A4434 Bestemmingsplan Hofdijklaan 61-63 Oud Ade - Toelichting_rap1_v1.5
Tekst van het document
De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er geen daarom geen toename van stikstofdepositie op in het Natura 2000- gebied. Verder onderzoek is niet noodzakelijk. Het stikstofdepositie onderzoek is als bijlage toegevoegd. Conclusie stikstofdepositie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het onderdeel stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.6
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang).
Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) - Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB). Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen).
Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn.
Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10 -6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur. Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich verschillende risicovolle inrichtingen. Het gaat hierbij om propaantanks. Zoals valt op te maken uit onderstaande figuur vallen er risico contouren over het plangebied. Dit zijn enkel contouren die vallen over het voorste deel waar de toegangsweg is. Er zijn zodoende geen belemmeringen van deze risicovolle inrichtingen voor de recreatieve functie en andersom geeft de recreatieve functie geen belemmering voor de risicovolle inrichtingen.
Kwetsbare objecten In de nabijheid van het plangebied bevinden zich (mogelijk) kwetsbare objecten. De nieuwe te realiseren tiny houses ten behoeve van recreatie hebben geen negatieve invloed op de kwetsbare objecten. Andersom hebben kwetsbare objecten geen risicovolle aspecten op de nieuwe tiny houses ten behoeve van recreatie. Er is geen belemmering van en op kwetsbare objecten. Onderstaand figuur geeft een weergave van de (mogelijk) kwetsbare objecten rondom het plangebied.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de nabijheid van het plangebied is de provinciale weg N446 aanwezig . Door de provincie Zuid- Holland zijn alle provinciale wegen vrijgegeven om gevaarlijke stoffen over te vervoeren. Gelet op het routeringsbesluit waarin de N446 is opgenomen, zal het voornamelijk gaan om bestemmingsverkeer. Het aantal transporten van gevaarlijke stoffen zal dan ook gering zijn. De beoogde locatie ligt daarnaast in de nabijheid van de A4. De A4 ligt op een afstand van circa 500 meter. Over de N446 en A4 kan vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Gelet het feit dat het aantal recreatieve onderkomens afneemt ten opzichte van de huidige situatie worden geen belemmeringen verwacht. Er dient voor de ontwikkeling wel rekening te worden gehouden met een calamiteit met vervoer van een toxische vloeistoffen, waarbij een gifwolk kan ontstaan die de locatie kan bereiken en voor de N446 ook met een het ontstaan van een drukgolf bij een explosie en/of BLEVE van een tankwagen met brandbaar gas. Dit is echter ook in de huidige situatie het geval. Desondanks vraagt de ligging in het invloedsgebied om een verantwoording in het bestemmingsplan. Bij de paragraaf bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid is daarop ingegaan.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Daardoor is er geen negatief effect op het planvoornemen. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten westen van het plangebied is een buisleiding aanwezig. Het betreft een aardgasleiding (W515-03) die wordt beheerd door Gasunie. Het plangebied bevindt zich in de 1% letaalzone. Bebouwing binnen de 1% letaliteitscontour heeft een veel kleinere invloed op de hoogte van het groepsrisico dan bebouwing in de 100% letaliteitscontour. Beide leidingen hebben geen plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 per jaar. Het plangebied ligt in het invloedsgebied. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de gasleidingen is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Het groepsrisico ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal afnemen, omdat het aantal toegestane recreatieve afneemt. Daarom kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. In het kader van het vooroverleg is hiervoor advies ingewonnen bij de veiligheidsregio.
Verantwoording planvoornemen – bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid Zoals hiervoor vermeld ligt het plangebied in het invloedsgebied van de rijksweg A4 en N446 vanwege een mogelijk incident op de rijksweg waarbij sprake is van een gifwolk die tot het plangebied reikt. Voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand en wateroverlast en voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en blusvoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied wordt ontsloten door de Hofdijklaan welke is aangesloten op de provinciale weg. Via deze wegenstructuur kan van de bron (de rijksweg A4) af gevlucht worden en is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. In de toekomstige situatie komt er in het plangebied een weg van ongeveer 300 meter lang, waarlangs de recreatiewoningen worden gepositioneerd. In de inrichtingsschets is rekening gehouden met de mogelijkheid voor zwaar
wegverkeer (zoals bouwverkeer en hulpdiensten) om op alle locaties te kunnen komen en ook het terrein weer te kunnen verlaten. Bij de huisjes zal ruimte zijn voor bezoekers om tijdelijk de auto neer te zetten om de spullen in- en uit te laden. Tijdens het verblijf wordt er geparkeerd aan het begin of aan het eind van het terrein. Dit betekent dat er bij elk huisje voor hulpdiensten ruimte is om te keren. Daar komt bij dat de toekomstige weg breder wordt dan de bestaande weg. Deze maatregelen maken het terrein voor hulpdiensten beter bereikbaar. Het bestemmingsplan legt de exacte inrichting niet vast. Eventuele wijzigingen in de omvang en ligging van de weg en keermogelijkheden zijn mogelijk binnen de regels van het bestemmingsplan. Er kan zodoende worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen ontstaan uit de bestemmingsplanwijziging. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het is essentieel dat er voldoende bluswatervoorziening aanwezig is om de branden te bestrijden. In de omgeving van het plangebied is voldoende open water beschikbaar voor bluswaterwinning.
Gelet op de beperkte omvang van de recreatiewoningen en de vrijstaande ligging kan hiermee worden volstaan Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie ‘Categorie 3’ met het overheersende kenmerk ‘Verspreid liggende woningen’ / ‘Verspreid liggende gebouwen voor zelfredzame personen’. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie. De referentiewaarde voor deze categorie is 15 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd (prognosetijd) bedraagt 10 minuten. Daarmee scoort het plangebied ‘Goed’. Er zijn in het kader van het Dekkingsplan geen aanvullende voorzieningen benodigd, de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan. Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ zijn ook de scenario’s ‘Fakkelbrand’ (hogedrukaardgasleiding en propaantank) en ‘Toxische wolk’ (Rijksweg A4/ Provincialeweg N446) relevant. Het is van belang dat het vluchten mogelijk blijft om daar van een fakkelbrand of een dreigende calamiteit met een brandbaar gas (zoals propaan en LPG) vandaan te kunnen vluchten. In en rond het plangebied zijn hier voldoende mogelijkheden voor: via de N446 of naar de achtergelegen terreindelen. Wanneer zich een toxische wolk voordoet is het van belang dat de mechanische ventilatie eenvoudig afsluitbaar/afschakelbaar is.
Ook is het van beland dat met de gebruikers van het gebied goed gecommuniceerd wordt wat te doen indien zicht een calamiteit met gevaarlijke stoffen in de omgeving voordoet. Zelfredzaamheid In het plangebied zijn recreatieve onderkomens aanwezig. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan dreigend gevaar, zonder daadwerkelijk hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzaam vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario dat zich voordoet. De aanwezige personen op het plangebied zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als minder zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers/personeel de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.
Transport via de lucht Het plangebied bevindt zich buiten de afwegingsgebieden voor externe veiligheid van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB). Er is geen belemmering vanuit luchtverkeer. Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied ten opzichte van het LIB.
Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzaam vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en vluchten. De mogelijkheden van zelfredzaamheid zijn afhankelijk van het scenario dat zich voordoet. De personen die aanwezig zullen zijn in de recreatieve onderkomens, kunnen worden beschouwd als zelfredzaam. Ook is het mogelijk om van de risicobron af weg te vluchten naar het achtergelegen terrein. Een verdere toelichting is niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.
4.7
Bodemgeschiktheid
Aanleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Beoordeling planvoornemen Door Linge Milieu is 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het plangebied. De aanleiding van het bodemonderzoek was de eigendomsoverdracht. Geconcludeerd kan worden dat er geen tussenwaarden worden overschreden. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de bodemgeschiktheid afdoende is vastgesteld. Het volledige rapport betreffende de bodemgeschiktheid is bijgevoegd als bijlage. Conclusie bodemgeschiktheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Flora en Fauna
Aanleiding In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw, is er inzicht nodig in de gevolgen voor (beschermde) soorten en gebieden. Dit in het kader van de Wet natuurbescherming. Beoordeling planvoornemen
Door IDDS B.V. is in september 2023 een Quick Scan Wnb uitgevoerd. In de Quickscan is onderzoek gedaan naar soortbescherming en gebiedsbescherming. Soortbescherming Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor beschermde plant- en diersoorten zoals vermeld in de Wet natuurbescherming. Onderstaande tabel geeft de onderzoeksresultaten van de Quickscan weer. Tabel 15: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Amfibieën
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Wespendief (Pernis apivorus)
Nee
Groot spiegelklokje (Specularia speculum)
Nee
Rood peperboompje (Daphne mezereum)
Nee
Schubvaren (Asplenium ceterach)
Nee
Wilde ridderspoor (Consolida regalis)
Nee
Wilde weit (Melanmpyrum arvense)
Nee
Libellen
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
Nee
Reptielen
Ringslang (Natrix natrix)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Mitigerende maatregelen
Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)
Mitigerende maatregelen
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Mitigerende maatregelen
Franjestaart (Myotis nattereri)
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Mitigerende maatregelen
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Mitigerende maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Mitigerende maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Mitigerende maatregelen
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Nee
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Mitigerende maatregelen
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Flora
Vleermuizen
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Vale vleermuis (Myotis myotis)
Mitigerende maatregelen
Vlinders
Grote vos (Nymphalis polychloros)
Nee
Weekdieren
Platte schijfhoren (Anisus vorticulus)
Nee
Damhert (Dama dama)
Nee
Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola)
Nee
Waterspitsmuis (Neomys fodiens)
Nee
Zoogdieren
Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Vleermuizen: in de opstal grenzend aan het plangebied zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuisverblijven. Ook kunnen vleermuizen gebruik maken van de watergangen en van het naastgelegen bosgebied als foerageerbiedgebied of vliegroute. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen.
Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende woningen, watergangen en vegetatie te schijnen om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Verlichting kan ook in de toekomstige situatie voor verstoring zorgen. Dit betekent dat in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden, watergangen of vegetatie geschenen mag worden. Wanneer dit niet mogelijk is, zal nader onderzoek moeten uitwijzen of vleermuisverblijven aanwezig zijn. Zorgplicht: de Wnb kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de egel, bruine kikker, veldmuis en gewone pad. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: • Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden. • Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de watergang in gejaagd waar ze kunnen verdrinken. • Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten.
Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van (beschermde) soorten. Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op aangewezen habitatsoorten. De rapportage van de Quick scan is bijgevoegd als bijlage. Conclusie flora en fauna Uit de quickscan volgt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling van de recreatieve onderkomens. Wel zijn er aandachtspunten en adviezen waar in de uitvoering rekening mee moet worden gehouden. De verplichting hiertoe volgt rechtstreeks uit de zorgplicht van de Wet natuurbescherming.
5.
Watertoets
Algemeen Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m 3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau zijn het beleid van het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Kaag en Braassem met name relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met en in aanvulling op de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente. Waterbeheerprogramma 2022 - 2028 Voor de planperiode 2022 - 2028 is het waterbeheerprogramma (WBP6) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. Met het programma WBP6 maakt Rijnland duidelijk hoe het, in samenwerking met de omgeving, invulling geeft aan zijn wettelijke taken en zijn eigen ambities voor de periode 2022 - 2028. In het WBP zijn voor een aantal onderdelen verschillende doelen geformuleerd. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om het volgende: 1. Waterveiligheid: Rijnland beschermt het beheergebied, de inwoners en bedrijven tegen overstromingen vanuit zee, de rivieren en het regionale watersysteem. 2. Voldoende water: Samen met de omgeving zorgt Rijnland voor voldoende water.
Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg voor inwoners, bedrijven en natuur.
3. Schoon water: Rijnland zorgt voor een goede ecologische en chemische waterkwaliteit, afgestemd op de verschillende functies en versterkt de biodiversiteit. 4. Waterketen: Rijnland zuivert afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee draagt het waterschap bij aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving. 5. Rijnland duurzaam: Samen met de omgeving zet Rijnland in op duurzaam werken door de kringloop van water, energie en grondstoffen zoveel mogelijk te sluiten 6. Rijnland klimaatadaptief: Rijnland maakt het beheergebied klimaatadaptief door de inrichting van de omgeving aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. 7. Financiën: Rijnland voert een financieel beleid dat betaalbaar en volhoudbaar is, maar ook uitvoerbaar en uitlegbaar. Het watersysteem is niet de verantwoordelijkheid van Rijnland alleen. Ook inwoners, bedrijven, overheden en andere organisaties hebben er invloed op en zijn dus medeverantwoordelijk. Denk bijvoorbeeld aan woningbouw, dempen of graven van watergangen of activiteiten waarbij stoffen vrijkomen die de waterkwaliteit beïnvloeden. Rijnland zorgt ervoor dat ook anderen doen waar ze verantwoordelijk voor zijn. Daarvoor geven ze voorlichting en advies, verlenen we vergunningen en controleren we of iedereen zich aan de afspraken houdt.
Rijnland staat initiatieven zoveel mogelijk toe, vanuit het principe 'ja, tenzij' dat ze sinds 2015 hanteren. Door minder regels en meer ruimte voor initiatieven voldoet Rijnland aan één van de belangrijkste uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500m 2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000m 2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening.
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie.
Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Klimaatadaptatie Door klimaatadaptief te bouwen kunnen problemen, zoals wateroverlast bij extreme buiten, worden voorkomen. Het advies is dan ook om gebruik te maken van het principe vasthouden – bergen/hergebruiken – afvoeren. Zo ontstaat er maximale berging en minimale overlast en kosten. Enkele adapterende maatregelen tegen de negatieve effecten van klimaatverandering zijn bijvoorbeeld: regenwaterinfiltratie, een regenwatervijver, minder (terras)verharding en meer beplanting aanleggen. Beoordeling planvoornemen Het voorste deel van het terrein is voor het grootste gedeelte bebouwd met de kas en de loods. De rest van het plangebied bestaat voornamelijk uit kavels met de recreatieve onderkomens en verharding op de kavels en paden door het gebied. Het planvoornemen bestaat uit de sloop van de kas en de bouw van tiny houses. Er is een landschappelijk ontwerp gemaakt, waarbij het terrein een open en ruraal karakter krijgt. Er komt een hoofdpad slingerend door het gebied waaraan de kavels met de tiny houses komen. Er is sprake van een afname van het aantal kavels van 55 naar 42. Zodoende is er sprake van een afname van het verhard oppervlak. Volledigheidshalve is in onderstaande tabel aangegeven met welke hoeveelheid het verhard oppervlak afneemt. Tabel 8:
Verschil verharding gewenste situatie t.o.v. huidige situatie (indicatief) Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
[m2]
[m2]
Toepassing
Saldo
Gebouw
2.718
3.585 867
Terrein verharding
4.032
3.273 -759
Half verhard terrein
5.290
Deeltotaal
12.040
6.858 -5.182
Groen
5.029
15.582 10.553
Onverhard Water
0
Verhard
-5290
0
Half onverhard terrein
5371
Deeltotaal
10.400
15.582 5.182
Totaal
22.440
22.440
0 -5371
Uit bovenstaande berekening blijkt dat het totale verharde oppervlak in de gewenste situatie afneemt met circa 5.290 m². Dit bestaat uit bebouwing, verharding en half-verharding. Zowel in de huidige als toekomstige situatie is geen water aanwezig binnen het planvoornemen. Aangezien het verhard oppervlak niet toeneemt is geen compensatie van water noodzakelijk volgens de uitvoeringsregels behorende bij de Keur. Nader onderzoek is niet nodig. Onderstaand is het verschil in oppervlakte verbeeld. Opgemerkt wordt dat de berekening indicatief is en dat de definitieve tekeningen op details kunnen verschillen. Omdat er sprake is van een afname van meer dan 400 m2 zal dit niet leiden tot andere inzichten.
Digitale watertoets Als de gegevens uit tabel 6 worden gehanteerd voor invoering van de digitale watertoets geeft de watertoets als resultaat dat de normale procedure dient te worden doorlopen aangezien waterschapbelangen worden geraakt met het planvoornemen. Bij de invoering van de toets in uitgegaan van aansluiting op bestaande riolering, met lozing van water minder dan 5 huishoudens en minder toename verhard oppervlak dan 500m². Het bestemmingsplan wordt aan het hoogheemraadschap voorgelegd ter beoordeling. Conclusie Het verhard oppervlak neemt af en er zijn geen veranderingen wat betreft wateroppervlakten. Voor de handelingen gelden de zorgplicht of algemene regels. Geadviseerd wordt het plan voor te leggen aan het Hoogheemraadschap ter inzage. Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen water compenserende maatregelen getroffen te worden. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie
Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen Op het plangebied geldt een dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie – 1’. Deze gronden zijn aangewezen voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Onder Artikel 34.2.c staat beschreven dat een archeologisch onderzoek niet van toepassing is als één of meer van de volgende activiteiten wordt voldaan. Eén van de voorwaarde is: ‘een bouwplan met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²’. Gelet op dat het totale bouwplan gaat om realisatie van 42 tiny houses waarbij er nu al bebouwing aanwezig is en er voor deze tiny houses maar zeer beperkt in de grond hoeft te worden geroerd, wordt de oppervlakte van 2.500 m2 in combinatie met de diepte van 30 cm niet overschreden en hoeft er daarmee geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Daar komt bij dat het plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1’, waarbij mogelijke archeologische waarden naar de toekomst toe beschermd zijn. Wanneer in de vergunningsfase blijkt dat alsnog sprake is van bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm dan dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. 6.2
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarde, zoals beschermd kasteel- en landgoedbiotoop. Daarnaast valt het plangebied niet in de nabijheid van een beschermd molenbiotoop en is er geen dubbelbestemming betreft beschermd stads- en dorpsgezicht. Nader onderzoek is niet benodigd.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmering voor het planvoornemen.
7.
Juridische aspecten
7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels. 7.2
Opzet van de planregels
De regels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) ondergebracht in een viertal hoofstukken: • • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk. De regels zijn opgesteld met als uitgangspunt de geldende regels uit het onderliggende moederplan. Indien verwezen wordt naar een bepaling en/of een bestemming welke niet wordt genoemd in dit bestemmingsplan, wordt verwezen naar het daarvóór geldende bestemmingsplan, te weten ‘Bestemmingsplan West’. In de slotregel is de naamgeving van dit bestemmingsplan bepaald. 7.3
Uitleg van de planregels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De begripsomschrijvingen zijn overgenomen uit het reeds vigerende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied West’.
Artikel 2 Wijze van meten De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. De wijze van meten is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Recreatie- Verblijfsrecreatie Het hele plangebied heeft de bestemming ’Recreatie – Verblijfsrecreatie’ toegekend gekregen. In dit artikel staan de regels beschreven met betrekking tot gebruiks- en bouwregels voor deze bestemming. Hierin staat onder ander beschreven waarvoor de gronden bestemd zijn, welke bouw- en gebruiksregels daarbij horen en welke afwijkingen daarbij mogelijk zijn. Er zijn maximaal 42 recreatieve onderkomens toegestaan. Gekoppeld aan de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – categorie 3’ is vastgelegd dat een recreatief onderkomen maximaal 60 m 2 groot mag zijn, de goothoogte mag niet meer dan 3 meter zijn en bouwhoogte niet meer dan 4 meter. Er is een specifieke maatvoering opgenomen voor de bestaande loods. Hiervoor geldt een maximale bouwhoogte van 4 meter en een maximum oppervlakte van 600 m 2. Artikel 4 Leiding – Hoogspanning 1 Zoals beschreven loopt aan de oostzijde van het plangebied een bovengrondse 150kV hoogspanningsverbinding. Ter bescherming van het functioneren van deze verbinding is de dubbelbestemming ‘Leiding - Hoogspanning I’ opgenomen.
Hier zijn beperkingen gesteld aan het bouwen van gebouwen en bouwwerken voor de andere hier geldende bestemmingen. Ook geldt er een vergunningsplicht voor verschillende werken en werkzaamheden, zoals het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen of het wijzigen van het maaiveldniveau. De regeling is gelijk aan de regeling uit het bestemmingsplan ‘BuitengebiedWest’. Artikel 5 Waarde- Archeologie 1 Het plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 1’. Uitgangspunt voor deze bestemming is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Artikel 6 Waterstaat-Waterkering In het plangebied geldt een bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. De voor 'Waterstaat Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor de waterkering. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat zes algemene regels.
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. In het Besluit ruimtelijke ordening is voor deze regeling een standaard bepaling die verplicht moet worden opgenomen.
Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn de algemene gebruiksregels opgenomen. In het eerste lid zijn de activiteiten opgenomen die in ieder geval als strijdig gebruik worden gezien. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In deze algemene regels zijn de in de gemeente Kaag en Braasem gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden opgenomen voor overschrijding van de bouwgrenzen en ondergeschikte bebouwing. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In deze algemene regels zijn de bevoegdheden beschreven voor het college van B&W om een plan te wijzigen. Artikel 12 Overige regels In deze algemene regels staan de regels met betrekking op verwijzingen naar andere regelgeving, die dan van kracht zijn. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Artikel 13 Overgangsregels Het overgangsrecht is opgenomen conform artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet (overgangsregels).
Artikel 14 Slotregel De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald.
8.
Uitvoerbaarheid
8.1
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan, zijn besproken met belanghebbenden. Daarnaast dient het plan in overwegende mate op maatschappelijk draagvlak te kunnen rekenen. De ervaring leert dat het niet altijd mogelijk is om alle belanghebbenden bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen volledig tegemoet te komen. De raadpleging van belanghebbenden tijdens verschillende fasen in het planvormingsproces moet er dan ook vooral toe leiden dat het bevoegd gezag een goede afweging kan maken tussen eventuele tegenstrijdige ruimtelijke belangen. Vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijke vooroverleg gedeeld met het waterschap, de provincie, de omgevingsdienst en de veiligheidsregio. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van woensdag 20 december tot en met dinsdag 30 januari ter inzage gelegen. Eén ieder kon in die periode zijn of haar zienswijze indienen. Er zijn twee zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen hebben aanleiding geven tot aanpassingen van de regels en toelichting van het bestemmingsplan. De aanpassingen in de regels heeft betrekking op artikel 4 Leiding – Hoogspanning I, deze is gewijzigd naar artikel 4 Leiding – Hoogspanningsverbinding.
De aanpassingen in de toelichting hebben betrekking op de beoordeling van het planvoornemen aan de geluidsuitstraling van de activiteiten binnen het plangebied naar de omliggende woningen.Hier voor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast naar aanleiding van het advies Omgevingsdienst West-Holland (30 november 2023) zijn wijzigingen doorgevoerd bij luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 8.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Tussen de ontwikkelaar en de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee het kostenverhaal gewaarborgd is. Zowel de gemeentelijke kosten, als de kosten van de initiatiefnemer zijn hiermee gedekt. Ook wordt vastgelegd dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar en is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente. 8.3
Eindconclusie
Geconcludeerd wordt dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande
hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en projectgebied, zowel ruimtelijk als milieu hygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen.
9. • • • • • • •
Bijlagen Bijlage 1. Akoestisch onderzoek Bijlage 2. Stikstofberekening Bijlage 2A. AERIUS Calculator (2024) Bijlage 2B. AERIUS Calculator (2025) Bijlage 3. Bodemonderzoek Bijlage 4. Rapport quickscan Wnb Bijlage 5. Vergunningencheck Digitale watertoets