Bijlage bij beantwoording vooraf gestelde vragen Zuid-Hollandse omgevingsverordening
Tekst van het document
In afwijking van het bepaalde in artikel 15.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een zwemvijver’, bedoeld in artikel 15.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden. Artikel 3.219 (afwijkende termijn melding artikel 15.47 Bal - badwaterbassins voor eenmalig gebruik)
In afwijking van het bepaalde in artikel 15.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin voor eenmalig gebruik’, bedoeld in artikel 15.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden. Artikel 3.220 (afwijkende termijn melding artikel 15.50 Bal - overige badwaterbassins)
In afwijking van het bepaalde in artikel 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een overig badwaterbassin’, bedoeld in artikel 15.49 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden. Artikel 3.221 (logboek registratie sluiting en heropening badwaterbassin) 1.
Dit artikel is van toepassing op de sluiting en heropening van een badwaterbassin als bedoeld in artikel 15.26, artikel 15.42 en artikel 15.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
81
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
De sluiting en de heropening van een badwaterbassin als bedoeld in het vorige lid worden geregistreerd in een logboek. 3.
Het logboek bevat in ieder geval een registratie van: a. de aanleiding; b. de resultaten van de meting die tot sluiting van het badwaterbassin heeft geleid; c. de geconstateerde risico’s voor de veiligheid van de gebruikers en de kwaliteit van het water; d. de resultaten van de meting die tot heropening van het badwaterbassin heeft geleid; e. de beoogde maatregelen ter voorkoming van herhaling. 4.
Degene die de activiteit verricht is verantwoordelijk voor het bijhouden van het logboek. Afdeling 3.11 Ontgrondingen op land en in regionale wateren § 3.11.1 Algemeen Artikel 3.222 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 16 van het Besluit activiteiten leefomgeving. § 3.11.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.223 (aanwijzing vergunningvrij geval Maasvlakte)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het ontgronden voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van havens en daarin gelegen kunstwerken binnen de locatie maasvlakte waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 3.12 Ruimtelijke voorbeschermingsregels (met het oog op het in de toekomst voldoen aan instructieregels) § 3.12.1 Algemeen Artikel 3.224 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over activiteiten waarvoor regels als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet noodzakelijk zijn aanvullend op bepalingen in afdeling 7.3. Artikel 3.225 (oogmerken)
Deze afdeling is gericht op het voorkomen dat locaties minder geschikt worden voor een krachtens de bepalingen in afdeling 7.3 te verwezenlijken doel, zolang geen omgevingsplan in werking is getreden overeenkomstig die bepalingen. § 3.12.2 Inhoudelijke regels geitenhouderij Artikel 3.226 (verbod geitenhouderij) 1.
Het is verboden om:
82
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
a. een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak; en b. nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2.
Het verbod geldt voor een locatie totdat voor die locatie een onherroepelijk omgevingsplan is of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit onherroepelijk is geworden in overeenstemming is met artikel 7.59 eerste lid, onder k.
HOOFDSTUK 4 ONDERHOUDSPLICHTEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 4.1 Provinciale vaarwegen Artikel 4.1 (onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale vaarwegen)
Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale vaarweg, overeenkomstig afdeling 3.7, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel 4.2 (onderhoudsplicht oevers) 1.
De onderhoudsplichtige van de oever langs een provinciale vaarweg moet, onverminderd het bepaalde in de onderhoudslegger van het bevoegde waterschap, deze stevig en passend in de omgeving houden, zodat deze in goede staat is. 2.
Over de omvang en inhoud van de onderhoudsplicht en over de inspectie van de oever zijn de regels in bijlage V van toepassing. Afdeling 4.2 Provinciale wegen Artikel 4.3 (onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale wegen)
Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale weg, overeenkomstig afdeling 3.8, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
HOOFDSTUK 5 OMGEVINGSWAARDEN Afdeling 5.1 Veiligheid regionale waterkeringen Artikel 5.1 (omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)
Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3. Artikel 5.2 (toepassingsbereik veiligheid per regionale waterkering)
De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden voor de locaties, bedoeld in artikel 2.13 van deze verordening. Artikel 5.3 (omgevingswaarden veiligheid per regionale waterkering)
Voor de in artikel 2.13 aangewezen locaties, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstand waarop de regionale waterkering, of een deel daarvan, moet zijn berekend, bedoeld in bijlage II (norm opgenomen bij het geo-informatieobject).
83
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 5.4 (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen) 1.
Aan de omgevingswaarden voor veiligheid van regionale waterkeringen wordt bij de verbetering van een regionale waterkering uiterlijk voldaan met ingang van het tijdstip zoals aangegeven in bijlage VI, onder A. 2.
De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij de aanleg en verbetering van regionale waterkeringen resultaatsverplichtingen. 3.
De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij het uitvoeren van beheer en onderhoud aan regionale waterkeringen inspanningsverplichtingen. Artikel 5.5 (verzoek tot aanpassing termijn) 1.
Het waterschapsbestuur kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van het tijdstip, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid. 2.
Het eerste lid kan voor gevallen waarin: a. het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is; b. door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of c. ondanks de verrichte handelingen daarvoor niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde. Afdeling 5.2 Kans op overstroming regionale wateren Artikel 5.6 (omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming) 1.
Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9. 2.
Voor zover van toepassing, gelden voor de toepassing van het eerste lid de regels zoals opgenomen in bijlage VI, onder B1. Artikel 5.7 (toepassingsbereik gemiddelde kans op overstroming per gebied) 1.
De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.6, gelden voor de gebieden die zijn aangewezen in artikel 5.8 en 5.9. 2.
De omgevingswaarden gelden op het niveau van een peilgebied. Artikel 5.8 (omgevingswaarden kans op overstroming binnen de bebouwde kom)
Binnen de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van: 84
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
a. 1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur, spoorwegen of bebouwing, met uitzondering van glastuinbouw; b. 1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw; c. 1/10 per jaar voor locaties met overige functies. Artikel 5.9 (omgevingswaarden kans op overstroming buiten de bebouwde kom) 1.
Buiten de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur of spoorwegen; b. 1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw of hoogwaardige land- en tuinbouw; c. 1/25 per jaar voor locaties met de functie akkerbouw; d. 1/10 per jaar voor locaties met de functie grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober. 2.
Voor bebouwing buiten de bebouwde kom geldt de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef, onder b, c of d. 3.
Binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, geldt voor bebouwing buiten de bebouwde kom de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a. 4.
Voor de toepassing van het eerste lid, is wat betreft het landgebruik de functie van de locatie zoals vastgelegd in het omgevingsplan bepalend. Als een omgevingsplan onvoldoende duidelijkheid verschaft, dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research. Artikel 5.10 (termijn en aard omgevingswaarde kans op overstroming regionale wateren) 1.
Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2028. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt voor het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en het Waterschap Rivierenland de termijn waarop moet worden voldaan aan de omgevingswaarden, opgenomen in bijlage VI, onder B2. 3.
De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9, zijn inspanningsverplichtingen. Artikel 5.11 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren) 1.
Voor zover het waterschapsbestuur voor een gebied binnen een peilgebied op aanvraag een peil toestaat dat afwijkt van het peil vastgesteld in een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet, geldt een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 5.8 of 5.9 niet voor het gebied met het afwijkende peil. 85
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
In overige gevallen, waarin het niet doelmatig is om aan de omgevingswaarden te voldoen, kan het waterschapsbestuur gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken te bepalen dat wordt afgeweken van de in de artikelen 5.8 en 5.9 opgenomen omgevingswaarde.
HOOFDSTUK 6 TOEDELING VAN SPECIFIEKE TAKEN Afdeling 6.1 Beheer van watersystemen Artikel 6.1 (regionale wateren in beheer)
In deze verordening is met het beheer van regionale wateren bedoeld: het beheer van watersystemen dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij provinciale verordening is opgedragen aan waterschappen. Artikel 6.2 (beheer grondwaterkwaliteit Rotterdams havengebied) 1.
In afwijking van artikel 6.1 berust het beheer van watersystemen met betrekking tot het grondwaterlichaam gelegen in of onder het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam voor zover dat betrekking heeft op de grondwaterkwaliteit in relatie tot het beheer van historische verontreinigingen in het grondwater, bij het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam. 2.
De geometrische begrenzing van het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam is vastgelegd in bijlage II. Afdeling 6.2 Beheer van vaarwegen Artikel 6.3 (vaarwegbeheer provinciale vaarwegen)
Het beheer van provinciale vaarwegen, bedoeld in bijlage VII, onder A1, berust bij gedeputeerde staten. Artikel 6.4 (toedeling vaarwegbeheer aan anderen)
Het beheer van regionale vaarwegen en bruggen en sluizen bedoeld in bijlage VII, onder A2, berust bij het waterschap of een gemeente bedoeld in bijlage VII, onder A2.
HOOFDSTUK 7 INSTRUCTIEREGELS Afdeling 7.1 Uitoefening van een specifieke taak of bevoegdheid § 7.1.1 Bebording stiltegebieden Artikel 7.1 (bebording stiltegebieden) 1.
Gedeputeerde staten dragen zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van stiltegebieden door het plaatsen van borden. 2.
De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot stiltegebieden toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van het stiltegebied. 3.
Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder A1.
86
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
4.
De aanduiding van een stiltegebied als bedoeld in het eerste lid, kan in aanvulling op de bebording, bedoeld in het derde lid, ook plaatsvinden op een andere wijze die in bijlage VIII, onder A2 is aangegeven. § 7.1.2 Bebording grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.2 (bebording grondwaterbeschermingsgebieden) 1.
Het drinkwaterbedrijf draagt zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van in ieder geval waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones door het plaatsten borden. 2.
Het drinkwaterbedrijf kan ook zorg dragen voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden. 3.
De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot waterwingebieden of grondwaterbeschermingszones toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van die gebieden. 4.
Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder B1. 5.
In afwijking van het tweede lid, vindt voor gevallen aangegeven in bijlage VIII, onder B2 de aanduiding van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden plaats op de daarbij aangegeven wijze van aanduiding. § 7.1.3 Beheer van watersystemen Artikel 7.3 (maatregelen bij (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen) 1.
Als het waterschapsbestuur naar aanleiding van de monitoring van de omgevingswaarde veiligheid van de regionale waterkeringen, bedoeld in paragraaf 13.1, vaststelt dat het aannemelijk is dat voor een regionale waterkering niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan de omgevingswaarde neemt het waterschapsbestuur de nodige maatregelen, al dan niet als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet, ter verbetering van de regionale waterkering. 2.
Bij het verbeteren van een regionale waterkering strekt de methode bedoeld artikel 13.1, eerste lid, onder a, tot aanbeveling van het waterschap. 3.
Onverminderd artikel 5.5 zijn de verbetermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, er op gericht te bevorderen dat de regionale waterkering binnen een zo kort mogelijke periode aan de daarvoor geldende omgevingswaarde voldoet. 4.
Zonodig treft het waterschapsbestuur de nodige voorzorgs- of andere beschermende maatregelen, anders dan als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de
87
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Omgevingswet, om de risico’s die verband houden met de (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde voor die regionale waterkering te beheersen gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde. Artikel 7.4 (legger) 1.
De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat, in aanvulling op het eerste en derde lid van dat artikel, in ieder geval: a. het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; b. de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer bij het waterschap; c. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering in beheer bij het waterschap; d. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden die in beheer zijn bij het waterschap. 2.
Aan het eerste lid, onder d, is voldaan met ingang van het tijdstip opgenomen in bijlage VIII, onder C1. 3.
Op bergingsgebieden in beheer bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Waterschap Rivierenland of het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is niet van toepassing: a. het bepaalde in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet, voor zover het de vorm en constructie betreft; en b. het bepaalde in het eerste lid, aanhef, onder b en d. 4.
Op secundaire wateren in beheer bij het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing. Artikel 7.5 (aanwijzing regionale wateren peilbesluit) 1.
Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. 2.
Peilbesluiten moeten actueel zijn. Artikel 7.6 (rangorde van waterschaarste regionale wateren) 1.
Dit artikel geldt alleen voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
88
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. het verwerken van industrieel proceswater; b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen. 3.
In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan: a. de waterkwaliteit in stedelijk gebied; b. beroepsvaart; c. akkerbouw; d. beregening sportvelden; e. grasland; f. recreatievaart; g. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade. 4. In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het tweede en derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.7 (regionaal waterprogramma)
Het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam neemt bij de uitoefening van het beheer van de grondwaterkwaliteit in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, het regionaal waterprogramma en het waterbeheerprogramma in acht voor zover dat uitvoering geeft aan de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn. § 7.1.4 Vaarwegbeheer Artikel 7.8 (vaarwegprofielen)
Voor het deel van de provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 2.4, en regionale vaarwegen als bedoeld in artikel 2.5, dat vrij beschikbaar is voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer draagt de beheerder van de vaarweg zorg voor de gewenste noodzakelijke minimale breedte, diepte en vrije doorvaarthoogte van de dwarsdoorsnede, bedoeld in bijlage VIII, onder D1. § 7.1.5 Wegbeheer door gemeente of waterschap Artikel 7.9 (samenwerking met andere wegbeheerders) 1.
De aansluiting van een openbare weg in beheer bij een gemeente of een waterschap op een provinciale weg, vereist de voorafgaande toestemming van gedeputeerde staten.
89
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
De toestemming kan worden onthouden wegens strijd met de in artikel 1.4 bedoelde belangen. 3.
De toestemming kan afhankelijk worden gesteld van medewerking aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wegenwet. 4.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het niet tijdig beslissen op de aanvraag om het geven van toestemming als bedoeld in het eerste lid. Afdeling 7.2 Programma's § 7.2.1 Waterbeheerprogramma Artikel 7.10 (inhoud waterbeheerprogramma) 1.
Het waterbeheerprogramma, bedoeld in artikel 3.7 van de Omgevingswet, bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenminste: a. een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt; b. een beschrijving van het beheer van het watersysteem gericht op de daaraan toegekende functies en doelstellingen; c. een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen; d. een raming van de kosten van de gedurende de programmaperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode. 2.
Bij de vaststelling van het waterbeheerprogramma betrekt de waterbeheerder in ieder geval: a. de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken; b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c; c. een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming als bedoeld in artikel 5.6 van deze verordening. Artikel 7.10a (gevaarlijke stoffen)
Bij het vaststellen van maatregelen ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn in een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 4.3, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de verontreinigende stoffen genoemd in Bijlage III, onder Aa, als gevaarlijk beschouwd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de grondwaterrichtlijn. Artikel 7.11 (omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)
Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3.
90
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 7.12 (omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming)
Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9. Afdeling 7.3 Omgevingsplannen § 7.3.1 Algemeen Artikel 7.13 (toepassingsbereik)
Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Artikel 7.14 (aanpassingstermijn omgevingsplan) 1.
Op het moment dat een omgevingsplan of een onderdeel wordt vastgesteld en uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van een bepaling in afdeling 7.3 voldoet een omgevingsplan of onderdeel aan die bepaling. 2.
De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, voor zover bij een bepaling in afdeling 7.3 een andere termijn is genoemd, waarop het omgevingsplan aan die bepaling moet voldoen. 3.
De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op artikel 7.43 en artikel 7.3.7.1. Artikel 7.15 (eerbiedigende werking) 1.
Bij de vaststelling van een onderdeel van een omgevingsplan kan een bepaling in afdeling 7.3, buiten toepassing blijven voor zover deze betrekking heeft op een locatie waar: a. een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegelaten in het omgevingsplan en rechtmatig wordt verricht; b. een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegestaan op grond van een onherroepelijk verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of c. een activiteit die in strijd is met die bepaling en is toegelaten in het omgevingsplan, niet wordt verricht en waarvoor geldt dat onverkorte toepassing van die bepaling onevenredig zou zijn met het oog op zwaarwegende belangen van toelaten van de activiteit. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 7.62. § 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid) § 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid Artikel 7.16 (opname risicogebieden externe veiligheid)
De locaties risicogebied externe veiligheid Botlek-Vondelingenplaat, risicogebied externe veiligheid Europoort en Landtong, risicogebied externe veiligheid Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2, risicogebied externe veiligheid Zeehavens Dordrecht, risicogebied externe veiligheid Eemhaven en Distripark Albrandswaard en risicogebied externe veiligheid Waalhaven, waarvan de geometrische begrenzing
91
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
in bijlage II is vastgelegd, worden als risicogebieden externe veiligheid opgenomen in het omgevingsplan. Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden externe veiligheid)
Bij het al dan niet toewijzen van een reservering van ruimte voor een aandachtsgebied in het omgevingsplan rond de risicogebieden externe veiligheid, genoemd in artikel 7.16, wordt de ruimte van activiteiten waarvoor het risicogebied externe veiligheid is gereserveerd in acht genomen. § 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico) 1.
In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan: a. mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied; b. alternatieven met een lager groepsrisico; c. waardering van al bestaande bescherming, waaronder: 1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen; 2°. andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden; d. mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder: 1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron; 2°. aanvullende risicocommunicatie; 3°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; 4°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied; 5°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving; 6°. aanvullende bouwmaatregelen; e. mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen; f. door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid; g. de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2.
Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken.
92
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)
De veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn de locaties binnen 25 meter van de rijksvaarwegen Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas) 1.
Een omgevingsplan voor locaties binnen veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas laat nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten alleen toe als voor de effecten van een plasbrand vergelijkbare veiligheid wordt gegarandeerd als buiten de veiligheidszone en hierover advies is gevraagd van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op: a. havengebonden nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de uitzondering veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas risicogebieden externe veiligheid, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg en de haven; c. incidentele kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie. § 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes)
De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico) 1.
Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg. 2.
In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen. 3.
Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op § 7.3.2.2: a. binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat; b. de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt: 1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of
93
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is. c. dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren. § 7.3.4 Waterkeringen Artikel 7.25 (geen belemmeringen voor regionale waterkeringen) 1.
In het omgevingsplan worden aan de regionale waterkeringen, bedoeld in artikel 2.13, de functie “regionale waterkering” toebedeeld. 2.
In het omgevingsplan worden aan locaties van beperkingengebieden ter bescherming van regionale waterkeringen in beheer bij het waterschap, de functie “beperkingengebied met betrekking tot een waterkering” toebedeeld. 3.
Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, en de bij waterschapsverordening aangewezen en geometrisch begrensde beperkingengebieden. 4.
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering of een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering als bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt bij het toelaten van activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of versterking van de regionale waterkering. 5.
Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Artikel 7.26 (profiel van vrije ruimte)
Het omgevingsplan neemt een in een waterschapsverordening vastgesteld profiel van vrije ruimte ten behoeve van een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering in beheer bij het waterschap, in acht. § 7.3.5 Grondwaterkwaliteit § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.27 (toepassingsbereik) 1.
Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw, zijnde: a. een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of b. elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.
94
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw op een locatie in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid. Artikel 7.28 (definitie grondwatergevoelige locatie)
Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving; b. de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of c. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft. Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten. 2.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 7.30 (verontreiniging van grondwater)
Onder verontreiniging van grondwater wordt verstaan een overschrijding van: a. de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa1, voor zover de verontreiniging in staat is een grondwaterafhankelijk natuurgebied als bedoeld in artikel 2.13 of een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden; of b. de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa1 voor overige gebieden of locaties. Artikel 7.31 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 alleen is toegelaten als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 is verricht.
95
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater: a. zich niet (langer) bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 7.29, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of b. zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is. 3.
Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater: a. het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie; b. een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141d of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 7.32 (sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c. b. een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.1134 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c. 2. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is. Artikel 7.33 (omgevingsvergunning bouwen op een grondwatergevoelige locatie) 1.
Als in een omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die er toe strekken dat de omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, worden getroffen.
96
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
Een omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt: a. het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29 tweede lid; b. als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; c. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a wordt verricht; d. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht. Artikel 7.34 (melding bouwactiviteit) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht; b. het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht; c. de dagtekening; en d. het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid; e. als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a, wordt verricht; g. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.
97
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
3.
Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 7.35 (ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging)
Een omgevingsplan bepaalt dat bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert. § 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak Artikel 7.36 (toepassingsbereik) 1.
Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a. 2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2. Artikel 7.37 (saneringsaanpak: niet afdekken tenzij) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het saneren van de bodem in verband met een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, niet wordt uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.
Een omgevingsplan kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de saneringsaanpak afdekken is toegestaan als: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Artikel 7.38 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak: vermindering of voorkomen van inbreng)
Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegestaan, alleen kan worden gesteld als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. Artikel 7.39 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de bronaanpak)
Het omgevingsplan bepaalt dat bij het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van de voor het begin van de activiteit verstrekte gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt.
98
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 7.39a (gegevens en bescheiden: bij beëindiging van de bronaanpak)
Het omgevingsplan bepaalt dat na het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan gedeputeerde staten wordt verstrekt. § 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem Artikel 7.39b (verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is of op grond van de waterschapsverordening regels zijn gesteld. Artikel 7.39c (afbakening mogelijkheid maatwerk)
Het omgevingsplan bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, alleen kan worden afgeweken als de lozing voldoet aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt. Artikel 7.39d (lozen van grondwater op of in de bodem) 1.
Dit artikel is van toepassing op het op of in de bodem lozen van grondwater afkomstig van een: a. een bodemsanering of grondwatersanering; b. een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en c. het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.
Een omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, dan wel ten minste vier weken voor dat de activiteit wijzigt, gegevens en bescheiden worden verstrekt over: a. de aard en omvang van de lozing; en b. de verwachte datum van het begin van de activiteit. 3.
In afwijking van het tweede lid, bepaalt het omgevingsplan dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem afkomstig van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt als: a. het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of b. het lozen plaatsvindt bij wonen. 4.
Een omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem, bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden zijn:
99
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
a. de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; of b. de concentraties waaronder gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van grondwater is uit te sluiten als het gaat om de verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet in bijlage XIX, onder A, van dat besluit zijn aangegeven. § 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico Artikel 7.39e (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 is verricht, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. Artikel 7.39f (grondwater: mitigerende maatregelen)
Een omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.39e verricht, in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken. § 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen Artikel 7.39g (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen) 1.
Een omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. 2. Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krwoppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
100