20240313_t_NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1
Tekst van het document
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
26
Planspecifiek Onderhavig initiatief heeft enerzijds betrekking op de gevoelige bestemmingen (camperplaatsen en nieuwe woning) en anderzijds heeft het initiatief betrekking op een milieubelastende activiteiten (camperplaatsen en dagrecreatie). Gezien de omgeving van het plangebied een grote verscheidenheid aan bestemmingen kent (Wonen, Agrarisch - Glastuinbouw, Bedrijf, Bedrijventerrein) kan beargumenteerd worden dat deze in gemengd gebied is gelegen. Dit betekent dat de richtafstanden met één stap verlaagd kunnen worden. Gevoelige bestemmingen (camperplaatsen en woning) In de nabijheid van de camperplaatsen en de nieuwe woning bevinden zich met name tuinbouwbedrijven. In de VNG-lijst hebben tuinbouwbedrijven met kassen milieucategorie 2 en een bijbehorende richtafstand van 10 m in gemengd gebied. De dichtstbijgelegen tuinbouwbedrijven bevinden zich op een afstand van circa 25 m. Er wordt hiermee voldaan aan de richtafstand. Verder geldt dat de zijde waar de meest belastende bedrijfsactiviteiten plaatsvinden zich bij tuinbouwbedrijven in de omgeving niet nabij de camperplaatsen en de beoogde woning bevindt. Daarnaast is er ten westen van het plangebied een bedrijventerrein gelegen. De dichtstbijgelegen bedrijven op dit bedrijventerrein bevinden zich op een afstand van minimaal 90 m van de camperplaatsen en de woning.
Voor deze gronden zijn bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. De richtafstand voor deze bedrijven is maximaal 50 m in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Er kan geconcludeerd worden dat er ter plaatse van de camperplaatsen en de nieuwe woning sprake is van een goed leefklimaat met betrekking tot de milieuaspecten. Milieubelastende activiteiten Het gebruik van het groencentrum is in het geldende bestemmingsplan reeds toegestaan. Deze milieubelastende bestemming hoeft derhalve ook niet getoetst te worden in relatie tot bestaande milieugevoelige bestemmingen. De te legaliseren camperplaatsen en dagrecreatieve functies dienen in het kader van milieuzonering wel getoetst te worden aan omliggende gevoelige bestemmingen. In de VNG-lijst zijn camperplaatsen niet opgenomen daarom is uitgegaan van SBI-2008 553, 552 (kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)). Hiervoor geldt een milieucategorie van 3.1 met een richtafstand van 50 m voor het aspect geluid. In gemengd gebied kan deze richtafstand verlaagd worden tot 30 m. De beoogde nieuwe woning in het plangebied is op een afstand van 30 m van de camperplaatsen voorzien. De woonbestemming van Hazenpad 3 ligt op ongeveer 35 m van de grens van de camperplaatsen. De bestaande woning Hazenpad 3 ligt op ongeveer 45 m van de planlocatie.
De bedrijfswoning Hazenpad 5 ligt op ongeveer 32 m van de grens van de verblijfsrecreatie zone. De woningen in de nabijheid van het plangebied liggen daarmee op meer dan 30 m van de camperplaatsen. Ondanks uit het bovenstaande volgt dat er voldaan wordt aan de richtafstanden met betrekking tot de recreatieve voorzieningen, is een nadere beschouwing in het kader van een goede ruimtelijke ordening gewenst. Daarbij speelt een aantal zaken een rol. Het betreft slechts een formalisatie van in totaa 31 camperplaatsen die uitsluitend in het seizoen en daarmee een tijdelijk deel van het jaar in gebruik zijn. Het gaat om camperplaatsen, die met uitzondering van een toiletgebouw, niet over voorzieningen kunnen beschikken. Het ontbreken van voorzieningen maakt dat de camperplaatsen een extensief karakter hebben en daarmee een bepaalde doelgroep aantrekken. Met dit extensieve karakter is de geluidemissie zeer beperkt. De inrit/toegang tot de camperplaatsen bevindt zich nabij woningen. Al met al kan geconcludeerd worden dat de camperplaatsen geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat in de omgeving, zowel voor de beoogde woning in het plangebied als de bestaande woningen buiten het plangebied. Voor de dagrecreatieve functies wordt er uitgegaan van milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. In gemengd gebied kan deze richtafstand verlaagd worden tot 10 m.
De woning Geestweg 2a bevindt zich op een afstand van ca. 23 m van de grens van de bestemming recreatie, waar dagrecreatie mogelijk is. De woningen in de nabijheid van het plangebied bevinden zich daarmee op meer dan 10 m van de dagrecreatieve functies. De dagrecreatieve functies hebben geen negatief effect op het woon- en leefklimaat van nabijgelegen woningen.
27
Er kan derhalve worden aangenomen dat de beoogde bestemmingswijziging geen problemen oplevert met betrekking tot milieuzonering.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.
Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
28
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen is bepaald dat terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden beperkt kwetsbare objecten zijn. Een woning is een kwetsbaar object.
Daarom zal voor dit plan getoetst worden of voldaan wordt aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd.
29
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld)
De planlocatie ligt in het effectgebied van de A4, maar wel een op ruime afstand van circa 400 m. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4.000 m. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig, omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn voor de in het plangebied aanwezige gebouwen geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende. Op een kampeerterrein is schuilen voor een gifwolk lastiger dan in een gebouw. Als er overdag een incident met toxische stoffen op de A4 plaatsvindt, is het wellicht mogelijk om te schuilen in de bouwwerken in de directe omgeving. In de avonduren is die mogelijkheid er (waarschijnlijk) niet.
Daarnaast is het van belang dat de aanwezigen haaks op de windrichting kunnen vluchten. In deze situatie zijn er voldoende mogelijkheden om voor de toxische wolk uit te vluchten. De initiatiefnemer zal gebruikers actief informeren over mogelijke scenario’s bij een incident en een handelingsperspectief bieden, wat gebruikers meer bewust maakt van wat zij moeten doen bij het scenario en de risico’s vermindert. De Veiligheidsregio Hollands Midden is in de gelegenheid gesteld een (brandweer)advies te geven. Het advies met betrekking tot schuilen en vluchten is hierboven verwerkt. De belangrijkste opmerkingen ten aanzien van het plangebied en het advies zijn als volgt:
•
In de omgeving van het plangebied zijn geen brandkranen aanwezig. Echter is het plangebied zelf grotendeels omsloten door water en is er in het plangebied een watergang aanwezig. Dit open water kan gebruikt worden als primaire bluswatervoorziening.
•
Voor een adequate hulpverlening is het van belang dat de bruggen voldoende asbelasting (100 kN, NEN 1008, klasse 30) aan kunnen, zodat de brandweer ter plaatse kan komen.
30
Bij een incident met een LPG-tankwagen op de A4 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de realisatie van het plan. De hulpdiensten kunnen het gebied en/of locatie via lokale wegen bereiken om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid te brengen via de Geestweg, mits tijdig gewaarschuwd. Daarnaast ligt er op een afstand van circa 340 m een opslag magazijn voor gevaarlijke stoffen. Voor deze inrichting geldt een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 20 m. Er wordt ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Gezien de afstanden tot risicovolle inrichtingen en transportroutes kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik van de gronden binnen het plangebied.
4.7 Cultureel erfgoed 4.7.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast. Bovendien is er met onderhavig plan geen sprake van sloop of nieuwbouw. 4.7.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.
Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze herziening van het beleid vastgesteld.
31
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied: zwarte cirkel)
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied in een gebied ligt met lage verwachting. Om die reden is in het geldende bestemmingsplan en in het voorliggende bestemmingsplan geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Er kan gesteld worden dat archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ een vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling omvat geen sloopwerkzaamheden. De bouwwerkzaamheden bestaat uit de realisatie van een woning op een terrein dat intensief gebruikt wordt. Verder worden er geen watergangen gegraven of gedempt. Om die reden is het uitgesloten dat beschermde soorten van de Wet natuurbescherming negatieve effecten ondervinden. een ecologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
32
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Het dichtstbij gelegen Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 1,4 km en het dichtst bijgelegen Natura 2000gebied ligt op ruim 9 km van het plangebied. Gezien de huidige inrichting van het terrein, het gebruik van de gronden en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden zal er geen sprake zijn van negatieve effecten voor beschermde natuurgebieden. Vanwege de uitspraak door de Raad van State over het PAS (Programma Aanpak Stikstof) zal nader worden in gegaan op het aspect stikstofdepositie. Door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is een beoordelingskader voor bouwen opgesteld. Met dit beoordelingskader kan onderscheid gemaakt worden tussen initiatieven die niet stikstofrelevant zijn en initiatieven die (mogelijk) wel stikstofrelevant zijn. Voor de niet stikstofrelevante initiatieven hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de aanlegfase. Volgens dit beoordelingskader heeft de bouw van vijf woningen op 12 km afstand van een Natura 2000gebied geen effect. Voor onderhavige ontwikkeling is er sprake van circa 12 km afstand tot het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied.
Voor de bouwfase kan op basis van het beoordelingskader geconcludeerd worden dat er geen negatieve effecten optreden voor de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden. Voor de gebruiksfase zal er met de legalisatie van het bestaande gebruik en de nieuwe woning slechts een beperkte toename van verkeersbewegingen zijn ten opzichte van de huidige situatie. Het groencentrum en bijbehorende verkeersbewegingen zijn reeds toegestaan evenals het gebruik van 10 camperplaatsen. Voor het te legaliseren gebruik van de gronden wordt naar schatting een verkeersgeneratie van circa 46 voertuigbewegingen per etmaal geproduceerd. Gezien de beperkte verkeerstoename en de grote afstand tot het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied kan er redelijkerwijs worden aangenomen dat de te legaliseren functies geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
4.9 Waterhuishouding 4.9.1 Generiek beleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten
33
voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.2 Hoogheemraadschap van Rijnland Keur en beleidsregels De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren.
De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebods- en verbodsbepalingen) voor:
• • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versies betreffen de Keur Rijnland 2020 en de Uitvoeringsregels Keur 2020. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15% moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. 4.9.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt het gebruik van de gronden in het plangebied voor recreatief gebruik planologisch mogelijk. Volgens de Keur geldt bij een toename van verharding van meer dan 500 m² een compensatie van 15% in de vorm van open water. Op 24 november 2015 heeft met het hoogheemraadschap van Rijnland overleg over de verleende Watervergunning plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat de verharding die aanwezig was in 2011 in de vorm van kassen, niet verloren is gegaan. Het gaat hier om 12.150 m² aan kassen. Ook waren er voorheen bassins aanwezig. Deze bassins zijn verwijderd, waarna respectievelijk een oppervlakte van 1.074 en 857 m² aan
34
oppervlakte water is toegevoegd. Hiermee is een courantrekening aan vierkante meters water gecreëerd. In dit bestemmingsplan dient er rekening gehouden te worden met deze courantrekening. Ook heeft de watergang die door het plangebied loopt een extra aftakking gekregen. Hiermee is ca. 175 m² extra oppervlak aan water toegevoegd. Het verhard oppervlak vormt geen belemmeringen voor het initiatief. Ten behoeve van de camperplaatsen is er een toiletgebouw gerealiseerd. Dit gebouw is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. De nieuwe woning aan de zuidoostzijde van het plangebied is buiten de beschermingszone van de watergangen ten oosten en zuiden van het plangebied voorzien. Het bouwvlak ligt buiten deze beschermingszone. Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Met de beoogde bestemmingswijziging wordt het gebruik van de gronden van het plangebied voor in totaal 31 camperplaatsen, verhuur van kano's, boten, supboarden en fietsen, dagrecreatie en één nieuwe woning toegestaan.
Het gebruik van deze gronden zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. In de publicatie (381) 'Toekomstbestendig parkeren' zijn de functies camperplaatsen en de andere voorkomende dagrecreatieve functies niet opgenomen. Derhalve zullen er navolgend enkele aannames worden gedaan om een schatting van het aantal verkeersbewegingen te kunnen maken. In de huidige situatie zijn er reeds 10 camperplaatsen vergund. Met de 21 extra camperplaatsen wordt er aangenomen dat er een toename van 21 verkeersbewegingen per etmaal zijn (de campers zullen op één dag aankomen en op een andere dag vertrekken). Naar verwachting zullen de dagrecreatieve functies deels gebruikt worden door bezoekers van het groencentrum. Daarnaast wordt er aangenomen dat er gemiddeld circa 25 verkeersbewegingen per etmaal zullen zijn ten behoeve van de dagrecreatieve functies. De verkeersgeneratie van de nieuwe woning (vrijstaande woning) is circa 8 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal zal het aantal verkeersbewegingen, als gevolg van het te legaliseren gebruik van de gronden, toenemen met circa 54 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een beperkte toename ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied wordt ontsloten via de Geestweg. Deze weg beschikt over voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen op te vangen.
35
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Met het legaliseren van de extra camperplaatsen en dagrecreatieve functies zijn er parkeerplaatsen benodigd. Voor de camperplaatsen zijn er naast de standplaatsen geen extra parkeerplaatsen nodig. Er zijn 21 extra camperplaatsen voorzien.
Voor de dagrecreatieve functies en de nieuwe woning wordt er (zoveel mogelijk) aangesloten bij de Nota parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem. Voor de verhuur van kano's, supboarden, fietsen en boten en voor de pluktuin en speelweide is geen specifieke parkeernorm opgenomen. Voor het geheel aan dagrecreatieve functies wordt er derhalve aangesloten bij de parkeernorm voor een kinderboerderij. Volgens deze parkeernorm dienen er afgerond 19 parkeerplaatsen beschikbaar te zijn voor deze functies. Uit ervaring blijkt dat er op het terrein voldoende parkeergelegenheid is. Bovendien maakt een gedeelte van de bezoekers van het tuincentrum gebruik van dagrecreatieve functies. Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de dagrecreatieve functies is daarmee beperkt. Bij de nieuwe woning is er voldoende ruimte voor het benodigde aantal parkeerplaatsen (afgerond 3).
36
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
37
•
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch De gronden aan de zuidoostzijde van het plangebied krijgen gedeeltelijk de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend hobbymatige agrarische activiteiten en bij de bestemming behorende voorzieningen toegestaan. Er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd worden. Een uitzondering hierop is dat er een kas van maximaal 50 m² en maximaal 3 m hoog gebouwd mag worden. Detailhandel De bestemming 'Detailhandel' is toegekend aan de gronden behorende bij het tuincentrum. De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor een tuincentrum, met ondergeschikte horeca, detailhandel in een nevenassortiment en tuincentrum ondersteunende teelt. Deze gebruiksmogelijkheden zijn geen verruiming ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en toegangswegen. Recreatie De op de verbeelding voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op dagrecreatie. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen' zijn tevens bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 31 camperplaatsen.
Verkeer Het pad dat als ontsluiting van het tuincentrum, de recreatieve voorzieningen en de beoogde woning fungeert is als 'Verkeer' bestemd. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Water De gronden die zijn aangewezen voor 'Water' zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterpartijen. Daarnaast zijn deze gronden ook bestemd voor groenvoorzieningen, infiltratievoorzieningen en kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden en steigers. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wonen De gronden behorende bij de beoogde woning zijn bestemd als 'Wonen'. Binnen deze bestemming zijn wonen, de uitoefening van een aan huis gebonden beroep en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Een hoofdgebouw (woning) mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 650 m³, met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 m. Daarnaast mogen bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
38
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek De kosten voor de bestemmingsplanwijziging worden, waar nodig, door middel van een anterieure overeenkomst en leges op de initiatiefnemer verhaald. Daarnaast zijn er voor de gemeente geen kosten verbonden aan dit initiatief. Het voorliggende plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
39
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Initiatiefnemer heeft de directe buren geïnformeerd over de activiteiten en plannen voor het plangebied. De buurt is tevreden met de activiteiten die plaatsvinden op het terrein. Ook is de buurt tevreden met de inrichting en nieuwe staat van de omgeving.
7.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg Het plan is in mei 2020 voorgelegd aan de provincie Zuid-Holland. Destijds is geconcludeerd dat het plan past binnen de regels van de Omgevingsverordening, indien de mogelijkheden voor detailhandel niet worden verruimd ten opzichte van het geldende planologische regime. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. In september 2023 is de reactie van het Hoogheemraadschap van Rijnland ontvangen. Naar aanleiding van deze reactie is de positie van het bouwvlak voor de nieuwe woning, binnen de bestemming 'Wonen', verplaatst. In de nieuwe positie ligt het bouwvlak buiten de beschermingszone van de watergangen die ten oosten en zuiden van het plangebied liggen. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft een vraag gesteld over de belastbaarheid van de bruggen. Er dient minimaal sprake te zijn van verkeersklasse 45.
7.4 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
40