CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20240313_t_NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Hazenpad/Geestweg, Roelofarendsveen’.14.397 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Hazenpad/Geestweg, Roelofarendsveen Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPHAZENPADGEESTWEG-VAS1

Datum:

2024-03-13

Contactpersoon Buro SRO:

R. van der Made

Kenmerk Buro SRO:

SR190261

Opdrachtgever:

Dhr. Akerboom

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 18 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 24 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Cultureel erfgoed ..............................................................................................................................................

31 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 32 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 33 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 35

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 37 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 37 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 37 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 38

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 40 7.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 40 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 40

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gronden aan het Hazenpad 1 in Roelofarendsveen zijn in de geldende bestemmingsplannen voorzien van een agrarische bestemming, waarbinnen detailhandel mogelijk is, en een waterbestemming. Deze bestemming sluit niet volledig aan bij het huidige gebruik van de gronden. De betreffende gronden worden gebruikt ten behoeve van camperplaatsen, dagrecreatieve functies en een groencentrum. In de huidige situatie is enkel het groencentrum toegestaan binnen het bestemmingsplan. Daarnaast is er een vergunning verleend voor het realiseren van 10 camperplaatsen op het terrein. Initiatiefnemer wenst ook het overige gebruik van de gronden juridisch-planologisch mogelijk te maken. Daarnaast is een nieuwe woning beoogd. Om het gebruik van de gronden aan het Hazenpad 1 in Roelofarendsveen te formaliseren en de nieuwe woning mogelijk te maken dient een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggende toelichting omvat de noodzakelijke onderbouwing om het initiatief door middel van een bestemmingsplanherziening mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in de kern Roelofarendsveen, ten zuidwesten van het centrum en bevindt zich in een agrarisch glastuinbouwgebied. De gronden van het plangebied zijn bekend onder de kadastrale gemeente Alkemade, sectie C, perceelnummer 2794, 3024, 3025, 3708, 3710 en 3117. Het plangebied heeft een totaal oppervlakte van circa 22.350 m². Ten noorden, ten oosten en ten zuiden van het plangebied bevinden zich met name kassen. Ten westen van het plangebied zijn enkele woningen en agrarische percelen gelegen, met verder in westelijke richting een bedrijventerrein. Het plangebied is grotendeels omsloten door water. In het plangebied zijn tevens twee watergangen gelegen. Het plangebied is bereikbaar door middel van twee bruggen aan de zuidzijde. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is door middel van een brug verbonden met het zuidelijke deel. De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en de globale begrenzing van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (wit omcirkeld, bron: Google Maps)

5

Globale begrenzing plangebied (witte omkadering, bron: Google Maps)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden van het plangebied gelden twee bestemmingsplannen. In 2016 (21 maart) is voor een deel van de betreffende gronden het bestemmingsplan 'Hazenpad 1, Roelofarendsveen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan is destijds vastgesteld ten behoeve van het tuincentrum. Door de omvang en de insluiting door water is het perceel niet geschikt voor glastuinbouw of andere agrarische doeleinden. De rest van de gronden van het plangebied maken deel uit van het bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg', vastgesteld op 13 mei 2013. Het plangebied is grotendeels voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Daarnaast is een strook in het midden van het plangebied voorzien van de bestemming 'Water'. Ten behoeve van het groencentrum beschikken de gronden in het zuiden van het plangebied over de functieaanduiding 'detailhandel'.

6

Navolgende afbeelding toont de vigerende bestemmingsplannen 'Hazenpad 1, Roelofarendsveen' en 'Geestweg en Floraweg' ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede geldende bestemmingsplannen (plangebied rood omkaderd)

De op de verbeelding voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van glastuinbouwbedrijven, bollenbroeierijen en vollegrondsteelt, tuincentrum ondersteunende vollegrondsteelt, kweekactiviteiten en glastuinbouw en daarbij behorende voorzieningen. Daarnaast zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' bestemd voor een tuincentrum. Binnen de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw' in het bestemmingsplan 'Geestweg en Floraweg' zijn de gebruiksmogelijkheden ruimer en zijn tevens ondergeschikte detailhandel van op locatie gekweekte of voorgebrachte producten en hoveniersbedrijven toegestaan. De gronden die zijn aangewezen voor 'Water' zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterpartijen, kweekactiviteiten, opslag- en uitstallingsmogelijkheden van waterplanten en vissen (niet over de volledige breedte van watergangen), groenvoorzieningen, infiltratievoorzieningen, kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden. Het gebruik van het plangebied voor dagrecreatieve functies, waaronder sup- en kanoverhuur, bootverhuur, fietsverhuur, een pluktuin, een dierenweide en het gebruik van camperplaatsen past niet binnen de geldende bestemmingsplannen. Dit geldt ook voor de nieuwe woning die aan de zuidoostzijde van het plangebied is voorzien.

Om het gebruik van de gronden te legaliseren dient een bestemmingsplanherziening plaats te vinden. Onderhavig plan voorziet hierin.

7

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

8

2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan het Hazenpad 1 in de Roelofarendsveen. In de huidige situatie wordt het plangebied reeds gebruikt ten behoeve van een groencentrum, camperplaatsen, dagrecreatieve functies en hobbymatige agrarische activiteiten. Aan de zuidwestzijde van het plangebied is het groencentrum gevestigd. Het groencentrum bestaat uit een binnenruimte en buitenruimte. Naast het groencentrum is voorzien in voldoende parkeerplaatsen op het terrein ten behoeve van bezoekers van het groencentrum. Het terrein is via twee opritten/bruggen ontsloten aan de Geestweg. Ten oosten van het groencentrum zijn tien camperplaatsen gesitueerd voor verblijfsrecreatie. Ten noorden van de watergang binnen het plangebied zijn nog eens 21 camperplaatsen aanwezig. Ten behoeve van verblijfsrecreatie is er ten oosten van het tuincentrum, nabij de camperplaatsen, een toiletgebouw voorzien. Ten zuiden van de watergang staat een hooiberg gesitueerd. Voorheen stond hier een container voor de opslag ten behoeve van de kano- en supverhuur. Deze container is in de huidige situatie meer richting het noorden van het perceel verplaatst. In de watergang liggen enkele boten die verhuurd worden voor recreatief gebruik. De overige gronden ten oosten van de camperplaatsen worden gebruikt voor een moestuin, dierenweide en pluktuin.

De noordelijk gelegen gronden hebben in de huidige situatie nog geen recreatieve functie. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied.

Overzicht plangebied huidige situatie

9

Toiletgebouw ten behoeve van verblijfsrecreatie

Hooiberg

2.2 Toekomstige situatie Bestaand gebruik Initiatiefnemer is voornemens om het bestaande gebruik van de gronden voor het groencentrum, camperplaatsen en dagrecreatieve functies juridisch-planologisch mogelijk te maken door middel van het voorliggende bestemmingsplan. Het gebruik van de gronden zal niet wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Tevens zijn er geen nieuwe bouwwerken beoogd (met uitzondering van de nieuwe woning). In totaal beschikt het terrein over 31 camperplaatsen. De noordelijke gelegen gronden van het plangebied hebben in de huidige situatie nog geen functie. Omdat deze gronden niet meer gebruikt worden voor agrarische doeleinden, worden deze gronden tevens voorzien van een recreatieve bestemming. De recreatieve invulling van de gronden is nog niet bepaald. Het is wel

10

bekend dat het hier om dagrecreatieve functies gaat die vergelijkbaar zijn met de functies die momenteel al aanwezig zijn. Op het perceel ten zuiden van de watergang is een hooiberg gesitueerd. De container die gebruikt wordt voor de opslag van de kano- en supverhuur is meer richting het noorden gesitueerd. Op navolgende afbeelding staat de nieuwe locatie van de container weergegeven.

Nieuwe locatie container

In navolgende tabel is weergegeven welke functies in het plangebied aanwezig zijn en of deze functies al dan niet zijn toegestaan in het geldende bestemmingsplan of door middel van een vergunning. Functies Groencentrum Verblijfsrecreatie (31 camperplaatsen) Verhuur/opslag van kano's, supboarden, boten en fietsen Speel-/ hobbyweide/ pluktuin/ moestuin Dagrecreatie (noord)

11

Vergund/ toegestaan Ja 10 zijn er vergund (21 niet) Nee Nee Nee

Op navolgende afbeelding is weergegeven waar de functies uit de tabel zich in het plangebied bevinden.

Functies in het plangebied (bron: VRP Architecten)

Woning Aan de zuidoostzijde is een nieuwe woning beoogd. De woning bevindt zich nabij de bestaande woningen aan de Geestweg 1, Geestweg 2a en Floraweg 64b. De woning wordt ontsloten via de bestaande inrit die aansluit op de Geestweg.

12

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is de NOVI verder niet specifiek van belang. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en er zijn dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

13

3.

4.

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het geldende bestemmingsplan is een tuincentrum toegestaan met een maximum bruto vloeroppervlak van 2.510 m². Daarnaast zijn er 10 camperplaatsen vergund. Met de beoogde legalisatie worden er extra camperplaatsen en enkele dagrecreatieve functies in de buitenlucht toegestaan. Daarnaast is één nieuwe woning beoogd. Met onderhavig plan nemen de bebouwingsmogelijkheden nauwelijks toe ten opzichte van de huidige situatie. Gezien voornoemde is onderhavig plan niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een verantwoording in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

2.

Ambities en sturing

de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.

14

De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Kaart: Laag van de ondergrond Uit de laag van de ondergrond blijkt dat het plangebied deels in een veencomplex ligt en deels in bijzonder reliëf en aardkundige waarden. De ondergrond van het veencomplex wordt gevormd door veen en oude zeeklei. Het veen kent een geringe draagkracht en is daarnaast zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor het behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van bodemdaling. Met het voorgenomen plan zal er grotendeels gebruik worden gemaakt van bestaande gebouwen. De nieuwe bebouwing die beoogd is betreft de woning aan de zuidoostzijde van het

15

plangebied. Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op het veengebied en de ontwikkeling zal niet leiden tot extra bodemdaling. Voor het gebied met bijzonder reliëf en aardkundige waarden zullen er teven geen veranderingen optreden. Kaart: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied ligt in onverveende bovenlanden. Een bovenland is een smalle strook onvergraven veengrond aan weerszijden van een veenstroom of wetering, met een scherpe overgang naar de aangrenzende droogmakerijen. De veenstromen aan weerzijden van het plangebied blijven behouden. De onverveende bovenlanden blijven daarmee herkenbaar en worden met de bestemmingswijziging niet aangetast. 4.

Beleidskeuzes

Voor wat betreft het vierde onderdeel van de Omgevingsvisie, de beleidskeuzes, kan gemeld worden dat de ontwikkeling aansluit bij de beleidskeuze: Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied'. Het plangebied maakt onderdeel uit van 'Werkgebieden met karakter' in een gebied met grote concentraties glastuinbouw. Sinds een geruime tijd wordt het betreffende perceel niet meer gebruikt ten behoeve van glastuinbouw of andere agrarische doeleinden. Door de omvang en de insluiting door water is het perceel ook niet meer geschikt voor een modern en duurzaam glastuinbouwbedrijf. Voor het betreffende gebied is het wenselijk om het harde contrast tussen glas en omgeving te verminderen. Met de recreatieve invulling van het plangebied wordt hier aan bijgedragen. Conclusie Samenvattend kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de relevante richtpunten.

De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie, en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de locatie niet groter is dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.

16

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling past bij de aard en de schaal van het gebied. Bovendien maakt het plangebied geen onderdeel uit van het omliggende glastuinbouwgebied dat specifiek bestemd is voor glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven. Tevens is er geen sprake van sloop of nieuwbouw en betreft de ontwikkeling slechts een functiewijziging. Uitzondering hierop is de beoogde nieuwe woning aan de zuidoostzijde van het plangebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten voldoet. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.

Voor het bepalen van de gevolgen van de risico ten aanzien van wateroverlast is de klimaatatlas geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat in het plangebied geen wateroverlast te verwachten is bij overvloedige neerslag. Voor het bepalen van het overstromingsrisico is de klimaatatlas geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een kleine overstromingskans. De waterdiepte bij een overstroming bedraagt circa 0,5 m. Aanzienlijk koeler dan in de omgeving. Er is ter plaatse van het plangebied een met de omgeving vergelijkbare grondwaterstand. Er is voldoende ruimte voor water om te infiltreren en tevens zijn er veel watergangen aanwezig in het plangebied. Er zijn daarmee geen relevante gevolgen ten aanzien van de risico's van klimaatverandering te verwachten. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

17

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De kern Roelofarendsveen maakt onderdeel uit van de regio Holland Rijnland, waarvoor de betrokken gemeentes gezamenlijk een visie hebben ontwikkeld om te werken aan de toekomst van deze regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regio- of landsgrenzen. De Regionale Structuurvisie geeft de grote lijnen weer van de gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Bij alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de regio staat het groen-blauwe raamwerk centraal. Rekening zal gehouden moeten worden met de gebruiks- en belevingswaarde van de verschillende landschappen die de regio rijk is. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet de recreatieve bereikbaarheid van het landschap minimaal gelijk blijven, dan wel verbeterd worden. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van voorliggend initiatief zijn de kernbeslissingen van de regionale structuurvisie niet specifiek van toepassing. De regionale structuurvisie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.3.2 Woonagenda Holland Rijnland 2023 In de Woonagenda Holland Rijnland 2023 is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal en subregionaal geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de woningbehoefte. Om hieraan te voldoen heeft de regio een aantal afspraken gemaakt over de woningbouwproductie tot en met 2030 en daarna. De regio wenst 30.500 woningen toe te voegen tussen 2021 en 2030. Het aantal te bouwen woningen is verdeeld onder de drie subregio's van Holland Rijnland.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de subregio Oost. Voor de subregio Oost is er in de periode 2021 tot 2030 een woningbehoefte van 9.500 tot 11.000 extra woningen. In deze subregio is de planvoorraad onvoldoende om tegenvallers op te kunnen vangen. Er zijn dan ook nieuwe plannen nodig om aan de woningopgave te voldoen. De ontwikkeling van één woning levert hier een (beperkte) bijdrage aan. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de Woonagenda Holland Rijnland 2023.

18

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De raad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan de volgende thema's centraal:

• • • • • •

energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.

In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek De planlocatie behoort volgens de visiekaart niet tot een gebiedstype of deelgebied. Derhalve wordt aangesloten bij wat in de Omgevingsvisie thematisch vermeld is over recreatie. Wat betreft recreatie wil de gemeente in het buitengebied aantrekkelijk zijn voor de eigen inwoner. Dan wordt het vanzelf ook aantrekkelijk voor recreanten van buiten de gemeente. Ze wil voornamelijk inzetten op dagrecreatie (wandelen, fietsen en varen) die wordt ondersteund door daghoreca (het drinken van een kopje koffie of lunchen). Ook moet er ruimte zijn voor kleinschalige verblijfsrecreatie, maar niet in alle delen van het buitengebied.

Voor grootschalige verblijfsrecreatie (meer dan 20 recreatiewoningen) is er weinig ruimte in de gemeente, maar de gemeente sluit het niet volledig uit. Voor sommige gebieden is grootschalige verblijfsrecreatie wel op voorhand al uitgesloten vanwege bijvoorbeeld de cultuurhistorische en/of natuurwaarden. Onderhavig initiatief is een particulier initiatief dat bijdraagt aan de leefbaarheid van de kern Roelofarendsveen. Het recreatief gebruik van de gronden draagt bij aan een aantrekkelijke en gevarieerde leefomgeving. De gemeente Kaag en Braassem heeft bovendien een unieke ligging in het Groene Hart en als onderdeel van het Hollands Plassengebied. Dit biedt kansen voor recreatieve bedrijvigheid. De gemeente zet, zoals eerder benoemd ook in op het verder ontwikkelen van recreatiemogelijkheden. Met het

19

legaliseren van de recreatieve functies in het plangebied wordt er gebruik gemaakt van de kansen voor recreatieve bedrijvigheid. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal te zijner tijd getoetst moeten worden aan de welstandsnota.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld. Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat activiteiten die in beginsel voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De camperplaatsen sluiten aan bij onderdeel D10 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van: permanente kampeer- en caravanterreinen'(drempelwaarde: 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied) van het Besluit milieueffectrapportage. Het betreft slechts 31 camperplaatsen op een terrein dat reeds in gebruik is voor camperplaatsen. Daarnaast bestaat het voorliggende plan uit activiteiten die reeds aanwezig én in overeenstemming zijn met de huidige planologische mogelijkheden. Verder is de oppervlakte van het terrein beperkt vergeleken met de drempelwaarden. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan onder mogelijkheid d valt. Het plan is kleinschalig en wordt niet beschouwd als een plan waarop het Besluit m.e.r. van toepassing is.

21

In het kader van dit ruimtelijk plan zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met onderhavig initiatief verandert het grondgebruik. Daarmee is er sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik zijn er meerdere onderzoeken uitgevoerd. Historisch bodemonderzoek Allereerst is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd (18 juni 2020, Grondslag, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Op basis van de huidige- en historische gegevens zijn de volgende bronlocaties te herleiden:

• •

gedempte sloot voormalige plantenkassen

Ter plaatse van de gedempte watergang/en, met name gelegen aan de noordzijde, kunnen bijmengingen met puin aanwezig zijn. Volgens de eigenaar zijn de sloten met grond of puin die door de bouw van de snelweg A4 vrij zijn gekomen, gedempt. De soort en kwaliteit van het dempingsmateriaal is niet bekend. Aangezien puin mogelijk afkomstig is van bouw- en sloopafval dient rekening gehouden te worden met een eventuele verontreiniging met zware metalen, PAK en asbest. De noordzijde, waar de voormalige kassen zijn aanwezig geweest, is vanwege mogelijke toepassing van asbesthoudend kit de grond verdacht voor asbest. Mogelijk zijn ook bestrijdingsmiddelen ter plaatse van de voormalige kassen gebruikt. De bovengrond wordt derhalve beschouwd als verdacht voor een verontreiniging met OCB. Naar aanleiding van de beschikbare historische informatie is aanbevolen om op het noordelijke deel (huidig weiland), ter plaatse van de gedempte sloten een verkennend bodem en asbestonderzoek met aandacht op OCB uit te voeren. Verkennend bodemonderzoek Op basis van het historisch bodemonderzoek werd geadviseerd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren (16 september 2020, Grondslag, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Het gehele terrein De gestelde hypothese dat verhogingen aan zware metalen, PAK en OCB worden verwacht, is bevestigd.

In de grond zijn over het algemeen lichte verhogingen aan zware metalen, OCB en/of PAK aangetoond.

22

Plaatselijk zijn ook lichte verhogingen aan minerale olie aangetoond. Deze verhogingen zijn echter te relateren aan PAK en/of humuszuren. In het grondwater zijn lichte verhogingen aan barium en/of nikkel aangetoond. Slootdemping Ter plaatse van boring 11 is een gedempte sloot aangetroffen. De sloot is vermoedelijk met klei en veen gedempt. Hoewel op de locatie vermoedelijk meer slootdempingen aanwezig zijn, zijn met de overige boringen geen slootdempingen aangetroffen. De verwachting is dat de overige sloten gedempt zijn met gebiedseigen grond. In de kleilaag van boring 11 zijn lichte verhogingen aan zware metalen gemeten. In het monster van de sterk slibhoudende voormalige slootbodem zijn naast lichte verhogingen aan zware metalen, minerale olie en PAK, een matig verhoogd gehalte aan lood en sterk verhoogde gehalten aan koper, nikkel en zink aangetoond. Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is bevestigd. In de bovengrond is ter plaatse van het middenterrein (onderste deel weiland) zowel visueel als analytisch asbest aangetroffen. In het mengmonster van de gaten 14, 15, 17 en 18 is in de fijne fractie asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de toetswaarde voor een nader onderzoek. In inspectiegat 16 is asbest in de grove fractie aangetroffen. In de fijne fractie is geen asbest aangetoond.

Het gehalte overschrijdt de interventiewaarde. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om een nader onderzoek asbest uit te voeren om het definitieve asbestgehalte te bepalen. Daarnaast wordt ook aanbevolen om een nader onderzoek uit te voeren naar de sterke verontreiniging zware metalen in de gedempte sloot, om de ernst en omvang vast te stellen. Aanvullend bodemonderzoek Zoals geadviseerd is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (13 januari 2022, Grondslag, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Gedempte sloot De sterke verhogingen uit het verkennend bodemonderzoek zijn niet meer aangetroffen. In de verdachte laag zijn enkel lichte verhogingen aangetoond. Ook in de overige sleuven en in de onderliggende grond zijn maximaal lichte verhogingen aangetoond. De sterke verhoging uit voorgaand onderzoek kan een toevalstreffer zijn, of mogelijk zat er een puindeeltje in het monster dat tot de sterke verhogingen heeft geleid. Asbest De locatie is onderverdeeld in twee ruimtelijke eenheden (verdachte bovengrond van RE1 en RE2). Beide eenheden zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van asbest door middel van het graven van sleuven. Met het nader onderzoek is het gemiddelde gehalte aan asbest per RE bepaald. In beide RE’s is zowel visueel (grove fractie) als analytisch (fijne fractie) geen asbest aangetoond.

Algemeen Voorafgaand aan het nader onderzoek is een conceptueel model opgesteld. De resultaten die zijn verkregen tijdens de uitvoer van het nader onderzoek hebben niet geleid tot aanpassing of een wijziging van het model, of een aanvulling van de onderzoeksopzet. De onderzoeksvragen zijn middels het uitgevoerde onderzoek voldoende beantwoord. Conclusie Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan.

23

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Met onderhavig plan wordt een nieuw geluidgevoelig object, te weten een woning, mogelijk gemaakt. Vanwege de ligging binnen de onderzoekszone van de Geestweg, de Floraweg, de rijksweg A4 en de HSL is een akoestisch onderzoek (9 juni 2023, Adviesburo Van der Boom, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de hoogste geluidbelasting door railverkeer 50 dB op de westgevel bedraagt. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er zijn geen hogere waarden nodig voor railverkeer. De geluidbelasting door wegverkeer op de A4 bedraagt ten hoogste 50 dB na aftrek ex artikel 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 2 dB overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de Geestweg bedraagt ten hoogste 43 dB na aftrek. De geluidbelasting door wegverkeer op de Floraweg bedraagt ten hoogste 33 dB na aftrek. De geluidbelasting op deze wegen ligt daarmee ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn geen hogere waarden nodig voor wegverkeer op de Geestweg en de Floraweg.

Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk, omdat de A4 reeds voorzien is van een stil wegdek en andere bronmaatregelen verkeerskundig niet mogelijk zijn. Afscherming van de woning is op deze locatie eveneens reeds aanwezig. Voor de gevels van de woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 50 dB voor geluid door wegverkeer op A4. De woning voldoet aan de “Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet Geluidhinder” van de gemeente Kaag en Braassem. De geluidbelasting bedraagt niet meer dan 53 dB na aftrek, waardoor de aanvullende voorwaarden uit het hogere waarden beleid niet van toepassing zijn. Ook hoeft vanuit dit beleid daarom niet te worden gestreefd naar een stille gevel. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als daarnaast voldaan wordt aan de eisen voor het verlenen van een hogere waarde en als voor de woning wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. In toelichting paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op milieuzonering en mogelijke geluidsbelasting door de camperplaatsen en de dierenweide. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

24

4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of als gevolg van het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de

25

grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de beoogde bestemmingswijziging wordt het gebruik van de gronden van het plangebied voor in totaal 31 camperplaatsen, verhuur van kano's, boten, supboarden en fietsen (dagrecreatie) en één nieuwe woning toegestaan. Het gebruik van deze gronden zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit toelichting paragraaf 4.10.1 blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen met 54 toeneemt. Gezien deze beperkte toename kan de ontwikkeling worden aangemerkt als een project dat 'niet in betekenende mate' invloed heeft op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Derhalve is het niet noodzakelijk om te toetsen of de grenswaarden niet worden overschreden. Desondanks is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken of er met betrekking tot de luchtkwaliteit sprake is van een goed leefklimaat rondom het plangebied. Uit de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse de achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied respectievelijk 15,9 μg/m³ PM10, 8,4 μg/m³ PM2,5 en 14,6 μg/m³ NO2 bedragen. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=cf19524b-4ee1-4bc0-9050-2d30c23bc58e