CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20260706 NL.IMRO.1884.TAMWVDVELDENWEG57-VAS1 toelichting

Gemeenteraad 6 juli 2026, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: TAM-omgevingsplan ‘Willem van der Veldenweg 57, Leimuiden’.32.653 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot nadelige gevolgen voor de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied waarvoor geen nadere kenmerken zijn vastgelegd. Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie eveneens gelegen in gebied waarvoor geen nadere kenmerken zijn vastgelegd. Het initiatief leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen voor de laag van de beleving. Het initiatief leidt, gezien het voorgaande, niet tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Verder zijn binnen de provincie verschillende beschermingscategorieën aangewezen voor de bescherming en instandhouding van waardevolle landschappen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. De locatie is niet in een gebied gelegen waarvoor beschermingscategorie 1 en/of 2 is vastgelegd. Wel is de locatie in een gebied gelegen dat is aangemerkt als "buitengebied". Hiervoor heeft de provincie een aanvullende beschermingscategorie vastgesteld, namelijk beschermingscategorie 3.

In de omgevingsverordening is opgenomen dat in gebieden met beschermingscategorie 3 initiatieven mogelijk zijn die vallen onder "inpassen", "aanpassen" en/of "transformeren" zo lang zij in overeenstemming zijn 22

met artikel 7.43h van de verordening. Daarin is opgenomen dat kan worden voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als de openheid en het groene karakter van het landschap niet worden aangetast en wordt gemotiveerd waarom wordt gekozen voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Bij het initiatief vindt de ontwikkeling plaats op het bestaande erf en vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er is geen sprake van nieuwbouw en geen sprake van een mogelijke aantasting van het groene en open karakter van het omliggende landschap en/of van de kenmerkende verkaveling. De ontwikkeling is daarnaast kleinschalig van aard en heeft weinig tot geen impact op het landschap. Daarnaast wordt de locatie goed landschappelijk ingepast, waarmee het initiatief geen nadelige impact heeft op de openheid en het groene karakter van het landschap. Vanwege de recreatieve aard van het initiatief en het feit dat er agrarisch duurzaam beheer van de graslanden plaatsvindt door extensieve en duurzame begrazing door de gehouden Lakenvelder zoogkoeien, draagt het initiatief bij aan het behoud en de kwaliteit van het landschap. Daarnaast zijn de activiteiten sterk aan het buitengebied gebonden. In onderhavig geval is daarom dus verantwoord gekozen voor een locatie buiten het bestaande stads- en dorpsgebied.

Op basis van het voorgaande wordt voldaan aan de regels zoals zijn opgenomen in artikel 7.43h van de omgevingsverordening. In artikel 7.41a van de omgevingsverordening is verder opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van:

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte. Zoals omschreven in de paragraaf "Klimaatadaptatie" (paragraaf 5.13.3), waarin de genoemde aspecten afzonderlijk zijn afgewogen, van deze toelichting is met het initiatief voldoende rekening gehouden met de gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. De locatie is gelegen in een droogmakerijlandschap met klei, aangrenzend aan het veen. Bij kleigronden treedt bodemdaling op als het water door ontwatering uit deze gronden verdwijnt. Om te voorkomen dat het water uit de gronden verdwijnt is het van belang het grondwater op peil te houden. Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater aan de gronden onttrekken. Er is daarmee geen sprake van activiteiten die het grondwaterpeil nadelig kunnen beïnvloeden. Het initiatief leidt daarmee niet tot een risico voor bodemdaling. Het initiatief staat verdere maatregelen ten behoeve van bodemdaling daarnaast ook niet in de weg. Aan de regels uit artikel 7.41a wordt daarmee met het initiatief voldaan. Het initiatief is niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de (TAM-) Omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

4.3

Beleid van het hoogheemraadschap

De locatie valt binnen het werkgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het hoogheemraadschap).

23

4.3.1 Waterbeheerprogramma Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de doelstellingen en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in het waterbeheerprogramma. Op 8 februari 2022 heeft het hoogheemraadschap het waterbeheerprogramma vastgesteld. Daarin heeft het hoogheemraadschap de doelstellingen omschreven die zij hebben binnen de planperiode. Het hoogheemraadschap streeft naar een klimaatbestendige leefomgeving, waarin ook op lange termijn nog veilig en gezond kan worden gewoond, gewerkt en genoten. Daarbij is het van belang om water meer sturend te maken en speelt een goed waterbeheer de hoofdrol. De hoofddoelstellingen van het hoogheemraadschap zijn het zorgen voor droge voeten, het zorgen voor schoon water en het zorgen voor voldoende water. Met goed waterbeheer en afvalwaterzuivering draagt het hoogheemraadschap bij aan de volksgezondheid, de waterveiligheid en de economie. Ontwikkelingen als klimaatverandering, verstedelijking, toenemende behoefte aan recreatie, veranderingen in de landbouw en nieuwe technologie vereisen een verandering in de manier waarop deze doelen worden bereikt en hoe het hoogheemraadschap de taken uitvoert. Het hoogheemraadschap wil een positieve bijdrage leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit.

Het hoogheemraadschap heeft in het waterbeheerprogramma de volgende maatschappelijke opgaven opgenomen:

Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Tegengaan van bodemdaling; Versterking van de biodiversiteit; Energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050. Deze maatschappelijke opgaven zijn uitgewerkt in doelstellingen voor specifieke gebieden. Voor het gebied waarin de locatie is gelegen zijn in het waterbeheerprogramma de volgende doelstellingen opgenomen: Droge voeten in de droogmakerij. Van zoet tot zilt.

Droge voeten in de droogmak erij: De droogmakerijen liggen meters onder zeeniveau en zijn omgeven door waterkeringen met een hoog beschermingsniveau. Breekt een waterkering door, dan kan dat lokaal grote economische en maatschappelijke gevolgen hebben. Bij de bouw van grote woonwijken en essentiële infrastructuur of bij de locatiekeuze voor vitale functies is dan ook altijd deze vraag belangrijk: is deze locatie geschikt, als wordt gekeken naar duurzaam waterbeheer en veiligheid? Met het initiatief is geen sprake van grote woonwijken of essentiële infrastructuur. Er is daarnaast geen sprake van een vitale functie. Wel is sprake van een activiteit met gevoelige functies. Het is daarom de vraag of dit dan een geschikte locatie is voor de functie in verband met waterveiligheid. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Waterveiligheid" (paragraaf 5.12.1) is met het initiatief geen sprake van mogelijke belemmeringen ten aanzien van de waterveiligheid. Daarmee is de locatie geschikt in het kader van de waterveiligheid. Van zoet tot zilt: In de droogmakerijen komt kwelwater omhoog uit diepere ondergrond met brak tot zout grondwater. Dit zoutere water bereikt watergangen en de bodem van landbouwgebieden. Maar het is minder geschikt voor akkerbouw en bollenteelt en kan nadelig zijn voor de waterkwaliteit en watergebonden natuur.

Ook wordt het kwelwater op lange termijn steeds zouter, hierdoor neemt de verzilting in de watergangen toe. Tot nu toe kan het hoogheemraadschap schoon zoet water door de meeste droogmakerijen laten stromen en zo het zoute water doorspoelen en de agrarische functies goed faciliteren. Op langere termijn (tientallen 24

jaren) komt dit door droogte en zeespiegelstijging steeds meer onder druk te staan. Met het initiatief wordt een andere functie dan agrarisch de hoofdfunctie. De gewenste recreatieve functie is minder afhankelijk van het zoete water dan een agrarisch bedrijf. Daarnaast vinden met het initiatief geen activiteiten plaats die het water verder verzilten en/of die het tegengaan van de verzilting in de weg staan. Er worden op het bedrijf al maatregelen getroffen om het waterverbruik zo laag mogelijk te houden en er worden mogelijkheden onderzocht om zoet water langer vast te houden. Met het initiatief is daarmee geen sprake van activiteiten die de doelstelling van zoet tot zilt in de weg staan. Er is daarmee geen sprake van nadelige gevolgen voor de doelstellingen die zijn verwoord in het waterbeheerprogramma van het hoogheemraadschap.

4.3.2 Waterschapsverordening Het initiatief is niet in strijd met de regels en uitgangspunten die het hoogheemraadschap heeft opgenomen in de waterschapsverordening. Gemeenten en provincies moeten omgevingsvisies opstellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen en hoogheemraadschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op, maar hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als gemeenten en provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het hoogheemraadschap kan als waterbeheerder de ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het hoogheemraadschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het hoogheemraadschap stelt binnen haar beheergebied. Het hoogheemraadschap heeft op 1 januari 2024 de waterschapsverordening vastgesteld. Deze is verschillende keren aangevuld en geactualiseerd. De meest recente versie is op 1 november 2024 in werking getreden. In de waterschapsverordening zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor een vergunning van het hoogheemraadschap nodig is. Daarnaast zijn in de waterschapsverordening een aantal activiteiten opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is, maar waarvoor een melding moet worden gedaan. Ten slotte geldt voor sommige activiteiten een zorgplicht.

Indien met het initiatief sprake is van activiteiten waarvoor een vergunning nodig is, een melding dient te worden gedaan en/of de zorgplicht geldt dan wordt dat voorafgaand aan het uitvoeren van de activiteiten verder met het hoogheemraadschap geregeld. Verder gelden aanvullende regels voor het afvoeren van hemelwater. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Afvoer van hemelwater" (paragraaf 5.12.4) wordt met het initiatief aan de regels voor de afvoer van hemelwater voldaan. Het initiatief is daarmee niet in strijd met de regels zoals zijn opgenomen in de waterschapsverordening van het waterschap.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Gemeentelijke omgevingsvisie Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de gemeente heeft opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie. Op 5 februari 2024 heeft de gemeente Kaag en Braassem voor het gehele grondgebied van de gemeente de Omgevingsvisie Kaag en Braassem vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange(re) termijn opgenomen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt de kaders voor het ruimtelijk beleid zoals is opgenomen in het omgevingsplan. 25

Vanuit de omgevingsvisie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'droogmakerij (klei)'. De droogmakerijen zijn grootschalige open polders en worden voornamelijk gebruikt als agrarisch productielandschap. Het primaire grondgebruik is landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt. Binnen de droogmakerij is er ruimte voor recreatie. Het gaat dan om recreatieve routes, met daarbij trekpleisters zoals een agrarisch bedrijf waarbij de recreatie tot een volwaardige tweede hoofdtak is geworden. Voorwaarde daarbij is dat er ook nadrukkelijk aandacht is voor verhoging van de landschaps- en natuurwaarden door bijvoorbeeld het versterken en/of creëren van ecologische verbindingszones en door een vergroting van de biodiversiteit. De intensivering van recreatie is mogelijk als sprake is van duurzame activiteiten, een verbetering van de bodemkwaliteit en/of van een bijdrage aan de biodiversiteit. Met het initiatief is sprake van een intensivering van de recreatieve activiteiten. Dit is mogelijk in het gebied onder de hiervoor genoemde voorwaarden. Ten behoeve van het initiatief wordt de locatie op een bij het gebied passende manier landschappelijk ingepast. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd.

Met de landschappelijke inpassing wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit en wordt door middel van het aanbrengen van landschappelijke elementen bijgedragen aan de biodiversiteit. Daarnaast wordt duurzaam ontwikkeld en wordt door middel van extensieve begrazing bijgedragen aan het behoud en beheer van het grasland in de omgeving. Het initiatief past daarmee binnen de mogelijkheden voor recreatie in de droogmakerijen met klei als ondergrond. Voor wat betreft dag- en verblijfsrecreatie is in de visie opgenomen dat bestaande bedrijven ruimte krijgen om te groeien en dat nieuwe bedrijven in de dag- en verblijfsrecreatieve sector de kans krijgen zich te vestigen. Verblijfsrecreatie gebeurt vooral op kleine schaal, maar wanneer dit in het landschap goed inpasbaar is wordt beperkt ruimte gegeven aan grootschaligere projecten. Recreatie wordt vooral ingestoken als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, maar kan incidenteel ook als hoofdactiviteit mogelijk worden gemaakt, mits dit het waardevolle open landschap niet schaadt. Met het initiatief is sprake van de uitbreiding van een bestaande recreatieve activiteit. Dit was in beginsel een nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, maar is uitgegroeid tot een hoofdactiviteit. Dit past binnen de visie, mits geen sprake is van een aantasting van het waardevolle open landschap.

Met het initiatief is sprake van een relatief kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf, vrijwel geheel binnen het bestaande ruimtebeslag. Er vindt geen nieuwbouw plaats en er is geen sprake van wijzigingen aan het landschap en/of de structuur daarvan. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke aantasting van het waardevolle open landschap. Het initiatief sluit daarmee goed aan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Kaag en Braassem van de gemeente Kaag en Braassem.

26

Hoofdstuk 5

Afweging effecten op de fysieke leefomgeving

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.

5.1

Beoordeling m.e.r.

Met het initiatief is sprake van een activiteit waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Hiervoor is een aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis daarvan zal de gemeente besluiten of een volledige milieueffectrapportage nodig is. Gezien de beperkte effecten van het initiatief wordt niet verwacht dat een volledige milieueffectrapportage nodig is. Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld. Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt.

Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Met het initiatief is sprake van een recreatiebedrijf met kampeerterrein en een agrarische nevenactiviteit waarbij dieren worden gehouden. Het houden van dieren is vanuit bijlage V van het Omgevingsbesluit een activiteit waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Dit geldt echter alleen voor wijzigingen aan het aantal gehouden dieren en/of het stalsysteem waarop de dieren worden gehouden. Met het initiatief is geen sprake van dergelijke wijzigingen, waardoor voor de gehouden dieren geen verdere beoordelingsplicht geldt. Voor recreatie geldt een beoordelingsplicht bij permanente kampeerterreinen. Daarvoor geldt echter geen directe verplichting tot het opstellen van een volledige milieueffectrapportage. Omdat met het initiatief sprake is van een kampeerterrein dat jaarrond geopend is en kan worden gebruikt is sprake van een permanent kampeerterrein, waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Omdat sprake is van activiteiten waarvoor de beoordelingsplicht geldt, dient te worden beoordeeld of de activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten.

Om dit in beeld te brengen wordt voor het initiatief een aanmeldingsnotitie opgesteld. Daarin zijn de verschillende mogelijke effecten van de gehele bedrijfsvoering op het milieu, net als in voorliggende toelichting, zorgvuldig afgewogen. Op basis van de aanmeldingsnotitie zal de gemeente Kaag en Braassem een besluit nemen of een aanvullende milieueffectrapportage noodzakelijk zal zijn. Gezien, zoals blijkt uit dit hoofdstuk in de voorliggende toelichting, de beperkte effecten van het initiatief op het gebied van milieu wordt echter niet verwacht dat een aanvullende milieueffectrapportage nodig is. Daarmee zijn de milieueffecten voldoende afgewogen en is geen sprake van een initiatief dat zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten.

27

5.2

Activiteiten en milieuzonering

Binnen de geluidruimte zone en/of geurruimte zone van de locatie zijn gevoelige gebouwen gelegen. Daarmee is een nadere afweging nodig of de maximale waarden die de activiteiten mogen veroorzaken op gevoelige gebouwen worden overschreden of niet. Deze afweging is verderop in deze toelichting gemaakt in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (pararaaf 5.4). Uit deze nadere afweging verderop in deze toelichting blijkt dat de maximale waarden op de betreffende gevoelige gebouwen niet worden overschreden. Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven. In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is. In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen.

Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader. In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten. De locatie is gelegen in een bebouwingslint waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Er is sprake van woningen en (agrarische en/of niet-agrarische) bedrijvigheid die op redelijk korte afstand van elkaar aanwezig zijn. Daarnaast is het gebied waarin de locatie is gelegen aan een drukke ontsluitingsweg gelegen (de Willem van der Veldenweg). Het gebied waarin de locatie is gelegen kan daarmee worden gezien als een "gemengd gebied". Met het initiatief is sprake van verblijfsrecreatie, vergelijkbaar met een kampeerterrein. Daarnaast wordt als neventak rundvee gehouden.

Voor een kampeerterrein geldt in het gemengd gebied een geluidruimte zone van 30 meter en een geurruimte zone van 10 meter. Voor het houden van rundvee in een gemengd gebied geldt een geluidruimte zone van 10 meter en een geurruimte zone van 50 meter. De geluidruimte zone van het gehele bedrijf bedraagt daarmee 30 meter en de geurruimte zone van het gehele bedrijf bedraagt daarmee 50 meter. Momenteel is sprake van een plattelandswoning aan de Willem van der Veldenweg 55. Deze woning heeft in het verleden behoord tot het bedrijf van de initiatiefnemer, maar is als plattelandswoning van het bedrijf 28

afgesplitst. Een plattelandswoning kan formeel alleen bij een agrarisch bedrijf dat in uitvoering is. Met de omschakeling van het agrarisch bedrijf naar een recreatiebedrijf moet de betreffende plattelandswoning echter worden beschouwd als zijnde een burgerwoning. Wel blijft sprake van een woning die op of na 19 maart 2000 behoorde of heeft behoord tot een veehouderij. Deze woning is, gemeten vanaf het bouwvlak daarvan tot aan het bouwvlak van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 13 meter, waarmee deze woning binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer is gelegen. Daarna is de dichtstbijzijnde gevoelige functie de burgerwoning aan de Willem van der Veldenweg 59. Deze woning is, gemeten van het bouwvlak van deze woning tot aan het gewenste bouwvlak van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 65 meter van de locatie. Deze woning is daarmee niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf gelegen. Afgezien van de (voormalige) plattelandswoning zijn er daarmee geen gevoelige functies en/of gebouwen binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer gelegen. Voor de (voormalige) plattelandswoning is daarmee een nadere afweging nodig op het gebied van geluid en geur.

In deze toelichting is op het gebied van geluid en geur een verdere concrete afweging gemaakt, waarin het initiatief is getoetst aan de normen die daarvoor gelden uit het gemeentelijke omgevingsplan. Deze verdere afweging is opgenomen in de paragrafen "Geluid" (paragraaf 5.3) en "Geur" (paragraaf 5.4) van deze toelichting. Uit deze verdere afweging blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een overschrijding van de normen die gelden voor geluid en geur uit het gemeentelijke omgevingsplan. Daarmee is het initiatief inpasbaar op het gebied van geluid en geur. Daarnaast is in de huidige situatie al sprake van een rundveehouderij. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf en de omschakeling daarvan naar een recreatiebedrijf wordt het houden van dieren alleen nog als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Een recreatiebedrijf met als neventak het houden van enkele dieren heeft een lagere milieubelasting dan een volwaardig veehouderijbedrijf. Het initiatief leidt daarmee eerder tot een vermindering van de eventuele milieuhinder aan de omgeving. Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

Met het initiatief is sprake van een kampeerterrein en van verblijfsrecreatie. Vanuit het geldende omgevingsplan zijn de volgende gebouwen en/of functies aan te merken als gevoelige gebouwen en functies:

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Met het initiatief is geen sprake van een van de voorgaande functies en/of gebouwen, waarmee geen sprake is van het oprichten van een nieuwe gevoelige functie en/of een nieuw gevoelig gebouw. Het initiatief zal daarom niet leiden tot een mogelijke (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

5.3

Geluid

5.3.1 Geluid door activiteiten Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek nodig is. Binnen de geluidruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd zijn wel geluidgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van geluidhinder op deze geluidgevoelige gebouwen. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geluidgevoelige objecten. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. 29

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:

Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidsgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid). Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00. Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving). Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht. Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden. Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken. Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren. Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidsgevoelig gebouw. Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig).

Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidsgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht. Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan. Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de tabel met activiteiten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor de uitgevoerde activiteiten, welke maximaal 30 meter bedraagt, zijn geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee moet worden aangetoond dat aan de normen voor geluid 30

zoals zijn opgenomen in het omgevingsplan kan worden voldaan. Binnen de gemeente Kaag en Braassem geldt dat de maximale geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen in de dagperiode (tussen 7:00 en 19:00) maximaal 50 decibel, in de avondperiode (19:00 – 23:00) maximaal 45 decibel en in de nachtperiode (tussen 23:00 en 7:00) maximaal 40 decibel bedragen. In de huidige bedrijfssituatie is geen sprake van een overschrijding van de gestelde normen. In de huidige situatie is reeds sprake van de uitgevoerde activiteiten, hetzij in iets ander verband dan in de gewenste situatie. Het vee neemt af in vergelijking met de huidige (maximaal mogelijke) situatie en het aantal kampeerplaatsen neemt toe. De uitbreiding van het kampeerterrein vindt echter plaats aan de van de dichtstbijzijnde woning afgekeerde zijde van het erf. Daarmee zal de geluidbelasting op de dichtstbijzijnde woning niet toenemen. Omdat het gehouden vee in aantallen afneemt zal de geluidbelasting op deze woning door de activiteiten eerder afnemen. De andere woningen liggen op voldoende afstand van het bedrijf, buiten de geluidruimte zone, waardoor de gewenste uitbreiding van het bedrijf niet zal leiden tot een overschrijding van de gestelde normen op de betreffende woningen als gevolg van de activiteiten. Ter plaatse zal sprake zijn van kleinschalige evenementen.

Het gaat daarbij om kleinschalige evenementen die zowel binnen als buiten plaatsvinden. De evenementen zullen voor wat betreft de geluidbelasting binnen de normen voor geluid blijven. Bij evenementen waarbij, bijvoorbeeld door versterkte muziek, een latere eindtijd of een groter aantal personen, kan worden aangenomen dat deze de normen voor geluid zullen gaan overstijgen zal per evenement een aparte aanvraag worden gedaan bij het bevoegd gezag. Dit houdt in de praktijk in dat evenementen die de geluidnormen zullen overstijgen niet meer zullen worden gehouden tenzij hiervoor specifiek een omgevingsvergunning en/of een ontheffing is verkregen. Om te borgen dat zonder een omgevingsvergunning en/of een ontheffing geen evenementen plaatsvinden die de normen voor geluid overschrijden is in de definitie van een kleinschalig evenement zoals is opgenomen in de planregels behorende bij dit plan in de begripsbepaling opgenomen dat onder een evenement het volgende wordt verstaan: "een gebeurtenis, gericht op een al dan niet groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en/of cultuur, passend binnen de vanuit het Omgevingsplan gemeente Kaag en Braassem geldende normen voor geluid". Verder is in de planregels geborgd dat geen versterkt geluid mag worden geproduceerd. Daarmee is met het initiatief geen sprake van geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen in de omgeving.

Om te onderzoeken of de gewenste bedrijfsmatige activiteiten passen binnen de normen voor geluid uit het geldende omgevingsplan is door een akoestisch onderzoeksbureau een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd, waarin de voorgenomen bedrijfsactiviteiten zijn meegenomen als geluidbronnen. Uit dit onderzoek, waarvan de volledige rapportage is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting, blijkt het volgende:

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de onderzochte bedrijfssituatie aan de richtwaarde. Het maximale geluidsniveau voldoet in de onderzochte bedrijfssituatie aan de richtwaarde. Binnen de reikwijdte van de indirecte hinder liggen geen woningen. De indirecte hinder is daarom niet onderzocht. Voor indirecte hinder geldt nog wel de specifieke zorgplicht. Deze plicht houdt in, dat de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar het bedrijf zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt. De indirecte hinder kan zoveel mogelijk worden voorkomen door bij aankomst en vertrek rustig te rijden. Gezien de berekeningsresultaten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als gevolg van de omgevingsplanactiviteit. Voor het aspect geluid is het plan niet strijdig met de normstelling uit het omgevingsplan. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot geluidhinder die de normen uit het geldende omgevingsplan zal overschrijden. Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geluid zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan. 31

Bij het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke verdere beperking van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving.

5.3.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Met het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig. Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geluidgevoelige gebouwen. Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.

5.4

Geur

Bij het initiatief is sprake van activiteiten met een emissie van geur. Daarnaast zijn binnen de geurruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd geurgevoelige gebouwen gelegen. Er zal echter geen sprake zijn van een overschrijding van de geldende geurnormen en daarmee geen sprake van geurhinder op deze geurgevoelige gebouwen. Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geurgevoelige gebouwen. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten. Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Kaag en Braassem heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. 32

Met het initiatief worden, bij wijze van nevenactiviteit, nog runderen gehouden. Het houden van runderen veroorzaakt mogelijk geurhinder op geurgevoelige gebouwen. Binnen de geurruimte zone is alleen de (voormalige) plattelandswoning aan de Willem van der Veldenweg 55 gelegen. Op de overige woningen in de omgeving kan, gezien deze buiten de geurruimte zone van het bedrijf zijn gelegen en gezien het feit dat in de huidige situatie al aan de geurnormen kan worden voldaan en de veestapel alleen maar afneemt, daarmee aan de geurnormen uit het geldende omgevingsplan worden voldaan. De (voormalige) plattelandswoning betreft een woning die op of na 19 maart 2000 behoorde of heeft behoord tot een veehouderij (het bedrijf van de initiatiefnemer). Voor deze woningen geldt dat, in plaats van aan de geurnormen, alleen wordt getoetst aan de vaste afstanden zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan (van rechtswege). De gemeente Kaag en Braassem heeft de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Deze maakt deel uit van de bruidsschat en daarmee van het omgevingsplan van rechtswege. In deze verordening is (in artikel 5) opgenomen dat als de functie van een (voormalige) bedrijfswoning wijzigt naar een burgerwoning een minimale afstand van deze woning tot aan de gevel (en het emissiepunt) van een dierenverblijf minimaal 25 meter moet bedragen.

De betreffende (voormalige) plattelandswoning is, gemeten van het bouwvlak van deze woning tot aan het dierenverblijf van de initiatiefnemer, gelegen op een afstand van ongeveer 30 meter van de gevel van het dierenverblijf op het bedrijf. Daarmee kan aan de vaste afstanden zoals gelden vanuit het geldende omgevingsplan worden voldaan. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Als een nieuw geurgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geurgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan kan dit functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Er moet dan worden aangetoond dat aan de normen voor geur zoals zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan kan worden voldaan. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geurgevoelige gebouwen. Omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten zullen daarmee niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

5.5

Kwaliteit van de buitenlucht

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

5.5.1 Luchtkwaliteit door activiteiten De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten. De uitgevoerde activiteiten van het initiatief zijn daarnaast aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee deze niet zullen leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht. Gemeenten moeten voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied. 33

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Verder is het van belang te onderzoeken of de ter plaatse uitgevoerde activiteiten kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht. Wanneer sprake is van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties (een zogenaamde NIBM ontwikkeling) dan is geen nadere toetsing nodig. Voor de ter plaatse uitgevoerde activiteiten is het daarom van belang om te onderzoeken of het een NIBM ontwikkeling betreft.

Met het initiatief is geen sprake van een grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen sprake van een veehouderijbedrijf. De uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden zal met het initiatief niet of slechts zeer beperkt toenemen. Door de beëindiging van de veehouderij zal de emissie van fijnstof en stikstofoxiden eerder afnemen. Als neventak worden nog enkele stuks rundvee gehouden, maar dit aantal is (aanzienlijk) lager de het huidige toegestane aantal, waarmee de veestapel zal afnemen en daarmee ook de emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee is het initiatief aan te merken als NIBM ontwikkeling en zal geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de buitenlucht als gevolg van de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.

5.5.2 Luchtkwaliteit door verkeer De locatie is niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Het verkeer als gevolg van het initiatief is daarnaast aan te merken als een zogenaamde NIBM ontwikkeling, waarmee dit niet zal leiden tot een verhoging van de concentraties in de buitenlucht. Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden. Met het initiatief zal, zoals verder omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.14.3), het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden vanuit het verkeer, waarmee er geen sprake zal zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden door het verkeer als gevolg van het initiatief.

5.5.3 Luchtkwaliteit op de locatie De locatie niet is binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Daarnaast worden met het initiatief geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en/of bestaande gevoelige gebouwen gewijzigd. Een verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is daarmee niet nodig. Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit 34

maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande gevoelige gebouwen. Daarmee is geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig. Wel is sprake van een ander gebruik van de gronden en voor verschillende, soms ook gevoelige doelgroepen. Het is daarmee van belang om na te gaan of de luchtkwaliteit ter plaatse geschikt is voor de gewenste activiteiten. Voor de luchtkwaliteit zijn normen opgenomen waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vooralsnog is alleen binnen de aangewezen aandachtsgebieden sprake van achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden die deze normen mogelijk overschrijden. Buiten de aangewezen aandachtsgebieden wordt ruimschoots aan de normen voldaan. Gezien de locatie niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden is gelegen wordt ruimschoots aan de normen voor een aanvaardbare luchtkwaliteit voldaan.

5.6

Veiligheid in de leefomgeving

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico. Plaatsgebonden risico: In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen. Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen. Groepsrisico: Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

35

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.6.1 Plaatsgebonden risico Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen. Op het terrein van de initiatiefnemer is een tank voor de opslag van propaan aanwezig. Het opslaan van propaan wordt vanuit bijlage VII van het Bkl gezien als een risicovolle activiteit. Voor de ter plaatse uitgevoerde risicovolle activiteit geldt een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6-contour) van 25 meter. Binnen deze afstand van de risicovolle activiteit zijn geen zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

36

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

5.6.2 Groepsrisico Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving. De locatie is niet binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico. Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen. De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd. Op de locatie is een tank voor het opslaan van propaan aanwezig. Het opslaan van propaan betreft, zoals al is omschreven bij de toetsing aan het plaatsgebonden risico, een risicovolle activiteit.

Het is daarom belangrijk om te kijken of deze risicovolle activiteit kan leiden tot risico's voor de veiligheid voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. 37

Voor de ter plaatse uitgevoerde risicovolle activiteit gelden de volgende aandachtsgebieden:

Brandaandachtsgebied. Explosieaandachtsgebied. Het grootste aandachtsgebied heeft een grootte van 30 meter. Binnen deze afstand van de risicovolle activiteit zijn geen zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties van derden gelegen. Binnen het aandachtsgebied zijn alleen voorzieningen van het eigen bedrijf aanwezig. Wel is sprake van bestaande voorzieningen voor nachtverblijf binnen het aandachtsgebied. Het plangebied is echter goed te ontvluchten en er zal geen sprake zijn van minder zelfredzame personen in de betreffende verblijven. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit van derden en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.

38

5.7

Bodemkwaliteit

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die de bodem en/of het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater. Met het initiatief is sprake van het oprichten en/of wijzigen van verblijfsruimtes. Er is echter geen sprake van een te verwachten verontreiniging van de bodem en/of het grondwater. De kwaliteit van de bodem en het grondwater is daarmee geschikt voor de gewenste functie. Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente Kaag en Braassem heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld.

Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving op het gebied van bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem. Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's voor het milieu en/of voor de gezondheid. Het initiatief zal geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de bodem en van het grondwater. Verder is het belangrijk om te kijken of de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functie. Als op een verontreinigde bodem wordt gebouwd dan kan dit namelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers van de gewenste functie. Dit is echter vooral van belang als nieuwe ruimtes worden opgericht waarin voor langere tijd mensen verblijven (zogenaamde verblijfsruimtes).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=9f57cc6a-2802-4bc5-a298-b29e1501ef10