Bijlage bij beantwoording vooraf gestelde vragen Zuid-Hollandse omgevingsverordening
Tekst van het document
2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatersanering in het gebied waarvan het grondwaterkwaliteitsbeheer in relatie tot historische verontreinigingen van grondwater aan het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam is toegedeeld, bedoeld in artikel 6.2. Artikel 3.134 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering te verrichten, als: a. de grondwatersanering betrekking heeft op een verontreiniging van grondwater waarvan op basis van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat het een significante grondwaterverontreiniging betreft die direct aandacht behoeft, bedoeld in artikel 3.131, onder c; of b. de grondwatersanering wordt uitgevoerd in een grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 2.2. Artikel 3.135 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B4, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.136 (melding) 1.
Het is verboden om zonder melding een grondwatersanering te verrichten. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.134. Artikel 3.137 (specifieke gegevens en bescheiden bij een melding)
In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D2a. Artikel 3.138 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
Ten minste vier weken voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D3, verstrekt. Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)
Ten minste een week voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D4, verstrekt. Artikel 3.140 (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)
Bij het verrichten van een grondwatersanering wordt voldaan aan het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.141 (grondwater: saneringsaanpakken)
Met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, wordt een grondwatersanering verricht volgens één van de volgende aanpakken of een combinatie daarvan: a. het onttrekken van verontreinigd grondwater; b. het inzetten van gangbare en bewezen technieken die biologische afbraak of omzetting, of chemische omzetting van een verontreiniging tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben; of
58
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
c. een andere saneringsaanpak als daarmee het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 3.141a, bereikt wordt. Artikel 3.141a (resultaat saneringsaanpak) 1.
De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.141, leidt ertoe dat de verontreinigende stof in het grondwater niet langer voorkomt in concentraties waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131. 2.
Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een ander saneringsresultaat is toegestaan, leidt de grondwatersanering er ten minste toe dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c. Artikel 3.141b (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)
Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over deze paragraaf kan alleen een ander saneringsresultaat toestaan als de grondwatersanering er ten minste toe leidt dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c. Artikel 3.141c (kwaliteitsborging grondwatersanering)
Een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Artikel 3.141d (milieukundige begeleiding grondwatersanering)
De begeleiding van een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000. Artikel 3.141e (beëindiging activiteit: gegevens en bescheiden) 1.
Ten hoogste vier weken na het beëindigen van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000. 2.
Indien na het verrichten van een grondwatersanering verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over: a. de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en voor de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies; b. een voorstel van de nazorgmaatregelen. Artikel 3.141f (uitvoering nazorgmaatregelen)
Degene die een grondwatersanering uitvoert is ook belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in artikel 3.141d, tweede lid, onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daarvoor is aangewezen.
59
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
§ 3.4.4 Activiteiten op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven. Artikel 3.141g (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waar na het uitvoeren van een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 uit het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 3.14e, eerste lid, blijkt dat verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven. Artikel 3.141h (maatregelen: gebruiksbeperkingen saneren van het grondwater)
Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.141g verricht neemt in het belang van het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en vanwege het vervullen van de aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functie de gebruiksbeperkingen, bedoeld in artikel 3.141e, tweede lid, onder a, in acht. § 3.4.5 Toevalsvondst verontreiniging van het grondwater Artikel 3.141i (aantreffen verontreiniging van het grondwater) 1.
Het aantreffen van een verontreiniging van het grondwater is een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet. 2.
Gedeputeerde staten kunnen voor een activiteit waarbij een verontreiniging van het grondwater wordt aangetroffen bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet en afdeling 12a.1 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet. 3.
Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.
60
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Afdeling 3.5 Ontgassen van binnenschepen § 3.5.1 Algemeen Artikel 3.142 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over de milieubelastende activiteit het ontgassen tijdens de vaart op een vaarweg vanaf een binnenschip. Artikel 3.143 (oogmerken)
De regels in deze afdeling over de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.142 zijn gesteld met het oog op: a.
het beschermen van de gezondheid; en
b.
het beschermen van het milieu, voor zover het betreft:
1°. het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; 2°.
het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en
3°.
het voorkomen van geurhinder.
Artikel 3.144 (normadressaat)
Aan deze afdeling wordt voldaan door de vervoerder en de schipper. Deze dragen zorg voor de naleving van de regels over de milieubelastende activiteit. Artikel 3.145 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B5 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. § 3.5.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.146 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.142 te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen tijdens de vaart op een vaarweg vanaf een binnenschip van een ladingtank met restdampen van: a. benzeen (UN-nummer 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); f. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295), of g. stoffen zoals aangegeven in bijlage III, onder B. Artikel 3.147 (aanwijzing vergunningvrije gevallen) 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 3.146 is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat:
61
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
a. de concentratie van de restladingdamp in de ladingtank niet meer bedraagt dan 10% van de onderste explosiegrens; b. de drie voorafgaande ladingen in de ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in artikel 3.146; c. de ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan die bedoeld in artikel 3.146; d. het ontgassen noodzakelijk is om redenen van drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden. 2.
In aanvulling op het eerste lid, is het verbod, bedoeld in artikel 3.146, niet van toepassing tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Afdeling 3.6 Activiteiten op of rond gesloten stortplaatsen § 3.6.1 Algemeen Artikel 3.148 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd in beperkingengebieden met betrekking tot gesloten stortplaatsen. Artikel 3.149 (oogmerken)
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; en b. de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder: 1° de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen; 2° te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en 3° te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg op een andere manier wordt belemmerd. Artikel 3.150 (normadressaat)
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.151 (specifieke zorgplicht) 1.
Degene die een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.149, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
62
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet. Artikel 3.152 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B6 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.153 (informeren over een ongewoon voorval)
Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in, op, boven, onder of bij een gesloten stortplaats. Artikel 3.154 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)
Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.6.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.155 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten in, op, onder, over of bij een gesloten stortplaats te verrichten: a. werken te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c. andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2.
Onder activiteiten bedoeld onder het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen: a. bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken; b. civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grondkerende constructies. 3.
Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen: a. het plaatsen van een container; b. het deponeren of toepassen van grond, baggerspecie of bouwstoffen. 4.
Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen: 63
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
a. de wijziging van het gebruik of de inrichting van het terrein; b. grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter; c. onttrekken of inbrengen van grondwater of het op een andere manier wijzigen van de grondwaterstand. 5.
Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.156 (melding) 1.
Het is verboden zonder melding activiteiten in, op, onder, over of bij een gesloten stortplaats te verrichten zonder dit te melden. 2.
Dit artikel is niet van toepassing: a. als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.155. b. op het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten. Afdeling 3.7 Activiteiten rond provinciale vaarwegen § 3.7.1 Algemeen Artikel 3.157 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale vaarwegen. Artikel 3.158 (oogmerken)
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud aan die vaarweg behoort. Artikel 3.159 (normadressaat)
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.160 (specifieke zorgplicht) 1.
Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de provinciale vaarweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale vaarweg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.158, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
64
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale vaarweg wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 3.161 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B7 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.162 (informeren over een ongewoon voorval)
Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.163 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)
Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. Artikel 3.164 (verhalen van schepen) 1.
Een stilliggend schip, het samenstel van schepen of drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van gedeputeerde staten over korte afstand langs een oever of kade naar een andere ligplaats verplaatst, als naar hun oordeel het onderhoud van een provinciale vaarweg aldaar werkzaamheden nodig maakt. 2.
Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stelt gedeputeerde staten de rechthebbenden of gebruikers van het schip, het samenstel van schepen of de drijvende voorwerpen tijdig van tevoren in kennis van de voorgenomen werkzaamheden. § 3.7.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.165 (toepassingsbereik) 1.
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale vaarweg: a. het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg; b. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken op de provinciale vaarweg; c. het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen op, in, over of onder de provinciale vaarweg; d. het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; e. het geheel of gedeeltelijk stremmen of belemmeren van het verkeer op de provinciale vaarweg;
65
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
f. het innemen van een ligplaats en het meren of ankeren met een schip of een drijvend bouwsel in de provinciale vaarweg. 2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.166 (aanwijzing vergunningplichtig geval: veranderen van het werk of werken maken of behouden) 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten, door: a. de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg te veranderen, of b. werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen. 2.
Voor het leggen, verwijderen, behouden van kabels en leidingen is op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.167 (aanwijzing vergunningplichtig geval: vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas) 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten door op, in, over of onder de provinciale vaarweg, vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning over provinciale vaarwegen houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen. Artikel 3.168 (aanwijzing vergunningplichtig geval: stremmen of belemmeren van de scheepvaart)
Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verkeer op een provinciale vaarweg geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren. Artikel 3.169 (aanwijzing vergunningplichtig geval: ligplaats innemen) 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of een drijvend bouwsel, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een provinciale vaarweg, tenzij de locatie is toegestaan krachtens een verkeersbesluit. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook. Afdeling 3.8 Activiteiten rond provinciale wegen § 3.8.1 Algemeen Artikel 3.170 (activiteiten)
Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale wegen. Artikel 3.171 (oogmerken)
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van 66
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
onderhoud aan die weg behoort en op het voorkomen en beperken van schade aan planten in wegbermen. Artikel 3.172 (normadressaat)
Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.173 (specifieke zorgplicht) 1.
Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale weg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.171, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg wordt verzekerd; b. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en c. houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 3.174 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)
In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B8 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. Artikel 3.175 (informeren over een ongewoon voorval)
Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval. Artikel 3.176 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)
Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten. § 3.8.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.177 (toepassingsbereik) 1.
Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale weg: a. het veranderen van de vorm, loop, constructie of het profiel van de provinciale weg; b. het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken; 67
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
c. het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen; d. het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; en e. het ten behoeve van handel of bedrijf met daarvoor bestemde middelen innemen van een standplaats. 2.
Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.178 (aanwijzing vergunningplichtig gevallen) 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 3.177. 2.
Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die op basis van artikel 3.179 zijn verboden zonder dit te melden. 3.
Voor het leggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen is op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 3.179 (melding) 1.
Het is verboden zonder melding een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.177 te verrichten op locaties waar ten minste 200 meter vrij zicht is op de weg en waar geen aanleg, wijziging of herinrichting van de weg in voorbereiding of uitvoering is, voor zover het gaat over: a. het leggen, verwijderen of behouden van een huisaansluiting, bouwaansluiting of kastaansluiting tot een lengte van maximaal 20 meter; b. het aanbrengen, wijzigen, gebruiken of verwijderen van een kathodische beschermpaal; c. het inblazen van glasvezel in een bestaande buis; d. het uitvoeren van werkzaamheden bij een lasgat, afsluiter of verbindingsmof; e. het uitvoeren van een sondering, proefsleuf, grondboring of asfaltboring; of f. het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een tracé of onderdeel daarvan. 2.
Het verbod geldt niet voor: a. het openbreken van gesloten verharding; b. het aanbrengen van een kabel op minder dan 0,6 meter onder het maaiveld of het aanbrengen van een leiding op minder dan 0,8 meter onder het maaiveld; of c. het op minder dan 1 meter buiten de wegverharding parallel aan de verharding aanbrengen van een werk.
68
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 3.180 (informatieplicht) 1.
Ten minste 15 werkdagen voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt aan gedeputeerde staten een verkeersmaatregelenplan verstrekt voor zover deze activiteiten binnen een afstand van 4,5 meter tot de rijbaan worden verricht. 2.
Een verkeersmaatregelenplan: a. bevat een beschrijving van de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen die met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg noodzakelijk zijn bij het verrichten van de activiteit; en b. maakt inzichtelijk op welke wijze de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen in overeenstemming zijn met de toepasselijke richtlijnen voor tijdelijke verkeersmaatregelen van de Provincie ZuidHolland en van de Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. 3.
In afwijking het eerste lid wordt het verkeersmaatregelenplan onverwijld verstrekt, voor zover het gaat over een herstelwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.179, eerste lid, onder f, of een andere niet-planbare werkzaamheid. Artikel 3.180a (voorbereiding) 1.
Een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt niet verricht zonder het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen die in overeenstemming zijn met het verkeersmaatregelenplan, bedoeld in artikel 3.180, tweede lid. 2.
Een verkeersmaatregel wordt uitgevoerd door een BRL9101-gecertificeerd bedrijf. Artikel 3.180b (uitvoering) 1.
Een gat of sleuf in een provinciale weg wordt mechanisch verdicht in lagen, die ieder na verdichting niet dikker zijn dan 30 cm. 2.
Ieder gat en iedere sleuf in een provinciale weg wordt binnen een dag volledig tot aan het maaiveld of tot aan het profiel van de weg verdicht in overeenstemming met het eerste lid. 3.
Door het uitvoeren van de werkzaamheden wordt geen beplanting beschadigd, wat in ieder geval inhoudt dat aanwezige beplanting die wordt verwijderd tijdelijk wordt ingekuild en na afronding van de werkzaamheden wordt teruggeplaatst. 4.
Bij de werkzaamheden vrijkomend puin wordt afgevoerd. 5.
De werkzaamheden worden niet uitgevoerd als door atmosferische omstandigheden het zicht op de weg minder dan 200 meter bedraagt op de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.
69
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 3.180c (oplevering en nazorg) 1.
Werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.179 worden binnen een aaneengesloten periode van een week uitgevoerd, gerekend vanaf de dag waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden. 2.
Gedurende de eerste zes maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt iedere verzakking in een onverharde berm of talud hersteld. 3.
Gedurende de eerste twaalf maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt: a. iedere verzakking in bestrating hersteld; en b. alle teruggeplaatste beplanting in goede staat gehouden. Afdeling 3.9 Activiteiten die de natuur betreffen § 3.9.1 Activiteiten met betrekking tot dieren in het wild § 3.9.1.1 Algemeen Artikel 3.181 (activiteiten) 1.
Paragraaf 3.9.1 gaat over: a. flora- en fauna-activiteiten; b. het handelen volgens een faunabeheerplan; c. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht; en d. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden. 2.
Paragraaf 3.9.1 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van paragraaf 11.2.2, paragraaf 11.2.4, paragraaf 11.2.6 en paragraaf 11.2.8, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.182 (oogmerken) 1.
De regels in de paragraaf 3.9.1.2 en paragraaf 3.9.1.4 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. goed jachthouderschap; c. het voorkomen en bestrijden van schade door in het wild levende dieren; d. het waarborgen van de volksgezondheid; en e. het waarborgen van de veiligheid.
70
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
De regels in paragraaf 3.9.1.3 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; en c. bestendig beheer of onderhoud. § 3.9.1.2 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn Artikel 3.183 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de brandgans, de grauwe gans en de kolgans)
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan in de periode van 1 februari tot en met 30 juni, voor zover de handelingen door of namens de grondgebruiker plaatsvinden in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Artikel 3.184 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de knobbelzwaan)
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de knobbelzwaan in de periode van 1 maart tot en met 30 april, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Artikel 3.185 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw)
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw in de periode van 1 april tot en met 31 juli, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer. Artikel 3.186 (aanwijzing vergunningvrije gevallen directe schadebestrijding brandgans, grauwe gans, kolgans en Canadese gans) 1.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het 71
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
opzettelijk doden van de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan buiten de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen; d. de bescherming van flora of fauna. 2.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de grauwe gans en de kolgans en kruisingen daarvan binnen de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht op de door hem gebruikte gronden met een kwetsbaar gewas in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 3.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de Canadese gans in de perioden van een half uur voor zonsopgang tot zonsopgang en van zonsondergang tot een half uur na zonsondergang, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid; b. de veiligheid van het luchtverkeer; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen; d. de bescherming van flora of fauna. 4.
De winterperiode, bedoeld in het eerste en tweede lid, betreft de volgende periode: a. in de regio Noordelijke Delta van 1 november tot en met 14 februari; b. in de regio's Delfland en Schieland, Veenweiden en Zuid Holland-Noord: van 1 november tot en met 29 februari. 5.
De grens tussen de regio Noordelijke Delta en de overige regio’s wordt gevormd door de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, de Noord en de Beneden-Merwede (van west naar oost). Artikel 3.187 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding knobbelzwaan) 1.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 1 oktober tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op
72
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 2.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 15 november tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op de door hem gebruikte gronden met gras en granen in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 3.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht op de door hem gebruikte gronden in het belang van de openbare veiligheid als de politie of de burgemeester daarvoor opdracht geeft. 4.
Afschot van knobbelzwanen als bedoeld in het eerste en tweede lid, is alleen toegestaan, als de ter plaatse aanwezige groep knobbelzwanen uit ten minste vijftien exemplaren bestaat. Als een groep bestaat uit meer dan vijftig knobbelzwanen geldt een maximum van 10% dat mag worden gedood. 5.
Paartjes broedende knobbelzwanen en de erbij lopende (niet vliegende) jongen mogen niet worden gedood, tenzij de knobbelzwanen zich in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden bevinden en er sprake is van een risico voor de openbare veiligheid, naar het oordeel van de politie of de burgemeester. Artikel 3.188 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding smient) 1.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de smient voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 1 oktober tot en met 31 mei op de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad, overige akkerbouwgewassen en vollegrondsgroente in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de handelingen plaatsvinden in de volgende Natura 2000-gebieden: a. Biesbosch; b. Boezems Kinderdijk; c. Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein; d. Donkse Laagten; e. Grevelingen; f. Haringvliet; 73
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
g. Hollands Diep; h. Duinen Goeree & Kwade Hoek; i. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck; j. Oudeland van Strijen; k. Krammer-Volkerak; l. De Wilck. § 3.9.1.3 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen andere soorten Artikel 3.189 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud) 1.
Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de aangewezen andere soorten opgenomen in bijlage III, onder C1, voor zover de activiteit wordt verricht in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 2.
Het eerste lid is ook van toepassing als geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. § 3.9.1.4 Inhoudelijke regels Artikel 3.190 (middelen bij schadebestrijding) 1.
Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188 kan alleen gebruik worden gemaakt van: a. geweren; b. honden, maar geen lange honden; c. aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus); d. woestijnbuizerds; e. slag-, snij- of steekwapens; f. lokvogels; en g middelen waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt.
74
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
Slag-, snij- of steekwapens mogen alleen gebruikt worden voor het doden van gewonde dieren. Artikel 3.191 (overige regels schadebestrijding) 1.
Bij activiteiten als bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188, waarbij een geweer mag worden gebruikt, kan het geweer worden gebruikt gedurende de periode vanaf een halfuur voor zonsopgang tot een halfuur na zonsondergang. 2.
De grondgebruiker of degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188, verricht, informeert over en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. § 3.9.2 Activiteiten die houtopstanden betreffen § 3.9.2.1 Algemeen Artikel 3.192 (activiteiten) 1.
Paragraaf 3.9.2 gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, bedoeld in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 2.
Paragraaf 3.9.2 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.193 (oogmerken)
De regels in paragraaf 3.9.2.2 zijn gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming; b. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden; en c. bestendig beheer of onderhoud. Artikel 3.194 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om maatwerkvoorschrift)
In aanvulling op artikel 3.2 zijn in bijlage IV, onder B9, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen. § 3.9.2.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.194a (maatwerkregel: meldplicht vellen houtopstanden)
In afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijke te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan 14 maanden voor het begin daarvan te melden. Artikel 3.195 (maatwerkregel: uitzondering op meldplicht vellen houtopstanden)
De meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet van toepassing op: a. het kappen van verjongingsgaten, als: 1° deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha;
75
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2° deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; 3° dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en 4° in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving. b. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen, als de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud. Artikel 3.196 (maatwerkregel: specifieke gegevens en bescheiden vellen houtopstanden)
Als gedeputeerde staten het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de specifieke gegevens en bescheiden verstrekt in bijlage IV, onder D5. Artikel 3.196a (maatwerkregel: gegevens en bescheiden: start vellen houtopstanden)
Ten minste een dag voor het begin van het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gedeputeerde staten, als zij het bevoegd gezag zijn, daarover geïnformeerd. Artikel 3.197 (maatwerkregel: plicht tot herbeplanting) 1.
In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor de plicht tot herbeplanting dat: a. de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of op een andere manier tenietgegane houtopstand; c. de te herbeplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gevelde opstand. 2.
Aan de plicht tot herbeplanting kan ook worden voldaan door spontane natuurlijke verjonging als daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten. Artikel 3.198 (maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting)
Artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op: a. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen als de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en niet zijn ontwikkeld in het kader van een plicht tot herbeplanting; b. het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.
76
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 3.199 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: herbeplanting) 1.
Het met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving door gedeputeerde staten toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan als: a. deze grond onbeplant is; b. op deze grond geen herplanting dient plaats te vinden ter uitvoering van een plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. op deze grond geen uitvoering dient plaats te vinden van (natuur)compensatieverplichtingen; d. geen wettelijk voorschrift of provinciale doelstelling aan herbeplanting in de weg staat; en e. deze grond buiten de bebouwingscontour houtkap is gelegen. 2.
Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond binnen het natuurnetwerk Nederland toegestaan als de tenietgegane houtopstand buiten het natuurnetwerk Nederland is gelegen. 3.
Als de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, wordt met een maatwerkvoorschrift alleen herbeplanting op andere grond toegestaan binnen recreatiegebied, als de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot is als de tenietgegane houtopstand. 4.
Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond toegestaan als de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, tenzij is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; en b. de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 5.
Aan een maatwerkvoorschrift waarbij herbeplanting op andere grond wordt toegestaan en de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, verbinden gedeputeerde staten voorschriften die het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop het besluit voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden. Artikel 3.200 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: provinciale maatwerkregels)
Met een maatwerkvoorschrift kan van paragraaf 3.9.2.2 worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden. 77
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Afdeling 3.10 Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden § 3.10.1 Zwemlocaties in oppervlaktewateren § 3.10.1.1 Algemeen Artikel 3.201 (activiteiten)
Paragraaf 3.10.1 gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.202 (oogmerken)
De regels in paragraaf 3.10.1 zijn gesteld met het oog op de veiligheid en gezondheid van gebruikers van zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, meer specifiek op: a. het behoud en verbetering van de zwemwaterkwaliteit op een zwemlocatie; b. het behoud en verbetering van de veiligheid en hygiëne op een zwemlocatie; en c. het voorkomen van verdrinking en letsel van gebruikers op en in de directe nabijheid van een zwemlocatie. Artikel 3.203 (normadressaat)
Aan paragraaf 3.10.1 wordt voldaan door de houder van een zwemlocatie. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op een door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie. Artikel 3.204 (specifieke zorgplicht) 1.
De houder van een zwemlocatie die gedurende het badseizoen gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op een daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.201, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 3.202, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van de houder van de zwemlocatie kan worden gevraagd. 2.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. de veiligheid en de hygiëne van gebruikers van de zwemlocatie wordt gewaarborgd; b. alle adequate maatregelen worden genomen om verdrinking en verwonding van of letsel bij gebruikers van de zwemlocatie te voorkomen; en c. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van: 1°. in zijn algemeenheid verslechtering of achteruitgang van de zwemwaterkwaliteit; en
78
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2°. ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. § 3.10.1.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.205 (beheer en onderhoud zwemlocatie)
De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor adequaat beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne van gebruikers. Artikel 3.206 (toezicht op veiligheid gebruikers van een zwemlocatie)
De houder van een zwemlocatie waarvan de toegang afgesloten kan worden voor gebruikers en die entree heft aan de gebruikers van de zwemlocatie, houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de gebruikers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek. Artikel 3.207 (onderzoek naar omstandigheden met negatieve effecten)
De houder van een zwemlocatie voert dagelijks, of zo frequent als mogelijk, onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van bezoekers. Artikel 3.208 (informeren: onverwachte situaties)
Gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam worden onverwijld geïnformeerd door de houder van een zwemlocatie over onverwachte situaties met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van gebruikers van de zwemlocatie. Artikel 3.209 (redelijke maatregelen ten behoeve van de zwemwaterkwaliteit) 1.
De houder van een zwemlocatie treft op basis van het zwemwaterprofiel de maatregelen ter verbetering en behoud van de zwemwaterkwaliteit die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend. 2.
De houder van een zwemlocatie neemt maatregelen om de zwemwaterkwaliteitsklasse van de zwemlocatie op ten minste “aanvaardbaar” te houden, als bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Artikel 3.210 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij zwemwaterverontreinigingen) 1.
De houder van een zwemlocatie treft passende zwemwaterbeheersmaatregelen als: a. uit het jaarlijkse onderzoek naar de veiligheid, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoen aan de eisen; of b. door monitoring van de beheerder van het oppervlaktewater of door inspectie van de omgevingsdienst wordt vastgesteld dat op de zwemlocatie sprake is van zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval. 2.
Het eerste lid is van toepassing vanaf het moment dat de houder van een zwemlocatie door gedeputeerde staten in kennis is gesteld over de resultaten van de monitoring of de inspectie.
79
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
Artikel 3.211 (nadere aanduiding en afbakening zwemzone) 1.
De houder van een zwemlocatie informeert gebruikers van de zwemlocatie: a. waar de grens ligt tussen het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water; en b. waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel van het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden. 2.
De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor een afbakening van de zwemzone zodat bezoekers in deze zone niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen. Artikel 3.212 (inrichting zwemwater) 1.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat de stranden langs het zwemwater schoon en egaal zijn. 2.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat het talud van het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter. Artikel 3.213 (springvoorzieningen) 1.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn waar het zwemwater dieper is dan 1,40 meter. 2.
Een springvoorziening bestaat alleen uit startblokken als het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een diepte heeft tussen 1,40 en 2,00 meter. 3.
Een springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan 1 meter boven het waterspiegel of het perron bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt. Artikel 3.214 (maatregelen voorkomen letsel en verwonding)
De houder van een zwemlocatie treft adequate maatregelen ter voorkoming van risico’s voor de veiligheid en gezondheid van gebruikers als gevolg van het gebruik van voorzieningen of vanwege obstakels op de zwemlocatie. Artikel 3.215 (sanitaire voorzieningen) 1.
De houder van een zwemlocatie maakt toiletbezoek van gebruikers van de zwemlocatie mogelijk, als er regelmatig meer dan 25 gebruikers zijn. In dat geval zorgt de houder van de zwemlocatie ervoor dat er minimaal één toilet per 150 gebruikers aanwezig is.
80
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, versie 26-3-2024 (versie met wijzigingen uit de wijziging ZHOV 2022, de module ontwikkeling middengebied Zuidplaspolder, de module Ruimte en Wonen, de module Energietransitie, de module Soortenbeleid en de module Wonen, Werken en Werelderfgoed)
2.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat een op een zwemlocatie aanwezige sanitaire voorziening schoon, werkend en goed onderhouden is. 3.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat gebruikers: a. zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van de aanwezige sanitaire voorzieningen; en b. niet in of op de aanwezige sanitaire voorzieningen kunnen uitglijden. § 3.10.2 Badwaterbassins § 3.10.2.1 Algemeen Artikel 3.216 (activiteiten)
Paragraaf 3.10.2.2 bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 15.6, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin en de activiteiten in afdeling 15.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. § 3.10.2.2 Inhoudelijke regels Artikel 3.217 (afwijkende termijn melding artikel 15.13 Bal - badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd)
In afwijking van het bepaalde in artikel 15.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin waarin het water wordt gedesinfecteerd’, bedoeld in artikel 15.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden. Artikel 3.218 (afwijkende termijn melding artikel 15.31 Bal - zwemvijvers)