CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20496.00_b_NL.IMRO.1884.TAMACHTERWEG6-VAS1_toelichting

Gemeenteraad 16 maart 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Achterweg 6 Nieuwe Wetering’.27.827 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Aangezien het plangebied is gelegen in lintbebouwing, waarbinnen woningen en bedrijven zijn gevestigd, kan de omgeving worden getypeerd als gemengd gebied. Voorts is het lint omringd door agrarisch gebied en glastuinbouw, wat het gemengde karakter versterkt. Zoals in de VNG publicatie is vermeld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd.

Pagina 27 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

De dichtstbijzijnde bedrijven zijn: Adres

Inrichting

SBI-2008

Achterweg 3

Rundveehouderij J. Goedhart Vakgarage Straathof VOF Rioolgemaal Rijnland

Ripselaan 30 Achterweg 6T

0141, 0142

Milieucategorie 3.2

Richtafstand (m) 90 (geur)

Afstand tot plangebied (m) 120

451, 452, 454

2

40 (geluid)

180

3700.B

2

10 (geur)

14

Uit de voorgaande tabel blijkt dat het rioolgemaal Rijnland het dichtst bij het plangebied ligt. Dit rioolgemaal pompt het afvalwater van Nieuwe Wetering naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie in Nieuwe Wetering met een debiet van 25 m³ per uur. Het betreft een klein hokje met schakelaars, noodknoppen, (druk)meters en een wastafel. Dampen worden afgevangen door een koolfilter. De woningen op Achterweg 6 en 8 liggen dichter bij het rioolgemaal dan de toekomstige woningen. Het rioolgemaal moet aan de geurvoorschriften van het Activiteitenbesluit voldoen voor deze dichterbij gelegen woningen. Er zijn geen geurklachten bekend. Daarom is het niet aannemelijk dat er geurhinder zal ontstaan bij de nieuwe woningen. Hierdoor kan gesteld worden dat het rioolgemaal bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich verder geen bedrijven en/of inrichtingen die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat. Voorts is de ontwikkeling op voldoende afstand gelegen tot de bedrijven, waardoor deze niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.5. EXTERNE VEILIGHEID Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: - risicovolle (Bevi-)inrichtingen; - vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren Pagina 28 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.

Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de Pagina 29 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd:

Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart Nederland, plangebied in rode cirkel

Ook is voor de beoogde ontwikkeling op 23 maart 2023 een verzoek ingediend bij de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) om advies uit te brengen over de fysieke veiligheid (zie bijlage III). Zie onderstaand de opsomming uit het adviesrapport. Relevante scenario's Er bevinden zich diverse risicobronnen binnen of in de zeer directe omgeving van het bestemmingsplan. Het betreft hierbij de volgende risicobronnen, met de daarbij behorende scenario’s: • Gebouwbrand • Hogedrukaardgasleiding A-803 - Fakkelbrand • Basisnet route A4 - Toxische wolk • Bres in de polderdijk - Overstroming

Pagina 30 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Beschrijving situatie Onderstaande analyse op basis van het Kenmerkenschema van het Instituut Fysieke Veiligheid schetst een beeld van de toekomstige ontwikkeling. De verschillende kenmerken kennen onderling ook een bepaalde mate van samenhang waardoor de kenmerken niet onafhankelijk van elkaar bekeken moeten worden maar juist in gezamenlijkheid. 1. Menskenmerken Bewoners (zelfredzaam) De aanwezige personen in de woningen zijn over het algemeen zelfredzaam. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Mensen kunnen zowel wakend als slapend in het gebouw aanwezig zijn. Het risico niet tijdig te kunnen vluchten is groter wanneer mensen slapend aanwezig zijn vanwege de lagere mate van opmerkzaamheid (alertheid). De reactietijd voor ontvluchting is hierbij dan ook groter. Er wordt wel vanuit gegaan dat de aanwezigen over het algemeen bekend zijn met de inrichting van het gebouw en daarmee ook met de vluchtroutes. 1. Gebouw- en Plangebiedkenmerken Het plangebied is in de huidige situatie niet in gebruik als woongebied. In de toekomstige situatie zullen er 2 of 4 woningen gerealiseerd worden. Ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden op de Voorweg. 2. Incidentkenmerken Gebouwbrand Voor dit plangebied is een gebouwbrand een relevant scenario.

Gezien de nieuwbouw zal een brand zich op basis van de bouweisen niet snel naar andere woningen uitbreiden. De woningen zullen voorzien moeten worden van rookmelders waarmee een snelle alarmering van aanwezige personen wordt versneld. Toxische wolk Een toxische wolk ontstaat doordat de tank van de ketelwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor ontsnapt een groot deel van de stof in korte tijd uit. De stof verspreidt zich direct in de lucht of via het spoorbed, dampt vervolgens uit en vormt een toxische wolk. De wolk verspreidt zich met de wind mee. De effecten van een toxische wolk zijn verstikkend. Hierdoor kunnen slachtoffers in de omgeving ontstaan. Overstroming Voor het plangebied geldt een overstromingsbeeld vanuit een regionale kering van maximaal 1,5 meter in de huidige atlas. Gezien de woningen met bouwlagen is het vluchten naar een droge verdieping het meest voor de hand liggende handelingsperspectief mocht dit scenario zich voordoen. Voor dergelijke scenario's is in (generieke zin) ook aandacht bij de gemeentelijke klimaatstresstest. Aanvullende maatregelen in de ruimtelijke ordening worden voor dit plandeel niet nodig geacht. 3. Omgevingskenmerken Het plangebied bevindt zich in een rustige omgeving waar zich meerdere woningen in een plattelandsomgeving bevinden.

De basisnet route ‘A4’ bevindt zich op 165 meter vanaf het plangebied en de buisleiding A-803 ligt op 585 meter afstand. Bereikbaarheid Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en eigen personeel van cruciaal belang. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een Pagina 31 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

onbelemmerde doorgang bieden. De planlocatie bevindt zich in het buitengebied van de Nieuwe Wetering en is gesitueerd aan de Voorweg. De locatie is voldoende bereikbaar voor de brandweervoertuigen en de wegafmetingen zijn voldoende. De opstelplaats zal zich bij de parkeergelegenheid, haaks gelegen op de Voorweg, bevinden en de ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden op de Voorweg. Alarmering bevolking Voor alarmering van de bevolking, bij calamiteiten buiten het bouwwerk, wordt gebruik gemaakt van de waarschuwings-alarmeringssirene. De meest nabijgelegen WAS-paal ligt op 1,9 kilometer. Regulier wordt voor de sirene een dekkingscirkel van 800 meter aangehouden. Gezien de ontwikkelingen van het NL-alert systeem en daarmee op termijn de afschaffing van de WAS-palen wordt niet geadviseerd alsnog een WAS-paal voor dit gebied te voorzien.

4. Interventiekenmerken Een adequate bluswatervoorziening, bestaande uit offensief en defensief bluswater, en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer. Offensieve bluswatervoorziening In de bestaande situatie is nabij het plangebied een brandkraan aanwezig die dienst kan doen als offensieve bluswatervoorziening ten behoeve van de brandweer. Defensieve bluswatervoorziening De benodigde defensieve bluswatervoorziening is toereikend, de waterwinplaats voldoet aan de minimaal benodigde waterlevering. Het open water ligt binnen een afstand van 160 meter vanaf de opstelplaats. Opkomsttijd In 2022 is het Regionale dekkingsplan opnieuw vastgesteld. In de nieuwe uitwerking voor opkomsttijden van de brandweer is opgenomen dat brandveiligheid uiteindelijk altijd een ketenresultaat is. De brandveiligheidsvoorzieningen op locatie zijn minstens zo belangrijk als de snelheid waarmee de brandweer op het plaats incident is. In de uitwerking van het dekkingsplan is rekening gehouden met de indeling van het verzorgingsgebied op basis van de CBS-wijk en buurtindeling en de leeftijd van gebouwen. Ook aan gebouwen waar de ontvluchting niet vanzelfsprekend is, wordt extra aandacht besteed.

Dit worden aandachtsobjecten genoemd, denk hierbij aan niet-zelfredzame personen, enkelzijdige ontvluchting (portieken) en hoge gebouwen. Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie ‘Categorie 2’ met het overheersende kenmerk ‘Woningen’ / ‘Gebouwen voor zelfredzame personen’. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie 2. De referentiewaarde voor deze categorie is 10 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd bedraagt 8.19 minuten. Daarmee scoort het nieuwe initiatief ‘Goed’. Er zijn geen aanvullende voorzieningen benodigd, de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan.

Pagina 32 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Analyse en advies Op basis van de vijf kenmerken, zoals beschreven in het voorgaande hoofdstuk, is er een analyse uitgevoerd. Deze analyse gaat in op de volgende aspecten: incident- en vluchtscenario en het bestrijdbaarheidsscenario. Incident- en vluchtscenario Gebouwbrand Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een gebouwbrand vanuit ruimtelijke ordeningsoogpunt goed. De ontvluchting vanuit het plangebied naar de openbare weg is voldoende mogelijk. Voor het bestemmingsplan zijn geen bezwaren. Het veilig ontvluchten vanuit de woningen als ook de overige brandveiligheidsonderdelen binnen de percelen komen in de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen naar voren. Toxische wolk Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een toxische wolk en een brand in de omgeving reeds geborgd door het afschakelen van de mechanische ventilatie, we adviseren u dit ook als voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan op te nemen. Overstroming Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij het scenario ‘Bres in polderdijk’ is voldoende. Het vluchten naar een droge verdieping is het meest voor de hand liggende handelingsperspectief, mocht dit scenario zich voordoen. Gezien de omvang van de polder zal het water naar verwachting niet snel stijgen, dit geeft ook de gelegenheid om de polder te verlaten.

Aanvullende maatregelen in de ruimtelijke ordening worden voor dit plandeel niet nodig geacht. Risicocommunicatie Het tegengaan van de gevolgen van de genoemde scenario's kan het beste worden bereikt doordat de aanwezige personen bekend zijn met de aanwezige risico's. Wanneer zij een incident snel herkennen en weten hoe zij zelf moeten handelen zorgt direct voor een betere overlevingskans. Het actief inzetten van risicocommunicatie is dan ook van meerwaarde. Bestrijdbaarheidsscenario Gebouwbrand Ten aanzien van de bestrijdbaarheid van een gebouwbrand zijn geen bijzonderheden. Scenario's vanuit de omgeving – toxische wolk De hulpverlening kan een brand of een ongeval met gevaarlijke stoffen niet voorkomen. Voor de relevante scenario's in/nabij het plangebied geldt dat het ongevalsscenario al heeft plaatsgevonden of nog in volle gang is wanneer hulpdiensten arriveren. Zeker in de eerste fase van het incident zullen de hulpdiensten overvraagd worden. Dit geldt zowel voor de bronbestrijding, de effecten in de omgeving als ook de geneeskundige zorg aan slachtoffers. De hulpverlening bereidt zich dan ook voor op de mogelijke gevolgen van de genoemde scenario's. Overstroming Voor de bestrijding van een overstroming zullen de hulpdiensten zich primair richten op het dichten van de bres en het redden van kwetsbare en in directe nood verkerende personen.

Aanwezige personen zijn in beginsel op zichzelf aangewezen en het bekend zijn met dit scenario is dan ook van belang. Om die reden wordt geadviseerd aan risicocommunicatie te doen. Voor de woonfunctie wordt geadviseerd om in het ontruimingsplan aandacht te besteden aan de mogelijkheden om in veiligheid te komen.

Pagina 33 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Vervolgproces In het kader van het vervolgproces willen wij u alvast de volgende zaken onder de aandacht brengen. Hierbij is het van belang dat deze zaken worden verwerkt in bijvoorbeeld de aanvraag voor de activiteit bouwen. Groene gevels/daken Planten en andere vegetatie op de gevels kunnen met name in droge perioden brandbaar zijn en een brand verspreiden over een groter oppervlak / over meerdere bouwlagen/wooneenheden. In de nadere uitwerking van het (bouw)plan zal aandacht moeten worden besteed aan het brandveilig toepassen van groene daken en gevels om zo het risico op een onbeheersbare brand te voorkomen. Toepassing van zonnepanelen Met het plaatsen van zonnepanelen wordt echter extra kans op brand geïntroduceerd. Het treffen van (extra) veiligheidsmaatregelen kan escalatie van de brand verkleinen. Er wordt dan ook verwezen naar Handreiking advies veilig PV systemen van Brandweer Nederland, met daarin aandachtspunten, de toe te passen regelgeving en (brand)veiligheidsadviezen betreffende zonnepanelen op daken. Energietransitie In het kader van de energietransitie worden steeds vaker energieopslagsystemen toegepast. Bij brand in dergelijke systemen komen zwaar toxische stoffen vrij en om die reden adviseert de brandweer graag bij eventuele initiatieven over de wijze waarop aanleg toch zo veilig mogelijk kan plaats vinden.

Conclusie Het aspect van externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn echter enkele aandachtspunten naar voren gebracht die in een vervolgproces, zoals de aanvraag voor de bouwactiviteit, nader moeten worden bekeken.

Pagina 34 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

WATERHUISHOUDING Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: - vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld.

Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Pagina 35 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn: - veiligheid tegen overstromingen; - voldoende water; - gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomst-vast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kader stellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol.

In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: - waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); - watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); - andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); - de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: - Onttrekken en lozen van grondwater; - Het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding.

Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd.

Pagina 36 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Riolering en afkoppeling Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Plan specifiek In de huidige situatie is er binnen het plangebied geen verharding aanwezig. In de navolgende tabel is een schatting gemaakt hoeveel m² verharding er in de toekomstige situatie bij komt.

Water Groen Dakoppervlak Overige verharding Parkeergelegenheid Tuin (=deels verhard 40%) Totaal oppervlak Waarvan verhard

Bestaande situatie 630 m2 24 m2 654 m2 0 m2

Toekomstige situatie 213 m2 200 m2 100 m2 40% van 354 m2 = 141 m2 654 m2 441 m2

Er is in de verhardingsbalans uitgegaan van 40% verharding van het tuinoppervlak. Het plangebied is gelegen aan het bebouwingslint aan de rand van het buitengebied in een groene omgeving. Daarbij zijn omliggende woningen voorzien van tuinen die grotendeels onverhard zijn. Gezien de ligging van het plangebied en het groene karakter van de bestaande tuinen in de omgeving kan er redelijkerwijs worden aangenomen dat de verharding in de tuin maximaal 40% zal bedragen. In de huidige situatie is het plangebied volledig onverhard. Met de voorgenomen ontwikkeling is er een toename van circa 441 m² aan verharding. Watercompensatie is hiermee niet noodzakelijk. Aan de voorzijde van het perceel ligt een smalle sloot. De sloot is op de Legger oppervlaktenwateren van het Hoogheemraadschap van Rijnland aangeduid als overige watergang, oftewel: 'oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie welke een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven'. De situatie van en rond de watergang blijft ongewijzigd binnen de beoogde ontwikkelingen.

Pagina 37 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

De nieuwe woningen zijn binnen de waterkering voorzien. Artikel 10 ;lid 1 van het bestemmingsplan gemeente Kaag en Braassem stelt dat ‘Lid 1. De voor Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor: a. waterkeringen; b. watersystemen als fysiek systeem van waterlopen en andere met de waterhuishouding samenhangende voorzieningen; c. waterbergingsgebieden.’ Voor ontheffing op deze bestemming wordt in lid 3a gesteld dat ‘Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen zijn op deze gronden slechts toelaatbaar indien daarvoor ontheffing door burgemeester en wethouders is verleend. Ontheffing wordt verleend indien de belangen van de waterkering hierdoor niet onevenredig worden geschaad.’ De bouwwerkzaamheden voor de woningen zijn daarmee vergunningsplichtig. Het afvalwater en het hemelwater worden gescheiden aangeboden op de perceelsgrens en er zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende bouwmaterialen.

ECOLOGIE Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: - bescherming van de biodiversiteit in Nederland; - decentralisatie van verantwoordelijkheden; - vereenvoudiging van regels. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura2000-gebieden. Per Natura2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: - vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; - verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; - verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor Pagina 38 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Het plangebied maakt behoudens het Nationaal Landschap 'Groene Hart', geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Wetland, Nationaal Park, Natuurnetwerk Nederland en/of provinciaal beschermd weidevogelgebied. De Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 9 km afstand van het plan.

Gezien de omvang van het plan, de ligging binnen het stedelijk gebied, de nabijheid van de rijksweg A4 en HSL en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden en heeft onderhavig plan geen invloed op de ligging in het Groene Hart. Het plangebied bestaat voornamelijk uit onverhard terrein, met op enkele plaatsen hoge planten en enkele bomen. In de zuidhoek van de locatie staat een pergola/terrasoverkapping. Het maaiveld is hier verhard met split (op worteldoek). Wanneer één of meerdere bomen of struiken worden verwijderd, kunnen er effecten optreden op beschermde soorten. Deze effecten kunnen echter pas worden beoordeeld aan de hand van een uitgewerkt bouwplan. Voor de beoogde ontwikkeling, waarin alleen een bestemmingswijziging is aangevraagd, vinden er nog geen fysica wijzigingen aan het terrein plaats. Met betrekking tot beschermde dier- en plantensoorten kan worden geconcludeerd dat het uitvoeren van een quickscan natuurtoets in deze fase niet noodzakelijk is. Mogelijk dient deze quickscan in de fase van de bouwaanvraag voor de realisatie van de woningen wel te worden meegenomen. Daarnaast geldt dat ten alle tijden de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.

Er moet aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, gelegenheid worden gegeven te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit kan door vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen, grond) gefaseerd te verwijderen. In verband met verstoring van aanwezige dieren moeten de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag worden uitgevoerd. Tevens dient te worden voorkomen dat het plangebied geschikt wordt voor de rugstreeppad tijdens de bouwwerkzaamheden. Ter voorkoming van kolonisatie door de rugstreeppad dienen de volgende maatregelen te worden getroffen: - (Grond)werkzaamheden moeten zoveel mogelijk aaneengesloten worden uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie te voorkomen; - Er moet, met name in de voortplantingsperiode mei-juli, voorkomen worden dat ondiepe vegetatieloze plassen (voortplantingsplaats, zoals ondiepe plassen, kuilen en bandensporen met water) kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken; - Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, alsmede winterverblijfplaats) moet worden afgedekt met wegendoek of plastic. Pagina 39 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

-

Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals bomenkap, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.

ARCHEOLOGIE In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

In artikel 11 lid 1 van het bestemmingsplan gemeente Kaag en Braassem wordt gesteld dat ‘De voor Archeologische waarden aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de mogelijke op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.’ Wijzigingen van bestemming op deze locatie met dubbelbestemming voor bebouwing mag uitsluitend worden uitgevoerd onder toezicht van de door de gemeente aangewezen archeoloog. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.

Pagina 40 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

1 Uitsnede archeologische beleidskaart

Uit raadpleging van de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting kent. Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het adres Achterweg tussen 2 en 6 (Transect, 11 juli 2017, zie bijlage IV) waarbij in deze toelichting wordt verwezen. In dat rapport wordt geconcludeerd dat op basis van de resultaten van het veldonderzoek in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. In het plangebied zijn vanaf een diepte van 30 cm resten aanwezig die te relateren zijn aan de geschiedenis van Nieuwe Wetering. Hierbij worden met name in het oostelijk deel bebouwingsresten verwacht, terwijl in het westelijk deel juist sporen van bijgebouwen, afvalkuilen en waterputten aanwezig kunnen zijn. Daarom wordt in eerste instantie aanbevolen om in het bestemmingsplan een Waarde Archeologie 2 toe te kennen (voor historische kernen; 150 m² en 30 cm –Mv, conform het gemeentelijk beleid). Voor wat betreft de toekomstige nieuwbouw van een woning wordt aanbevolen op het beoogde bouwvlak in het kader van een toekomstige vergunningverlening een proefsleuvenonderzoek uit te voeren (IVO-P). Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld of en in hoeverre behoudenswaardige resten in dit terreindeel aanwezig zijn. Op basis hiervan vindt een beslissing plaats of er naar een opgraving van de te verstoren resten moet worden doorgestart.

Op voorhand van dit onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat alvorens de werkzaamheden dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Kaag en Braassem). Bovengenoemde bevindingen en aanbevelingen uit het onderzoek voor het adres Achterweg tussen 2 en 8 worden voor het adres Achterweg 6 één op één overgenomen.

CULTUURHISTORIE Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om Pagina 41 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem is onderdeel van een grootschalig veengebied, de Rijnstreek genaamd. Het is een typisch Hollands landschap, met een sterk door de mens bepaalde ontstaansgeschiedenis. De historische stedenbouwkundige structuur en de cultuurhistorische bebouwing zoals molens, boerderijen, gemalen, pastorieën, kerken en bijzondere woonhuizen zijn karakteristiek voor het veenlandschap van Kaag en Braassem. Ze bepalen in sterke mate de sfeer in de kernen en het landelijk gebied. In de kernen is de lintstructuur beeldbepalend, in het landelijk gebied zijn dat vaker de individuele monumentale gebouwen. Het plangebied bevindt zich langs één van de oorspronkelijke bebouwingslinten in de gemeente Kaag en Braassem. De oorspronkelijke bebouwingslinten vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. De linten hebben een kleinschalige verkaveling, waardoor het dorpse karakter herkenbaar is. In de linten staan met name vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen uit verschillende perioden. De gebouwen staan in hoofdzaak met de voorgevel naar de straat. De rooilijn heeft over het algemeen een verspringend verloop. De vrijstaande woningen zijn individueel en afwisselend vormgegeven en bestaan veelal uit één bouwlaag met een kap.

De kappen zijn eveneens wisselend georiënteerd en verschillend in vorm. Zowel de horizontale en verticale geledingen zijn zeer divers. In hoofdzaak zijn er traditionele materialen gebruikt zoals baksteen en hout. Het plangebied grenst aan een gemeentelijk monument. Op de percelen achterweg 2 en Voorweg 1 ligt een traditioneel Zuid-Hollands boerderijcomplex uit de 18e eeuw. Het boerderijcomplex bestaat uit een woongedeelte, een stal en een aanbouw en is waardevol vanwege de hoge ouderdom en de markante bouwmassa. Zoals in toelichting paragraaf 3.3.3 beschreven zal bij de uitwerking van de bouwplannen van onderhavige ontwikkeling aansluiting worden gezocht bij de bestaande bebouwing. In geen geval dient de ontwikkeling afbreuk te doen aan de karakteristiek van het naastgelegen monument.

VERKEER EN PARKEREN Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeers-aantrekkende werking bedraagt. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kerngetallen uit de publicatie 317 van het CROW (zie tabel). In lijn met de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'.

Pagina 42 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM Type woning

2 halfvrijstaande woningen

CROW aansluiting (rest bebouwde kom, weinig stedelijk) Koop, twee-onder-eenkap

Verkeersgeneratie per woning

Totaal

7,4-8,2

14,8-16,4

Uitgaande van 2 (half)vrijstaande woningen geldt een verkeersgeneratie van circa 15 - 17 motorvoertuigen per etmaal. De woningen worden ontsloten op de Voorweg, middels de uitzondering “bestemmingsverkeer”. De Voorweg is goed in staat om de beperkte toename van het verkeer, dat genereerd wordt door onderhavige ontwikkeling, te verwerken. Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

De Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. Eén van de uitgangspunten uit de gemeentelijke Nota Parkeernormen is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht. In lijn met de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer van de toekomstige situatie op het perceel. Type woning

2 halfvrijstaande woningen

CROW aansluiting (rest bebouwde kom, weinig stedelijk) Koop, twee-onder-eenkap

Parkeerplaatsen per woning

Totaal

1,8-2,6

3,6-5,2

Uit de tabel blijkt dat voor de voorgenomen ontwikkeling (2 woningen) conform de Nota Parkeernormen 2018 ten minste 4 parkeerplaatsen benodigd zijn. Derhalve worden per woning in elk geval 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De parkeerbehoefte wordt hiermee op eigen terrein opgelost.

Pagina 43 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

Afbeelding 4.4: schets, oplossing parkeerplaatsen op eigen terrein

Pagina 44 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING ALGEMEEN Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

TOELICHTING De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

VERBEELDING Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). PLANREGELS De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: - Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); - Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); - Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); - Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); - Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Pagina 45 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

-

Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

WIJZE VAN BESTEMMEN Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Tuin De tuinen in het plangebied zijn ondergebracht in de bestemming Tuin. Binnen deze gronden laat het bestemmingsplan geen bebouwing toe. Daarmee blijft het wel mogelijk om, op grond van het Besluit omgevingsrecht, vergunningsvrij een en ander te realiseren. Verkeer Het bestemmingsplan laat voor de met de functie verkeer aangewezen gronden geen bebouwing toe Wonen De functie van wonen is bepalend voor de toekenning van deze bestemming. De woning dient binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak te worden gebouwd. Tevens zal de tuin ook onder de bestemming ‘Wonen’ komen te vallen. Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 beschermd de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig. Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de waterkering en de bijbehorende beschermingszone. Voor werkzaamheden binnen deze zone is een aanvullende omgevingsvergunning noodzakelijk. Voordat deze vergunning kan worden afgegeven dient nader advies ingewonnen te zijn bij het Hoogheemraadschap.

Pagina 46 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Bij de voorbereiding van een ruimtelijke plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: - het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; - het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; - het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst afsluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald.

Het ruimtelijke plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

Pagina 47 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ALGEMEEN Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

PARTICIPATIE, ZIENSWIJZEN EN VOOROVERLEG Participatie In het kader van participatie heeft de initiatiefnemer de buurt geinformeerd over het initiatief. Dit betreft de direct omliggende adressen Achterweg 4 en Achterweg 8. De buurt heeft geen bezwaren geuit tegen het initiatief en geeft aan vooral geïnteresseerd te zijn in eventuele bouwplannen die in een volgend traject worden aangevraagd. Een participatieverslag is toegevoegd als bijlage V. Zienswijzen en vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan zal t.z.t. voor een ieder ter inzage gelegen. Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening zal het ontwerpbestemmingsplan ook worden toegezonden aan diverse instanties.

Pagina 48 van 53

BESTEMMINGSWIJZIGING ACHTERWEG 6 – F AM . H OOGENBOOM

BIJLAGE I – VERKENNEND BODEMONDERZOEK

Pagina 49 van 53

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Achterweg achter nummer 6 Nieuwe Wetering kenmerk Waders Milieu BV: 24407701A

VERKENNEND BODEMONDERZOEK Achterweg achter nummer 6 Nieuwe Wetering kenmerk Waders Milieu BV: 24407701A

opdrachtgever:

Goudkuil Bouwmanagement BV te Koudekerk aan den Rijn

datum rapport:

07 juni 2024

kenmerk:

24407701A

status:

Definitief

uitgevoerd door:

Waders Milieu BV

projectleider:

ing. W. Anker | anker@wadersmilieu.nl

rapporteur:

ing. P. Blom

autorisatie:

ing. J.J. van Beek

Waders Milieu BV | Kouwe Hoek 18 | 2741 PX Waddinxveen | 0182-244500 | www.wadersmilieu.nl

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING ........................................................................................................... 4

2

VOORONDERZOEK ................................................................................................ 5 2.1 Werkwijze .................................................................................................... 5 2.2 Resultaten vooronderzoek .............................................................................. 5 2.2.1 Onderzoekslocatie ................................................................................... 5 2.2.2 Omgeving............................................................................................... 6 2.3 Hypothese en onderzoeksopzet ....................................................................... 7

3

VERKENNEND BODEMONDERZOEK ......................................................................... 9 3.1 Uitvoering veldonderzoek ............................................................................... 9 3.2 Resultaten veldonderzoek ............................................................................... 9 3.3 Laboratoriumonderzoek ................................................................................. 10 3.4 Analyseresultaten ......................................................................................... 11 3.5 Deelconclusie verkennend bodemonderzoek .................................................... 12

4

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................ 13 4.1 Resultaten ................................................................................................... 13 4.2 Conclusies ................................................................................................... 13 4.3 Aanbevelingen ............................................................................................. 14

BIJLAGEN 1|

Tekening

2|

Boorprofielen met legenda, verklaring onafhankelijkheid uitvoering veldwerk en foto’s

3|

Analysecertificaten

4|

Toetsing analyseresultaten

5|

Achtergrondinformatie

6|

Documenten vooronderzoek

1

INLEIDING

In opdracht van Goudkuil Bouwmanagement BV te Koudekerk aan den Rijn is door Waders Milieu BV in mei 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich ter plaatse van Achterweg achter nummer 6 te Nieuwe Wetering. Aanleiding Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. Doelstelling Het algemene doel van het onderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit. De doelstelling per deelonderzoek is in de volgende hoofdstukken weergegeven. Indeling rapport In de rapportage worden de resultaten van de deelonderzoeken in achtereenvolgende separate hoofdstukken uitgewerkt. Het rapport sluit af met een samenvatting met conclusies en aanbevelingen. Verantwoording Dit onderzoek is uitgevoerd met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen1. Desondanks dient opgemerkt te worden dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef, waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses uitgevoerd wordt. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is, die bij dit onderzoek niet aangetroffen is. Het onderzoek is, voor zover van toepassing, onder certificaat (KWALIBO) uitgevoerd, maar een bodemonderzoek is geen partijkeuring.

Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van een af te voeren partij (grond of verhardingsmaterialen) verlangd worden. Tenslotte wordt opgemerkt dat Waders Milieu BV geen financieel of zakelijk belang heeft bij de kwaliteit van de onderzochte locatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=95b79f63-e38d-4b2d-b175-2edba04fab23