20231115_t_NL.IMRO.1884.BPREGENBOOGWEG-ONT1
Tekst van het document
bestemmingsplan
Regenboogweg, Nieuwe Wetering Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPREGENBOOGWEG-ONT1
Datum:
2023-11-15
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Oostrom | dhr. T. Ponse
Kenmerk Buro SRO:
SR220079
Opdrachtgever:
Gemeente Kaag en Braassem
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7
2 Het initiatief ............................................................................................................................................. 8 2.1 Huidige situatie .................................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid .......................................................................................................................................................11 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................12 3.3 Regionaal beleid ..............................................................................................................................................17 3.4 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................................................18
4 Omgevingsaspecten .............................................................................................................................. 22 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................22 4.2 Milieu................................................................................................................................................................24 4.3 Waterhuishouding ...........................................................................................................................................32 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................37 4.5 Archeologie ......................................................................................................................................................39 4.6 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................39 4.7 Verkeer en parkeren........................................................................................................................................40
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 43 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................43 5.2 Toelichting ........................................................................................................................................................43 5.3 Verbeelding ......................................................................................................................................................43 5.4 Wijze van bestemmen .....................................................................................................................................43
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 46 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 47 7.1 Algemeen .........................................................................................................................................................47 7.2 Participatie .......................................................................................................................................................47 7.3 Vooroverleg ......................................................................................................................................................47 7.4 Zienswijzen ......................................................................................................................................................47
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Kaag en Braassem heeft het planvoornemen om op de gronden aan de Regenboogweg in Nieuwe Wetering in totaal 12 sociale huurwoningen te realiseren. In de huidige situatie is deze locatie onbebouwd en maakt onderdeel uit van de natuurbelevingstuin De Bult. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering', vastgesteld op 18 augustus 2009. Het gehele plangebied is voorzien van een wijzigingsbevoegdheid waarmee het huidige gebruik omgezet kan worden naar 12 gestapelde, aaneengeschakelde wonen. Het beoogde initiatief voldoet niet geheel aan de gestelde voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid, waardoor een bestemmingsplan nodig is om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in de kern Nieuwe Wetering van de gemeente Kaag en Braassem en maakt onderdeel uit van de natuurbelevingstuin De Bult. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Alkemade, sectie B, perceelnummer 6428 (deels).De oppervlakte van het plangebied is ca. 2.725 m². De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Maps)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (Bron: Google Maps).
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering', vastgesteld op 18 augustus 2009 door de raad van de gemeente Kaag en Braassem. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
6
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Nieuwe Wetering', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De gronden van het plangebied beschikken hierin over de bestemming 'Groen' Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Archeologische waarden'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn primair bestemd voor groen-, speel- en recreatievoorzieningen. Hierbij is er geen mogelijkheid om gebouwen aan te leggen die geen verband hebben met de bestemming. Het onderhavige plangebied is geheel voorzien van de aanduiding ‘wijzigingsbevoegdheid IV’. In artikel 4 lid 8 van het geldende bestemmingsplan is hiervoor de wijzigingsbevoegdheid 'Starterswoningen' opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk om de bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen', mits voldaan wordt aan enkele voorwaarden. Zo mogen er maximaal 12 gestapelde, aaneengeschakelde woningen worden gebouwd. Er worden nu evenwel 12 grondgebonden rijenwoningen voorzien waarmee niet geheel wordt voldaan aan de voorwaarden, zodat er geen toepassing gegeven kan worden aan de wijzigingsbevoegdheid. Om die reden is het voorliggende betstemmingsplan opgesteld.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
7
2 Het initiatief 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een perceel tussen de Regenboogweg (westzijde) en de rijksweg A4 (oostzijde) in de kern Nieuwe Wetering. De planlocatie betreft een gedeelte van natuurbelevingstuin De Bult. Deze tuin is in 2015 aangeplant, beslaat ca. 2 hectare en wordt gebruikt voor ontspanning en recreatie. Tevens functioneert de tuin als jongerenontmoetingsplaats. Het plangebied, in het noordwestelijke gedeelte van De Bult, is in de huidige situatie voorzien van recent aangeplante, onbegaanbare bosschages, grasland en een watergang. Ten westen van de planlocatie bevindt zich een ontwikkellocatie die onderdeel is van Nieuwe Wetering Noord. Hier worden maximaal 16 woningen gerealiseerd. Op de navolgende afbeeldingen is een impressie van de huidige situatie weergegeven.
Huidige situatie (bron: Google Earth)
8
Impressie rand huidige locatie (bron: Blom Ecologie)
Impressie planlocatie vanaf de Regenboogweg (bron: Google Streetview)
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens in het plangebied 12 grondgebonden sociale huurwoningen te realiseren. Deze woningen worden zorgvuldig aangesloten op de natuurbelevingstuin. De beoogde ontwikkeling bestaat uit 2 losse blokken die beide bestaan uit 6 rijwoningen. Tussen deze blokken bevinden zich de parkeerplaatsen behorende tot de woningen. Deze parkeerkoffer ligt centraal en is compact vormgegeven om zo min mogelijk impact te hebben op de groene omgeving. Het aspect parkeren komt nader aan bod in toelichting paragraaf 4.7.2.
9
De ontsluiting van de woningen vindt plaats via een inrit die in het westen van het plangebied doormiddel van een brug aansluit op de Regenboogweg. De inrit komt uit op de parkeerkoffer. Om een klimaatadaptieve inrichting van het plangebied te bewerkstelligen wordt nagedacht over het gebruiken van halfverharding voor de parkeervoorzieningen en de inrit, om zo hemelwater in de bodem te kunnen laten infiltreren. Bovendien sluit deze halfverharding aan op de atmosfeer van het natuurbelevingsgebied. Omdat in een deel van het plangebied ook een deel van de parkeerbehoefte van het plan kavel 2 (ten westen van de Regenboogweg) wordt opgevangen wordt aan de westzijde van het plangebied ruimte gemaakt voor parkeerplaatsen, tussen de Regenboogweg en de watergang. Op de navolgende afbeeldingen is de beoogde positie en het ontwerp van de nieuwe woningen weergegeven.
Beoogde indeling plangebied (bron: gemeente Kaag en Braassem, d.d. 30 oktober 2023)
De woningen zullen door Stichting MeerWonen worden verhuurd in het sociale segment. Ondanks dat de woningen in de sociale sector worden aangeboden worden ze voorzien van een comfortabel woonoppervlak. De woningen krijgen 2 lagen met een bruto beukbreedte van 5,40 m. PV-panelen aan de zuidzijde maken vervolgens het dak af.
10
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de kortetermijnmaatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot efficiënt ruimtegebruik en het realiseren van voldoende woningen op binnenstedelijke locaties, door woningbouw te realiseren op een onbebouwde ruimte in stedelijk gebied.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling is gelegen in gebied dat in de Barro wordt uitmaakt van de veiligheidszone van het radarstations van Schiphol. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de aanleg van 12 sociale huurwoningen en zal geen effect hebben op de werking van het radarstation. De beoogde ontwikkeling raakt niet aan een van de andere nationale belangen.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
11
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden. De 'treden van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het plan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien twaalf woningen is. Het beoogde plan voorziet in de aanleg 12 sociale huurwoningen, waardoor het beoogde plan ladderplichtig is. Aangezien het feit dat het beoogde plan binnen stedelijk gebied ligt moet er enkel getoetst worden aan de lokale behoefte. Behoefte naar (huur)woningen Binnen de omgevingsvisie van de gemeente Kaag en Braassem wordt er aangegeven dat er tot heden behoefte is aan sociale huurwoningen binnen de gemeente. Het beoogde plan voorziet in de aanleg van 12 sociale huurwoningen, waardoor er het beoogde plan aansluiting vindt bij de woningbehoefte binnen de gemeente Kaag en Braassem. Hierbij kan beredeneerd worden dat de ladder succesvol is doorlopen, waardoor het beoogde plan past binnen de wetgeving van het Bro.
3.2 Provinciaal beleid Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goed leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven zij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 2 februari 2022. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen:
12
1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • • 2.
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).
13
Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Laag van de ondergrond Het gebied waarop het plan betrekking heeft, bevindt zich in een regio voornamelijk bestaande uit veengronden en zeeklei. Een aanzienlijk deel van Zuid-Holland bestaat uit veengebieden met een hoge waterstand, waarbij het veen een beperkte draagkracht heeft. Bovendien zijn er tal van bestaande en voormalige plassen in dit gebied. De voormalige plassen zijn drooggelegd en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond van deze droogmakerijen varieert van veenachtig tot (oude zee)klei. Het zorgvuldig beheren van waterbronnen is van groot belang in deze droogmakerijen. Een belangrijk streven hierbij is ervoor te zorgen dat ontwikkelingen bijdragen aan een duurzaam waterbeheer. Het beoogde plan betreft een ontwikkeling van relatief kleine aard waarbij het veencomplex en de droogmakerijen niet aangetast zullen worden. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied.
Dit is terug te zien in het landschap. Ontwikkelingen dienen de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap te behouden en waar mogelijk worden de archeologische waarden herkenbaar gemaakt. In het plangebied is geen onregelmatig of reliëf herkenbaar, waardoor het initiatief hier geen afbreuk aan doet. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied ligt in een droogmakerij met zowel klei als veengrond. Het uitgangspunt voor dit gebied is om nieuwe ontwikkelingen te creëren die harmoniëren met de historische ontginningsstructuren. Deze ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling. Het huidige plan is echter dusdanig bescheiden van omvang dat het deze principes niet verstoort. Laag van de stedelijke occupatie De stads- en dorpsrand is het gebied dat zich bevindt op de grens tussen bebouwde zones en het omringende landschap. Het betreft een deel van de stad of het dorp met het potentieel om een hoogwaardige en gewilde woonomgeving te creëren. De aard van de relatie tussen het bebouwde gebied en het landschap wordt bepaald door de kenmerken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Binnen dit kader worden er drie soorten 'overgangskwaliteiten' onderscheiden: het front, het contactpunt en de overlap.
Het plangebied, dat zich tussen De Bult en de bestaande woningbouw bevindt, heeft geen invloed op deze overgangskwaliteit. Bovendien is het plangebied gelegen binnen het dorpsgebied. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op de kenmerkende structuur en ligging in relatie tot het omringende landschap. Het huidige plan bouwt voort op de bestaande bebouwingsstructuur van Nieuwe Wetering en is in lijn met de ambities voor steden en dorpen.
14
4.
Beleidskeuzes
Aangezien de geplande ontwikkeling zich binnen het reeds bebouwde stads- en dorpsgebied bevindt, is het beleidskader 'stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied' van toepassing. De provincie heeft de bestaande stedelijke gebieden en dorpslinten aangewezen als locaties waar in principe nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten plaatsvinden om de bebouwde ruimte optimaal te benutten. Het plangebied bevindt zich volledig binnen dit bestaande stads- en dorpsgebied. Gezien de nabijheid van een woonwijk is het logisch om de plannen te richten op herontwikkeling voor woningbouw. Daarnaast is het beleidskader 'verstedelijking en wonen' van toepassing. De provincie streeft samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties op regionaal niveau naar voldoende en geschikte woningen voor diverse doelgroepen, waaronder degenen die vallen onder het huurbeleid. Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan woningbouw binnen het bestaande stads- en dorpsgebied en in de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer. Het voorgenomen plan betreft de bouw van sociale huurwoningen binnen het stads- en dorpsgebied, met een bushalte op loopafstand. Dit plan is in overeenstemming met het gemeentelijke woningprogramma.
Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit de omgevingsvisie van Zuid-Holland, waardoor geacht kan worden dat het beoogde plan in lijn is met de provinciale wensen. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 februari 2023 in werking getreden. Op 16 juni 2021 is de Omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020 vastgesteld. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in de Omgevingsverordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken.
Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.'
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaruit bleek dat de ladder succesvol is doorlopen en geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
15
Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling een wijziging op structuurniveau veroorzaakt. Er wordt immers woningbouw ingepast op een perceel dat in de huidige situatie voor openbaar groen bestemd is. Desalniettemin wordt het geheel zorgvuldig ingepast en past het binnen de gebiedsidentiteit van de omgeving. De locatie ligt immers in een woongebied van Nieuwe Wetering. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. b. c. d.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Hiernaast moet ook het risico van bodemdaling behandeld worden. Wateroverlast door overvloedige neerslag In de klimaatatlas is geen kwetsbaarheid bekend voor de planlocatie. Wegens de toename van verharding binnen het plangebied en de demping van oppervlaktewater is er de mogelijkheid dat dit in de toekomst veranderd. Om het verlies te compenseren wordt er nabij nieuw oppervlaktewater aangelegd. Dit wordt nader beschreven in toelichting paragraaf 4.3. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat er een extreem kleine (<1:30.000) tot kleine kans (1:300) op overstroming bestaat. Gezien de geringe kans op overstroming is dit aspect verder niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Hitte Bij raadpleging van de klimaatatlas blijkt dat het plangebied te maken heeft met een licht Stedelijk hitteeiland (UHI) effect. Als gevolg van het beoogde plan zal er meer verharding worden aangelegd, oppervlaktewater gedempt worden en bestaand groen verwijderd worden. De verwachting is dat het lokale
16
UHI-effect zal toenemen. Om deze verwachte toename tegen te gaan moeten er maatregelen genomen worden. Droogte Om droogte tegen te gaan is het belangrijk om water zo veel mogelijk te laten infiltreren. In de huidige situatie is er geen sprake van droogte gezien het hoge grondwaterpeil. In de toekomst is er wel mogelijk sprake van droogte waardoor er wordt ingezet op afkoppeling van hemelwater en lokaal infiltreren. Bodemdaling Het plangebied is deels beperkt gevoelig voor bodemdaling. Dit komt mede door de hoge grondwaterstand en de afwezigheid van zware bebouwing/activiteiten. Indien het grondwaterpeil in de toekomst zakt kan hierin verandering komen, maar in beginsel is de verwachte bodemdaling verwaarloosbaar. Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek Met het beoogde initiatief worden 12 geschakelde sociale huurwoningen gerealiseerd aan de Regenboogweg. Hiermee wordt aangesloten op kernpunt 3 'concentratie stedelijke ontwikkeling'. Tevens is het streven om de woningen te voorzien van duurzame materialen en installaties wat bijdraagt aan het verduurzamen van de topwoonregio en een klimaatbestendige samenleving. Met de ontwikkeling wordt zoveel mogelijk van de groenblauwe kwaliteit behouden. Gesteld kan worden dat voorliggend plan in lijn is met de Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland.
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2023 De Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023 (vastgesteld op 28 juni 2023) is er om gemeenten te helpen bij het realiseren van de nieuwe woningbouwopgave en afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio. In de regionale woonagenda wordt er rekening gehouden met de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelingsrichting voor bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio. Met als doel voldoende passende woningen te hebben voor verschillende doelgroepen. Ook een passend aanbod hebben voor de doelgroepen van het huurbeleid. Beleid voor de energietransitie en
17
klimaatadaptatie als gevolg van bodemdaling. Verder gaat de voorkeur uit naar nieuwbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied, georiënteerd op (hoogwaardig) openbaar vervoer. Door het groeiend aantal huishoudens en de gestegen huizenprijzen zal de druk op de woningmarkt alleen maar verder toenemen. Er wordt daarom sterk ingezet naar het realiseren van nieuwe (betaalbare) woningen. In de regio Holland Rijnland is er namelijk een behoefte aan ca. 30.500 woningen. Hiervoor zijn vier thema's opgesteld: 1. 2. 3. 4.
woningbouw versnellen betaalbaar wonen mensen tussen wal en schip langer (en weer) zelfstandig wonen
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 12 sociale huurwoningen woningen in de regio Holland Rijnland. Binnen de regio is een zwaar tekort aan huurwoning. Het voorgenomen plan maakt de realisatie van sociale huurwoningen mogelijk, wat een positieve invloed heeft het woningtekort in de regio. De ontwikkeling vindt ook plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in kwalitatieve en kwantitatieve zin bijdraagt aan de regionale woningbehoefte.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 24 januari 2022 de actuele 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruitziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema.
18
Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek Het plangebied maakt deel uit van het gebiedstype 'landelijk dorps'. Hierbij is het de wens vanuit de gemeente dat er voor ieder een passende woning beschikbaar is. Hierbij is het uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen in deze gebied kleinschaliger zijn dan elders in de gemeente. Het beoogde plan voorziet in de aanleg van nieuwe sociale huurwoningen waar vraag voor bestaat, waardoor er aangesloten wordt bij de wens vanuit het gebiedsthema. Verder is er de wens op gemeentelijk niveau dat bij woningbouwprojecten vanaf 12 woningen er een percentage als (sociale) huurwoningen wordt gebouwd. Het beoogde plan voorziet in de aanleg van 12 (100%) sociale huurwoningen, waardoor er ook voldaan wordt aan deze wens. Op basis van de bovenstaande punten kan er beredeneerd worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie van de gemeente Kaag en Braassem.
3.4.2 Duurzaamheidsagenda 2016-2020 In april 2016 is de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 vastgesteld. Aandacht voor duurzaamheid is nodig voor een aantrekkelijke en leefbare gemeente. De agenda geeft een overzicht van acties en bevat voorstellen voor projecten die bijdragen aan duurzaamheid. De gemeente Kaag en Braassem stelt hierin twee ambities centraal. Eerste ambitie: samenwerken aan en communiceren over duurzaamheid De gemeente heeft de ambitie om in de nieuwe beleidsperiode vooral als partner samen te werken met andere partijen aan lokale projecten op het gebied van duurzaamheid. De gemeente gaat duurzame initiatieven uit de samenleving actief ondersteunen. Om deze ambitie te bereiken wordt de samenwerking gezocht met het Duurzaamheidsplatform Kaag en Braassem. Dit platform bestaat uit geïnteresseerde inwoners, bedrijven en organisaties die kennis en ervaring hebben met duurzaamheidsonderwerpen. Het Duurzaamheidsplatform heeft een adviserende rol en zal daarnaast projecten en acties in gang zetten in de gemeente Kaag en Braassem. Tweede ambitie: Energie, mobiliteit, circulaire economie, water en groen en de gemeentelijke organisatie De tweede ambitie van de gemeente gaat in op maatregelen voor een duurzamere gemeente. Inhoudelijk zijn de prioriteiten energie, mobiliteit, circulaire economie (afval), water en groen en het verduurzamen van de gemeentelijke organisatie.
Aan iedere prioriteit zijn concrete maatregelen gekoppeld om de ambitie richting te geven. Daarnaast hanteert de gemeente Kaag en Braassem als uitgangspunt bij bouwprojecten de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als maatlat voor duurzaam bouwen. Voor de woningbouw worden de duurzame prestaties berekend met het instrument GPR-Gebouw 1. Planspecifiek In de Duurzaamheidsagenda 2016-2020 wordt gestuurd op 'energiebewust gedrag' bij zowel grote als kleinschalige ontwikkelingen. Met voorliggend initiatief worden woningen toegevoegd aan het noordelijke deel van de Nieuwe Wetering. Vanuit de gemeente Kaag en Braassem wordt gestreefd naar duurzame ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling wordt duurzaam gebouwd waarbij duurzame materialen gebuikt worden. Tevens worden de woningen conform de eisen van het Bouwbesluit gasloos gebouwd. Verder worden de nieuwe woningen voorzien van duurzame en energieopwekkende installaties.
19
3.4.3 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. De ‘Nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelingsen ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de Nieuwe Wetering, zoals zichtbaar op navolgende afbeelding
Uitsnede visiekaart Nota Inbreidingslocaties, planlocatie zwart omcirkeld
De planlocatie is gelegen in een gebied dat aangemerkt is als ontwikkellocatie. Verder maakt het geen onderdeel uit van de lintbebouwing. Aan de westkant van Nieuwe Wetering ligt de Veender- en Lijkerpolder. In deze polder liggen aan de Achterweg diverse grootschalige glastuinbouwcomplexen met bijbehorende tuinderswoningen. Deze complexen liggen echter buiten de rode contour van Nieuwe Wetering. Naast de lintbebouwing kent Nieuwe Wetering op kleine schaal inbreidingslocaties met een meer projectmatig karakter. Deze nota geeft voor dit gedeelte van Nieuwe Wetering geen specifieke richtlijnen voor kleinschalige inbreidingsverzoeken.
20
3.4.4 Welstandsnota De raad van Kaag en Braassem heeft ervoor gekozen om voor de cultuurhistorisch waardevolle gebieden welstandsbeleid op te stellen. Het gaat dan om de beschermde dorpsgezichten, de monumenten en de omliggende percelen van monumenten. In de welstandsnota zijn deze gebieden en objecten beschreven. Het individuele belang van de initiatiefnemer wordt gewogen ten opzichte van het collectieve belang. Op de welstandskaart staan de percelen aangeduid waarvoor een welstandstoets geldt. De rest van de gemeente is welstandsluw. Welstandsluw betekent dat een eventuele excessenregeling wel van toepassing is. De excessenregeling maakt het mogelijk een bouwwerk dat “in ernstige strijd is met redelijke eisen van welstand” alsnog aan een welstandstoets onderhevig kan zijn. Burgemeesters en wethouders kunnen de eigenaar van een bouwwerk aanschrijven om deze strijdigheid op te heffen. Planspecifiek Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem in de kern Nieuwe Wetering.
Uitsnede Welstandskaart Nieuwe Wetering, gemeente Kaag en Braassem (plangebied zwart omkaderd)
Uit de gegevens van de Welstandskaart blijkt dat het plangebied gelegen is in welstandsluw gebied. Een welstandstoets voor de beoogde ontwikkeling is daarom niet aan de orde. Tevens bevindt er zich geen monumentale bebouwing binnen het plangebied. Gesteld kan worden dat de Welstandsnota geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
21
4 Omgevingsaspecten In het kader van een ‘goede’ ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling, die afwijkt van het vigerend bestemmingsplan, uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer
22
woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat maximaal 12 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Er dient te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten, zo vereist paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. In het plangebied vinden diverse ingrepen plaats in het kader van de realisatie van de nieuwbouw. In eerste instantie dienen de bosschages te worden verwijderd. Om vervolgens de nieuwbouw te realiseren zijn er verschillende ruimtelijke ingrepen nodig, waaronder ontgravingen, het bouwrijp maken van de gronden en het aanleggen van voorzieningen. Onderhavige herontwikkeling is onderdeel van de ontwikkeling van Nieuwe Wetering Noord. Desalniettemin is de kans op cumulatie van effecten met andere projecten klein, aangezien de verschillende locaties gefaseerd ontwikkeld worden. Het verkeer dat door het project op gang komt is beperkt. Daarnaast worden er op de locatie woningen toegevoegd, waardoor hoogstwaarschijnlijk de productie van afvalstoffen toeneemt. In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook hier het afval (huisvuil) in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden.
Daarmee treden er in de permanente fase weinig effecten op die een negatief milieueffect hebben. Het grootste risico op effecten ontstaat tijdens de tijdelijke aanlegfase. Tijdens de aanlegfase is tijdelijk sprake van werkzaamheden en een toename van verkeer. De belangrijkste effecten hierbij zijn geluidsproductie, verkeersgeneratie en luchtverontreiniging. Gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden en de ruime opzet van de Regenboogweg zijn er van de aanlegfase geen problemen voor de omgeving te verwachten. Daarnaast komt bij de sloop-/en aanlegfase bouwafval vrij. Dit afval wordt conform wet- en regelgeving afgevoerd. Er is geen sprake van productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Het project vindt plaats op een binnenstedelijke locatie, waardoor er geen schade ontstaat aan kwetsbare gebieden. Uit de quickscan Wet natuurbescherming (zie toelichting paragraaf 4.4) blijkt dat er geen externe effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden (> 10 km) en het feit dat de nieuwe panden conform BENG worden uitgevoerd is ook een significant negatief effect voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie uit te sluiten.
Voorliggende planontwikkeling is van relatief onaanzienlijke schaal, waardoor productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt is. Doordat de ontwikkeling slechts gebouwen en bijbehorende voorzieningen mogelijk maakt zijn de aard en de complexiteit van het project klein. Daarmee zijn de effecten beperkt en komt de kwaliteit van de omgeving van het plangebied niet in het geding. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerpplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
23
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde plan. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Onderhavig plan voorziet in een bestemmingswijziging van 'Groen' naar 'Wonen'. Hiermee vindt een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik plaats, waardoor het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is. Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, project 34583, d.d 25 mei 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is vastgelegd.
Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht en is voor de twee aanwezige watergangen welke (deels) gedempt zullen worden de kwaliteit van het slib vastgelegd. Chemische kwaliteit Op de gehele locatie in zowel grond als grondwater zijn lichte verhogingen aangetoond. Asbestonderzoek Er is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aan leiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Waterbodemonderzoek De kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de te dempen watergangen is vastgelegd. De bodem bestaat uit klei met daarboven een sliblaag. Visueel is geen asbestverdacht materiaal in of nabij de waterbodem waargenomen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft voldoende inzicht in de kwaliteit van de sliblaag. De resultaten geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde woonbestemming met zich meebrengen. Ter plaatse van de onderzochte delen van de aanwezige watergangen wordt aanbevolen om, alvorens deze gedempt worden, de sliblaag te verwijderen.
4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale
24
overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert.
Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 12 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM 10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 16,1 μg/m³, 8,4 μg/m³ en 16,9 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide, en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).