20210930_t_NL.IMRO.1884.BPVEENSECAMPUS-ONT1
Tekst van het document
24
NO2 over 2016 nabij de planlocatie bedragen respectievelijk maximaal 17 µg/m³, 9 µg/m³ en 16 µg/m³. Daarmee wordt er voldaan aan de gestelde grenswaarden en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld
25
vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn. De Veiligheidsregio Hollands Midden heeft de gelegenheid gehad om te adviseren over dit plan (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Om te beoordelen of er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
26
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart komt naar voren dat er in de directe omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de A4. Voor de A4 geldt een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 1,3 kilometer van de A4 en ligt daarmee in het invloedsgebied van de A4. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4.000 m. Een nieuwe risicoberekening is niet nodig, omdat de afstand tot de transportroute A4 meer dan 200 m bedraagt (Besluit externe veiligheid transportroutes, art 8). Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet wel aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A4 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.
Bij een incident met een LPG-tankwagen op de A4 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de realisatie van het plan. De hulpdiensten kunnen het gebied en/of locatie via lokale wegen bereiken om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid te brengen via de Veerstraat, mits tijdig gewaarschuwd. Risicovolle inrichtingen Ten noordoosten van het plangebied ligt op circa 400 meter een zwembad. Hierbij vindt de opslag plaats van chloorbleekloog. Gezien de grote afstand wordt dit niet als een belemmering gezien. 50 meter ten oosten van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation (type C) aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet binnen de aanwezige veiligheidszone. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er verder geen risicovolle bedrijven of activiteiten (stationaire inrichtingen) in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Met andere woorden, het plangebied ligt niet in een invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook worden door het plan geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
27
Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. In de omgeving van het plangebied is een diversiteit van functies aanwezig. Derhalve kan van een gemengd gebied worden uitgegaan. In dit geval kan de risicoafstand met één stap worden verlaagd. Met de beoogde ontwikkeling wordt de Bonaventura College herontwikkeld tot bedrijfsverzamelgebouw. Daarbij worden ook circa 27 sociale huurwoningen gebouwd. De bestemming 'Maatschappelijk" zal met de ontwikkeling verdwijnen en deze zal plaats maken voor de bestemmingen 'gemengd'. Daarom is aan de hand van de bestemmingsplannen 'Oude Wetering' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel.
28
Activiteit
Adres
SBIcode
Milieucategorie
Richtafstand in gemengd gebied (m)
bedrijfsverzamelgebouw
Schoolbaan 1
1
0m
maatschappelijke voorzieningen
Schoolbaan
1
0m
0m
zorggerelateerd wonen
Schoolbaan 4
63, 64 t/m 71, 73 74, 77, 78, 80 t/m 82 & 5510 8621, 8622, 8623 8621, 8622, 8623
Minimale afstand tot het plangebied (m) 0m
1
0m
10 m
20 m
50 m
Gasdrukregelmeetstation
en
In de directe omgeving van het plangebied zijn drie bedrijfsactiviteiten activiteiten relevant. Deze zijn hieronder specifiek besproken. Bedrijfsverzamelgebouw In de beoogde ontwikkeling zal het schoolgebouw meerdere functies bevatten. Zo kan de zaal in het schoolgebouw gebruikt worden als conferentieruimte, oefenruimte voor muziek, theater of dans, bijeenkomsten van verenigingen, cursusruimte en presentaties. Er zullen met de ontwikkeling 27 sociale huurwoningen worden gebouwd. Woningen zijn milieugevoelige bestemmingen. Zoals de bovenstaande tabel laat zien kan er voor dergelijke activiteiten uit worden gegaan van een milieucategorie van 1. Voor een milieucategorie van 1 in een gemengd gebied kan worden uitgegaan van een richtafstand van 0 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De toekomstige woningen zullen niet aan het schoolcomplex worden vast gebouwd. Tussen de woningen en het complex staat een binnentuin die eventuele overlast kan voorkomen. Door de toekomstige woningen en het schoolgebouw los van elkaar te bouwen bestaat er geen constructieve verbinding met het schoolgebouw. De hoofddraagconstructie en de fundering van beide bouwdelen zijn zelfstandig. Ouderenwoningen Schoolbaan Roelofarendsveen Direct ten oosten van het plangebied staat de bouw van meerdere ouderenzorgwoningen gepland.
Deze woningen zijn nog gebouwd, maar uitgaande van een goede ruimtelijke ordening zijn deze wel in de milieuzonering meegenomen. Voor dergelijke bedrijfsactiviteiten geldt een risicoafstand in gemengd gebied van 0 meter. Hof Alkemade 10 meter ten zuidoosten van het plangebied staat een het Hof Alkemade. Hier vinden meerdere zorggerelateerde activiteiten plaats. Uitgaande van een gemengd gebied geldt ook hier een risicoafstand van 0 meter. Gasdrukregel- en meetstation Uit het geldende bestemmingsplan Oude Wetering uit 2017 blijkt dat ten oosten van de planlocatie (afstand circa 50 meter) een gasdrukregel- en meetstation (type C) aanwezig is. In het geldende bestemmingsplan geldt hiervoor een veiligheidscontour. Binnen de aanduiding 'veiligheidszone - barim' zijn geen nieuwe beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten toegestaan. De ontwikkeling bevindt zich buiten deze contour. Het gasdrukregel- en meetstation leidt niet tot belemmeringen voor het plan.
29
Conclusie Gezien het voorgaande zijn er geen belemmeringen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en worden milieubelastende activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt als gevolg van de ontwikkeling. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect milieuzonering en het plan uitvoerbaar is.
4.7 Water De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering.
30
De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en beleidsregels 2015 De 'Keur en Beleidsregels' maken het mogelijk dat het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteitsen kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
• • •
Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken), Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De meest actuele versie betreffen de Keur Rijnland 2015 en de Uitvoeringsregels Keur 2015. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd. Planspecifiek Digitale watertoets Op 9 februari is de digitale watertoets uitgevoerd (dossiercode 20210209-13-25501). De uitkomsten hiervan zijn naar de gemeente Kaag en Braassem en het hoogheemraadschap van Rijnland toegezonden.
Uit de digitale watertoets blijkt dat er sprake is van een waterbelang. Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard. Omdat de gronden in het plangebied in de bestaande situatie volledig verhard is zal de verharding in de toekomstige situatie niet toenemen. Er is daarmee geen sprake van een toename aan verharding die hoger is dan de norm van 500 m², waarboven volgens de beleidsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland watercompensatie plaats moet vinden. Riolering en afkoppeling Het hemelwater wordt in de toekomstige situatie in de bodem geïnfiltreerd. Voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater worden de nieuwe woningen aangesloten op de bestaande riolering. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
31
4.8 Cultureel erfgoed 4.8.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek In het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Nader cultuurhistorisch onderzoek is niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande dient er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect cultuurhistorie. 4.8.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland.
Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld, dat in 2013 geactualiseerd is. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart (plangebied: zwarte omkaderd)
32
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Daarbij geldt dat archeologisch onderzoek niet nodig is en dat er geen specifieke voorwaarde zijn met betrekking tot bodemingrepen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat onderhavig plan niet belemmerd wordt door het aspect archeologie.
4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Met de beoogde herontwikkeling van de Veense Campus wordt er bebouwing gesloopt. Om aan te tonen of de planlocatie van betekenis is voor beschermde soorten van de Wet natuurbescherming (Wnb) is een onderzoek uitgevoerd door Blom Ecologie (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2).
33
Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soortgroep: gebouwbewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aeriusberekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De beoogde renovatie en sanering aan de Schoolbaan 1 te Roelofarendsveen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden Zorgplicht Broedende vogels mogen niet worden verstoord en in gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen bij voorkeur buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus.
Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
34
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 (gepubliceerd op 15 maart 2018). Daarin is het plangebied aangewezen als 'rest bebouwde kom'. Met de beoogde ontwikkeling wordt het schoolgebouw getransformeerd tot bedrijfsverzamelgebouw met woningen. In het verleden werd het pand gebruikt als schoolgebouw. Het parkeren bij het schoolgebouw vond plaats op het terrein ten oosten van het plangebied. Iedere vrijdag wordt het zuidelijke deel van het terrein gebruikt voor de weekmarkt. Onderstaand wordt er ingegaan op de parkeerbehoefte van de huidige situatie en de toekomstige situatie. Huidige situatie In de huidige / originele situatie werd het pand gebruikt als schoolgebouw.
Bij het gebruik van de middelbare school ging ook het parkeerbehoefte samen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte van de school is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij wordt uitgegaan van een middelbare school, in 'matig stedelijk gebied' en in 'rest bebouwde kom'. Per 100 leerlingen geldt een parkeerbehoefte van gemiddeld 4,9. Op de Bonaventuracollege was er ruimte voor ca. 300 leerlingen. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van 14,7. Toekomstige situatie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie een bedrijfsverzamelgebouw en 27 sociale huurwoningen. In de navolgende tabel is uiteengezet wat de parkeerbehoefte conform minimale gemeentelijke parkeernormen is. Woningen (grondgebonden)
Parkeernorm
Aantal
Bewoners
Bezoekers
Totale parkeerbehoefte
Etage, goedkoop (<65 m2) Kantoor/bedrijf
1,2 per woning 1,7 per 100m² b.v.o. 1,7 per 100m² b.v.o.
27
22,7
9,7
32,4
gemeenschapszaal
2700 m² 450 m²
Totaal
45,9 7,65 22,7
9,7
85,95
Gezien het gebruik van het pand in de beoogde situatie kan er voor de parkeernormen worden uitgegaan van een bedrijfsverzamelgebouw. Een bedrijfsverzamelgebouw is een (kantoor)gebouw waarin meerdere bedrijven gehuisvest zijn. Vaak gaat het om een mix van startende bedrijven alsmede middelgrote bedrijven die hier een kantoor huren. Voor de woningen is uitgegaan van 'Etage, goedkoop (<65 m²)'. Uit de bovenstaande tabel is te lezen dat de totale parkeerbehoefte minimaal 86 parkeerplaatsen bedraagt. Echter is er sprake van dubbelgebruik bij het parkeren. In de Beleidsregel Parkeernormen Kaag en Braassem 2018 is ook een tabel voor dubbelgebruik opgenomen. De parkeerbehoefte van het plangebied verschilt per dagdeel. In de navolgende tabel is het maximale aantal benodigde parkeerplaatsen berekend. Hieruit blijkt dat het maximaal aantal benodigde parkeerplaatsen piekt op een werkdag in de middag. Tijdens de piek is er behoefte aan 67 parkeerplaatsen.
35
Totaal dubbelgebruik Werk ochten d
Werk midda g
11,35
11,35
0,97
1,94
Kantoor/bedrijf
45,9
gemeenschapszaa l Totaal
Woningen bewoners Woningen bezoekers
Werk avon d 20,4 3
Koopavon d
Werk nacht
Zat midda g
Zat avon d 18,1 6
Zon midda g
18,16
22,7
5,82
7,76
6,79
-
5,82
9,7
6,79
45,9
2,3
2,3
-
-
-
-
7,65
7,65
7,65
7,65
7,65
7,65
7,65
7,65
65,87
66,84
38,1 4
34,9
30,3 5
19,29
35,5 1
30,33
15,89
De parkeerbehoefte van het plangebied wordt deels opgelost op het eigen plangebied en deels op de parkeerplaats ten oosten van het plangebied. Rondom het schoolgebouw worden 43 parkeerplaatsen gerealiseerd. 24 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op de openbare parkeerplaats gelegen naast het plangebied. De parkeergelegenheid ten oosten van het plangebied zal in de toekomstige situatie afnemen met de komst van de kleinschalige woonvoorziening (zorgwonen) met wooneenheden. Hiervoor is in 2019 een parkeeronderzoek gedaan (bijlagen bij toelichting, bijlage 3). In het onderzoek is gekeken naar de huidige parkeergelegenheid en parkeerbehoefte in de omgeving van de Schoolbaan. Met de komst van de zorgwoningen zal het totale terrein gehalveerd worden. Hierdoor zal het aantal openbare parkeerplaatsen afnemen en de parkeervraag voor openbare parkeerplaatsen juist toenemen. Tijdens het onderzoek is er gekeken naar het aantal beschikbare en bezette parkeerplaatsen op een donderdag, vrijdag en zaterdag. Op de vrijdagochtend is de hoogste parkeerdruk omdat er op die dag de weekmarkt een groot deel van de parkeerplaats inneemt. Met de komst van de zorgwoningen komen ca. 50 parkeerplaatsen te vervallen. De parkeerdruk in de toekomst bij dezelfde bezettingsgraad op gemiddeld 45,87% uitkomen. Dit betekent dat er t.o.v.
de aanvaardbare bovengrens aan vrije ruimte (33 parkeerplaatsen) aan openbare ruimte beschikbaar is vóórdat men kan spreken van een parkeerterrein dat theoretisch vol is (>85%). In totaal denkt de gemeente 58 parkeerplaatsen te kunnen realiseren op het marktplein. Hiervan zullen er 8 worden gebruikt door dagelijks leven en 24 door het Hof van Alkemade. Op de openbare parkeerplaats is in de toekomstige situatie nog vrije ruimte voor 26 parkeerplaatsen vóórdat men kan spreken van een parkeerterrein dat theoretisch vol is. Dit, in combinatie met de 7 extra parkeerplaatsen aan de noordkant van de Veense Campus en het dubbelgebruik rondom de veense campus, zorgt ervoor dat er voldoende ruimte is voor de 24 benodigde parkeerplaatsen. Onderstaande afbeelding toont een situatietekening van de beoogde parkeerplaatsen.
36
Situatietekening parkeren (bron: VRP architecten)
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt het schoolgebouw getransformeerd tot een bedrijfsverzamelgebouw met 27 sociale huurwoningen. Tijdens de piekbelasting (Werk Middag) is er een parkeerbehoefte van 67. Het grootste gedeelte van deze parkeerplaatsen (43) zal worden gerealiseerd op eigen terrein. De andere 24 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd op het openbare parkeerterrein. Er zijn nog 26 parkeerplaatsen beschikbaar op het openbare parkeerterrein voordat deze theoretisch vol zal zijn. Daarnaast moet vermeld worden dat in het verleden het openbare parkeerterrein werd gebruikt door de Bonaventuracollege, waarbij een totale parkeerbehoefte van 15 parkeerplaatsen bestond. Met herinrichting van het openbare parkeerterrein is het mogelijk de ruimte efficiënter in te richten zodat er meer parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden (58). Daarnaast worden er eventueel ook nog 7 extra parkeerplaatsen ten noorden van het plangebied gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden betreft het aspect parkeren. 4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld.
Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen
37
voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek In de huidige/ originele situatie is het pand gebruikt voor een middelbare school. Hiervoor geldt, uitgaande van een matig stedelijke gebied in de rest bebouwde kom een gemiddelde verkeersgeneratie van 16,1 per 100 leerlingen. Uitgaande van 300 leerlingen was er sprake van een verkeersgeneratie van 48,3 per etmaal. Voorliggend bestemmingsplan voorziet uiteindelijk in de realisatie van een bedrijfsverzamelgebouw en 27 sociale huurwoningen. Er wordt uitgegaan van 'weinig stedelijk' in de 'rest bebouwde kom'. Voor de huurwoningen geldt een verkeersgeneratie van 4,9 per woning. met 27 sociale huurwoningen komt dit neer op een verkeersgeneratie van 132,2 per etmaal. Voor het bedrijfsverzamelgebouw geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,35 per 100 m² bvo. uitgaande van een bvo van 2.700 m² komt dit neer op een verkeersgeneratie van 198,45 per etmaal. Opgeteld is in de huidige (planologische) situatie naar verwachting sprake van een verkeersgeneratie van 331 voertuigbewegingen per etmaal. De ontsluiting zal net als in de huidige situatie grotendeels via de Schoolbaan gebeuren. Daarna is er de mogelijkheid om via de Meerkreuk en de Alkemadelaan richting de A4 te rijden..
Het aspect verkeer is gezien het voorgaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.11 Luchthavenindelingsbesluit Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid). Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het beperkingsgebied zoals aangegeven op kaart twee van het luchthavenindelingsbesluit. Het plangebied is gelegen op de ‘Kaart 4 maatgevende kaart toetsingshoogtes’ (zone hoger dan 145 m NAP) en de ‘Kaart 4a Toethoogte radar’(zone 80-100 m NAP). Voor de gronden van het plangebied geldt dat er niet hoger mag worden gebouwd dan de aangegeven maximale waarden. Er gelden geen andere beperkingen voor het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt het bestaande schoolgebouw getransformeerd. Er zal niet hoger worden gebouwd dan de maximale toegestane hoogtes. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het Luchthavenindelingsbesluit geen belemmering vorm voor de beoogde ontwikkeling.
38
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven.
39
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Het plangebied dient de bestemming 'Gemengd' te krijgen gezien de verschillende functies die het gebouw met de beoogde ontwikkeling zal hebben. Gronden aangewezen met 'gemengd' zijn bestemd voor wonen, horeca, dienstverlening en de daaraan ondergeschikte tuinen en parkeervoorzieningen. De woningen in het noorden van het plangebied krijgen de specifieke aanduiding van 'wonen'. Hiermee kan vastgelegd worden waar de woningen precies komen te liggen. Artikel 4 Verkeer Het oostelijke deel van het plangebied dat buiten de kadastrale grens valt van het bedrijfsgebouw dient de bestemming 'Verkeer' te krijgen.
De gronden zullen onder andere gebruikt worden ten behoeve van parkeren. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn aanduidingsregels opgenomen ten aanzien van de Luchthavenverkeerszone. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 10 Overige regels In dit artikel zijn de regels betreft parkeren opgenomen. Deze komen overeen met de regeling uit het 'Parapluplan Parkeren. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.
40
Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
41
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro, kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.
42
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Participatie Om omwonende actief te betrekken bij de ontwikkeling van het plan hebben er meerdere activiteiten plaatsgevonden. Allereerst zijn bewoners aan de Piet de Jongstraat en de Schoolbaan geïnformeerd met een brief. Met de brief heeft de initiatiefnemer zich voorgesteld en heeft hij aangegeven iedere woensdag aanwezig te zijn om eventuele vragen van omwonende te ontvangen. Op 17 juni 2021 heeft er een burenavond plaatsgevonden.
Op 1 juni waren de omwonende middel een brief uitgenodigd voor de burenavond. Tijdens deze avond zijn de plannen betreft de schoolbaan gepresenteerd. Met de aanwezigheid van de gemeente Kaag en Braassem als toehoorder is het plan gepresenteerd. Het plan was goed bevallen en de omwonende vinden het goed dat er in het plan veel aandacht is voor het parkeren. Daarnaast hopen ze dat het groen in het concept behouden blijft. Begin maart is de website www.veense-campus.nl online gebracht. De buurt is hiervan op de hoogte. Hier publiceert de initiatiefnemer geregeld nieuws over het project. In aanvulling op bovengenoemde activiteiten is bewust de pers opgezocht.
7.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het plan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners.
7.2 Zienswijzen Het bestemmingsplan zal in de toekomst ter inzage worde gelegd. Gedurende deze periode kunnen er zienswijzen worden ingediend.
43