddels gezet.
Bouwstroom SVH, regio Eindhoven De Sociale Verhuurders Haaglanden (SVH) willen de nieuwbouwopgave fundamenteel anders aanpakken. Ze hebben de ambitie om in 2022 samen: • 2.000 conceptuele nieuwbouwwoningen in te kopen; • eventueel industrieel vervaardigd; • minimaal inkoopvoordeel: 6 woningen voor de prijs van 5 (-15%); • in gelijkmatig, voorspelbaar tempo te plaatsen in de regio.
De derde knop waar we aan kunnen draaien is ruimte zoeken in de interpretatie van de regels rondom urgentie aangezien de huidige woningmarkt in sommige gevallen weinig mogelijkheden biedt om zelf in woonruimte te voorzien. De regio Eindhoven is daar inmiddels mee Omdat spoedzoekers niet direct in aanmerking komen voor aan de slag gegaan, waarbij het initiatief bij een woning komen ze in noodsituaties terecht en richten zich de samenwerkende gemeenten ligt. bijvoorbeeld tot de gemeenten om toch voorrang te krijgen voor een woning. Die helpen dan vaak, vanuit een barmhartigheid met de noodsituatie waar mensen in verkeren. Dit leidt tot een ‘ondermijning’ van de bestaande regelingen en is ongewenst. Uitvoeringsafspraken Afspraak a.
b.
We werken aan een gezamenlijke inkoop van woonconcepten en de opzet van een bouwstroom, inclusief financieringsconstructies, zodat we gezamenlijk conceptuele (flex)woningen goedkoper kunnen realiseren.
Primair verantwoordelijk Holland Rijnland en Holland Rijnland Wonen
Waar de traditionele woningbouw ontoereikend is zetten we in op het realiseren van een flexibele schil. De gemeenten nemen dit op in hun lokale beleid. Denk aan: I. tijdelijke woningbouw op braakliggende terreinen;
Gemeenten
15
Ondersteunend
Corporaties en Gemeenten
Regio
Uitvoeringstermijn
2023-2025
2023-2030
II. III. c.
d.
transformeren van leegstaande panden; transformeren van de huidige voorraad door splitsing of verkamering.
In afstemming met de urgentiecommissie maken we vaker gebruik van de hardheidsclausule in de huisvestingsverordening. Dit gaat specifiek om gevallen rondom: I. De mogelijkheid om op kamers te gaan (dit is niet altijd reëel) II. De interpretatie van eigen schuld; III. Randgevallen met betrekking tot regionale binding; IV. Echtscheidingen waar het kind niet bij de ouder met zorgplicht kan wonen en dit een aantoonbaar negatief effect heeft op de kinderen én dit tot crisis leidt.
Regio
We overleggen met de provincie om tijdelijke woningbouw ter ondersteuning van de flexibele schil ook mogelijk te maken in het buitengebied waar dit passend is.
Regio
Corporaties en gemeenten
Gemeenten
2023
2023-2025
Opgave 2: Woonwagenstandplaatsen realiseren Afspraken tot en met 2030: 3. We realiseren 36 nieuwe standplaatsen voor woonwagenbewoners. We voegen deze plaatsen voor 2030 toe. 4. PM beslissing verdeling realisatie nieuwe standplaatsen over de subregio’s
In 2018 is in het nieuwe beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid vastgesteld. In dit beleidskader staat dat gemeenten bij vaststelling van het lokale woonbeleid rekening moeten houden met de vraag naar woonplekken voor woonwagenbewoners. In het kader van deze uitspraak is in 2020 een onderzoek naar woonwensen van woonwagenbewoners uitgevoerd in de regio. Hieruit blijkt dat er een verhuisvraag is naar ongeveer 50 woonwagens op korte termijn (ong. 5 jaar) en nog eens 55 op langere termijn (ong. de komende 20 jaar). Uit onderzoek uitgevoerd in 2018 blijkt daarnaast dat zowel het landelijk gemiddelde als het gemiddelde aantal standplaatsen in Holland Rijnland 1,2 per 1.000 woningen is. In de regio is afgesproken dat ten aanzien van de uitbreiding van het aantal woonwagens en standplaatsen de gemeenten in de regio bij nieuwbouw als richtlijn het landelijk gemiddelde van 1,2 standplaats per 1.000 nieuwbouwwoningen hanteren. Dit betekent dat er een opgave ligt om tot 2030 van 36 nieuwe standplaatsen toe te voegen. Ook is afgesproken om bij de uitbreiding van het aantal standplaatsen rekening te houden met de verdeling over de gemeenten kijkend naar het huidig aantal standplaatsen in relatie tot de huidige voorraad.
Momenteel staan verhoudingsgewijs de meeste standplaatsen in subregio West (1,38 standplaatsen per 1.000 woningen) en de minste in subregio Noord (0,6 standplaatsen per 1.000 woningen). PM: uitwerking verdeling per subregio. Uitvoeringsafspraken Afspraak
Primair verantwoordelijk
16
Ondersteunend
Uitvoeringstermijn
a.
a.
Woonwagenstandplaatsen worden door de gemeenten binnen de subregio’s onderling verdeeld en voor 2030 gerealiseerd
Gemeenten
Regio
2023-2030
Regio
n.v.t
2023-2030
De regio monitort minimaal jaarlijks de voortgang van de realisatie van woonwagenstandplaatsen
Opgave 3: Huisvesting voor arbeidsmigranten Afspraken tot en met 2030: 5. De gemeenten formuleren hun eigen beleid voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Wel spreken we af dat gemeenten het aantal arbeidsmigranten registreren; 6. We verbeteren de kwaliteit van huisvesting door bij realisatie van woningen voor arbeidsmigranten de SNFnormen te hanteren.
Veel bedrijven in de regio zetten in toenemende mate arbeidsmigranten in om aan de groeiende arbeidsvraag te voldoen. Arbeidsmigranten werken voor een korte of langere periode in Nederland. In de praktijk is er weinig onderscheid in de huisvestingsvraag tussen short-stay (tot ongeveer 3 maanden tot een half jaar) en mid-stay (tot drie jaar). Het gaat hier met name om tijdelijke huisvesting in het flexibele segment. Voor short stay, wat vaak seizoensarbeid is, gaat het om huisvesting in grotere complexen of op het erf van de werkgever. Bij midstay gaat het ook om tijdelijke huisvesting in grotere complexen maar ook om gewone woningen. Voor lang- of permanent verblijvende arbeidsmigranten is de huisvestingsvraag gelijk aan een reguliere woningvraag: zowel in de huur- als koopsector. In Holland Rijnland zijn er relatief veel arbeidsmigranten, bijvoorbeeld in de visverwerkende industrie in Katwijk, de zuivelindustrie in Nieuwkoop en de tuin en bollensector in de Bollenstreek. Daarnaast is er de groep kennismigranten en expats die met name in de grote steden zoals Leiden en Alphen aan den Rijn woont en werkt. Deze groep vindt over het algemeen redelijk haar weg op de woningmarkt. Daarom is deze groep hier buiten beschouwing gelaten. Het aanbod op de woningmarkt is met name onvoldoende afgestemd op arbeidsmigranten in de land- en tuinbouw sector evenals de maakindustrie.
Dit leidt tot verdringing bijvoorbeeld door het opkopen van woningen die worden verkamerd en ongewenste huisvestingsituaties of overlast. Denk aan ongewenste verkamering of het wonen op vakantieparken. Recent onderzoek12 laat zien dat er ongeveer 20.500 arbeidsmigranten in de regio werken. Het aantal arbeidsmigranten in de regio blijft richting 2030 groeien, naar verwachting met 2,4 - 4,4%. Dit betekent een geschatte toename van het aantal werkende arbeidsmigranten in de regio tussen de 1.000 – 1.450 tot 2030. Het aantal arbeidsmigranten dat in de regio woont lijkt een stuk lager te liggen. Dit komt deels doordat arbeidsmigranten buiten de regio wonen, maar vooral omdat arbeidsmigranten slecht geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen (BRP). Ook werken er veel arbeidsmigranten zwart waardoor zij niet meegenomen zijn in deze cijfers. De werkelijke aantallen zullen daarom naar verwachting hoger zijn. Vanuit dit oogpunt kunnen gemeenten overwegen nieuwe bedrijven in sectoren die sterk afhankelijk zijn van arbeidsmigranten en waarbij dit aantoonbaar zal leiden tot ongewenste huisvestingssituaties en/of verkamering te verplichten een huisvestingsplan op te stellen in lijn met de bevindingen van de Commissie Roemer als voorwaarde voor vestiging van dit bedrijf. Tabel 2: Schatting van het aantal werkende arbeidsmigranten in de regio
Subregio
Werkende arbeidsmigranten
Wonende arbeidsmigranten
Noord
7.865
38%
2.555
28%
Oost
2.610
13%
2.730
30%
12 Decisio 2022: Arbeidsmigranten in de provincie Zuid-Holland
17
West
10.075
49%
3.905
42%
Totaal
20.550
100%
9.190
100%
Bron: Arbeidsmigranten in de provincie Zuid-Holland (Decisio 2022)
Er ligt dus een opgave om arbeidsmigranten beter te huisvesten en te registreren. Deze opgave ligt vooral in Noord en West waar relatief veel arbeidsmigranten werken en voor zover bekend relatief weinig wonen. In Oost zien we het omgekeerde. De taak voor goede huisvesting voor arbeidsmigranten ligt primair bij werkgevers, met name in de short- en mid-stay. Gemeente maken hier passende afspraken over met bedrijven en uitzendorganisaties over goede huisvesting. Uitvoeringsafspraken Afspraak a.
b.
Primair verantwoordelijk
Ondersteunend
Uitvoeringstermijn
De gemeenten nemen de huisvesting van arbeidsmigranten op in hun lokale woonbeleid en maken afspraken met bedrijven over goede huisvesting.
Gemeenten
De regio
2023-2030
We registreren arbeidsmigranten volgens het Westlandse model13 en we houden gezamenlijk de SNF-normen14 aan als minimumstandaard voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
Gemeenten
De regio
2023
Opgave 4: Huisvesting voor studenten Afspraken tot en met 2030: 6. De gemeente Leiden maakt in samenwerking met de Leidse regio afspraken met de onderwijsinstellingen (Universiteit Leiden, Hogeschool Leiden, het ROC en studentenhuisvester DUWO over groei van deze instellingen in relatie tot de toenemende huisvestingsopgave die hiermee gepaard gaat.
De Universiteit Leiden is met meer dan 33.500 studenten de op drie na grootste universiteit van Nederland. Daarnaast zijn er HBO’s en MBO’s in Leiden en Alphen aan den Rijn. Dit gaat gepaard met een grote vraag naar studentenhuisvesting. Er wonen naar schatting 22.500 studenten zelfstandig op kamers in de Regio. De vraag is het grootst in subregio West. Daarnaast verwacht het Kences rapport over studentenhuisvesting (2021) een sterke stijging van het aantal internationale studenten (in Leiden). Deze groep zal de komende jaren toenemen van 2.000 nu naar ongeveer 4.500 in 2028. Dit zal de druk op de markt voor studentenhuisvesting alleen maar doen toenemen. In de Taskforce studentenhuisvesting zullen Gemeente Leiden, de Leidse onderwijsinstellingen Universiteit Leiden, Hogeschool Leiden en het ROC, en studentenhuisvester DUWO bespreken hoe hier mee om te gaan.
13 De gemeente Westland benadert arbeidsmigranten actief (Dit kan bijvoorbeeld door de inzet van mobiele teams
of op een andere manier waarop arbeidsmigranten pro-actief benaderd worden) om zich te laten inschrijven in de basisregistratie personen (BRP). In het Westland gebeurt dit in sommige gevallen zelfs op locatie. Ook wordt machtiging tot uitschrijving gevraagd. Zo heeft de gemeente een goed overzicht van het aantal arbeidsmigranten dat in de gemeente gehuisvest is en waar zij wonen. 14 De Stichting Normering Flexwonen beheert het register van ondernemingen die aan de door de SNF opgestelde normen voor huisvesting van arbeidsmigranten voldoen. Organisaties die huisvesting voor arbeidsmigranten aanbieden kunnen een certificaat van de SNF behalen.
18
Opgave 5: Asielzoekers en huisvesting statushouders Afspraken tot en met 2030: 7. Gemeenten in samenwerking met corporaties blijven primair verantwoordelijk voor het regelen van huisvesting voor statushouders.
Het aantal asielzoekers is na enkele jaren van daling weer toegenomen. Daarnaast komt de uitstroom uit asielzoekerscentra zoals Ter Apel niet goed op gang. Daarom is de taakstelling voor huisvesting van statushouders verdubbeld. Voor Holland Rijnland betekent dit een totale huisvestingsopgave die groeit van ongeveer 400 statushouders per jaar naar 800 statushouders per jaar. Gezien de recente ontwikkelingen rondom de instroom in Ter Apel en het gebrek aan doorstroom in de gehele keten, is het aannemelijk dat de taakstelling ook de komende jaren hoog blijft en wellicht zelfs verder stijgt. Het huisvesten van deze mensen is een belangrijke taak die we als gemeenten vervullen. Hiertoe worden we ook verplicht vanuit de rijksoverheid en de provincie en daar committeren we ons aan. Daarnaast speelt ook nog de huisvesting van vluchtelingen uit Oekraïne. Deze groep behoort weliswaar niet tot de officiële taakstelling maar vraagt ook in Holland Rijnland de aandacht.
2.5 Voldoende woningen voor mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag Mensen met een zorg- of ondersteuningsbehoefte blijven steeds langer of gaan weer zelfstandig thuis wonen. Dit komt deels vanwege nationaal beleid en strenge toegangseisen voor geïndiceerde en intramurale zorg, maar ook omdat mensen het zelf willen. Langer zelfstandig thuis wonen zorgt voor een stijgende behoefte aan zorg en ondersteuning in de thuissituatie. Dit vraagt om een goede samenwerking tussen alle partijen en een gezamenlijke aanpak op lokaal en regionaal niveau. In de eerste plaats gaat het dan om de plek en de woning waarin iemand woont. Deze woning moet passend zijn bij de persoonlijke situatie en in een toegankelijke omgeving staan, waar ontmoeting en beweging mogelijk zijn. Daarnaast is het belangrijk een goede gezondheid te stimuleren door preventie. Daarbij hoeft niet alleen gekeken te worden naar de lichamelijke gezondheid maar ook naar het dagelijks functioneren, participatie en mentale gezondheid. Een passende woonplek in een toegankelijke omgeving, met aandacht voor preventieve gezondheid moet in elke gemeente en voor iedereen in Holland Rijnland mogelijk zijn.
Opgave 1: Woningen voor senioren en mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag Afspraken tot en met 2030: 1. Alle gemeenten hebben in 2023 een geactualiseerde woonzorgvisie/uitvoeringsplan (maximaal 4 jaar oud). Deze kan onderdeel zijn van de Woonvisie en/of op subregionaal niveau worden opgesteld.
Langer zelfstandig thuiswonen voor ouderen betekent niet per se langer zelfstandig in dezelfde woning. Zorg zal steeds vaker aan huis geleverd worden in plaats van in een verzorgingstehuis. Als gevolg van deze ontwikkeling en het doorzetten van de vergrijzing neemt de vraag naar tussenvormen zoals hofjeswoningen sterk toe. In de komende jaren groeit de behoefte naar deze tussenvormen voor senioren van 14.250 woningen in 2021 tot 18.150 woningen (+27%) in 2030. Ook zien we een sterke toename in de vraag naar plekken waar 24-uurszorg geleverd kan worden. Tot 2030 gaat dit om een groei in de behoefte van 1.850 naar 2.550 (+37%) plekken voor somatische zorg (lichamelijk) en een groei in de
19
behoefte van 2.650 naar 3.640 (+37%) voor psychogeriatrische zorg (dementie)15. Dit betekent nog niet dat dit een nieuwbouwopgave is! Vaak kan dit in de eigen woning met inzet van domotica en Wlz-zorg thuis via het Volledig Pakket Thuis (VPT) en het Modulair Pakket Thuis (MPT). Zo is ook overal zwaardere zorg in de huidige woning mogelijk. Naast ouderen gaan ook mensen met een verstandelijke/lichamelijke beperking, en mensen in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) steeds vaker zelfstandig thuis wonen. Dit betekent een toenemende vraag naar geclusterde en gespikkelde woningen voor deze groep. Door dit te mixen met huisvesting voor senioren rondom intramurale en overige voorzieningen (zoals ontmoetingsplekken) kunnen woonzorgzones ontstaan. De invulling van het woonzorglandschap is een taak van de gemeenten in afstemming met de subregio’s. Dit doen zij door op lokaal of subregionaal niveau een woonzorganalyse en een woonzorgvisie/uitvoeringsplan op te stellen.
Opgave 2: Instroom voorkomen en uitstroom uit intramurale voorzieningen op gang brengen Afspraken tot en met 2030: 2. We verhogen het aantal contingenten stapsgewijs van 194 in 2022 naar 300 per jaar in 2026; 3. We monitoren jaarlijks de verzilvering van contingenten en passen daarop indien nodig de stapsgewijze verhoging richting 2026 aan. 4. Vanaf 2024 verdelen we het aantal contingenten over de gemeente op basis van het aantal inwoners in plaats van het aantal woningen dat corporaties bezitten.
Vanaf 2023 vindt “doordecentralisering” van de maatschappelijke opvang (MO) en beschermd wonen (BW) plaats. Effectief betekent dit dat de rol van centrumgemeente voor Leiden komt te vervallen en dat gemeenten zelf verantwoordelijk worden om de uitstroom uit de MO/BW vorm te geven. In het Beleidskader maatschappelijke zorg zijn hier afspraken over gemaakt. Om de uitstroom uit de MO/BW vorm te geven zijn in eerste instantie voldoende geschikte woningen nodig in alle gemeenten. Het gaat vooral om kleinere goedkope huurwoningen tot de kwaliteitskortingsgrens (€442). Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de Contingentregeling. Deze kan ook ingezet worden om instroom in een intramurale voorziening te voorkomen (10% van het aantal woningen dat via de contingentregeling beschikbaar wordt gesteld). De contingenten worden per jaar verdeeld over de corporaties op basis van het aantal woningen dat zij bezitten. In 2022 ging het om 194 vrijgekomen woningen. Vanuit interviews en het themacafé wonen (november 2021) komt naar voren dat de contingentregeling op zichzelf goed werkt. Er zijn alleen jaarlijks te weinig contingenten beschikbaar om in de behoefte te voorzien. Ook zijn er te weinig geschikte woningen (kleine woningen met een lage huur tot de eerste aftoppingsgrens).