20210930_t_NL.IMRO.1884.BPVEENSECAMPUS-ONT1
Tekst van het document
bestemmingsplan
De Veense Campus Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1884.BPVEENSECAMPUS-ONT1
Datum:
2021-09-30
Contactpersoon Buro SRO:
J. van Nuland | F.M. Polderman
Kenmerk Buro SRO:
SR200394
Opdrachtgever:
VRP Architecten
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 16 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 25 4.6 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 28 4.7 Water ................................................................................................................................................................
30 4.8 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 32 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 33 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 34 4.11 Luchthavenindelingsbesluit ............................................................................................................................. 38
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 39 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 39 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 39 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 39 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 39
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 42 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 43 7.1 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 43 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 43
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft voornemens om het schoolgebouw van de Bonaventuracollege te transformeren. Het Schoolgebouw is nu niet meer in gebruik, maar nog niet in zodanige staat dat deze verouderd zal zijn. Het Schoolgebouw dient omgebouwd te worden tot een bedrijfsverzamelgebouw waar wonen, werken en andere faciliteiten gecombineerd zullen worden. In het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' hebben de gronden van het plangebied de bestemming maatschappelijk. De beoogde ontwikkeling is daarmee in strijd met het huidige bestemming en derhalve dient er voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient er een herziening van het bestemmingsplan gemaakt te worden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Schoolbaan te Roelofarendsveen. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Alkemade, sectie B, perceelnummer 3539. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven.
Globale ligging plangebied (rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: PDOK)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Oude Wetering' (vastgesteld op 29 mei 2017). De gronden in het plangebied hebben in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Oude Wetering' (plangebied is rood omkaderd)
De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op de bestemming 'Maatschappelijk'. Met maatschappelijke bestemde gronden zijn voornamelijk bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op maatschappelijke en culturele voorzieningen en horecavoorzieningen of zorgwoningen. Op gronden die bestemd met de bestemming 'Maatschappelijk' is geen bedrijfsverzamelgebouw of woningen toegestaan.
6
Daarmee is het voorgenomen plan in strijd met het geldende bestemmingsplan. Derhalve is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.
1.4 Leeswijzer De huidige en de toekomstige situatie in het plangebied worden in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het project onderbouwd met betrekking tot de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevatten hoofdstuk 6 en 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van het vooroverleg en een verslag van de tegen het ontwerpwijzigingsplan ingediende zienswijzen zijn opgenomen.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is centraal gelegen in Roelofarendsveen in het meest zuidelijke deel van de Oude Wetering. Het plangebied ligt aan de Schoolbaan 1 en circa 200m verwijdert van het Braassemermeer. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit bebouwing met maatschappelijke functies. Direct ten westen van het plangebied ligt een woonwijk. In de huidige situatie betreft het plangebied een oud middelbaar schoolgebouw van de Bonaventuracollege. De school heeft inmiddels het schoolgebouw een jaar geleden verlaten waarna het gebouw buiten gebruik is geraakt. Onderstaande figuur toont een impressie van de huidige situatie van het schoolgebouw.
Impressie huidige/oorspronkelijke situatie
Hoewel het schoolgebouw buiten gebruik is geraakt, is deze nog niet zodanig verouderd. Het gebouw heeft nog voldoende energie om nog jaren activiteiten te huisvesten. Het schoolgebouw bestaat uit meerdere klaslokalen, een aula en een gymzaal. Voor het schoolgebouw ligt nu een leegstaand asfaltterrein. Dit terrein wordt voornamelijk gebruikt als parkeerplaats, maar ook als weekmarkt. Elke vrijdag maakt de markt gebruik van het asfaltterrein. Onderstaande figuur geeft een impressie van het parkeerterrein.
8
Parkeerterreinen ten oosten van het plangebied (bron google, mei 2019)
Rondom het plangebied staan meerdere ontwikkelingen gepland. Op een groot deel van het parkeerterrein staat nu een ontwikkeling van 20 ouderenwoningen gepland. Hierdoor zal het oppervlakte van het parkeerterrein met ongeveer de helft afnemen. Ten oosten en noordoosten van het plangebied staan ook meerdere ontwikkelingen gepland.
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens de planlocatie te herontwikkelen tot de 'Veense Campus'. In de toekomstige situatie zal het gebouw worden gebruikt om te leren, te inspireren, creativiteit en expressie tot uiting te brengen, plezier te maken en samen te werken. De Veense Campus zal zich ontwikkelen tot campus. Op de navolgende afbeeldingen is een impressie van de toekomstige situatie weergegeven.
9
Impressie toekomstige situatie (bron: VRP architecten B.V. februari 2021)
Bij de herontwikkeling zal het schoolgebouw grotendeels behouden blijven, wel dient een klein deel van het gebouw gesloopt te worden. Van het schoolgebouw wordt de gymzaal, kleedruimte en de conciërgeruimte gesloopt. Onderstaande figuur toont de te slopen bebouwing.
De te slopen bebouwing
Het schoolgebouw blijft verder bouwkundig vrijwel intact. Bij de verbouwing wordt het interieur aangepakt. De kleurstelling en de afwerking wordt consequenter en lichter en zal geschikt gemaakt worden voor gebruik als kantoor. Echter zal het uiterlijk van het gebouw herkenbaar blijven als schoolgebouw.
10
Impressie woningen en binnen tuin (bron: VRP architecten B.V., februari 2021)
De hoge ruimte van de aula blijft intact en daar waar de gymzaal aansloot op de aula komt een hoge glazen pui waardoor een serreachtige ruimte ontstaat. Doordat het licht nu dwars door de ruimte valt wordt de entree transparant en uitnodigend. De aula en de binnentuin vormen één groene lichte ruimte, waar de bewoners en de medewerkers van de kantoren elkaar kunnen ontmoeten, kunnen samenwerken, studeren, koffiedrinken en lunchen. Er worden in twee bouwdelen 27 sociale huurwoningen op de plek van de gymzaal teruggebouwd. De twee bouwdelen vormen samen de entree naar de woningen en een gezamenlijke binnentuin grenzend aan de aula. Er zijn in de twee bouwdelen twee typen startersappartementen: studioappartementen met een open plattegrond en tweekamerappartementen met balkon en een ruime slaapkamer. Er zal geen constructieve verbinding bestaan tussen de nieuwe te bouwen woningen en het bestaande Schoolgebouw. De hoofddraagconstructie en de fundering van beide bouwdelen zijn zelfstandig. De doelgroep voor deze woningen zijn jonge starters, studenten of werkenden die alleen of samen op eigen benen gaan staan. De gemeente geeft aan dat bij nieuwbouwprojecten minstens 30% sociale huur moet zijn, dit zal in de regels van dit bestemmingsplan worden vastgesteld. De ambitie is om met de beoogde ontwikkeling 100% sociale huur te realiseren. De klaslokalen worden ingezet als kantoorruimte.
De ruimtes die grenzen aan de entresol boven de aula worden verhuurd als kleine kantoorunits. De gebruikers van de kantoren zullen gebruik maken van de aula, de binnentuin en de vergaderfaciliteiten. De bibliotheek zal worden ingezet als flexibele werkplek en vergaderruimten. Hier kunnen zelfstandigen en flexwerkers terecht voor een werkplek. Er wordt ruimte geboden aan samenwerking, overleg en presentaties. Door de binnentuin ontstaat ook een gevelopening vanuit de bibliotheek naar de binnentuin en het daklicht zal in ere worden hersteld waardoor de bibliotheek een lichte en open ruimte wordt. De ontsluiting van deel van de planlocatie vindt voornamelijk via de Schoolbaan plaats. De parkeergelegenheid wordt geregeld aan beide kanten van het gebouw en op de parkeerplaats ten oosten van het schoolgebouw.
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied, omdat geen van de nationale belangen het voorgenomen plan raakt. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied, omdat geen van de nationale belangen raakt aan het voorgenomen plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
12
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 27 sociale huurwoningen en de herontwikkeling van het schoolgebouw. Het toevoegen van sociale 27 woningen kan als een stedelijke ontwikkeling worden gezien. De beoogde ontwikkeling om het schoolgebouw te transformeren tot bedrijfsverzamelgebouw is een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijke gebied. Omdat er meerdere woningen worden gerealiseerd is de ontwikkeling wel ladderplichting, Derhalve zijn onderstaand de kwalitatieve en de kwantitatieve behoefte toegelicht. Behoefte kwalitatief Op dit moment is er een aanzienlijke schaarste aan woningen in de sociale huur. Het actuele tekort aan sociale huurwoningen in de regio wordt geschat op circa 3.000.
Met de beoogde ontwikkeling worden 27 huurwoningen gerealiseerd, waarvan het doel is ze allemaal als sociale huurwoningen te realiseren. Hiermee kan een kleine bijdrage worden geleverd om het tekort van sociale huurwoningen te verkleinen. kwantitatief In de regio Holland Rijnland is een sterke vraag naar meer woningen. Tot aan 2030 zijn er in de regio nog 4.000 extra sociale huurwoningen nodig, bovenop het in te lopen tekort van 3.000 woningen. Gezien het voorgaande kan geconstateerd worden dat er een grote kwalitatieve en kwantitatieve behoefte is naar sociale huurwoningen in de regio en Kaag en Braassem en dat de voorgenomen ontwikkeling daarmee voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, die deel uit maken van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.
13
Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De ambitie van de provincie is een slim, schoon en sterk Zuid-Holland. De Provincie gaat uit van zes richtinggevende ambities, waarbinnen een aantal opgaven zijn geformuleerd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
De provincie heeft 12 provinciale opgaven gedefinieerd, die elk bestaan uit samenhangende beleidskeuzes. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma’s en regels in de verordening. De relevante beleidskeuzes worden hieronder beknopt toegelicht. Planspecifiek De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze: 'Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Onderstaand wordt de beleidskeuze nader toegelicht. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleggen mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.
Onderstaand zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. - Laag van de ondergrond Voor het plangebied is de laag van ondergrond relevant. Hier geldt dat er twee lagen van ondergrond aanwezig zijn. Met de kwaliteitskaart wordt de grond allereerst aangegeven als onderdeel van het 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Richtpunten voor dergelijke gronden zijn voornamelijk gericht op in stand houden en zichtbaar maken van het reliëf en aardkundige waarden. In de huidige situatie is het plangebied al volledig bebouwd, zichtbaar maken of instandhouden van het bijzonder reliëf is ingewikkeld gezien dat het plangebied in de huidige situatie al volledige bebouwd is. Ten tweede zijn de gronden aangegeven als 'Oude zeeklei'. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar (in de toekomst) verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is van belang. - Laag van stedelijke occupatie Op de laag van stedelijke occupatie wordt het plangebied aangemerkt als 'steden en dorpen'. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap.
Bij de beoogde ontwikkeling blijft het schoolgebouw grotendeels intact. Het karakter van het gebied wordt met de ontwikkeling intact gehouden en versterkt.
14
Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en er wordt aangesloten bij de genoemde beleidskeuze. De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Voor het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 op de ladder voor duurzame verstelijking ingegaan. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Echter vindt deze ontwikkeling plaats binnen bestaand stads en dorpsgebied. Derhalve hoeft het voorgenomen plan niet nader getoetst te worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldoet.
15
Het realiseren van nieuwe kantoren kan alleen plaatsvinden als het voldoet aan de eisen die zijn gesteld in artikel 6.11 van de omgevingsverordening. Het plangebied is niet gelegen binnen de locaties aangeven in de verordening, echter kan hiervan worden afgeweken mits de realisatie van de kantoren in overeenstemming is met de actuele regionale visie op het gebied van kantoren. Dit is verder in toelichting paragraaf 3.3.3 toegelicht. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Actualisatie Kantorenstrategie Holland Rijnland 2019-2024. Echter is er bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een groter bvo dan de gegeven maximale 1.000 m². Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet gebruik gemaakt worden van maatwerkartikel 6.34 uit de omgevingsverordening. In maatwerkartikel 6.34 staat dat: 'Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels'. Hierbij moet worden voldaan aan een bepaalde afwegingslijn om op grond van bijzondere omstandigheden een beroep te kunnen doen op het maatwerkartikel. Wat betreft de bijzondere omstandigheden is het voor de provincie relevant dat (overwegingen):
• •
de initiatiefnemer met een ICT-bedrijf reeds in Roelofarendsveen is gevestigd op het voor HMC bestemde bedrijventerrein Veenderveld; het in aanvulling op de eigen verhuizing van het ICT-bedrijf (incl. uitbreiding van 975m2 naar 1100m2) gaat om het maximaal toevoegen van 1000m2 kantoorruimte ten behoeve van startups, zzp-ers en kenniswerkers;
•
de Omgevingsverordening de vestiging van nieuwe kantoren tot maximaal 1000m2 per vestiging buiten de concentratielocaties niet in de weg staat, zolang het geheel niet concurrerend is met (leegstaande) kantoren op de concentratielocaties;
•
het voorstel tevens bijdraagt aan een zinvolle invulling van een leegstaand voormalig schoolgebouw: voor wat betreft de kantoorontwikkeling vindt geen nieuwbouw plaats; verder betreft het voorstel een multifunctionele invulling die op die locatie passend en gewenst is, waaronder de woningbouw voor doelgroepen waar juist behoefte aan is; met de verhuizing van het ICT-bedrijf de huidige locatie op het voor HMC bestemde bedrijventerrein Veenderveld vrijkomt voor vestiging van HMC-bedrijvigheid, wat weer bijdraagt aan de provinciale doelstellingen voor voldoende beschikbare ruimte voor HMC;
•
•
niet meewerken betekent dat enerzijds een leegstaand pand bij uitblijven van een alternatief vooralsnog niet zal worden herbestemd en anderzijds de initiatiefnemer met het ICT-bedrijf op een plek blijft zitten, die juist bedoeld is voor HMC;
•
voor zover wordt afgeweken van de instructieregels uit de Omgevingsverordening, het voorstel gelet op het voorgaande geen onevenredige afbreuk doet aan de doelstelling van de betreffende instructieregels.
Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit de Omgevingsverordening voor de onderhavige nieuwe ontwikkelingen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern
16
midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling is met name van positieve invloed op punten 1, 3 en 6. Het bouwtempo is in de regio in de afgelopen jaren trager dan wat is afgesproken in het woningbouwprogramma. Daarbij is er met name sprake van een vertrekoverschot van jonge bewoners. De Holland Rijnland wil verder voorkomen dat jongeren verder de regio uittreken. Met de beoogde ontwikkeling worden circa 27 huurwoningen waarvan allen in de sociale huur gebouwd met als doelgroep jongeren. Met de ontwikkeling wordt de ruimte geboden voor jongeren om te wonen in Kaag en Braassem. De regio wil dat de ontwikkeling van nieuwbouw gebeurt doormiddel van inbreiding en woningbouw binnen bestaand stedelijk en dorpsgebied. Onderhavig plan is de bouw binnen bestaand stedelijk gebied van Roelofarendsveen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de kernpunten tot concentratie van stedelijke ontwikkeling en de ambitie om als topwoonregio te fungeren. 3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst.
De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.
Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2, 3, 4 en 5. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar verschillende woningtypen op een inbreidingslocatie. Ten aanzien van de sociale huurwoningen geldt dat dit een woningtype is dat niet veel voorkomt in de gemeente Kaag en Braassem. Om die reden wordt middels het voorgenomen plan in kwalitatieve zin tegemoet gekomen aan een andere type woningen dan het huidige woningaanbod. Verder gaat het voorgenomen plan nadrukkelijke gepaard met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De behoefte voor woningen, en met name
17
sociale huurwoningen, is groot in de regio. In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de regio Holland Rijnland. 3.3.3 Actualisatie Kantorenstrategie Holland Rijnland 2019-2024 De provinciale verordening (artikel 6.11) stelt dat een bestemmingsplan wat ziet op nieuwe kantoren in overeenstemming moet zijn met de actuele regionale visie die is aanvaard door de gedeputeerde staten. Voor de gemeente Kaag en Braassem is de Actualisatie Kantorenstrategie Holland Rijnland 2019-2024 van toepassing. Het Actualisatie Kantorenstrategie Holland Rijnland 2019-2024 is vastgesteld door het algemeen bestuur van Holland Rijnland op 13 maart 2019. In de kantorenstrategie wordt besproken wat voor doelen de regio precies voor ogen heeft betreft de kantoren in de regio. De provincie heeft gevraagd om de regionale kantorenstrategie te actualiseren. Een actualisatie wordt nodig geacht om in te spelen op de veranderingen in de markt. De kantorenstrategie formuleerde een driedelige opgave om te komen tot een gezonde kantorenmarkt: onttrekking, renovatie en planreductie.
Planspecifiek Strekking van de visie is dat er binnen de regio een overschot is aan het aantal vierkante meters kantoorruimte. Globaal genomen is de strategie om het aanbod weer in balans te brengen met de vraag door het aanbod te verkleinen. Daarnaast is er ook veel aandacht voor het behoud en versterken van de kwaliteit van de bestaande kantorenvoorraad en het verduurzamen hiervan. De gemeente wordt niet benoemd in deze kantorenstrategie. Waarschijnlijk omdat er in de gemeente Kaag en Braassem een beperkt aanbod van kantoorruimte aanwezig is. Binnen de gemeente is geen sprake van kantorenleegstand. Er zijn wel een aantal kantoorpanden binnen de gemeente, maar deze zijn voornamelijk ingericht op kleinschalige bedrijven die een deel van het pand huren. Het aanbod van kantoorruimte binnen de gemeente is dan ook zeer beperkt. De Veense Campus is een initiatief om een nieuwe invulling te geven aan het gebouw van de voormalige middelbare school het Bonaventuracollege aan de Schoolbaan in Roelofarendsveen. Met de beoogde ontwikkeling wordt het gebouw getransformeerd naar een multifunctioneel gebouw. Wonen, werken en maatschappelijke functies worden gecombineerd. Overdag is het een kantoor en ontmoetingsplaats voor jonge ondernemers of studenten en in de avond kan het worden gebruikt als repetitieruimte voor de lokale toneelvereniging.
Het toevoegen van extra vierkante meters kantoor lijkt op het eerste gezicht in strijd met de regionale kantorenstrategie. Dit is echter niet het geval. Binnen de gemeente Kaag en Braasem is namelijk geen sprake van kantorenleegstand. Het aanbod van kantoorruimte binnen de gemeente is zeer beperkt. Het bedrijf van initiatiefnemer is gegroeid en past niet meer in het huidige kantoorgebouw. Het oude kantoorgebouw van initiatiefnemer kan verder worden verhuurd om ruimte te maken voor andere middel/klein bedrijven. Het schoolpand aan de Schoolbaan is juist wel een leeg pand en hier wordt gezocht naar de invulling ervan. Met de transformatie naar een ‘mixed use’ gebouw kan er nieuw leven in worden geblazen. Daarnaast kan de ontwikkeling ook een impuls geven aan de omgeving van het plangebied. De omgeving van het plangebied kent al een zeer divers functiegebruik wat volop in de ontwikkeling is. Het toevoegen van een kantoorfunctie binnen het gebied draagt bij aan de diversiteit en levendigheid van het gebied. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de Actualisatie Kantorenstrategie Holland Rijnland.
18
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Kaag en Braassem De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 26 oktober 2020 de 'Omgevingsvisie Kaag en Braassem' vastgesteld. De omgevingsvisie betreft de strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem. De toekomst van de fysieke leefomgeving wordt daarbij vanuit een integraal perspectief benaderd. Dat wil zeggen dat sociale, economische en fysieke vraagstukken in samenhang worden beschouwd en vervolgens vertaald naar de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat in op verschillende thema's zoals recreatie, natuur, onderwijs, mobiliteit, gezondheid, wonen, landbouw, economie en duurzaamheid. Verder is de gemeente in vier gebiedstypen ingedeeld. Voor de verschillende gebieden zijn de kenmerken en waarden bepaald, zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruit ziet en wat het beeld voor de toekomst is. De gemeente Kaag en Braassem wil met de omgevingsvisie samenwerking verder uitdragen en stimuleren tussen organisaties, inwoners en de gemeente. Samenwerken vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder vanuit zijn eigen rol. Doordat de rol van de gemeente steeds verschillend is, wordt per opgave, per thema of per taak aangegeven welke rol de gemeente zal innemen. In de omgevingsvisie staan volgende thema's centraal:
• • • • • •
energie & grondstoffen in Kaag en Braassem; natuur, water en lucht in Kaag en Braassem; wonen in Kaag en Braassem; gezonde economische ontwikkeling in Kaag en Braassem; sociaal Kaag en Braassem; veilig Kaag en Braassem.
In de omgevingsvisie wordt per thema's aangegeven wat de gewenste beweging is en wat men wenst te bereiken. Dit resulteert vervolgens in specifieke uitgangspunten voor een bepaald thema. Gebiedstypen Naast de bovengenoemde thema's wordt in de omgevingsvisie de gemeente opgedeeld in vier verschillende soorten gebieden, namelijk het buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. In de omgevingsvisie wordt per gebiedstype een beschrijving van het gebied gegeven met de doelen en de specifieke uitgangspunten waarbinnen deze doelen bereikt moeten worden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen tussen de twee kernen van Roelofarendsveen en de Oude Wetering. Het gebied wordt in de omgevingsvisie als 'Centrum Dorps' aangemerkt. Bij de ontwikkeling van woningen geeft de gemeente de voorkeur voor inbreiding. De gemeente wil onder andere realiseren dat iedereen een passende woning vindt in een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving. Met de beoogde ontwikkeling wordt er een nieuwe werklocatie gecreëerd in combinatie met 27 sociale huurwoningen. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. 3.4.2 Nota Inbreidingslocaties Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem.
De Nota Inbreidingslocaties heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen
19
gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. Vanwege de beperkte uitbreidingsmogelijkheden in de dorpen zijn kleine locaties (inbreidingslocaties) van belang om in de lokale behoefte te voorzien. Dit betekent uiteraard niet dat alle onbebouwde of in onbruik geraakte ruimte binnen de kernen moet worden gebruikt voor het realiseren van nieuwe woningen, winkels en bedrijfsruimten. Om voldoende houvast te bieden bij het beoordelen van initiatieven is in de Nota Inbreidingslocaties voor elk dorp een beschrijving gemaakt waarin de bestaande karakteristiek is verwoord. De nota biedt enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Het uiteindelijke doel van de Nota Inbreidingslocaties is om de behandeling van inbreidingsinitiatieven op een transparante manier te laten verlopen en om de initiatieven uiteindelijk te laten leiden tot een duurzame ruimtelijke/functionele ontwikkeling van de locatie zelf en het dorp als geheel. Planspecifiek Het plangebied is volgens de Nota Inbreidingslocaties gelegen binnen de woonwijken van Roelofarendsveen. In tegenstelling tot de bebouwingslinten hebben deze wijken een projectmatig karakter.
Dit uit zich in de veelvuldige herhaling van woningtypes in rijen of reeksen en de concentratie van voorzieningen op bepaalde plekken binnen de wijk. Inbreiding in de woonwijken is alleen gewenst, mits er geen groen verloren gaat. Bij de beoogde ontwikkeling komt er meer groen terug. Het plangebied is in de huidige situatie volledig bebouwd of verhard. Zoals in toelichting paragraaf 2.2 is het voorgenomen plan passend bij zijn omgeving. 3.4.3 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden.
Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied is geen onderdeel van beschermd dorpsgebied, daarnaast zijn er in de omgeving ook geen gebouwde monumenten aanwezig binnen het plangebied. Derhalve worden er voor de beoogde ontwikkeling geen beperking verwacht met betrekking tot de welstandsnota.
20
4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met het voorliggende plan vindt er een transformatie plaats van het schoolgebouw tot een bedrijfsverzamelgebouw met 27 sociale huurwoningen. De woningen worden gerealiseerd op de locatie van het voormalige schoolgebouw. De bebouwingsmogelijkheden zullen in de toekomstige situatie weinig veranderen in vergelijking met de bestaande (planologische) situatie.
Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
21
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder gevoelig bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan betreft de herontwikkeling van het schoolgebouw aan de Schoolbaan. Bij de beoogde ontwikkeling worden meerdere woningen gebouwd waardoor er sprake zal zijn van een gevoeliger grondgebruik. Derhalve is in februari-maart 2021 door Inventerra een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlagen bij toelichting, bijlage 1).
Het doel van het uitvoeren van het bodemonderzoek was het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige en toekomstige gebruik. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse lichte bodemverontreiniging met PAK, zware metalen en minerale olie. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege met name de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en PCB in de bovengrond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. De licht verhoogde concentratie zink en matig verhoogde concentratie barium worden als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden beschouwd. gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling
4.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
22
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
Planspecifiek Voor het realiseren van de beoogde woningen, die geluidgevoelige objecten zijn en gelegen zijn binnen de onderzoekszone van de Alkemadelaan, de Meerkreuk en de Plantage, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vereist. Hiermee kan aangetoond worden of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of dat een hogere waarde tot de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volstaat. Het plangebied wordt omsloten door meerdere 30 km/u wegen, hiervoor is geen akoestisch onderzoek voor verreist. Echter valt het plangebied wel binnen de onderzoekszone van 50 km/u wegen die op grotere afstand liggen. Allereerst valt het plangebied in de onderzoekszone van de Plantage en ten tweede valt het plangebied in het onderzoekszone van de Meerkreuk. Formeel gezien is een onderzoek verreist, echter is er al een onderzoek gedaan voor de ontwikkeling van de 'Woelige Baren'. Een ontwikkeling met meerdere woningen ten oosten van het plangebied die tevens dichter aan de Meerkreuk en Plantage aan ligt. Uit dit onderzoek is gebleken dat de voorkeurgrenswaarde enkel wordt overschreden op de geplande woningen gelegen aan de Meerkreuk. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. De Omgevingsdienst heeft ter controle een indicatieve geluidberekening ter plaatse van de planlocatie uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde.
Gezien dat het plangebied verder is gelegen van de twee wegen dan bij bovengenoemd onderzoek, is het aanneembaar dat de voorkeurgrenswaarde niet wordt overtreden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat geluid geen belemmering vormt voor onderhavig ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten
23
die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.
Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling worden 27 sociale woningen gebouwd en het schoolgebouw herontwikkeld. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de NSL-monitoringstool (2019) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM 10 en PM2,5) en