20260706 NL.IMRO.1884.TAMWVDVELDENWEG57-VAS1 toelichting
Tekst van het document
De gronden ter plaatse zijn altijd in gebruik geweest als agrarische graslanden. Deze gronden en het grondwater daarin zijn nagenoeg altijd schoon. Een uitzondering daarbij is als mogelijk gewasbeschermingsmiddelen zijn gebruikt, boomgaarden aanwezig zijn geweest en/of sloten zijn gedempt. Op de locatie is, voor zover bekend, geen sprake geweest van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, boomgaarden en/of van het dempen van sloten. Daarmee zijn de gronden en het grondwater ter plaatse naar verwachting niet verontreinigd. De kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn daarmee geschikt voor de gewenste activiteit. Daarmee is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.
5.8
Trillingen
Het initiatief zal niet leiden tot onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes. Daarnaast zal op de locatie geen sprake zijn van onaanvaardbare trillingen op trillinggevoelige gebouwen en/of ruimtes door activiteiten uit de omgeving. Trillingen kunnen mogelijk nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen mogelijk effect hebben op het welzijn van mensen of schade aan gebouwen veroorzaken. Vanuit de Omgevingswet worden (delen van) gebouwen beschermd tegen trillingen. Er zijn verschillende soorten trillingen die kunnen worden veroorzaakt door verschillende bronnen. In de 39
Omgevingswet wordt in de instructieregels voor dit onderwerp onderscheid gemaakt in trillingen die continu plaatsvinden en trillingen die herhaald voorkomen. In de Omgevingswet zijn het verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloop werkzaamheden opgenomen als bronnen voor trillingen. Verder is het soort trilling afhankelijk van de eigenschappen van de bron van de trillingen. Daarbij zijn vooral de massa, de snelheid en de versnelling van de bron belangrijk. Vanuit de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar trillingen die zich verspreiden via de bodem en/of de funderingen van gebouwen en het effect hiervan op gebouwen en de mensen die daarin verblijven. Voor trillingen die zich via de lucht verspreiden zijn de regels opgenomen in de regels voor geluid. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor trillingen in relatie tot voor trilling gevoelige gebouwen. Deze regels zijn van toepassing op het toelaten van activiteiten die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, in een frequentie van 1 tot 80 Hertz (Hz) en/of voor het toelaten van trillinggevoelige gebouwen.
Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk om te kijken of sprake is van het uitvoeren van activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw en/of sprake is van het oprichten van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. Als sprake is van het oprichten of wijzigen van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen dan moet verder worden onderzocht of sprake is van mogelijke trillingen door activiteiten in de omgeving. Gemeenten kunnen, binnen de door de Rijksoverheid gestelde instructieregels, aanvullende regels over trillingen opnemen in het omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor trillingen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van trillingen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak mogelijk gemaakt.
Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die trillingen veroorzaken van 1 tot 80 Hz. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijk nadelige effecten op trillinggevoelige gebouwen in de omgeving door de ter plaatse uitgevoerde activiteiten. Daarnaast dient gekeken te worden of op de locatie mogelijk nadelige effecten kunnen worden ondervonden door trillingen die vanuit activiteiten in de omgeving worden veroorzaakt. Dit is echter vooral van belang als nieuwe trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen worden opgericht of als deze worden gewijzigd. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of wijzigen van trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen. Er zullen daarmee op de locatie geen onaanvaardbare trillingen worden waargenomen in trillinggevoelige ruimtes in trillinggevoelige gebouwen door activiteiten vanuit de omgeving.
5.9
Natuur en natuurlijke waarden
De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden. 40
5.9.1 Natura 2000-gebieden Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde "ongewone voorvallen". Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn. Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de "externe werking van een Natura 2000-gebied" genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben.
Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig. Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant. Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, is gelegen op een afstand van ongeveer 10,3 kilometer van de locatie.
Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.
41
Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator. Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden. Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten. Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn als "Bijlage 5 Resultaten berekeningen Aerius Calculator". Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.
5.9.2 Houtopstanden Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing.
42
In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen. Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal. Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:
Houtopstanden op erven of in tuinen. Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld. Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen. Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar. Kweekgoed. Populieren of wilgen van: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen; 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand. Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats; 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid; 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken; 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen).
Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.
5.9.3 Soortenbescherming Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten die kunnen leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet 43
worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenactiviteit naar een recreatief bedrijf met een agrarische nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Er is daarbij geen sprake van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Daarnaast worden geen landschappelijke elementen verwijderd en worden geen sloten gedempt. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging. Daarnaast wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Daarmee wordt bijgedragen aan de biodiversiteit en ontstaan meer mogelijkheden voor soorten flora en fauna om zich te vestigen. Er is daarmee geen sprake van een flora- en fauna activiteit. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna.
5.9.4 Natuurnetwerk Nederland De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland of binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden. De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan.
De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. De provincie Zuid-Holland heeft voor het behoud en de bescherming van het NNN specifieke regels vastgelegd in de omgevingsverordening. Als een ontwikkeling binnen het NNN plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd. Als een ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.
Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN is op een afstand van ongeveer 860 meter van de locatie gelegen.
44
Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Zuid-Holland. Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.
5.10
Volksgezondheid
Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen. Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht. De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid.
Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid", het "Endotoxine toetsingskader" en het onderzoek "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden". Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid". 45
5.10.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid in de omgeving. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. De gemeente Kaag en Braassem heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde "Handreiking veehouderijen en volksgezondheid" voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. De veestapel neemt juist aanzienlijk af, waarmee de risico's voor de volksgezondheid eveneens afnemen. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig. Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.
5.10.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid op de locatie. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt. Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan. In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of het wijzigen van gevoelige gebouwen en/of locaties.
Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Daarmee is geen verder advies van de GGD nodig en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.
5.11
Cultureel erfgoed
Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een volledige bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid geregeld in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de 46
archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.
5.11.1 Archeologische waarden Het initiatief zal geen ingrepen in de bodem tot gevolg hebben. Er kan daarmee geen sprake zijn van een aantasting van mogelijk voorkomende archeologische resten en/of waarden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen. Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen.
De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf met een recreatieve neventak naar een recreatief bedrijf met een agrarische neventak mogelijk gemaakt. Er zullen ten behoeve van het initiatief geen bodemingrepen plaatsvinden. Er is geen sprake van bouwwerkzaamheden en/of de sloop van bouwwerken. Daarnaast is geen sprake van werkzaamheden die de bodem kunnen verstoren. Omdat geen sprake is van bodemingrepen kan geen sprake zijn van een mogelijke verstoring en/of aantasting van mogelijk voorkomende archeologische waarden of resten.
5.11.2 Cultuurhistorische waarden De locatie is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. De locatie is in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast. De locatie is gelegen in een polderlint van 1850 tot 1940. De polderlinten zijn ontstaan langs een ontginningsbasis (veenriviertjes, wegen of weteringen). Van oorsprong betreft het, op enige afstand van elkaar gelegen, boerderijen op de kop van de strookvormige kavels. Polderlinten komen vooral voor in de 47
veenweidegebieden. De bebouwingslinten in en langs de droogmakerijen vallen eveneens onder dit type. Veel polderlinten zijn, door verdichting, (gedeeltelijk) in latere bebouwing opgegaan. De locatie is gelegen aan de rand van een droogmakerij dat is aan te merken als een polderlint. Het initiatief vindt geheel op eigen terrein en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag plaats. Er is geen sprake van wijzigingen aan het landschap en/of de structuur daarvan. Er blijft sprake van een (voormalige) boerderij aan de kop van de strokenverkaveling. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van het polderlint. De locatie is in een droogmakerijenlandschap gelegen. Dit zijn de oorspronkelijke veenplassen die van de 17e eeuw tot in de 20e eeuw zijn drooggemaakt. De droogmakerijen worden over het algemeen gekenmerkt door de zeer regelmatige strokenverkaveling en een ligging van de boerderijen langs de rand of op het "oude land". Daarnaast kan het hoogteverschil met omringend, niet afgegraven gebied (de veenontginningen) zeer opvallend zijn. Met het initiatief is sprake van een ontwikkeling die geheel op eigen terrein en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag zal plaatsvinden. Er vinden geen wijzigingen aan het landschap en de verkaveling en/of aan de structuren daarvan plaats. Het kenmerkende verkavelingspatroon zal daarmee behouden blijven.
Daarnaast zal het initiatief geen invloed hebben op de eventuele hoogteverschillen. Het initiatief leidt daarmee niet tot een mogelijke aantasting van het droogmakerijenlandschap. Daarmee leidt het initiatief niet tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving.
5.11.3 Aardkundige waarden De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden. Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan. Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang. De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.
5.12
Water
Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater. Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. De locatie valt onder het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Daarmee is het Hoogheemraadschap van Rijnland de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het hoogheemraadschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan. Het beleid van het hoogheemraadschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf "Beleid van het hoogheemraadschap" (paragraaf 4.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. 48
Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk.
5.12.1 Waterveiligheid De locatie is in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van de werking van de betreffende waterkering. Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen. Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De locatie is in de buurt van een dijk, die is aangemerkt als regionale waterkering, gelegen. Vanuit het geldende omgevingsplan gelden voor activiteiten in de omgeving van een waterkering aanvullende regels binnen de beschermingszones van de dijk. De betreffende dijk heeft een beschermingszone van maximaal 50 meter. Alleen de huidige bedrijfswoningen en het voorste deel van het erf zijn binnen de beschermingszone van de betreffende dijk gelegen. Binnen deze zone vinden geen werkzaamheden of activiteiten plaats. Er vinden daarnaast geen wijzigingen of werkzaamheden aan de waterkering plaats. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de werking van de betreffende waterkering.
5.12.2 Oppervlaktewater De locatie is in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er vinden geen activiteiten plaats binnen de eventuele beschermingszones van oppervlaktewateren en/of er wordt maatwerk toegepast, waarbij in voldoende mate is aangetoond dat deze beschermingszones niet worden belemmerd. Daarnaast worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit en/of de kwaliteit van het oppervlaktewater. Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden.
Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. De locatie is daarnaast binnen de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels gelegen. Er zijn namelijk verschillende watergangen aanwezig met een beschermingszone. 49
Uitsnede legger oppervlaktewateren. Bron: Hoogheemraadschap van Rijnlanden. Met het initiatief is geen sprake van werkzaamheden of activiteiten die plaatsvinden in de beschermingszones van de betreffende watergangen. Daarnaast is geen sprake van het dempen of wijzigen van de betreffende watergangen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een belemmering van de betreffende beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels. Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.
5.12.3 Grondwater Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt. Er vinden daarnaast geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit van het grondwater. Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die het grondwater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast zal met het initiatief voldoende rekening gehouden worden met de grondwaterstand en/of worden voldoende maatregelen getroffen om eventuele wateroverlast vanuit het grondwater te voorkomen. Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol. Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater.
Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het 50
geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor het grondwater hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater. Daarnaast is de bescherming van de kwaliteit van het grondwater belangrijk. Daarbij is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk.
Voor een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand moeten mogelijke verontreinigingen van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan. Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater. Verder is de grondwaterstand van belang bij eventuele (ver)bouwwerkzaamheden. Er moet bij de (ver)bouw namelijk voldoende rekening worden gehouden met de stand van het grondwater om eventuele overlast te voorkomen. Met het initiatief is geen sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Er zijn daarmee geen aanvullende maatregelen ten aanzien van de grondwaterstand nodig.
5.12.4 Afvoer van hemelwater Het initiatief voldoet aan de normen voor de afvoer van hemelwater. Er is geen aanvullende waterberging nodig. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarmee het initiatief niet zal leiden tot overlast door hemelwater. Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein. De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool.
Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu. Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het 51
gemeentelijk rioleringsprogramma. Het hoogheemraadschap hanteert de volgende normen voor de afvoer van hemelwater:
Voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak met niet meer dan 500 m² is geen compenserende waterberging nodig. Voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m² is compenserende waterberging nodig, waarbij geldt dat de waterberging minimaal 55 liter per m² toename verhard oppervlak moet kunnen bergen en minimaal 0,6 liter per m² toename verhard oppervlak per uur moet kunnen afvoeren. Onder een toename van het verhard oppervlak wordt verstaan het nieuw aan te brengen verhard oppervlak (bebouwing en verharding) minus het te verwijderen verharde oppervlak. Met het initiatief is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Er wordt niet gebouwd en er wordt geen verharding aangelegd. Er is uitsluitend sprake van een functiewijziging. Het aantal kampeerplaatsen wordt uitgebreid, maar daarbij zal geen verharding worden aangelegd. Er is daarmee geen aanvullende waterberging nodig. Het initiatief voldoet daarmee aan de normen voor de afkoppeling van hemelwater en is daarmee een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Er is voor het initiatief geen aanvullende waterberging nodig. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.
5.13
Duurzaam ontwikkelen
Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat).
5.13.1 Duurzaamheid Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan. Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan regels vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel.
Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop 52
de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen. Met het initiatief wordt een veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een recreatiebedrijf. Hoewel als nevenactiviteit nog steeds enkele stuks vee worden gehouden neemt de veestapel aanzienlijk af. Met de wijziging van de functie wordt geborgd dat ter plaatse geen nieuwe volwaardige veehouderij kan worden gevestigd. Daarmee zullen de emissies vanuit de gehouden dieren (aanzienlijk) afnemen. Met het afnemen van de emissies vanuit het bedrijf wordt bijgedragen aan een meer veilige en gezonde fysieke leefomgeving en aan een verbeterde omgevingskwaliteit. Door middel van zonnepanelen op de aanwezige stal wordt op een duurzame manier voorzien in de eigen energiebehoefte van het bedrijf. Verder wordt continu gezocht naar mogelijkheden voor verduurzaming van de bedrijfsvoering. Het initiatief is daarmee een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief staat de doelstellingen voor duurzaamheid niet in de weg.
5.13.2 Energietransitie Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan. Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt. Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen.
Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie. Met het initiatief is sprake van zonnepanelen die op de daken van de stallen aanwezig zijn. Daarmee wordt op geheel duurzame wijze voorzien in de eigen energiebehoefte van het bedrijf en is geen sprake van het gebruik van fossiele brandstoffen voor de energievoorziening. Daarnaast wordt continu gezocht naar mogelijkheden om het energieverbruik zo laag mogelijk te houden. Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.
5.13.3 Klimaatadaptatie Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan. 53
Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie. Daarbij wordt gekeken naar de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag, eventuele risico's voor overstromingen, het voorkomen van hittestress en het rekening houden met droogte. Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen: Met het initiatief wordt een melkveehouderijbedrijf beëindigd. Er worden ter plaatse nog enkele Lakenvelder zoogkoeien gehouden, maar deze hebben een aanzienlijk lagere uitstoot dan het voorheen gehouden melkvee op de locatie. De emissies van het bedrijf nemen daarmee (aanzienlijk) af, waaronder ook de emissie van broeikasgassen vanuit het bedrijf. De gronden die voorheen voor de beweiding van het melkvee werden gebruikt worden na realisatie van het initiatief gebruikt voor de extensieve begrazing van de Lakenvelder zoogkoeien. Daarnaast is voorzien in zonnepanelen op de daken. Daarmee wordt op geheel duurzame wijze in de eigen energiebehoefte van het bedrijf voorzien. Er hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van fossiele brandstoffen, waardoor er geen broeikasgassen meer vrijkomen als gevolg van het stoken van fossiele brandstoffen.
Ook dit draagt bij aan een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg. Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag: Met het initiatief is, zoals beschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 5.12.4), sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente. Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg. Overstromingen: De locatie is nabij een waterkering gelegen. Deze waterkering beschermt de locatie tegen overstromingen. De betreffende waterkering heeft een norm van 1:100 per jaar op grond van de provinciale klimaatatlas. De kans op een overstroming is daarmee relatief laag. Verder zijn de tweede verdieping van de woning en de daken van de bijgebouwen veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.
Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen. 54
Voorkomen van hittestress: In de omgeving van de locatie is voldoende groen en water aanwezig voor een verkoelende werking. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing van het erf, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangebracht. Deze hebben eveneens een verkoelend effect en bieden beschutting in meer hete perioden. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg. Rekening houden met droogte: In de omgeving van de locatie is al veel groen en water aanwezig, wat bijdraagt aan het vasthouden van water in het gebied. In tijden van droogte is er daarmee voldoende water voorhanden. Daarnaast wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarbij worden nieuwe landschappelijke elementen aangebracht. Deze houden meer water vast in het gebied, waarmee wordt bijgedragen aan het voorkomen van droogte in de droge perioden. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg.
Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg. Het gewijzigde gebruik van de gronden zal bijdragen aan een betere en natuurlijke waterhuishouding, waarmee wordt bijgedragen aan de doelstellingen voor klimaatadaptatie.
5.14
Mobiliteit
Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.
5.14.1 Infrastructuur Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur. Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen. De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen. 55
Voor het beheer van de provinciale infrastructuur kan de provincie aanvullende regels opnemen in de provinciale omgevingsverordening. Daarbij kan de provincie ook gebieden aanwijzen die gereserveerd zijn voor wijzigingen in het provinciaal weggennet. De locatie is niet aan een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur. Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels voor infrastructuur zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen.
De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. De locatie is nabij een weg in beheer van het waterschap (de Willem van der Veldenweg) gelegen. Voor dergelijke wegen gelden aanvullende regels wanneer er wijzigingen plaatsvinden aan deze weg, nieuwe uitwegen/inritten worden aangelegd en wanneer er nieuw oppervlaktewater wordt aangelegd nabij deze wegen. Met het initiatief is geen sprake van wijzigingen aan de wegen, geen sprake van nieuwe uitwegen of inritten en geen sprake van de aanleg van nieuw oppervlaktewater nabij de weg. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.