20231115_t_NL.IMRO.1884.BPREGENBOOGWEG-ONT1
Tekst van het document
25
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). De Locatie aan de Regenboogweg ligt binnen de wettelijke geluidszone van de A4, de Huigsloterdijk en de HSL.
Om te voldoen aan de bepalingen van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, 21-021r1, d.d. 13 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). De conclusies van dit onderzoek worden hieronder weergegeven. Toetsing railverkeer De hoogste geluidbelasting door railverkeer bedraagt 44 dB op de oostgevel. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er zijn geen hogere waarden nodig voor railverkeer. Toetsing wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de A4 bedraagt op de begane grond ten hoogste 53 dB na aftrek ex. art. 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met 5 dB overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB voor de Wet Geluidhinder wordt op de begane grond niet overschreden. De maximale hogere waarde wordt op de 1ste verdieping van de oostgevel met 5 dB overschreden. De geluidbelasting bedraagt op 4,5 meter hoogte 58 dB na aftrek van 2 dB. De geluidbelasting door wegverkeer op de Huigsloterdijk bedraagt ten hoogste 37 dB na aftrek, en ligt daarmee ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn geen hogere waarden nodig voor wegverkeer op deze weg. Hieronder zijn maatregelen beschreven om zo mogelijk de geluidbelasting ten gevolge van de A4 tot de voorkeursgrenswaarde te doen afnemen.
Maatregelen aan de bron: stil asfalt De A4 is voorzien van een ZOAB-wegdek. Het aanleggen van stil asfalt is hierbij niet mogelijk. Afscherming met een geluidscherm De woningen zijn reeds van de A4 afgeschermd met een 5,2 meter hoog geluidscherm ten westen van de HSL (5 meter t.o.v. bovenkant spoor). Deze maatregel is daarmee reeds getroffen Maatregelen aan de bron: verlagen van de maximumsnelheid De maximumsnelheid op de A4 bedraagt 100 km/uur voor lichte motorvoertuigen (rekensnelheid volgens het Geluidregister). Het terugbrengen van de snelheid op een autosnelweg ten behoeve van het terugbrengen van de geluidbelasting op de woningen is niet haalbaar. Dove gevel Een dove gevel is een scheidingsconstructie zonder te openen delen (of slechts incidenteel te openen delen zoals een nooddeur) en is geen gevel in de zin van de Wet Geluidhinder. De geluidbelasting op een dergelijke gevel wordt niet beoordeeld. Een dove gevel kan daarom een oplossing zijn indien de maximale te verlenen hogere waarde wordt overschreden.
26
Voor de woningen kan een hogere waarde worden verleend indien de 1ste verdieping van de oostgevel wordt uitgevoerd als dove gevel. Voor de woningen kan dan een hogere waarde worden verleend conform tabel III.2. De woningen zijn voorzien van een geluidluwe westgevel en geluidluwe buitenruimte aan de westzijde. Verblijfsruimten dienen conform het geluidbeleid van de gemeente zoveel mogelijk aan de niet geluidbelaste zijde worden gesitueerd. Er wordt voldaan aan de eis dat de hogere waarde niet meer bedraagt dan 58 dB na aftrek. Conform het geluidbeleid moet bij een geluidbelasting van meer dan 58 dB zonder aftrek akoestische compensatie worden toegepast, zeker nu een dove gevel wordt toegepast. Deze compensatie kan bijvoorbeeld bestaan uit:
• •
het verbeteren van de geluidwering van de woningen tot een binnenwaarde van 27 dB, de geluidwering is dan 5 dB beter dat de minimumwaarde uit het Bouwbesluit; dan wel uit het verbeteren van de geluidsisolatie van de woningen tot comfortniveau, de geluidsisolatie tussen de woningen is dan 5 dB beter dat de minimumwaarden uit het Bouwbesluit.
De akoestische compensatie wordt bij het ontwerp van de woningen verder worden uitgewerkt. Conclusie Het treffen van maatregelen aan de weg is niet mogelijk omdat de A4 reeds is voorzien van stil asfalt. Maatregelen in de overdracht zijn ook reeds aanwezig in de vorm van een scherm langs de HSL die tevens de A4 afschermt van de locatie. Voor de woningen kan een hogere waarde worden verleend indien de tweede verdieping van de oostgevel wordt uitgevoerd als dove gevel. Voor de woningen kan dan een hogere waarde worden verleend conform tabel III.2 uit het akoestisch onderzoek, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. In dit kader zal een hogere waardenprocedure worden doorlopen.
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven alsmede een goed klimaat voor de gevoelige functies. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie (editie 2009) is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt, dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
27
• •
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Woningen worden gezien als een gevoelige bestemming. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van gevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk groen, water en maatschappelijke functies aanwezig. Hiernaast ligt het plangebied ook naast de A4, waardoor het plangebied aan te merken is als 'gemengd gebied'. Hierdoor kunnen alle richtafstanden, met uitzondering van het aspect gevaar, één stap teruggebracht worden. Activiteit
Adres
Milieucategorie
Restaurant Kantoor Verpleeghuis
Regenboogweg 102 Regenboogweg 39 Noordveenweg 12
1 1 2
Richtafstand (gemengd gebied) 10 m 10 m 10 m
Minimale afstand tot het plangebied (m) 100 m 35 m 100 m
Zoals in de bovenstaande tabel is af te lezen wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden uit de VNGpublicatie. Daarnaast is de beoogde ontwikkeling gelegen op circa 0 meter vanaf het poldergemaal Gogerpolder (aan de Regenboogweg 100). Volgens het Hoogheemraadschap van Rijnland gelden er geen geluids- en stankcirkels voor een poldergemaal, waarmee deze geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect milieuzonering voor de uitvoerbaarheid van het beoogde plan.
4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico
28
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld.
Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.
29
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl).
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied enkele risicovolle inrichtingen, transportroutes en buisleidingen gelegen zijn. Zo zijn er 960 m ten westen van het plangebied buisleidingen gelegen. Deze afstand is dusdanig groot dat het plangebied buiten het invloedsgebied valt en een beschouwing van het risico achterwege kan blijven. Op een afstand van ca. 150 m ligt de rijksweg A4. Over de rijksweg A4 worden toxische vloeistoffen van categorie LT3 vervoerd waardoor er een effectengebied van meer de 4 km geldt. Het plangebied bevindt zich binnen deze zone van 200 m waardoor een risicoberekening noodzakelijk is (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Uit de resultaten van het onderzoek (Kragten, SRO045, d.d. 27 juli 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) blijkt dat zowel voor als na planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Onderstaande tabel geeft de samenvatting van de resultaten weer.
Samenvatting kenmerken fN-curves (bron: Kragten) *Normwaarde: de maximale waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. De maximale waarde wordt berekend als het product van de frequentie met het kwadraat van het aantal slachtoffers. Een normwaarde > 0,01 betekent een overschrijding van de oriëntatiewaarde.
De gewijzigde populatieaantallen resulteren niet in een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Gelet op het feit dat de normwaarde lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) volstaan worden met beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bovendien moet er aandacht besteed worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt) art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. In dit kader is een verantwoording groepsrisico uitgevoerd (Kragten, SRO045, d.d. 1 augustus 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5).
30
Bevt - Water-. weg- en spoorwegtransport Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen. a. b.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezig kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: die mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.
Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met de volgende scenario's. Toxisch scenario Door een incident met een tank(wagen) waarin toxische stoffen vervoerd/bewaard worden, kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. BLEVE-scenario Het maatgevende scenario voor de rijksweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een warme BLEVE en een koude BLEVE. Bij een warme BLEVE kan door een incident op de weg of bij het tankstation een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege oplopende temperaturen neemt dan de druk in de tank met LPG toe. Binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van de inhoud tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Een koude BLEVE treedt op zonder of voordat de LPG-tankwagen (maximaal) is opgewarmd door een externe brand.
Het scheuren van de tank wordt veroorzaakt door een plaatselijke verzwakking van de tankwand. De maximale druk en temperatuur worden in dit scenario niet bereikt. De hittestraling van een BLEVE is kort en hevig en kan secundaire branden in de omgeving veroorzaken. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. - Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid Uit de publicatie 'Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid' van de brandweer in Nederland volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvals-wegen, waardoor het geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. - Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Het plan betreft de realisatie van grondgebonden woningen. Uitgangspunt is dat personen binnen het plangebied zich zelfstandig in veiligheid kunnen brengen, of met hulp van aanwezigen in veiligheid gebracht kunnen worden.
In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij nieuwbouwprojecten vast te stellen dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop afgeschakeld kan worden in geval van een toxische wolk. In het toekomstige Bbl is in artikel 4.126, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Hiermee kan worden voorkomen dat toxische binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd.
31
Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een koop-huurcontract of indiensttreding kunnen bewoners/werknemers op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Aanzet tot verantwoording De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de A4 verandert niet als gevolg van het onderhavige initiatief. De A4 is goed bereikbaar voor hulpdiensten. In het geval van en calamiteit kan men inpandig veilig schuilen. Daarvoor is het van belang tijdig te worden gealarmeerd. Het plangebied ligt nabij het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS-palen). De beoogde woningen worden buiten de risicocontour van de A4 gebouwd waarmee acuut gevaar niet verwacht wordt. Rekening houden met het kleine risico en de mogelijkheid om inpandig te schuilen en de ventilatie uit te schakelen, worden geen aanvullende maatregelen gesteld. De gemeente Kaag en Braassem kan deze aanzet overnemen, waarbij advies wordt ingewonnen bij de Veiligheidsregio Hollands Midden. Conclusie Gelet op bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.3 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning.
32
Beleid hoogheemraadschap van Rijnland Het hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstbestending worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities.
Keur en uitvoeringsregels 2020 Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:
• • • •
waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
• •
Het onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek
33
brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets worden de voor onderhavig plan relevante waterthema's beschouwd. In onderhavige situatie is sprake van nieuwbouw op onbebouwd gebied. Waar mogelijk zal het hemelwater op een duurzame manier worden geborgd. Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er wordt dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. Watercompensatie en oppervlaktewater Eventuele toename aan verharding dient te worden gecompenseerd. In de huidige situatie is het plangebied onverhard en heeft het een oppervlakte van ca. 3.488 m². In de navolgende tabel is een schatting gemaakt hoeveel m² verharding er in de toekomstige situatie bij komt.
Water Onverhard/Groen Bebouwd oppervlak (woningen) Tuinen (50 % verhard) Overige verharding (wegen en paden) Halfverharding (parkeren) 50%
Bestaande situatie (m²) 587 2.901 0 0 0 0
Toekomstige situatie (m²) 477 749 713 595*0,5=297 755 200*0,5=100
Totaal oppervlak Waarvan verhard
3.488 0
3.488 1.865
Door het bouwplan van voorliggend plan neemt de verharding met 1.865 m² toe ten opzichte van de huidige braakliggende situatie. Daarmee neemt het verhard oppervlak toe met meer dan 500 m². Het hoogheemraadschap Rijnland stelt dat bij het toevoegen van meer dan 500 m² aan verhard oppervlak compensatie in de vorm van open water vereist is 15% van de 1.865 m² aan verharding dient als open water terug te worden gebracht. Dit komt neer op 280 m² aan te compenseren water. Hiervoor is geen ruimte meer in het plangebied. Daarom is ervoor gekozen om de watercompensatie op een andere locatie binnen hetzelfde peilgebied op te vangen. Deze locatie staat aangegeven op navolgende afbeelding.
34
Locatie watercompensatie ten behoeve van de beoogde ontwikkeling (bron: gemeente Kaag en Braassem)
35
Waterkering De gronden in het noordwesten van het plangebied hebben de dubbelbestemming 'Waterkering'. In deze dubbelbestemming is bepaald dat op de als zodanig bestemde gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd. Vrijstelling van deze bepaling wordt slechts verleend indien de belangen van de waterkering hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Met voorliggend plan wordt beoogd om de huidige bestemming ter plaatse te veranderen in 'Verkeer' en 'Water'; de bouwvlakken van de beoogde ontwikkeling buiten deze waterkering zone. Omdat er geen woningen gebouwd worden in deze zone, is het niet noodzakelijk om vrijstelling aan te vragen bij het hoogheemraadschap. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de regionale waterkering legger weergegeven. Hier is te zien dat een klein deel van de planlocatie in zowel de beschermingszone, als het profiel van vrije ruimte valt, maar niet in de kernzone van de regionale kering.
Legger hoogheemraadschap van Rijnland, plangebied rood omkaderd (bron: Hoogheemraadschap Rijnland).
Daarnaast zijn er meerdere kunstwerken aanwezig rondom het plangebied die van belang zijn van het onderhouden en instandhouden van het lokale watersysteem. Waterafvoer Naar verwachting wordt de riolering van het gebouw aangesloten op het gemeentelijk riool. Hemelwater zal zoveel mogelijk afgekoppeld worden om bodemverdroging tegen te gaan. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Keur en uitvoeringsregels 2020 In de Keur van het Hoogheemraadschap Rijnland stelt regels aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De beoogde ontwikkeling voegt een brug toe aan een overige watergang. Een brug kan een nadelige invloed hebben op het functioneren van het watersysteem. De zorgplicht zoals omschreven in
36
artikel 3.1 van de Keur houdt in dat de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer is om te voorkomen dat deze nadelige effecten optreden. Ter uitwerking van de zorgplicht is een erkende maatregel opgesteld. Het volgen van deze erkende maatregel is geen verplichting. Toch kan het voordelig zijn om volgens deze erkende maatregel te werken, omdat dan in ieder geval voldoende zorgvuldig wordt gehandeld. Aan de in de keur opgenomen zorgplicht wordt dus per definitie voldaan wanneer deze erkende maatregel wordt gevolgd. Een brug ter plaatse van een overige watergang voldoet in ieder geval aan de zorgplicht wanneer: a. b. c. d.
e.
de minimale afstand tussen het zomerpeil en de onderzijde van de constructie 0,20 meter bedraagt, en (de afstand bedraagt waarschijnlijk meer dan 0,20 meter); de minimale afstand tot een naastgelegen dam, brug of stuw 5 meter bedraagt, en (de afstand bedraagt meer dan 5 meter); deze maximaal 10 meter breed is, en (de breedte bedraagt minder dan 10 meter); ten behoeve van de constructie geen ondersteunende constructies in de watergang worden aangebracht, en (naar verwachting worden er geen ondersteunende constructies in de watergang aangebracht); het talud onder de constructie wordt afgewerkt met erosiebestendig materiaal (aar verwachting wordt het talud afgewerkt met erosiebestendig materiaal).
Conclusie Met voorliggend plan wordt voldaan aan de benodigde watercompensatie. Derhalve vormt het aspect water geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Het beoogde plan heeft een mogelijk negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermd natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Derhalve geldt de wettelijke verplichting om onderzoek uit te voeren. Deze is uitgevoerd door Blom Ecologie (Quickscan Wet natuurbescherming, rapportnummer 2022-0308, d.d. 24 maart '23), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Soortenbescherming Binnen het plangebied zijn geen bomen, opgaande beplanting of (oude) opstallen aanwezig waar mogelijk beschermde soorten kunnen voorkomen. Hiermee kan gesteld worden dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten waardoor het uitvoeren van een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Eventuele activiteiten die verstorend kunnen zijn voor broedvogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Indien binnen de broedperiode wordt gestart met verstorende activiteiten, moet voorafgaand aan de activiteiten aantoonbaar worden vastgesteld
37
dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Wel dient bij het verrichten van de werkzaamheden de algemene zorgplicht nageleefd te worden. Vleermuizen Op de planlocatie zijn alle bomen te jong en te dun om geschikte holtes of andere geschikte openingen te kunnen bieden voor boombewonende vleermuizen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie. Derhalve is er geen sprake van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Het is niet uit te sluiten dat de planlocatie als foerageergebied gebruikt wordt. Echter blijft er een groot gedeelte van de natuurbelevingstuin behouden, waardoor er geen sprake is van het wegnemen van een (essentiële) foerageerfunctie. Daarnaast bieden de jonge bomen slechts beperkt foerageergebied wegens de hoge dichtheid en lage takken, wat vliegbewegingen bemoeilijkt. De Ringvaart van de Haarlemmermeerpolders wordt mogelijk als vliegroute en foerageergebied gebruikt, derhalve dient hier tijdens en na de werkzaamheden geen lichtuitstraling naar plaats te vinden.
Ondanks de bomenkap op de planlocatie is er geen sprake van het wegnemen van een verbinding middels opgaand groen, waardoor de beoogde ontwikkeling niet leidt tot aantasting van een vliegroute. Wanneer lichtverstoring richting de Ringvaart voorkomen wordt is er geen sprake van aantasting van essentiële foerageergebieden en essentiële vliegrouten van vleermuizen. Zorgplichtmaatregelen
• •
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Verlichting gericht op de bomen rondom de planlocatie dient tijdens de werkzaamheden en in de beoogde situatie voorkomen te worden.
•
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
•
De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, belangrijk weidevogelgebied, strategische reservering natuur of het Natuurnetwerk Nederland. Tevens zijn er geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied aanwezig. Er zijn daarmee geen belemmeringen met betrekking tot provinciaal beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden
38
(ca. 18 km) en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden naar verwachting geen sprake. In dit kader kan ook een AERIUS-berekening achterwege blijven. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde plan.
4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Ter plaatse van het plangebied geldt ingevolge de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem een lage verwachting, zoals te zien is op de navolgende afbeelding.
Archeologische beleidskaart, plangebied rood omkaderd (Bron: gemeente Kaag en Braassem).
Dit houdt in dat er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
39
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De kern Nieuwe Wetering ligt in de gemeente Kaag en Braassem en is onderdeel van het grootschalige veengebied 'Rijnstreek'. Het 'Hollands landschap' heeft een sterk door de mens bepaalde ontstaansgeschiedenis. De gemeente Kaag en Braassem heeft een historische structuur en cultuurhistorische bebouwing zoals molens, boerderijen, gemalen, pastorieën, kerken, en bijzondere woonhuizen die karakteristiek zijn voor het veenlandschap. Binnen de gemeente zijn veel beeldbepalende lintstructuren aanwezig. De kern Nieuwe Wetering ligt in de gemeente Kaag en Braassem en is onderdeel van het grootschalige veengebied 'Rijnstreek'. Het 'Hollands landschap' heeft een sterk door de mens bepaalde ontstaansgeschiedenis. De gemeente Kaag en Braassem heeft een historische structuur en cultuurhistorische bebouwing zoals molens, boerderijen, gemalen, pastorieën, kerken en bijzondere woonhuizen die karakteristiek zijn voor het veenlandschap. Binnen de gemeente zijn veel beeldbepalende lintstructuren aanwezig.
Het plangebied bevindt zich aan de Regenboogweg, achter het bebouwingslint van de Achterweg/Noorderweg die met de kleinschalige verkaveling een dorps karakter heeft. De bebouwing aan de Regenboogweg komt voornamelijk uit de jaren '90. In de nabije omgeving bevinden zich geen gemeentelijke monumenten, waardoor de cultuurhistorische waarde niet zal worden aangetast met de beoogde ontwikkeling.
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.
4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Om de toename van het aantal verkeersbewegingen door de beoogde ontwikkeling aan te tonen, is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie berekend.
40
ontwikkeling
CROW-aansluiting
aantal
woning
huur, huis, sociale 12 huur
verkeersgeneratie per etmaal stedelijk, rest bebouwde kom) 4,9 (gem.)
Totaal
(matig totaal 58,8 58,8
In totaal komt de verkeersgeneratie daarmee uit op 58,8 voertuigbewegingen per etmaal. Verwacht wordt dat de Regenboogweg de beperkte toenamen van het aantal motorvoertuigbewegingen kan opvangen. Geacht wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor het beoogde plan. 4.7.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem (2018). Bovengenoemde CROW-kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen. Planspecifiek Wat betreft de parkeernormen voor 'wonen' behoort het plangebied volgens de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 tot de zone 'rest bebouwde kom'. Met de gemeente Kaag en Braassem is overeengekomen dat het midden van de bandbreedte die voortkomt uit de beleidsregel op de locatie passend is en gehanteerd mag worden. In onderstaande tabel worden de parkeernormen berekend: aansluiting beleidsregel huur, huis, sociale huur
aantal 12
parkeernorm 1,5
totaal 18
De gezamenlijke parkeerbehoefte van de locatie bedraagt 18 parkeerplaatsen. Op het parkeerterrein tussen de twee rijen woningen worden 16 van de bonodigde parkeerplaatsen gerealiseerd. De overige 2 parkeerplaatsen worden langs de Regenboogweg ten westen van de watergang gerealiseerd. Daarmee voorziet het initiatief in de parkeerbehoefte van de bewoners en bezoekers. Aan de westzijde van de Regenboogweg, ter hoogte van voorliggende ontwikkeling, worden 10 startersappartementen en 6 eengezinswoningen gerealiseerd (kavel 2). Bij de uitwerking van het plan is gebleken dat het vereiste aanbod aan parkeerplaatsen niet inpasbaar is op de kavel. Daarom wordt deze parkeereis deels opgelost in onderhavig plangebied. Voor kavel 2 is de navolgende parkeereis van toepassing. aansluiting beleidsregel tussenwoning/hoekwoning etage, middelduur TOTAAL
aantal 10 6
parkeernorm 2 1,9
41
totaal 20 11,4 31,4
De parkeerbehoefte van kavel 2 bedraagt afgerond 32 parkeerplaatsen. In het westelijke deel van het onderhavige plangebied worden 12 parkeerplaatsen langs de Regenboogweg aangelegd, waarvan 2 parkeerplaatsen deels in de behoefte van de sociale woningen voorzien. Buiten het plangebied, langs het noordelijke deel van de Regenboogweg, worden 22 parkeerplaatsen aangelegd. Het totaal komt daarmee uit op 32 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor kavel 2. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
42
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Wijze van bestemmen Voor is de planregels is zo veel mogelijk aangesloten op de standaard die binnen de gemeente Kaag en Braassem gangbaar is. Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de hoogtematen, inhoud en oppervlakte die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald moeten worden. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling. Bestemmingsregels Artikel 3 Verkeer De verkeerstructuur in het plangebied is voorzien van de bestemming 'Verkeer'. Dit zijn de openbare gronden zoals wegen en parkeerplaatsen. Deze gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, verblijfsdoeleinden, fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en openbare nutsvoorzieningen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen.
43
Artikel 4 Water De bestaande watergang heeft de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, ondergeschikt groen, nutsvoorzieningen en infiltratievoorzieningen. Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Verder zijn verschillende zaken als strijdig gebruik aangemerkt. Artikel 5 De bestemming 'Wonen' is toegekend aan de woonpercelen. Binnen deze bestemming is het wonen mogelijk, alsmede het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep. Verder zijn de bijbehorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, wegen, paden, bermen, waterlopen, waterpartijen en groenvoorzieningen mogelijk. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Hierbij is geregeld dat ten hoogste 12 aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd, met inachtneming van de aangegeven maximum goot- en bouwhoogten (resp. maximaal 6 en 7 m). Verder worden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor bijbehorende bouwweren, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde geboden. Vanuit de akoestische situatie is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Hierbij is geregeld dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor ‘Wonen’ uitsluitend zijn toegestaan indien de gevels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' op de tweede bouwlaag van de hoofdgebouwen uitgevoerd en in stand worden gehouden als dove gevel. Artikel 6 Waterstaat - Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor waterkeringen. Algemene regels Artikel 7 Antidubbeltelregel Deze regel wordt in elk bestemmingsplan opgenomen om te voorkomen dat in feite meer kan worden gebouwd dan in het bestemmingsplan bedoeld is. Dit kan zich voordoen bij woningbouw wanneer (onderdelen van) bouwpercelen van eigenaar wisselen. In een dergelijk geval worden de nieuw verworven gronden niet meegeteld bij de berekening van de bouwmogelijkheden als dat al voor een in het verleden verleende omgevingsvergunning gebeurd is. Artikel 8 Algemene bouwregels In deze regel is een bepaling opgenomen die er op toeziet dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor ondergeschikte bouwdelen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit bestemmingsplan is een algemene gebruiksregeling opgenomen die expliciet beschrijft welk gebruik strijdig is met het gestelde in het bestemmingsplan.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In dit bestemmingsplan is een algemene afwijkingsregeling opgenomen die voorziet in algemeen voorkomende bouwwerken en afwijkingen van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er afwijkingsregels opgenomen ten behoeve van de realisatie van bed & breakfasts. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels In de overige regels is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders de bestemmingen kunnen wijzigingen indien dit nodig is voor een technisch betere realisatie van bestemmingen of bouwwerken of voor de verkeersveiligheid.
44
Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Regels, die betrekking hebben op het overgangsrecht: bouwwerken die op het moment van tervisielegging van het plan bestaan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels. Artikel 13 Slotregel Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.
45
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project maakt onderdeel uit van een groter geheel, zijnde de grondexploitatie Nieuwe Wetering Noord. Daarmee is het verhaal van kosten over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd. Koper van de gemeentelijke gronden neemt eventuele planschade, als bedoeld in art. 6.5 Wro, voor haar rekening. Dit is vastgelegd in de koopovereenkomst tussen de koper en de gemeente. De kosten voor het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure komen ten laste van de grondexploitatie Nieuwe Wetering.
46
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2 Participatie Op 27 september 2023 heeft er een informatieavond plaatsgenomen waar omwonenden en belangstellenden te gast waren om in gesprek te gaan met medewerkers van de gemeente en MeerWonen over de plannen en om de plattegronden te bekijken. Bij de informatieavond waren circa 30 omwonenden en belangstellenden aanwezig. Tijdens de bijeenkomst werd door de omwonenden/belangstellenden vooral zorg geuit over het verdwijnen van groen. De gemeente geeft aan met de kritische geluiden aan de slag te gaan. Als gevolg van de opmerkingen heeft de gemeente gekozen om de aanwezige watergang te behouden. Ten tijde van de informatieavond was de gemeente voornemens om de watergang te dempen en ten zuiden en oosten van het plangebied een nieuwe watergang aan te leggen. Een verslag van de informatieavond is als bijlage bij het voorliggend plan toegevoegd (Gemeente Kaag en Braassem, d.d. 27 september 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 6).
7.3 Vooroverleg Te zijner tijd zullen eventueel ingediende vooroverlegreacties hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
7.4 Zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen in deze paragraaf of in een separate bijlage van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
47